Studiën over de revolutie en over het staatsrecht I. ±



Dovnload 151.17 Kb.
Pagina1/5
Datum18.08.2016
Grootte151.17 Kb.
  1   2   3   4   5
39 Studiën over de revolutie en over het staatsrecht I. ± 1840.1

Gelijk het Godsrijk de grootste, zoo is de eenvoudige familie de kleinste monarchie. En de kleinste corporatie, zoodra zij onafhankelijkheid bezit, is de kleinste republiek.

Gezag is het noodwendig resultaat van zamenzijn en ongelijkheid.2 Er moet eenheid zijn van beslissing, verbindende kracht van het bevel, of er komt twist, krijg, onderdrukking. Gezagoefening is de eigenschap, gezag is het natuurlijk en wettig eigendom van dengenen die de meeste kracht en vermogens bezit. Daardoor bezit en verkrijgt hij onderscheidene regten, ofschoon die regten, eenmaal verworven, het eigendom ook van den zwakken, tegenover den sterkeren, kunnen zijn. De algemeene natuurwet heeft het gezag, het regt van gezagoefening, oorspronkelijk verbonden aan de magt; daarna van den overgang van het wettig eigendom afhankelijk gemaakt. Dit verschil heeft Von Haller welligt niet genoeg opgemerkt, of doen opmerken. Hij toont, en teregt, dat men dikwijls magt en geweld verwart3, maar er is ook een groot onderscheid tusschen magt en gezag. Uit kracht en behoefte, in verband met de algemeene natuurwet, ontstaat oorspronkelijk elk gezag; maar, wanneer eens de regten zijn ontstaan, is het niet meer waar dat de magtigste moet heerschen, maar wel dat de heerscher, door den eerbied voor zijne regten, de magtigste moet zijn. Iemand, in het bezit der overmagt, kan, zonder geweldenaar te wezen, tevens geenerlei aanspraak hebben op het gezag.4

Overal is een natuurlijk en noodwendig gezag; het is onafscheidelijk aan het denkbeeld van zamenleving gehecht: `Nihil tam aptum est ad jus conditionemque naturae quam imperium, sine quo nec domus ulla, nec civitas, nec gens, nec hominum universum genus stare, nec rerum natura omnis, nec ipse mundus potest.' Cicero, De legibus III, 1, 3.5 Overal is ook een souverein gezag. Er kunnen vele trappen, er kan menigerlei opklimming van onderhoorigen en overheden zijn; aan het toppunt is de souvereiniteit. Dit hoogste gezag is geen alvermogen. Het is onderworpen aan God, uit wiens volheid het is ontleend. Het strekt zich niet verder uit dan tot de uitoefening en handhaving zijner eigene regten en wordt door die van alle anderen beperkt.

Het gezag is une propriété de puissance, maar niet une puissance de propriété.6 Het gezag is een eigendom, dat men oorspronkelijk op grond eener eigenschap, daarna door erfregt of op andere wijze bezit; maar de aard van het gezag, de regten die eruit voortvloeijen7, hangen van de onderscheidene betrekkingen en omstandigheden af, waarin het uitgeoefend wordt. De eigenaar van een servituut is geen eigenaar van het land.

De vraag naar den oorsprong van den staat is eene ijdele vraag. De staat heeft geen oorsprong dan in Gods wil en de natuur van den mensch. Het denkbeeld van staat kan in zeker opzigt als eenzelvig met dat van 's menschen zelfstandigheid worden beschouwd. Waar eene familie is, daar is de staat reeds gedeveloppeerd; daar is gezag, onderwerping, wet, eigendom, regt van oorlog en vrede, enz. De menschen hebben niet uitgevonden of ingesteld wat reeds door hun eigen natuur daargesteld was, wat van hun wezen onafscheidelijk is, wat in Gods bestel en ordening ligt. Men heeft in onze godsdienstlooze tijden den oorsprong van taal, eigendom, regt, waarheid, huwelijk, gezag in menschelijke overeenkomst en uitvinding gezocht en den meer verheven, natuurlijken, goddelijken, alleen waren oorsprong miskend. In welke ongerijmdheden is men niet vervallen, zoodra men getracht heeft te bewijzen dat en te toonen hoe de mensch de taal uitgevonden had. De spraak is één met de menschheid en het beginsel der taal is, gelijk onze gansche natuur, eene gave Gods. Doch de oorsprong der talen, der eigendommen, der regten, en evenzoo der staten kan worden onderzocht.

De natuurtoestand is het zamenleven, is het leven in den staat. Hetgeen J. J. Rousseau en de zijnen l'état de nature hebben genoemd, zou een toestand van verwildering en verbeestelijking zijn. De barbaren en wilden hebben, sedert men daar den natuurtoestand en in de staten slechts menschelijke kunst en uitvinding zag, een groote rol in de werken over het staatsregt gespeeld. In die wildheid heeft men, in plaats van ontaarding en verval te erkennen, onschuld gezocht. Daarbij heeft men niet bemerkt dat ook bij de meest ruwe, woeste, verwilderde volken het wezen van den staat aangetroffen wordt. De wildheid is l'état naturel8, te weten, zooals men l'incrédulité la religion naturelle heeft genoemd.9 De toestand van den mensch, die door God aan den invloed en aan de ontwikkeling zijner bedorven natuur overgelaten wordt. Hetgeen Cicero, De inventione I, 2 [,2] en ook elders10 schrijft omtrent een tijd `cum in agris homines passim bestiarum modo vagabantur', moet minder als zijne wezenlijke meening worden beschouwd, dan wel in verband met de zucht om een krans voor de welsprekendheid te vlechten, die de menschen tot eene meer geregelde levenswijze had gebragt. Zie De oratore I, 8.11

Over 't algemeen hield men de menschelijke natuur voor goed en meende, dat in vroegere tijden de menschen meer in de nabijheid der goden en meer overeenkomstig met die onbedorven natuur hadden geleefd. Vandaar de gulden eeuw; vandaar de droomerijen van Rousseau, als hij van de voortreffelijkheden der wilden gewaagt. Het onderscheid dezer twee gevoelens moet niet in de partijdige waarneming van de deugden of gebreken der onbeschaafde volken worden gezocht. De oorzaak ligt dieper. Sommigen hebben de stem van het geweten met eene neiging tot het goede verward; deze hebben gemeend dat dit beginsel van deugd door de verkeerde inrigting der maatschappijen werd tegengewerkt en onderdrukt. Anderen hebben meer op 's menschen gedurige overhelling tot het kwade gelet; en deze hebben, van 's menschen oorspronkelijke reinheid onbewust, aan het hoofd der historie een toestand van afgezonderdheid, van oorlog aller tegen allen12 gesteld. Beide hebben natuur en historie slechts ten deele gekend.

Het onderzoek naar den tijd toen de menschen nog buiten den staat hebben geleefd is nuttig, zegt men, om over de ware grondslagen van het staatsregt te kunnen oordeelen. Indien men de barbaarschheid van Rousseau bedoelt, zoo kan eene wetenschap niet op eene hersenschim, op eene valsche onderstelling worden gebouwd. Of denkt men aan de vroegste periode toen er niets buiten het familiewezen bestond, zoo maakt men ten onregte eene tegenstelling tusschen familie en staat.

`Non ita disseram . . . ut ad illa elementa revolvar . . ., ut a prima congressione maris et feminae, deinde a progenie et cognatione ordiar.' Zoo spreekt Scipio bij Cicero in de zamenspraak over de republiek.13 Maar het opklimmen tot de eerste beginsels, hetgeen voor dergelijke personaadjen14 overbodig mogt worden geacht, is algemeene behoefte in onzen tijd, nu men, dank ongeloof en eigenwaan, het alfabet der wetenschappen miskent en ontkent.15 Eene familie is niet enkel gelijksoortig aan den staat; zij is eraan gelijk. Zoodra het familiehoofd onafhankelijk is, maakt hij een staat uit. De staat is het genus, de familie eene species.

Uit eene aandachtige beschouwing van de familie kan veel voor het staatsregt in 't algemeen worden geleerd. Al terstond de eenheid der familie in de eenheid van het gezag. Echtgenoote en kroost zijn slechts de leden; man en vader is het hoofd. Man en vrouw zijn één volgens het natuurlijk, zoowel als volgens het Romeinsch en christelijk regt. Het ouderlijk gezag, zoolang de vader leeft, lost zich in het vaderlijk gezag op. De zoon wordt als één persoon met den vader geteld, l[ex] 11, Cod[ex] de impub[erum] et [de] aliis substit[ionibus]16. De vader heeft het hoogste gezag, de souvereiniteit. Merkwaardig zijn ten dien opzigte de uitdrukkingen der Romeinen: jus et majestas viri, en patrium jus et majestas. Die souvereiniteit is onverdeeld, maar niet onbeperkt. Ancillon (Nouveaux essais I, 75) begaat hieromtrent eene dwaling, die bij hem ook in andere deelen van het staatsregt aangetroffen wordt. `Déjà dans la famille la souveraineté est partagée.' Dit is valsch en steunt enkel op de verwarring van verdeeld en getemperd gezag. Duidelijk is zulks uit hetgeen volgt, dat volkomen juist is, maar enkel beperking en wijziging bewijst. `La famille ne subsisterait pas, s'il n'y avait pas une volonté qui fasse loi . . . Cette volonté ne peut être que celle du père . . . Cependant cette volonté n'est pas absolue.'17 Ook dit woord is min juist. De wil des vaders is absolue, zonder onbeperkt en willekeurig te zijn. Ook hier is volkomen waar hetgeen volgt, maar toont juist hetgeen Ancillon ontkent, het onverdeelde en absolute van het gezag (f.i.).18

In een ander geschrift (Ueber Souveränität und Staats Verfassungen19, p. 7) begaat Ancillon insgelijks, ten aanzien van het familieregt, eene zeer bedenkelijke dwaling. `Die Kinder sind in der Familie der Zweck, so wie das Volk im Staate.' Het gevolg, bij vergelijking, is juist; maar het beginsel valsch. Niet het welzijn der kinderen alleen, maar ook der ouders, het welzijn der gansche familie, het welzijn des vaders, waarin dat des geheelen gezins opgesloten ligt, wordt bedoeld. De vader is evenmin om de kinderen, als de vorst om den onderdaan is.

In het Romeinsche regt, l[ex] 1 ff20 De ritu nupt[iarum]21 wordt het huwelijk genoemd: `conjunctio maris et feminae, [et] consortium omnis vitae, divini et humani juris communicatio.' Bij alle volkeren heeft men de heiligheid van den echt erkend, de noodzakelijkheid der toewijding van het huisgezin aan God. De leer die den staat had ontheiligd, moest evenzeer leiden tot ontheiliging van het gezin.

De familieregering is de meest eenvoudige en regtmatige monarchie.22 Ook Plato, De legibus III, 680 D, zegt van dezulken die nog onder het patriarchaal gezag leefden: `πατΥovoμoύμεvoι κα_ ßασιλείαv πασ_v δικαιoτάτηv23 ßασιλευ_μεvoι.' De grootte van het voorwerp heeft niets met den aard en het wezen gemeen. Het naauwelijks zigtbare bloempje heeft, evenzeer als eik en ceder, in het plantenrijk zijne plaats; ook de mug is een dier, ook de hut eene woning, ook St. Marino een gemeenebest, en de onafhankelijke huisvader, die slechts over vrouw en kinderen gebiedt, niet minder dan de autocraat aller Russen, een vorst. Hij vaardigt bevelen uit, hij spreekt regt, hij beschikt naar goedvinden over zijn eigendom, hij neemt raad en beslist, hij verdedigt het gezin, hij sluit overeenkomsten; hij neemt anderen in zijn dienst, heeft knechten en beambten, zoodat ook de familie, dikwijls al spoedig, vooral door de huwelijken der kinderen, aanwas en uitbreiding verkrijgt. De magtigste rijken zijn veeltijds niet anders dan de natuurlijke ontwikkeling eener enkele familie geweest. Hoe vermogend waren reeds die patriarchen, waarvan ons de gewijde historie de daden verhaalt! In het oosten waar uit eenheid van geslacht en stamgenootschap eene zoo heilige betrekking geacht werd te ontstaan, zijn de meeste natiën in waarheid slechts ééne groote familie. Wat de groote monarchiën van het westen betreft, daar is gewoonlijk een vorstenhuis de kern geweest, om welke duizende personen en geslachten en eene oneindige verscheidenheid van dienst  en huldebetrekking vereenigd zijn geworden. Merkwaardig omtrent dezen geleidelijken aanwas der familie is Cicero, De officiis I, 17.24

De oorsprong van alle staten moet niet in de eenvoudige uitbreiding der familie worden gesteld. Dit heeft, onder anderen, Bilderdijk gedaan en is daardoor tot de gevolgtrekking gebragt dat er geene wettige regeringen zijn buiten de monarchie en de aristocratie, in zoover daarin de vader des huisgezins, als waarde hij onzichtbaar om, wordt ondersteld. Zie bijvoorbeeld Verhandelingen over ziel , zede  en rechtsleer, p. 91.25

Het gezag des vaders is dat van een vorst; maar hieruit volgt niet dat de vorst, ook wanneer de familie eene stam en eene natie geworden is, in allen deele het gezag eens vaders behoudt. Het beeld van vader, in zoover het de wederkeerige liefde van vorst en volk betreft, heeft iets dat bekoort, dat boven baatzuchtig heerschen en slaafsch gehoorzamen verheft. Ook is er veel waarheid in de vergelijking, maar zij wordt valsch, wanneer men tot gelijkheid besluit. De betrekking van vorst en onderdanen zou niet zonder schroomelijk onregt tot de eenvoudige betrekking van vader en kroost worden teruggebragt. Reeds wanneer, bij het overlijden des vaders, de oudste zoon het oppergezag over de stamgenooten verkrijgt, is zijne betrekking op broeders en nabestaanden26 dezelfde niet meer, die de vader op kinderen en kindskinderen had. De vrouw, de kinderen, de knechten en maagden hebben regten, door welke het gezag des vaders wordt beperkt.

Wanneer de huisvader geene onafhankelijkheid bezit, is de familie geen staat, doch maakt slechts een zelfstandig deel ervan uit. Een zelfstandig deel. De familie lost zich in den staat niet op. De regten van vader en gemaal gaan in den staat geenszins teniet. Daarom heeft men27 den staat teregt eene eenheid niet van personen, maar van geslachten genoemd. Daarom werd de miskenning van alle beginsels vereischt om in vrouwen, kinderen en dienstbaren leden van den staat te kunnen zien.

Geen staat in den staat.28 Dit is waar, indien het beteekent dat niets in den staat zich eene volkomene onafhankelijkheid van het hoogste gezag aanmatigen moet; valsch daarentegen en gevaarlijk, zoodra men hiermede aan alles wat ondergeschikt is aan dit gezag, alle zelfstandigheid ontzegt.29 Elke staat van eenige uitgebreidheid houdt eene menigte van staten in, waaraan, om dien naam met het volste regt te kunnen dragen, niets dan de onafhankelijkheid ontbreekt. Vandaar in zoovele monarchiën de Staten, les Etats. Een land bezit te meer vrijheid, naarmate aan die organieke deelen meer zelfstandigheid en eigene ontwikkeling wordt gelaten. De zelfstandigheid der familiën en geslachten30 maakt een voornaam gedeelte van het staatsregt der oude volken, vooral ook van dat der Romeinen, uit. Ook in de nieuwere geschiedenissen ontmoet men dikwijls magtige geslachten die hunne bijzondere regten, bepalingen en statuten hebben gehad. Een staat kan op onderscheidene wijzen ontstaan. De godsdienst is zeer dikwijls een middel tot vereeniging geweest. De tempels en kerken, werwaarts zich de heilbegeerige menigte begaf, werden het middenpunt van handel en beschaving, en de rijkdom der geestelijkheid gaf haar ruime gelegenheid tot bebouwing van den grond. De oorsprong van vele oude en ook nieuwe staten is zeer naauw aan dien regtstreekschen of zijdelingschen invloed van de godsdienst gehecht. Zie Van Heusde, Diatribe in civitates antiquas. Vele staten zijn geboren door geweld. De voorbeelden van veroveraars zijn talloos; de meeste groote monarchiën in het oosten zijn op die wijs gevormd. Het is echter veel te algemeen, wanneer Ancillon (Nouveaux essais I, 98) schrijft: `Les gouvernemens de droit ont été, dans l'origine des gouvernemens de fait', want in menigen staat is het gezag, ook van den aanvang af, wettig en regtmatig geweest.

Somtijds is ook iemands dapperheid, hooge wijsheid en eerbiedwaardigheid de reden geweest waarom hem door velen òf in tijden van nood de aanvoering tegen den vijand, òf bij moeijelijke geschillen de beslissing en het regterambt, daarna het hoogste gezag opgedragen of overgelaten werd. Aldus wordt van Dejoces31 verhaald en Cicero, De legibus III, 2[, 4] zegt: `Genus imperii regium ad homines justissimos et sapientissimos deferebatur.' Welligt zijn ook wel eens onafhankelijke familiehoofden overeengekomen om aan een door henzelven aangesteld gezag, aan een of meerdere magistraten, gehoorzaamheid te bewijzen en hebben zij een staat gesticht op een zeker soort van contrat social. Dit zal toch eene historische zeldzaamheid zijn geweest.

Dikwijls zijn republieken ontstaan, ten gevolge der verdrijving van een vorstelijk geslacht, of ook wel omdat het uitgestorven was. Dikwijls is de vrees, de zucht om van het behoud zijner eigendommen verzekerd te zijn, de aanleiding geweest tot onderwerping aan een vorstelijk gezag, of tot het stichten van een gemeenebest. `Hanc ob causam maxime, ut sua tenerent, respublicae civitatesque constitutae sunt. Nam etsi, duce natura, congregabantur homines, tamen, spe custodiae rerum suarum urbium praesidia quaerebant (Cicero, De officiis II, 21 [, 73]).' Het is te ver gedreven, wanneer men het aanwezen van den staat van grondeigendom afhankelijk maakt. De nomaden leven ook in den staat, al is het dat bij hen alleen het gezag van het hoofd der stam of der familie wordt erkend. Heeren, Historische Schr[iften] I, 39132 ontkent het en zegt: de Arabische beduïnen vormen geen staat (civitas). Zoodra men het denkbeeld van staat tot dat van civitas beperkt, geven wij dit toe; want bij zoodanige zwervende horden wordt enkel het patriarchaal gezag aangetroffen, geenszins burgers en een welgeregeld gemeenebest.

Al het opgenoemde, zegt men, zijn aanleidingen tot het stichten van staten geweest; maar de oorzaak waarom de menschen staten gevormd hebben, waarom zij niet gebleven zijn buiten den staat, waarom zij in den staat zamengekomen zijn, ligt in de aangeboren trek tot gezelligheid, in de natuur van den mensch, welke hem het deelnemen aan de zamenleving gebiedt. Deze uitdrukkingen: staat vormen, overgaan in den staat en dergelijke, geven ligt aanleiding tot de gevaarlijke opvatting, alsof de mensch oorspronkelijk buiten den staat had geleefd, of zoo men onder het denkbeeld van staat het familieleven niet begrijpt, dan is het onwaar, dat de trek naar het staatsleven den mensch ingeschapen is, daar het nomadenbestaan reeds zoovele eeuwen voortgeduurd heeft.

De familie is zelfstandig in den staat. De vrouw, het kind, de dienstbare blijven onder het vaderlijk gezag. Deze behooren slechts middellijk tot den staat. Het gezag des vaders moet gehandhaafd worden, want het is wettig en heilzaam. De wetten, welke dat gezag miskennen of al te zeer beperken, bevorderen het zedebederf, ofschoon, aan den anderen kant, een zeer verregaand zedebederf somtijds de tusschenkomst van hooger gezag noodzakelijk maakt. Ook de regten der onderhoorigen, der vrouwen, kinderen en dienstbaren moeten worden beschermd. De grond der hulpverleening ligt dan in de algemeene verpligting om het gezag dat God ons toevertrouwd heeft, te gebruiken in het belang van billijkheid en regt.

De meeste vrijheid33 is daar, waar de uitoefening van eigene regten de minste belemmering ontmoet.

De slavernij, wanneer men daardoor eene bestendige dienstbaarheid verstaat, kan, hoewel zij niet ligt in de oorspronkelijke natuur van den mensch, op eene wettige wijze ontstaan. Waarom zou men niet verpligt kunnen worden om op den duur van een ander afhankelijk te zijn? Zie bijvoorbeeld Genesis 47 v. 19. Daarom hebben wij geen minder levendigen afkeer van de onzedelijkheid en wreedheid der Romeinsche grooten en der westindische planters. Daarom wenschen wij niet minder dat er een einde aan den afschuwelijken slavenhandel moge worden gemaakt. De heer heeft pligten jegens den slaaf. Hij mag hem niet in den eigenlijken zin beschouwen als zaak, maar behoort er altijd den mensch in te zien. Het hoogste gezag is ook hier verpligt de regten der menschelijkheid te doen gelden. De kinderen der slaven zijn, in zeker opzigt, naturellement esclaves34; zij zijn geboren in den toestand van slavernij. Het christendom heeft de slavernij niet voor onwettig verklaard, maar, door op de wederkeerige regten en pligten te wijzen (Efeze 6 v. 5 9) terstond het wreede en harde eraan ontnomen en even daardoor den eersten stap tot eene onvermijdelijke afschaffing gedaan. Mogt men altijd in dien christelijken geest voor de belangen der slaven hebben gezorgd!

De zucht naar vrijheid, die het onderscheid der standen miskent en vernietigen wil, leidt naar de ergste slavernij. Na de afschaffing van al wat naar gilden en lijfeigenschap zweemt, is de toestand van daglooners en werklieden vrij wat ellendiger dan die van dienstbaren en lijfeigenen was.

De staat rust op de wettigheid en heiligheid van het gezag. Dat gezag, dat regt om te gebieden, is eene gave Gods, waarvan Hij het bezit, evenals dat van elk ander eigendom, aan sommige eigenschappen en betrekkingen, niet enkel aan het tijdelijk bezit der overmagt, verbindt. Die gave moet, in afhankelijkheid van God, tot Zijne eer en tot heil onzer medemenschen worden gebruikt.35 Hierin nu bestaat le droit divin. Waarbij men toch ook in het oog houden moet dat de staat van goddelijke, niet van menschelijke instelling, dat dezelve in de natuur der dingen gegrond is. `Door de gratie Gods', welke ook de oorsprong van dit bijvoegsel moge zijn geweest, is eene schoone verklaring van dankbaarheid aan Hem, van wien alle goede gave afgedaald is.36 `Stedehouder Gods' is ook een titel, daarop de overheid prijs stellen moet, een titel, waarin zij tegelijk haar regten en haar pligten erkent. Overigens hebben dergelijke uitdrukkingen niets buitengemeen: wij zijn allen door Gods genade die wij zijn37; wij zijn allen stedehouders en rentmeesters Gods.38 In het droit divin moet dus geene buitensporige vereering van regerende geslachten, geene joodsche theocratie, geene voorliefde voor de monarchie39, geene wettiging van het despotismus worden gezocht.

De gedachte aan God wiens beeld het hoogste gezag op aarde, in zeker opzigt, vertoont, is het beste middel om te leeren gehoorzamen en gebieden; maar gehoorzamen zonder slaafsche onderwerping, en gebieden zonder miskenning van het regt. Gods beeld moet in den vader, den heer, den regter, den koning worden gezien.40 De staat behoort aan God toegewijd te zijn. Een christenstaat aan Christus, gelijk deze door God boven alle koningen en overheden is gesteld. Waar het hoogste gezag, waar de souverein Christus belijdt, daar moet hij zorg dragen voor de handhaving van zijn dienst.

Een staat zonder godsdienst heeft geen steun dan in de physieke kracht der overheid en in der onderdanen tijdelijk belang. De handhaving der waarheid gaat met het verdragen van de dwaling, met den eerbied voor de vrijheid van het geweten zeer wel gepaard. Algemeene verdraagzaamheid is, in tijden van ongodsdienstigheid en onverschilligheid, de geliefkoosde klank. De dwaling behoort, tot op zekere hoogte en behoudens eenige voorwaarden, geduld, maar niet met de waarheid op één lijn te worden gesteld. Eerbied en niet verdraagzaamheid komt ten aanzien der waarheid te pas. En, vermits het christendom zich tegen die verdraagzaamheid met nadruk verzet, kan het op den duur door haar niet worden geduld. De algemeene verdraagzaamheid is veeltijds naauw verwant aan de gedachte: Wat is waarheid?41 Maar reeds die gedachte houdt verloochening van Christus, verloochening van de godheid in. Die verdraagzaamheid steunt toch ook somtijds op het denkbeeld: mijn geloof mag door mij niet ten rigtsnoer voor anderen worden gesteld. Men houde in het oog:

1. dat deze schroomvalligheid somtijds ontstaat uit eene miskenning van den aard en de regten der souvereiniteit: de huisvader, zonder zijn geloof aan de huisgenooten te willen opleggen, mag ongetwijfeld verlangen dat er in zijne woning geene openlijke godsvereering plaatshebbe, die met zijne overtuiging onvereenigbaar is;

2. dat het in eene republiek ook voor de minderheid der burgers wenschelijk is de godsdienst der meerderheid als de heerschende aangenomen te zien, dewijl elke godsdienst te verkiezen is boven ongodisterij;

3. dat men, door het heerschen van eene godsdienst de inachtneming van hare voorschriften en niet de onmatige en onregtvaardige bevoordeeling van haar belijders, de verdrukking van andersdenkenden behoort te verstaan;

4. dat de meeste Europesche staten christenstaten zijn, waarin het christendom sedert eeuwen historische regten bezit.

In de boeken De legibus bij Cicero gaat de behandeling der godsdienst aan die der overheden vooraf. Deze orde komt met de natuur der zaak overeen. De kerk, in zoover hierdoor de zigtbare kerk en de geestelijkheid aangeduid wordt, is niet onafhankelijk van den staat, en de staat of overheid is het ook niet van de kerk. De geestelijken zijn, als onderdanen of burgers, evenals elk ander, tot gehoorzaamheid verpligt. Als geestelijken hebben zij het regt van leeren, vermanen, bestraffen; elkeen heeft regt tot uitoefening van zijn pligt.



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina