Sub–module 1



Dovnload 110.76 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte110.76 Kb.




Module 1

Sub–module 1.1







INHOUD van sub-module 1.1



Onderwerp

Inhoud

Bladzijde(s)

Inleiding tot



het internet

Maak kennis



met HTML




1.1.1 Wat is het

1.1.2 Het ontstaan

1.1.3 Toepassingen

1.1.4 Werking

1.1.5 Benodigdheden

1.1.6 Nog enkele dingen...

Verklarende woordenlijst
1.1.7 Inleiding

1.1.8 HTML tags

1.1.9 HTML-editors



4

5

6

7

8

8 & 9
9, 10, 11, 12
14

15, 16, 17, 18, 19, 20

21 & 22






Het internet,


een algemene inleiding tot…


Wat is het; hoe is het ontstaan; wat zijn de toepassingen, de werking en de benodigdheden



      1. Wat is het internet

De eenvoudigste definitie die we kunnen geven van het internet is : het internet is een netwerk (*) van met elkaar verbonden computers. Als je bijvoorbeeld twee computers in huis hebt en je legt met een kabeltje een verbinding tussen die twee en je zorgt via een netwerkkaart dat ze elkaar kunnen vinden, dan spreken we (al) van een netwerk.


Maar stel nu dat je een kabel zou kunnen leggen helemaal naar de andere kant van het dorp of de stad waar je woont, of zelfs naar ome Joop aan de andere van de wereld, om zijn computer met de jouwe te verbinden, dan zou er nog steeds sprake zijn van een netwerk. Je zou met elkaar, via je computers, kunnen communi-ceren, nadat jij toegang hebt gevraagd tot de computer van ome Joop en hij jou die toegang gegeven heeft; vanaf het moment dus, dat er een verbinding tot stand is gebracht.
De moeilijkheid is natuurlijk dat je ten eerste zelf nooit een kabel zou vinden die lang genoeg is; en dan nog: stel dat iedereen dat zou doen, wat een wirwar zou dat worden !
Het internet biedt daar een oplossing voor. Ten eerste hangt het aan elkaar met – reeds bestaande of speciaal gelegde of vernieuwde – telefoondraden of glasvezelkabels. Ten tweede zorgt het ervoor dat alle informatie die wordt uitgewisseld snel en efficiënt verloopt – via telefoonverbindingen. Ten derde zorgt het voor een toegang, ook via de telefoon (en een modem – zie hieronder) maar bovendien met de hulp van wat een internetprovider wordt genoemd (zie hieronder). En ten vierde zorgt het internet ervoor dat je bepaalde mensen (zoals bijvoorbeeld ome Joop) soms wél toegang kunt geven, maar daarentegen anderen soms niet. Dat gebeurt niet alleen doordat je gewoon de telefoonverbinding kunt verbreken, maar ook nog met een aantal andere mogelijkheden, die zelfs voor de toegang tot een website beschikbaar zijn.
De informatie die op het internet beschikbaar is en via het internet wordt uitgewisseld, is gigantisch. Het vreemde is, dat er nog nooir een echt goede studie naar is uitgevoerd, maar iedereen weet zo langzamerhand wel, dat je het zo gek niet bedenken kunt of op het internet is het wel te vinden. Van doodserieuze zaken tot ordinaire moppen, van korte reclameboodschapjes tot bijvoorbeeld een complete cursus Hongaars, je vindt het allemaal op het www (www: zie hieronder).
Zo is het net dus thans uitgegroeid tot iets méér dan de technische definitie van hierboven. Het is niet overdreven om te zeggen dat “het net” thans een gigantische interactieve databank is en een ongekende mogelijkheid tot (voorlopig ???) virtuele contacten. Het is een “venster op de wereld geworden.

(*) : alle woorden en afkortingen die hierboven en hieronder vet en cursief gedrukt zijn, worden aan het eind

van deze inleiding verklaard in een verklarende woordenlijst.


      1. Het ontstaan van het internet

Internet is geen fenomeen van de laatste vijf jaar, zoals veel mensen denken. Het internet is inderdaad de laatste vijf jaar aan een gigantische opmars bezig, maar het bestaat inzijn oorspronkelijke vorm al meer dan een kwarteeuw.


De oorsprong ligt, halverwege de twintigste eeuw in Amerika en wel bij het Amerikaanse leger. Het Amerikaanse Ministerie van Defensie en een aantal universiteiten zetten in 1969 een netwerk in elkaar van zeer krachtige computers. Binnen het leger bestond namelijk de behoefte om gegevens tussen verschillende computers te kunnen uitwisselen.
Een voorwaarde daarbij, speciaal voor de uitwisseling van militaire gegevens, was dat een en ander snel en uiterst betrouwbaar zou verlopen. Vooral de betrouwbaarheid was een heet hangijzer. Een telefoonlijn kon gemakkelijk, al dan niet moedwillig, worden vernield. De oplossing die werd gevonden was in principe erg eenvoudig : zorg voor meerdere verbindingen, en je hebt alternatieve routes. Zo werd het eerste grote computernetwerk dus geboren : het Arpanet.
Het bijzondere aan het Arpanet was, dat het geen centrum had, maar integendeel bestond uit een spinnenweb van knooppunten. Daardoor kan computerinformatie worden verstuurd in erg kleine pakketten : knip het bericht eerst in stukjes (die, indien nodig, via verschillende wegen worden verstuurd) en zet het daarna weer in elkaar : het grote voordeel van Arpanet was zijn onkwetsbaarheid.
Het Arpanet groeide en groeide. Zogenaamde Local Area Networks, LAN's, werden in die tijd bijzonder populair, en die kleine netwerken lieten zich uitstekend verbinden met het Arpanet. Steeds meer universiteiten, hogescholen, andere wetenschappelijke instituten, ministeries en bedrijven gingen er dan ook deel van uitmaken. Naast het Arpanet vormden er zich nog andere grote netwerken, zoals het NSFnet. En ook buiten Amerika ontstonden netwerken, bijvoorbeeld EUnet, dat tientallen Europese landen met elkaar verbindt. Nederland heeft een belangrijke rol gespeeld met SURFnet, een netwerk van alle Nederlandse universiteiten en hogescholen.
Toch moest je, om goed met zulke netwerken om te kunnen gaan, behoorlijk je weg weten op het gebied van computers en computertaal. Hoewel na verloop van tijd alle afzonderlijke netwerken die overal waren ontstaan, inderdaad aan elkaar geknoopt werden tot één groot supranetwerk, het internet, hét netwerk van de netwerken, bleef daarom zelfs dat internet nog lange tijd een soort speelgoed voor computerfanaten en studenten informatica.
Totdat in 1990 (dus relatief heel kort geleden), in een van de kelders van het Europees (!) Laboratorium voor Deeltjesfysica (CERN) in Genève, ene Tim Berners-Lee en de (Vlaming !) Robert Cailliau het wereldwijde web (het www) in elkaar knutselden. Zij zorgden ervoor dat voortaan de computer zélf, alle ingewikkelde protocollen oploste die nodig waren om informatie te verspreiden en op te zoeken.

Het is dus enorm spijtig dat Europa niet heeft ingezien wat de waarde van dat knutselwerk was. Sinds het internet in 1990 in de Verenigde Staten en vier jaar later (!) ook in Europa werd opengesteld voor particulieren, heeft het zijn opmars probleemloos verdergezet. Het is sindsdien zowat elk jaar in omvang verdubbeld. Momenteel kun je in bijna 120 landen op het internet terecht en om te e-mailen zelfs in 180 landen. Het “Mekka” blijft (nog steeds ?) Amerika.




      1. Toepassingen van het internet

Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn: het internet is niet ineens ontstaan, maar het is gegroeid. Niemand is dan ook de baas op internet. Het is van alle deelnemers, of anders gezegd, het is van niemand.


Toch gelden er wel een aantal regels, namelijk technische afspraken (waarover je meer kunt lezen in 1.4 hieronder - de werking) en sociale afspraken, de 'netiquette', die (min of meer) ervoor moet zorgen dat niemand zich “misdraagt” op het internet.

De meest spraakmakende toepassing van het internet is het al eerder genoemde World Wide Web, kortweg WWW (in het Engels: met hoofdletters; in het Nederlands, over het algemeen: met kleine letters).


Het WWW is gebaseerd op de hypertext-techniek. Het is een verzameling van hypertext-documenten, ook webpagina’s genaamd.
Typisch voor een hypertext-document zijn de hyperlinks die erin voorkomen. Dit zijn bepaalde objecten (afbeeldingen, audiofragmenten, filmfragmenten). Door zo’n hyperlink aan te klikken verplaatsen we ons naar de aangegeven plaats of openen we het betreffende object. Op die manier kunnen we heen en weer springen tussen verschillende hypertext-documenten (= surfen op het www).
Het www is mogelijk gemaakt door de uitvinding van HyperText Markup Language, HTML (zie ook hieronder). De extensie van een webpagina-bestand is dan ook HTM of HTML.
Met HTML kun je dus pagina's linken, = : onderling verbinden, zodat de ene pagina direct vanaf de andere kan worden opgeroepen.

Zoals al hierboven gezegd heeft sinds het ontstaan van het www, het internet een enorme vlucht genomen. Dat is niet zo vreemd, want dank zij HTML hoef je absoluut geen verstand van computers te hebben om te kunnen surfen over het www. Met het aantal bezoekers nam ook het aantal webpagina's toe, zowel van bedrijven en instellingen als van particulieren en tegenwoordig is het www een complete afspiegeling van de maatschappij. Catalogi van bibliotheken, de laatste informatie over de graanprijzen, Piet’s pagina met malle petten, alles over vliegende schotels, belastingwetten, spelregels van sjoelbakken; zoals we al eerder zeiden : je kunt het zo gek niet verzinnen of er is wat over te vinden op het net.


Maar natuurlijk zijn er nog vele andere toepassingen. E-mail bijvoorbeeld, dat steeds populairder wordt; nieuwsgroepen, waar openbare discussies gevoerd worden, chatten, dat over lange afstanden veel goedkoper is dan de telefoon; en bestanden uitwisselen, de toepassing waar het in eerste instantie allemaal om begonnen was. Ook kan, eenmaal op een site aangekomen, altijd naar de FAQ (zie hieronder) om veel te weten te komen over het onderwerp, de website zélf of de webmaster.

Internet is volop in ontwikkeling, dus het aantal mogelijkheden neemt alleen maar toe. Bestaande toepas-singen worden uitgebreid, verbeterd of sneller gemaakt, en alles wordt steeds gebruiksvriendelijker. Het zal niet lang meer duren of internet is net zo gewoon als televisie. Met één verschil: op internet kan bijna alles.





      1. Hoe werkt het internet ?

Op het internet zijn allerlei computers aangesloten, van PC's tot mainframes, van Unix-klonen tot Apple Macintoshes. Die verschillende computers kunnen met elkaar communiceren doordat er afspraken gemaakt zijn over hoe informatie verstuurd moet worden. Zo'n verzameling technische afspraken heet een protocol. Er zijn vele verschillende protocollen, die elk hun eigen doel dienen.



TCP/IP

Een van de belangrijkste protocollen (ftp’s) is het Transmission Control Protocol / Internet Protocol, kortweg TCP/IP. Dit is het basisprotocol van internet. Het bepaalt niet alleen hoe informatie verstuurd wordt, het zorgt er ook voor dat het op de juiste plaats aankomt.


Elke computer die deel uitmaakt van het internet (door een aansluiting via een provider - zie hieronder) heeft zijn eigen internet protocol-adres, oftewel IP-adres. Zo'n adres bestaat uit vier kleine getallenreeksen, gescheiden door drie punten, bijvoorbeeld : 212.79.226.116. Meestal heeft het IP-adres ook een naam, een URL (Uniform Resource Locator), die voor ons mensen wat makkelijker te onthouden is. De URL (naam) van 212.79.226.116 is : www.lci-info.com.
Als er informatie van de ene computer naar de andere verstuurd moet worden, deelt TCP/IP die informatie op in een aantal pakketjes, die apart verzonden worden. Elk pakketje kiest zijn eigen weg. Als die weg ergens verstopt zit, zoekt een pakketje een andere weg. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming, worden de pakketjes door TCP/IP weer samengevoegd tot een geheel. Deze wijze van transporteren, die (zie hierbo-ven) reeds onmiddellijk aan de grondslag lag van het internet, heet 'packet switching'.

PPP en SLIP

De computers binnen het internet zijn op vele verschillende manieren met elkaar verbonden. TCP/IP kan met de meeste verbindingen prima overweg. Maar als je vanaf je huis inbelt, doe je dat over een gewone analoge telefoonlijn, en voor zo'n verbinding heeft TCP/IP hulp nodig.


Er zijn twee protocollen die TCP/IP over een gewone telefoonlijn mogelijk maken. De ene heet SLIP, Serial Line IP, en is wat verouderd. De andere heet PPP, Point-to-Point Protocol, en als je een niet al te oude computer hebt, is dat het protocol dat je gebruikt om in te bellen, om een basisverbinding te leggen.

Andere protocollen

Naast de basisprotocollen TCP/IP, PPP en SLIP zijn er nog vele andere protocollen, die voor specifieke functies ontworpen zijn. Ze hebben allemaal een basisverbinding nodig om over te werken.


Voorbeelden van dergelijke protocollen zijn het HyperText Transfer Protocol (HTTP) om te surfen, het Simple Mail Transfer Protocol (SMTP) om e-mail berichten te versturen, het Post Office Protocol (POP) om e-mail te ontvangen, en het File Transfer Protocol (FTP) om bestanden te uploaden of te downloaden.



      1. Wat is er nodig ?


Ten eerste heb je een computer nodig (“natuurlijk” ? – nee, want er komen ook al andere mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld web-tv). Je hoeft daarom geen dure computer te hebben, die zelf alles kan regelen, maar je hebt eigenlijk al voldoende aan een eenvoudige computer en…….
Ten tweede : een modem, al of niet ingebouwd in de computer.
Ten derde (en dat is wél “natuurlijk”) : een telefoonlijn. Als je bovendien wilt vermijden dat niemand die telefoonlijn kan gebruiken terwijl jij aan het surfen, het e-mailen, het chatten enz. bent, dan is er eventueel een tweede lijn nodig, of een ISDN-lijn, of je neemt een ADSL- of een kabelaansluiting.
Ten vierde : de hierboven al genoemde provider, oftewijl (internet)aanbieder, een commerciëel bedrijf (zoals bijvoorbeeld Belgacom), dat je als het ware de “oprit” naar het web verschaft, al dan niet tegen betaling. De aanbiedingen hiertoe zijn velerlei, maar van één ding dient u zich zéker te vergewissen, namelijk : is er een inbelpunt voorzien waarmee men voor lokaal tarief kan bellen ? (N.B.: dit is uiteraard van géén belang als je een vast, meestal maandelijks, abonnement hebt).
Ten vijfde : de software. Zulke (client-software) pakketten worden door een groot aantal providers verstrekt. Let op : als ze gratis zijn, kost de “helplijn” meestal wél iets (of veel !).



      1. Nog een paar dingen om te weten…



1.1.6.1 Het Client-serversysteem

Met het abonnement via de provider heb je toegang tot een server, een computer die een vaste verbinding met het internet heeft. Die server regelt al je internetzaken, met gebruikmaking van de client-software, die ervoor zorgt dat jouw computer, de “client”, opdrachten kan geven aan de server. Dit systeem heet het client-serversysteem.


Je browser (*) haalt dus niet zelf pagina's uit bijvoorbeeld Amerika op, maar vraagt een proxy-server om dat te doen (PoP : zie de woordenlijst hieronder). En je e-mailprogramma communiceert niet rechtstreeks met het internet, maar dat programma verstuurt je berichten naar de smtp-server. Die verstuurt ze vervolgens verder over het internet.

1.1.6.2 Domeinen

Zoals gezegd, heeft elke computer van het internet zijn eigen IP-adres, bestaande uit vier getallen. Bij dat IP-adres hoort meestal ook een naam. Zo'n naam moet natuurlijk uniek zijn, en toen het internet steeds groter werd, begon dat problemen op te leveren. Daarom is het Domain Name System ontworpen, kortweg DNS.


DNS verdeelt het internet in domeinen. Allereerst zijn er de zogenaamde top-level domeinen, die vaak landen representeren. Die top-level domeinen zijn weer onderverdeeld in subdomeinen, die eventueel nog een keer onderverdeeld zijn. Domeinen zijn niet altijd geografisch. Denk bijvoorbeeld aan -.com, het domein voor commerciële organisaties, of aan -.org.

De naam van een IP-adres wordt gevormd door allereerst de naam van de computer, en vervolgens de namen van de domeinen waar hij bij hoort, van klein naar groot. Die namen worden gescheiden door punten. Een server zou bijvoorbeeld cyberschool.lci-info.com kunnen heten, en dat zou dan zijn : de computer (van) cyberschool in het subdomein .lci-info van het domein .com. Elk internetadres is uniek.


(N.B.: meestal staat er voor het adres bovendien nog iets, namelijk de aanduiding http (Hyper Text Transfer Protocol - zie hierboven) en www (World Wide Web). Een typisch internetadres ziet er dan bijvoorbeeld uit als volgt :

http://www.lci-info.com


1.1.6.3 E-mail adressen
De namen van het DNS vind je ook terug in e-mail adressen. Voor de “apestaart” staat de naam van de houder van het adres, en na de apestaart staat de naam van de computer waar de electronische postbus te vinden is. Kijk maar naar je eigen e-mail adres: toegangsnaam@belgacom.net (bijvoorbeeld).
Natuurlijk moet er ergens opgeslagen zijn welke naam bij welk IP-adres hoort. Met het DNS is het niet meer nodig om één gigantische database bij te houden. Elk domein heeft zijn eigen 'DNS-telefoonboek', en kan er zelf voor zorgen dat er geen dubbele namen worden verzonnen.
Het vertalen van namen in IP-adressen wordt gedaan door een naamserver. Zo’n naamserver wordt ook wel met DNS aangeduid, wat dan staat voor Domain Name Server. Naamservers kennen alle namen van het domein waar ze bij horen, en verder een flink aantal andere naamservers, zodat ze met elke naam raad weten.
VERKLARENDE WOORDENLIJST :

 :

Twee of meerdere computers, die met elkaar verbonden zijn en met elkaar kunnen communiceren.



:

Samentrekking van MOdulator-DEModulator : toestel dat analoge gege-vens omzet naar digitale gegevens en omgekeerd.



:

Manier om informatie weer te geven als een fysische kwantiteit, tegen-gesteld aan digitaal, waarbij informatie binair wordt doorgegeven.



 :

Het binaire systeem is de grondslag van al het computergebeuren. “To compute” betekent : rekenen. Een computer rekent binair, dat wil zeggen : slechts met de getallen 0 en 1, die bits genoemd worden en die hij in bepaalde volgordes plaatst, om bytes te vormen (zie hier-onder), die op zich dan weer een analoge betekenis hebben. Het binaire stelsel is dus het tweedelige stelsel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het (meest gangbare) tiendelige stelsel, waar men met tien getallen werkt.



<(byte> :

Een combinatie van meestal acht bits, die zijn samengevoegd tot een betekenisvol geheel (letter, cijfer, leesteken, afbeelding enz.). Een byte is due dé eenheid van de digitale informatie.


<(internet)provider> :

ISP; Internet Service Provider; commerciële aanbieder van internet-diensten.



 :

Het wereldwijde web : het gehele netwerk van aan elkaar gelinkte html-documenten, beschikbaar op het internet.



 :

In de traditionele betekenis : wel aanwezig, doch niet werkzaam; in de nieuwe betekenis : niet fysiek, maar wel in de geest aanwezig.



 :

Local Area Network; een klein (lokaal) netwerk.



 :

Een tekstuele hyperlink ( : een electronische link tussen informatie op het www. Een hyperlink maakt het makkelijk om, aan de hand van koppelingen, te navigeren tussen brokken (pakjes) informatie).



 :

Verschillende “plaatsen” op het web bezoeken.



:

Hyper Text Markup Language; taal die aan de hand van codes toelaat om webpagina’s te maken.



 :

Electronische post.



 :

Komt van het Engelse “to chat”, dat zoveel als kletsen, babbelen betekent. Op het internet is chatten het in real-time (= tegelijkertijd wederzijds) uitwisselen van korte (meestal tekstuele) berichten.



 :

Frequently Asked Question; veel gestelde vragen, een plaats waar men op de meeste websites terecht kan om specifieke en pertinente vragen over het onderwerp en/of de webmaster beantwoord te krijgen.



 :

Een plek op het www. Concreet, het geheel van gegevens dat ergens op een server (zie hieronder), aangesloten op het internet, bewaard wordt.



 :

Degene die een eigen website heeft gemaakt en gepubliceerd en die de website nu beheert. Als het ware de “eigenaar” van de website.


 :

Verzameling afspraken omtrent een communicatieproces.



 :

File Transfer Protocol; standaardprotocol dat gebruikt wordt om gegevens uit te wisselen op het internet.



 :

Internet Protocol Address; internet-adres opgebouwd uit nummers.



 :

Plug-and-play internet-tv systeem waarmee internetopvragingen kun-nen uitgevoerd worden en mails kunnen verstuurd worden via de tv. Een web-tv terminal (set-to-box) wordt aan het tv-toestel gekoppeld en vormt de interface met het web-tv netwerk. De bediening gebeurt via de remote control en gebruikersvriendelijke begeleiding op het scherm.


 :

Hiermee wordt de mogelijkheid aangeduid om een apparaat onmiddel-lijk te laten werken nadat het is aangesloten, zonder de noodzaak om bijvoorbeeld eerst software te installeren.



 :

Een toestel dat gebruikt wordt om een communicatie tussen twee of meer electronische apparaten tot stand te brengen.



 :

Integrated Services Digital Network; een digitale transmissietechniek die toelaat om verschillende diensten op een PSTN (netwerk) te integreren (PSTN : Protocol Services Transfer Network).



 :

Asymmetric Digital Subscriber Line; een recente transmissie-techniek die erin slaagt gegevens tegen een zeer hoge snelheid over de tradi- tionele telefoonlijnen te vervoeren. Als opvolger van ISDN zorgt ADSL opnieuw voor een ingrijpende herwaardering van de traditionele telefoonlijnen.



:

Transmissie via een coaxkabel, een transmissiekabel met een grotere bandbreedte dan traditionele koperlijnen (bandbreedte : de maat waarin de capaciteit van een (communicatie)netwerk wordt uitgedrukt. Hier-mee wordt de transmissiesnelheid gemeten. Een transmissiesnelheid wordt doorgaans uitgedrukt in bits (zie hierboven) per seconde (bps).



 :

Telecommunicatienetwerk met een hoge capaciteit die de transmissie van multimedia toelaat.



 :

De “informatiesnelweg” : door de integratie van breedbandnetwerken kan men allerlei soorten digitale en multimediale informatie makkelijk, relatief goedkoop en efficiënt uitwisselen.



 :

Het telefoonnummer dat een abonnee van een provider kan gebruiken om in te bellen op het internet.



:

Een conceptuele verhouding tussen computers in een netwerkopstelling. De client is de computer die gebruik kan maken van de diensten die een server ter beschikking stelt.



 :

Software die ervoor zorgt dat je op een grafische informatie kunt zoeken en hanteren. De browser is de sleutel tot het www.


 : Een proxy-server haalt berichten op.
 :

Point of Presence; de toegangsverbinding van een Internet Access Provider voor modemgebruikers. Bij het installeren van de toegangs-software wordt het PoP aangegeven.



 :

SMTP = Simple Mail Transfer Protocol (een protocol om e-mail boodschappen uit te wisselen over het internet). De smtp-server zorgt er dus voor dat de boodschappen verzonden worden.



 : Het @ teken.

 :

DNS = Domain Name Server; systeem dat de locatie van een computer op het internet kan achterhalen aan de hand van de naam.








      1. Inleiding tot HTML

Het formaat van een web-pagina ligt niet vast. In principe kan om het even welk bestand dienst doen als web-pagina : een gewoon tekstbestand (bestaande uit ascii-tekens), een Word-document, een rekenblad, zelfs een bestand dat een foto of een andere afbeelding bevat, enz.


De web-browser moet echter het formaat wel kennen om de pagina in zijn venster te kunnen tonen. In de inleiding tot deze cursus hebben we u al verteld, dat er daarom een soort standaard-formaat werd afgesproken dat door alle web-browsers begrepen wordt : het HTML-formaat.
Ter herinnering : HTML staat voor Hyper Text Markup Language :

  • Hypertext : tekst met verwijzingen naar andere teksten.

  • Markup : code (instructies) in een document dat de structuur ervan voorstelt.

  • Hypertext Markup Language : een taal om gestructureerde documenten te beschrijven die verwijzingen bevatten naar andere documenten.

HTML is bijgevolg de taal waarin de meeste web-documenten geschreven zijn en over het internet verstuurd worden. Zoals bijvoorbeeld COBOL een wiskundetaal is voor computers, is HTML de taal die alle web-browsers verstaan. Web-browsers zetten deze HTML-pagina’s om in een voor mensen begrijpelijke vorm.


Meestal zal dit gebeuren met behulp van een (westers) grafisch lettertype, maar de pagina zou net zo goed gesproken, of bijvoorbeeld via braille of in het Hebreeuws of Russisch kunnen gepresenteerd worden.
Voor andere formaten gebruikt de browser hulpprogramma’s of “plug-ins”. Sommige hulpprogramma’s of plug-ins zijn vrij te verkrijgen, maar andere zal men dan weer moeten aankopen. Indien je in een van je web-pagina’s een verwijzing inlast naar een niet-HTML-pagina, zullen waarschijnlijk heel wat gebruikers van het web die pagina niet kunnen lezen, omdat hun browser het formaat niet kent. In dat geval kan de browser de pagina kopiëren op de lokale schijf.

Een webdocument (HTML document, web-pagina) bestaat uit een vaste structuur met een aantal herkennings-componenten voor de pc, ook wel tags genoemd.


Een overzicht van de belangrijkste tags zullen wij u geven in een aparte bijlage (op het gevaar af, dat u ze misschien te gecompliceerd vindt; ga in dat geval gerust onmiddellijk al met FrontPage zélf, om met Dreamweaver, aan het werk; dat kan namelijk gerust wel, omdat die programma’s de zaken vereenvoudigen).
Frontpage en Dreamweaver zijn namelijk zogenaamde WYSIWYG (What You See Is What You Get) editors. Dus : in HTML ziet u écht waarmee u aan het werk bent, omdat u met de codes zélf werkt, terwijl FrontPage en Dreamweaver (en trouwens nog een hele reeks andere zogenaamde HTML-editors, zie hieronder) ook met – exact diezelfde – codes werken, maar u ziet dat niet, want u werkt in een een WYSIWIG omgeving.

Toch is het best nuttig om ook aan HTML wat extra aandacht te besteden. Wie namelijk de taal van de HTML kent, kan veel exacter bepalen hoe zijn webpagina eruit zal zien, dan iemand die zijn pagina maakt met een WYSIWYG editor, zoals FrontPage en Dreamweaver. Iets meer weten van HTML loont dus best de moeite.




      1. HTML tags

Zoals gezegd, bestaat de HTML-taal uit codes (markups). Die codes komen meestal in paren voor, een openingscode en een afsluitingscode. In principe is de openingscode gelijk aan de afsluitingscode, alleen wordt deze laatste voorafgegaan door een schuine streep (/).


De codes zelf staan tussen deze beide haken : < en >
Bijvoorbeeld :
< HTML>



<br /> <br />







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina