Syllabus literaire begrippen



Dovnload 180.12 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte180.12 Kb.

SYLLABUS

LITERAIRE


BEGRIPPEN
‘meer dan 200 literaire begrippen verklaard’



  • ‘dubbele’ illustratie uit het laatmiddeleeuwse volksboek naar Vanden Vos Reynaerde. Op de voorgrond doet de vos zich als monnik voor, terwijl hij even later (op de achtergrond) een kip verschalkt.


aanspreking zie: allocutie
aanval op de literatuur regelmatig voorkomend literair-historisch motief, waarbij de verteller zgn. afstand neemt van de literatuur. Het bekendste voorbeeld is wellicht de figuur Droogstoppel die in de Max Havelaar beweert een hekel te hebben aan romans ‘of zulke dingen’, omdat hij de waarheid meer liefheeft dan fictie. Ook aan het begin van de middeleeuwse Beatrijs vinden we het motief terug:
Van dichten comt mi cleine bate.

Die liede raden mi dat ict late

Ende minen sin niet en vertare.

Maer om die doghet van hare

Die moeder ende maghet es bleven,

Hebbic een scone mieracle op heven,

Die God sonder twivel toghede

Marien teren, diene soghede.


ab ovo vertelwijze waarbij een auteur zijn verhaal vanaf het begin (ab ovo betekent ‘vanaf het ei’) aan de lezer presenteert. Hij komt daarbij later dus niet met informatie die eigenlijk aan het begin vooraf ging.
accentverschuiving vorm van rijmverdoezeling door één van de rijmende klanken in een onbeklemtoonde lettergreep te plaatsen.
Ik heb je alles gegeven:

een gedicht, mijn maandsalaris

en een kind. Wil je nu even

kijken of het eten klaar is?

(A. Marja: ‘Het huwelijk’)
acconsonerend rijm rijm waarbij de klankovereenkomst alleen de medeklinkers en niet de klinker betreft.
Ter eene en andre zijde rondt zich de kling der

kust


Naar een vervloeiden einder van zee, lucht, land

en mist


(J.C. Bloem)
aftakeling bekend literair-historisch motief, waarbij geestelijk en/of lichamelijk verval beschreven wordt. Bekende voorbeelden: Turks fruit (Jan Wolkers), Hersenschimmen (J. Bernlef), Fantoompijn (Arnon Grunberg)
allegorie vorm van beeldspraak waarbij concrete figuren en voorvallen de plaats innemen van de eigenlijk bedoelde (maar moeilijker) abstracte betekenis. In feite is de tekst dan één lange uitgewerkte metafoor. Het bekendste voorbeeld is Elckerlyc (± 1485). Recentere teksten met een allegorische inslag zijn bijv. De verwondering (Hugo Claus) en Mystiek lichaam (Frans Kellendonk)
alliteratie ook: beginrijm. Rijm waarbij de klankovereenkomst aan het begin van de woorden zit:
En kranten waaien weg en zijn verouderd,

de dagen korten, nachten worden kouder,

maar over ’t water komt zijn kleine stem.

(Ed. Hoornik)


allocutie ook: aanspreking. Stijlfiguur waarbij de verteller zich rechtstreeks tot iemand (buiten de tekst) richt:
Want aan U draag ik mijn boek op, Willem den Derden, Koning, Groothertog, Prins…

(Multatuli: Max Havelaar)


allusie toespeling. Al dan niet verhulde verwijzing naar een andere tekst. Zo verwijzen Jacques Perk en Hugo Claus hieronder naar het ‘Onze Vader’, maar beiden stellen het gebed wel in dienst van iets anders:
Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij,

Uw wil geschiede; kóme uw heerschappij;

Naast u aanbidde de aard geen andren god!

(Jacques Perk: ‘Deinè Theos’)


Onze Vader

Die in de hemel zijt

Gezegend is Uw Bom

Dat Uw rijk kome

Dat Uw Megatonnen ontvlammen hier op aarde

Als in de Hemel.

Geef ons heden ons nucleair wapen

En vergeef ons onze voorlopige vrede

Zoals wij vergeven wie ons weerstaat met

gejank om vrede

Maar dat wij mogen ver-assen en verdwijnen

Tot op het einde der tijden

Amen.

(Hugo Claus: Bericht aan de bevolking)


als-vergelijking meest eenvoudige vorm van beeldspraak, waarbij het object en het beeld met het woord ‘als’ aan elkaar gekoppeld worden (het object is als het beeld):
De mens is als een blad: elke wind speelt ermee

(L.Th. Lehman)


Een Nederlander maalt evenveel om cultuur als een pissebed om zonlicht

(Gerrit Komrij)


alwetend zie: auctorieel
ambiguïteit voor meerdere uitleg vatbaar. Stijlfiguur waarbij meer dan een betekenis zich aan de lezer opdringt. Bij Lucebert ontstaat ambiguïteit wel door het ontbreken van interpunctie:
als was de nacht hun moeder niet de avond niet

hun vader

(Lucebert)
amplificatio stijlfiguur waarbij de auteur een stelling breed uitspint, hetzij door een zekere wijdlopigheid, hetzij door het feit dat hij een zaak van vele kanten belicht:
Hij hoorde tot de grauwe middenmoot,

een rustig mens, loodgieter van zijn vak.

Hij was geen man die vele harten brak

en geen wien ’t leven ruime kansen bood.


Hij had een daags en nog een zondags pak.

Hij miste bijna altijd wel een boot.

Hij keek vaak zwart. Hij stemde rood.

En klaagde. Over steeds meer ongemak.


En waar hij in Bergambacht was geboren,

daar ging hij ook weer in Bergambacht dood.

Eén keer is hij in Amsterdam geweest,

dat stond hem aan, dat was een dag van feest.

Er ging in hem een goed vakman verloren,

want dat was zeker: hij goot prachtig lood.


anachronisme I. doorbreking van de ‘normale’ chronologie dmv flashbacks of door een verhaal in medias res of post rem te vertellen. II. Al dan niet opzettelijke fout tegen de historische werkelijkheid.
De ridder greep zijn zwaard, sprong op zijn paard, keek op zijn horloge, en reed weg.
anafoor zie: repetitio
anagram ‘typograp’ waarbij door omzetting van de letters van een naam of woord een ander woord of zinnetje ontstaat:
Mensen die toevallig E.E. Bibsharenduvel heten zijn wel een anagram van Barend Biesheuvel.

(Toon Verhoeven: Terzijde)


Piet Mondriaan – I paint modern

(I. Wilson)


Bierstad – Breda is ‘t
anakoloet ontsporende zin; zin die (grammaticaal) anders eindigt dan hij begonnen is. Meestal een stijlfout, die soms echter bewust wordt toegepast:
En nu haar tooverige tocht begint,

Zoo drijft de maan ten hemel in, de wind

Steekt zoo op – laat nu ieder zien naar haar

(Herman Gorter: Mei)


anapest versvoet van achtereenvolgens twee onbeklemtoonde lettergrepen en één beklemtoonde lettergreep.
Als de dóód aan het éind mijn bestáán heeft

geknákt.
antithese ook: tegenstelling. Het naast elkaar plaatsen van tegengestelde begrippen.


Bij God! Ik was voor ’t sterven in de wieg gelegd.

(Gaston Burssens)


apokoinou lett: ‘van beiden’. Stijlfiguur waarbij één element dienst doet als bestanddeel van twee woordgroepen of zinnen:
Ferguut heeft sinen wech genomen

In een foreest es hi comen.

(Ferguut)
archaïsme bewust toegepast verouderd taalgebruik
artistieke waarde de discussie over de artistieke waarde van literatuur (kortweg: wat is literatuur?) is van alle tijden. De vraag is niet sluitend te beantwoorden. Velen menen dat er over smaak en waarde niet te twisten valt, anderen proberen toch een bepaalde norm aan te leggen. Die normen zijn echter altijd subjectief en sterk afhankelijk van persoonlijke smaak en ervaring en zelfs van de stemming waarin men verkeert. Harry Mulisch heeft ooit als criterium geopperd dat er in een goede literaire tekst in ieder geval méér moet zitten dan de auteur erin gestopt heeft. Zelf houd ik het er meestal op dat een tekst voor herlezing vatbaar moet zijn. M.a.w. als een tekst bij de tweede keer lezen niets nieuws te bieden heeft, geen verrassingen meer biedt of nieuwe vragen oproept, is de literaire of artistieke waarde minder groot als wanneer hij wel die mogelijk biedt. Of om het nog eens anders te zeggen: de lezer moet met een tekst in discussie kunnen. Zie ook: verwachtingshorizon.
assonantie rijm waarbij de klankovereenkomst alleen de klinkers en niet de medeklinkers betreft.
Die vrees mag niet bestaan, hij zegt

dat ik gezond en zeer gelukkig ben.

(Marieke Jonkman: Bang in het licht)
asyndetische vergelijking vorm van beeldspraak waarbij het object en het beeld zonder het verbindingswoord (sydeton) ‘als’ naast elkaar worden geplaatst.
Kom, leg uw hand op dit papier, mijn huid.

(Leo Vroman)


auctorieel ook: alwetend, auctoriaal. Vertelsituatie waarbij een buiten en boven de tekst staande verteller optreedt. Deze verteller speelt dus zelf geen rol in het verhaal. Met name oudere literaire teksten, niet-literaire teksten en veel jeugdboeken maken gebruik van een auctoriële verteller. Maar ook sommige recente literaire teksten maken gebruik van deze vertelsituatie, zoals De Joodse Messias (Arnon Grunberg, 2004).
auteur de zender bij literaire communicatie. Te onderscheiden van de (persoon van de) schrijver en van de verteller in een verhaal.
auteurstekst term die gebruikt wordt in oppositie tot lezerstekst. Een literaire tekst kent één auteurstekst (de wijze waarop de tekst door de auteur gepresenteerd wordt, het ‘artefact’) en talloze lezersteksten (de wijze waarop lezers de tekst interpreteren).

beeldspraak alle taalvormen waarbij een object vergeleken wordt met een ander object, het beeld. Er bestaan veel vormen van beeldspraak. Zie voor een opsomming het register onder ‘beeldspraak’.
beginrijm zie: alliteratie
bestseller Boek dat zich in een grote populariteit bij het kopende publiek mag verheugen. Het begrip is, zeker als het om literaire werken gaat, nogal betrekkelijk. Bepaalde genres en reeksen (streekromans, Boeketreeks) worden doorgaans buiten de boekentoptien gehouden. Als dit niet zo zou zijn, zou er vrijwel geen literair werk meer in zo’n verkooplijst staan.
betrouwbaarheid (van perspectief). Bij personale (verhulde-ik) en ik-vertellers (en varianten) moet de lezer vaak beoordelen in hoeverre de verteller een juist beeld van de situatie schetst. Omdat de verteller als subject meedoet aan de handeling, heeft hij vaak een erg beperkt overzicht. Ook kan een verteller lijden aan waandenkbeelden, zonder dat dat de lezer van het begin af duidelijk is. Onbetrouwbaar perspectief komt bijv. voor in ‘De fantasieboer’ (Gerrit Krol) en de avonturen van de Baron von Münchhausen. De (on)betrouwbaarheid van het psychisch perspectief speelt ook een hoofdrol in De donkere kamer van Damokles (W.F. Hermans)
binnenrijm rijmklanken binnen een versregel.
Merck toch hoe sterck Nu int werck sich al steld!
bladspiegel de wijze waarop een tekst over de pagina verdeeld is; de verhouding tussen tekst en het wit van het papier. De bladspiegel speelt bij proza een onderschikte rol en kan daar ook per druk verschillen. Bij poëzie maakt de bladspiegel deel uit van het gedicht als ‘artefact’.
Blauwbaardmotief bekend literair-historisch motief, waarbij een man vrouwen naar zich toe lokt om vervolgens hun ondergang te bewerkstelligen. Bijv. Het lied van Heer Halewijn en Het schandaal der Blauwbaarden (S. Vestdijk)
bombast overdreven beeldspraak. Krachtige beeldspraak die zijn effect mist, doordat het object van ondergeschikt belang is. Er wordt m.a.w. met een kanon op een mug geschoten.

canon de verzameling belangrijke literaire werken ‘die men gelezen móet hebben’. De literaire canon staat met enige regelmaat ter discussie. Hierbij speelt ook de vraag of het literatuuronderwijs zich meer moet richten op het ontwikkelen van leesplezier, of van literaire en culturele competentie. Een ander discussiepunt heeft betrekking op de inhoud van de lijst. Omdat de samenstelling van de canon een subjectieve zaak is, verschillen critici en andere betrokkenen vaak nogal van mening over ‘wát men gelezen moet hebben’.
catastrofe in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het vierde bedrijf, waarin de spanning een hoogtepunt bereikt en tegelijk het begin van de ontknoping plaatsvindt.
censuur I. dat wat niet gezegd mag worden. Eén van de elementen uit de discoursanalyse die een rol speelt bij de theorieën over hoe literaire communicatie tot stand komt. II. de controle op (literaire) teksten zoals die plaatsvindt onder totalitaire regimes.
chiasme kruisstelling. Stijlfiguur waarbij twee bij elkaar horende zinnen (of zinsdelen) in woordvolgorde elkaars spiegelbeeld zijn.
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,

En niet slapend denk ik aan de dood.

(J.C. Bloem)
christelijke motieven verhaal- of literair-historische motieven die ontleend zijn aan het christendom of aan de bijbel; in de West-Europese cultuur en literatuur de meest voorkomende motieven. Voorbeelden: Het dwaallicht (Willem Elsschot – Driekoningenmotief), Een mens van goeden wil (Gerard Walschap – zaaiermotief)
cliché ‘versleten’ beeldspraak. Te vaak gebruikte beelden verliezen hun kracht. Dit geldt onder andere voor veel spreekwoorden. ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’ is ooit een erg originele uitspraak geweest. Nu is het een cliché, dat goede sprekers of schrijvers liever niet gebruiken.
cliffhanger tot doorlezen uitnodigend fragment aan het eind van een episode van een vervolgverhaal (feuilleton). In deze betekenis ook gebruikt voor spannende scènes aan het eind van een televisiefeuilleton. Binnen één boek kunnen cliffhangers gebruikt worden als twee of meer verhaallijnen elkaar afwisselen. Een boek dat door een opeenvolging van dergelijke spannende momenten noopt tot dóórlezen, noemen we met een andere Engelse term een pageturner.
climax I. in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het derde bedrijf, waarin de spanning wordt opgevoerd. II. reeks van steeds zwaarder aangezette termen of bewoordingen. Het tegenovergestelde (steeds zwakkere termen) heet anticlimax.
Ja, ze moesten hem beminnen als ze in de ban van zijn geur waren, hem niet alleen als hun gelijke accepteren, hem beminnen tot het waanzinnige, tot zelfopoffering, sidderen van verrukking moesten ze, schreeuwen, huilen van gelukzaligheid, zonder te weten waarom, op hun knieën zouden ze liggen als onder Gods koele wierook als ze alleen hém, Grenouille, zouden ruiken!

(Patrick Süskind: Het parfum)


close-up aan de filmtechniek ontleende term, waarbij de vertelinstantie heel dicht op de actie zit. Dit kan – net als in films – gebeuren om ruimte te scheppen voor een onverwachte gebeurtenis die van buiten beeld zich ineens op de voorgrond dringt.
code socioculturele en literaire codes vormen de verzameling werkexterne invloeden die schrijvers ondergaan en waarvan lezers in hun werk de weerslag kunnen lezen. Inmiddels deels vervangen en deels scherper en nauwkeuriger geformuleerd in de polysysteemtheorie.
communicatie literaire communicatie vindt plaats binnen het eenvoudige communicatiemodel:
zender  boodschap  kanaal  ontvanger
Daarnaast horen ook alle werkexterne invloeden en factoren erbij, zoals beschreven in de polysysteemtheorie alsook de eigenaardigheden van literaire communicatie, zoals eenrichtingsverkeer in de communicatie, multi-interpretabele teksten, uitsluiting van de auteur en wisselwerking tussen tekst en lezer en tussen teksten onderling (zie: intertextualiteit).
compositiemotief een telkens terugkerend element waaruit de opbouw van de tekst duidelijk blijkt. Een cyclische bouw, bijvoorbeeld, wordt voor de lezer pas duidelijk als de auteur op een paar plaatsen de cirkel even laat zien.
concretisering vorm van beeldspraak waarbij aan een abstract begrip tastbare eigenschappen worden toegekend.
De echo raapt gehaast

haar stappen op.

(Paul Rodenko: ‘Bommen’)
Bijzondere soorten van concretisering zijn vitalisering en personificatie.
continu tijdsverloop tijdsverloop in een verhaal dat niet wordt onderbroken door tijdsprongen, flash-backs of flash-forwards.
correspondentieketen ook: (betekenis)register. Hulpmiddel bij de analyse van moeilijker lyrische teksten. Uitgaande van het feit dat het in een poëzietekst vaak om één thema draait, schrijft de analyticus woorden die voor zijn gevoel qua vorm, klank of inhoud bij elkaar horen (‘corresponderen’) onder elkaar, om zo een beter inzicht in de thematiek te krijgen.
cyclische bouw tekstopbouw, waarbij het eind van het verhaal of gedicht sterk lijkt op het begin. De gelijkenis geeft doorgaans aanleiding tot bespiegelingen, omdat het slot, door de verwikkelingen die vooraf gingen, slechts schijnbaar overeenkomt met het begin. Zo begint het bekende gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman met de strofe
Komt een duif van honderd pond,

een olijfboom in zijn klauwen,

bij mijn oren met zijn mond

vol van koren zoete vrouwen,

vol van kirrende verhalen

hoe de oorlog is verdwenen

en herhaalt ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.


47 regels verderop, waarin de herinnering aan de ellende van de oorlog wordt verwoord, luidt de laatste strofe:
Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.


Ook romans kunnen een cyclische bouw hebben, zoals Indische duinen van Adriaan van Dis.

dactylus versvoet van achtereenvolgens één beklemtoonde lettergreep en twee onbeklemtoonde lettergrepen.
Óver de bérgen bloeit schóner de wéidebloem
detective (thriller, politie- of speurdersroman) romangenre waarin alles draait om de vaak ingenieuze oplossing van een al even ingenieuze misdaad. Het genre heeft lange tijd vooral in de buitenlandse literatuur een behoorlijk kwaliteit gehad (Arthur Conan Doyle en Nicci French zijn bekende namen uit Engeland), maar de laatste jaren is het ook in het Nederlandse taalgebied kwalitatief in opkomst (René Appel, Jef Geeraerts)
didactische literatuur literaire tekst met een duidelijk opvoedkundig doel, over het algemeen het vergroten van algemene ontwikkeling van de lezer. In het Nederlands taalgebied doet de didactische literatuur zijn intrede met het werk van Jacob van Maerlant (±1275, bekende werken: Der nature bloeme en Spieghel Historiael). Sindsdien is ze eigenlijk niet meer weggeweest. Een opvallende bloeiperiode beleefde het genre in de achttiende eeuw ten tijde van de Verlichting. Noemenswaard zijn de Hollandsche spectator (1731-1734) van Justus van Effen en de Proeve van kleine gedigten voor kinderen (eerste druk 1778) van Hiëronymus van Alphen.
dierenverhalen (allegorische) verhalen waarin dieren mensen of menselijke eigenschappen en karaktertrekken verbeelden. Wereldfaam verwierf Vanden vos Reinaerde (twaalfde eeuw) een Middelnederlandse bewerking van een deel van de Oudfranse Roman de Renart. De twintigste-eeuwse bewerking en actualisering Wapenbroeders van Louis-Paul Boon verdient in de lange rij van navolgers en bewerkers een ereplaats. Internationaal zijn de fabels van Jean de la Fontaine bekend.
directe lyriek lyriek waarbij de gevoelsbeschrijving of –uitstorting in de ik-vorm wordt weergegeven.
Ik zou een dag uit vissen,

ik voelde mij moedeloos.

Ik maakte tussen de lissen

met de hand een wak in het kroos.

(M. Nijhoff: ‘Het kind en ik’)
Discoursanalyse bij literaire communicatie de analyse van wat binnen bepaalde kringen of in sommige tijden wel of niet gezegd kan/mag worden. Men maakt onderscheid tussen (1) dingen die gezegd moeten worden (2) dingen die gezegd mogen worden (3) die die niet gezegd hoeven te worden en (4) dingen die niet gezegd mogen worden. Dit alles volgens de vigerende normen. Met behulp van de discoursanalyse kan met bijvoorbeeld behoudende schrijvers van de culturele en maatschappelijke avant-garde onderscheiden.
Distanzstellung stijlfiguur waarbij woorden die syntactisch bij elkaar horen, gescheiden worden. Het apart geplaatste woord krijgt hierdoor extra nadruk.
Verwarring werd alles en angst en haat.

(Arthur van Schendel)


dramatiek naast epiek en lyriek één van de drie hoofdgenres van literatuur. Dramatiek vinden we vanzelf vooral terug in toneelteksten. Maar ook in proza (bijvoorbeeld in lange dialogen) en soms zelfs in poëzie kunnen we dramatische elementen herkennen.
dynamisch motief regelmatig terugkerend element in een tekst, dat zelf ook een ontwikkeling doormaakt. Het staat tegenover het statisch motief dat door de hele tekst heen onveranderd blijft.
eenheid van handeling in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat een tragedie niet meer dan één duidelijk herkenbare verhaallijn mag bevatten.

eenheid van plaats in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat de handeling zich op één plaats dient af te spelen.
eenheid van tijd in het klassieke (aristotelische) toneel het voorschrift dat de handeling zich binnen een bepaalde tijd (meestal één dag) dient af te spelen.
ellips I. weglating, met name van een woord of woorden in een zin.
Wij natuurlijk meteen op weg!
(persoonsvorm is weggelaten)

II. In een verhaal is een ellips een tijdsprong (in feite ook een weglating: er wordt tijd overgeslagen)
De oude Saab kreunde en zuchtte en de verwarming verdomde het bijna helemaal. Voor mijn huis maakte ik Judith wakker. Het leek alsof ze in haar halfslaap gehuild had. Ik kuste haar voorzichtig, ik had het gevoel dat dit misschien een plechtig moment was. [ellips] Ze reed weg met te veel gas, maar de Saab vond het kennelijk lekker, hij was er misschien aan verslaafd. [ellips]

Op mijn kamer, vier hoog, keek ik een tijdje naar buiten. Amsterdam was nog donker en de vorst reed nog over de daken.

(Rinus Ferdinandusse: Zij droeg die nacht een paars corset)
enjambement het ontbreken van een ‘rustmoment’ aan het eind van een versregel. Een enjambement ontstaat doordat de syntactische vorm niet overeenkomst met de versopbouw. Het wordt vaak gebruikt als vorm van rijmverdoezeling.
Allen ontvallen ons. Alles ontneemt

het leven. ’t Liefste, onvoorzien, vervreemdt.

(Anthonie Donker: ‘De eenige’)
enumeratie ook: opsomming. Opsommingen kunnen met en zonder verbindingswoord voorkomen. In het eerste geval is het tempo trager en krijgen de afzonderlijke delen meer aandacht.
Die zorght, en waeckt, en slaeft, en ploegt, en

zwoegt, en zweet,

(Joost van den Vondel: Palamedes)
Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder

(Ramses Shaffy)


epiek verhalende kunst. Naast lyriek en dramatiek één van de drie hoofdgenres. Epiek kenmerkt zich door het noodzakelijke en tevens erg vrije gebruik van ruimte en tijd. Epiek komt het meest voor in prozateksten, maar ook in poëzie en toneel kunnen epische elementen voorkomen.
eufemisme stijlfiguur waarbij een verzachtende, of bedekte omschrijving wordt gegeven van een begrip.
Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt.

(Nescio: De uitvreter. Over de zelfmoord van een personage)


expositie in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het eerste bedrijf, waarin een verteller uiteenzet wat er voorafgegaan is.
fabel I. dierenverhaal (met een les of moraal); II. in oppositie tot sujet een door de lezer chronologisch gereconstrueerd verhaal.
fictionaliteit gebruikt in oppositie tot referentialiteit. De mate waarin een verhaal niet langer refereert aan een bestaande werkelijkheid, maar meer aan een eigen, slechts in het werk bestaande realiteit.
flash-back terugblik. (Langere) passage in een verhaal die de chronologische lijn doorbreekt doordat hij zich op een eerder moment afspeelt.
flash-forward analoog aan flash-back gevormd begrip om een tijdsprong vooruit aan te te duiden.
focalisering de wijze waarop de verteller het verhaal benadert of ‘ziet’. Doordat een verteller focaliseert, kan de betrouwbaarheid van het perspectief ter discussie komen.
fysisch perspectief de mate waarin aspecten als ruimte, tijd, klimaat, weersomstandigheden enz. het verhaal ‘mee vertellen’. Het fysisch perspectief manifesteert zich meestal via opposities. Er kunnen bijv. positieve en negatieve ruimten in een verhaal voorkomen, zoals in ‘De auditie van mevrouw Stulze’ (F.B. Hotz) of Een bruid in de morgen (Hugo Claus)
gekruist rijm rijmschema (abab) waarbij de versregels om en om rijmen.
De pantippel werd geboren

Op een mooie dag in mei,

Met een arendsneus van voren

En een ezelsoor opzij.

(C. Budding’: ‘Ballade van de pantippel’)
gelijkenis zie: parabel
gepaard rijm rijmschema (aabb) waarbij de versregels twee aan twee rijmen.
Hoe kan de naam zijn dichter sturen!

Marsman is kosmisch van allure,

Hooft cerebraal en Donker licht,

Van Deel op de details gericht,

Engelman hemels en genadig,

Krol krols en Crul wat overdadig,

Jacques Perk beperkt en lastig Last,

Leeflang een late lettergast,

Ruusbroec en Schierbeek stadig stromend,

Gezelle van gezelschap dromend,

Hélène Swarth ontzaglijk sip

en geen ooit puntiger dan Stip.

(Willem Wilmink: ‘Gedicht voor Kees Stip’)
grammaticale laag syntaxis en lexicon bij (poëzie)teksten. De grammaticale laag kan een functie hebben bij de interpretatie. De lezer kan door zinsbouw en woordbetekenis door de auteur ‘gestuurd’ worden.
Van welke brand doorrakelt

peinzen de sintels?

(A. Roland Holst: Een winter aan zee)
Bij eerste (oppervlakkige) lezing interpreteert vrijwel iedereen ‘peinzen’ als persoonsvorm en ‘de sintels’ als onderwerp. De ‘t’ aan het eind van ‘doorrakelt’ dwingt echter een andere lezing af: door deze uitgang kan ‘doorrakelt’ alleen maar persoonsvorm zijn, zodat ‘peinzen’ automatisch de rol van onderwerp opgedrongen krijgt. ‘De sintels (van wélke brand)’ is derhalve lijdend voorwerp.
grondmotief zie: thema

halfrijm gezamenlijke benaming voor assonantie en acconsonerend rijm. Ook gebruikt als vorm van rijmverdoezeling.
handelingsaspecten stijlmiddelen waarvan toneelschrijvers gebruik maken om de aandacht van de toeschouwers vast te houden. Het zijn: prospectie, retrospectie en simultaneïteit.
hendiadys stijlfiguur waarbij een onderschikking d.m.v. een nevenschikking wordt aangegeven.
Een waterlandsche Trijn sat eens ajuyn en

schelde


(Jacob Cats)
(De dame in kwestie zat uiteraard ‘uien te schillen’.)
hexameter versregel die bestaat uit zes versvoeten van één dactylus. Homeros schreef zijn Ilias en Odyssee in hexameters.
Homerische vergelijking beeldspraak. Breed uitgewerkte vergelijking, waarbij eerst het object wordt genoemd, daarna, sterk uitgewerkt, het beeld en tenslotte weer het object.
Was zo de zee? Neen, neen, een stad geleek

ze, pleinen en straten in de kermisweek.

Boerinne’ en boeren, en muziek en dans

In de herbergen en in lichten krans

Om elke markt de snuisterijenkramen

Of als een koning komt en alle ramen

Zijn licht des avonds en uit ieder dak

Een witte vlag. Zo was de zee.


hoofdgenres de drie hoofdgenres in de literatuur zijn epiek (verhalende kunst), lyriek (gevoelskunst) en dramatiek (‘speelbare’ kunst). Hoewel de drie hoofdgenres goeddeels samenvallen met de kunstvormen proza, poëzie en toneel, mogen ze er niet volledig mee vereenzelvigd worden. In elke type tekst (proza, poëzie, toneel) kan elk van de hoofdgenres (ook in combinatie met de andere) vóórkomen.
hoofdtekst (in een toneeltekst) de tekst die door de spelers moet worden uitgesproken. De rest van de tekst (de regieaanwijzingen) heet neventekst.
humor overkoepelende term voor stijlmiddelen als ironie, parodie en satire.
hypallage stijlfiguur waarbij een bijvoeglijk naamwoord niet rechtstreeks verwijst naar het bijgeplaatste zelfstandig naamwoord, maar (indirect) naar iets anders.
een goed glas

een blinde muur

een luie stoel
hyperbool stijlfiguur. Overdrijving, die ook vaak in alledaags taalgebruik voorkomt.
Ik zit hier al een eeuw te wachten
Een meer literair voorbeeld:
En als de morgenzon weer gloort,

Zit hij aan ’t vensterglas

En wacht de diligence en schreit

Een brakken tranenplas.

(Piet Paaltjens)
hysteron proteron stijlfiguur, waarbij de chronologische volgorden der dingen doorbroken wordt.
Laten we sterven en ons in de strijd begeven.

(Vergilius)


Si antwerde den joncfrouwen, die tot haer

quaemen


Ende dat helpgheroep vernamen.

(uit: Floris ende Blancefloer)



ik-verteller vorm van psychisch perspectief. Het verhaal wordt door een van de personages in de ik-vorm verteld. Dat kan tijdens de gebeurtenissen (belevend-ik) of achteraf (verhalend-ik).
in medias res vertelwijze waarbij de auteur de lezer meteen midden in de verwikkelingen plaatst. Noodzakelijkerwijs komt er dan achteraf nog informatie over gebeurtenissen die zich vóór het begin van de tekst hebben afgespeeld. Het is in de moderne literatuur de meest voorkomende manier van vertellen.
indirecte lyriek lyriek waarbij de gevoelsbeschrijving of –uitstorting niet in de ik-vorm wordt gepresenteerd, maar wordt geprojecteerd op een andere persoon.
Nooit vrede in de jaren dat hij leefde

zichzelf was zijn naam, altijd zijn weg

bevuild met soldaten prelaten padden

in brokaat handelaren in zielen

en pelsjes rederijkers ketters spionnen
nooit vrede – altijd aan zijn grenzen

de brandlucht de lijkstank, geen dag

zonder vlees op de plank

in de grond op het dons aan het spit in de mond

van de smulpaap
en altijd aan zijn hof het geslof

van een voorpost van god, het geknor

van een slager een klant, het gekweel

van een kwee een kraai een godin

(Gerrit Kouwenaar: Geen dag zonder vlees)
intertextualiteit het verschijnsel dat teksten op elkaar reageren, hetzij door (inhoudelijke) verwijzingen, hetzij door sterke vormovereenkomsten. Het verschijnsel is van alle tijden. De middeleeuwse Reinaert, bijvoorbeeld, reageert naar vorm sterk op Karel ende Elegast, en naar inhoud op de hoofse Arturromans. De twintigste-eeuwse roman Wapenbroeders (L.P. Boon) verwijst weer sterk naar de Middelnederlandse Reinaert én naar de Oudfranse Roman de Renart. Zie ook: allusie, parodie en pastiche.
intrige in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het tweede bedrijf, waarin de verwikkelingen op gang komen en de spanning wordt opgewekt.
ironie vorm van humor. Milde spot, waarbij het vaak het tegenovergestelde gezegd wordt van wat eigenlijk wordt bedoeld. “Wat ben je vroeg vandaag!” tegen iemand die anderhalf uur te laat komt.
Theo Kars verwijt Harry Mulisch wartaal en stuntelig Nederlands en geeft onder meer als voorbeeld: Ook het woord hopelijk is geen zuiver Nederlands, maar een germanisme, terwijl het woord emaille in geen enkele taal voorkomt. Het moet zijn email. Hoe is het toch afgelopen met dat staatsexamen dat u wilde doen?

(Koos Hageraats (ed.): De knuppel in het hoederhok.)


jambe tweelettergrepige versvoet van achtereenvolgens een onbeklemtoonde en beklemtoonde syllabe.
Langs bérg en dál klinkt hóórngeschál

jeugdliteratuur literatuur gericht op jongeren. Kinderboeken. boeken zich qua stijl, inhoud en thematiek richten op onvolwassenen, vaak gekenmerkt door eenduidige vertelwijze, chronologisch tijdsverloop en enkelvoudige thematiek.
kanaal begrip uit de literaire communicatie (zie aldaar voor de plaats van het kanaal in het communicatiemodel). Onder het kanaal verstaan we literaire communicatie alle materialen en instituties die boodschap bij de ontvanger brengen, zoals uitgeverij, boekhandel, bibliotheek, reclame, recensies enz.
karakter in een eenvoudig indeling van personages, wordt wel onderscheid gemaakt tussen karakters en typen (Eng.: round en flat characters). De karakters zijn hierbij dat de personagers die meer op de voorgrond treden, met name ook met hun gevoelens en beweegredenen.
katharsis ‘reiniging’. Ontwikkeling in de vorming van een personage waarbij dit gelouterd wordt, d.w.z. sterker uit de ondergane tegenslagen tevoorschijn komt.
kinderliteratuur zie: jeugdliteratuur.
klank zie: rijm.
klinkerrijm zie: assonantie.
kwatrijn 1. vierregelige strofe in een gedicht. 2. vierregelig gedicht, vaak met het rijmschema aaba.
Het waterhoentje vlucht bij onraad in het riet.

De merel schrikt wanneer een schaduw door de

takken schiet.

Vannacht: de treden kraakten, open viel de deur,

Ik was niet bang, zei zacht: “Kom”. Jij was het

niet.


(Tymen Trolsky: ‘Vannacht.’)
Men begroet ons niet

Men zegt: De groeten!

Vertrouwen is voor later

voor een toekomst vol littekens

(Hugo Claus)

lege plek zie: open plek
leidmotief regelmatig terugkerend element in een verhaal, dat zelf geen deel uitmaakt van de handeling, maar dient om de gedachten van de lezer een bepaalde richting uit te leiden. Als in Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden) melding wordt gemaakt van het mozaïek in de gangvloer, weet de lezer op den duur dat er in de gemoedsgesteldheid van de hoofdpersoon verbetering optreedt.
Lethe rivier der vergetelheid in de Hades (het dodenrijk in de Griekse mythologie). Als literair-historisch motief komt het vaak voor in met name poëzie.
lexicon woordenschat. Maakt deel uit van de grammaticale laag in poëzie.
lezer de ontvanger in het literaire communicatiemodel. Bij het begrip ‘lezer’ onderscheiden wij de ‘geïntendeerde (bedoelde) lezer’ en de ‘persoon van de lezer (of eigenlijke lezer)’. Met de eerste bedoelen de lezer zoals de auteur die voor ogen moet hebben gehad, gezien zijn werk. Met de tweede de onvoorspelbare werkelijke lezer.
lezerstekst door de lezer gerealiseerde (dus geïnterpreteerde) literaire tekst, die geheel los staat (kan staan) van eventuele auteursbedoelingen.
limerick soort puntdicht van vijf regels van resp. 9, 9, 5, 5 en weer 9 lettergrepen. Het rijmschema is aabba.
De vrouw van een Deken in Aken

Lag ’s nachts diepe zuchten te slaken

Zij kreunde zacht: ‘O!

Het kriebelt mij zo:

Wel een deken in bed maar geen laken.’

(C. Buddingh’)


A terrible infant called Peter,

springled his bed with a gheter.

His father got woost,

took hold of a cnoost

and gave him a pack on his meter.

(John O’Mill)


literaire code in de literaire communicatie enigszins verouderd begrip dat de literaire invloed van de schrijver en de plaats van diens œuvre binnen die invloeden weergeeft.
literair-historisch motief motief dat kan bogen op een grote frequentie in de (wereld)literatuur. Literair-historische motieven hebben daardoor een soort van universele waarde en aantrekkingskracht.
literatuur zie: artistieke waarde
litotes stijlfiguur, vorm van understatement die gebruikt maakt van de ontkenning van het tegenovergestelde.
Dat heb je niet gek gedaan (= je hebt het geweldig gedaan)
‘We are not amused’ (de Britse koningin Victoria als zij iets sterk afkeurde)
locus amoenus (lett. ‘lieflijke plaats’) literarair-historisch motief, waarbij de schoonheid van de plaats en de zuiverheid van de handeling elkaar spiegelen. Komt o.a. voor in Een bruid in de morgen (Hugo Claus).
lyriek gevoels- of gevoelsuitstortende kunst. Naast epiek en dramatiek één van de drie hoofdgenres. Lyriek (lett. ‘dat wat gezongen wordt’) kenmerkt zich door het ontbreken van de elementen ruimte en tijd. Lyriek komt het meest voor in poëzie, maar ook in proza en toneel kunnen lyrische elementen voorkomen.

manuscriptfictie bekend literair-historisch motief, waarbij de verteller net doet alsof hij de tekst ergens gevonden heeft, waarna hij hem alleen maar navertelt. Bekende voorbeelden: De naam van de roos (Umberto Eco) en Max Havelaar (Multatuli)
massa-lectuur denigrerende benaming voor boeken zonder veel diepgang die zich richten op een groot koperspubliek. Het begrip ‘massa’ dateert in de betekenis van ‘cultuurloze’ of ‘onbeschaafde’ grote groep overigens van omstreeks het begin van de 20ste eeuw, waarna kunstenaars uit allerlei disciplines zich meer op de ‘elite’ gingen richten, waaruit het modernisme ontstond.
metafoor I. Overkoepelende benaming voor alle vormen van beeldend taalgebruik. II. Vorm van beeldspraak, waarbij alleen het beeld en niet het te vergelijken object wordt genoemd.
Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning.

(= lichaam)

(J.C. Bloem)
metonymia (mv. metonymiae), vorm van beeldspraak, waarbij niet van de overeenkomst tussen object en beeld gebruik gemaakt wordt, maar van een andere relatie.

materiaal ipv voorwerp:

De marathonloper heeft uiteindelijk brons gewonnen.

maker ipv voorwerp:

Een Mondriaan; een Ford; een Stradivarius; Homeros lezen.

Geheel voor een deel (totum pro parte):

Parijs introduceert de laatste mode.

Engeland verloor met 6-5

Deel voor het geheel (pars pro toto):

Een bemanning van twaalf koppen


metrum regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in (met name) poëzie.
middenrijm rijm dat midden in (opeenvolgende) versregels voorkomt.
T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u

cruysten,

Noch die verradelijck u togen voort gericht,

Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,

Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.

(Jacob Revius)


misdaadroman zie: detective
motief woord, zinsnede of (abstract) begrip dat enkele malen terugkeert in een verhaal of gedicht. Al naar gelang vorm en inhoud onderscheiden we statische en dynamische verhaalmotieven, compositiemotieven, leidmotieven en literair-historische motieven.

naamdicht ook: acrostichon. Gedicht waarbij de beginletters van elke regel (of van elke strofe) een naam vormen. Meestal ofwel die van de dichter, ofwel die van de bezongene (zoals bij het Wilhelmus). Een van de versies van de Middelnederlandse Reinaert eindigt als volgt:
Bi Gode, ic dart u wel raden!’

Isengrijn sprac toten beere:

‘Wat sechdire toe. Brune heere?’

‘Ic hebbe liever in den riseren

Ligghen dan hier in den iseren.

Laet ons toten coninc gaen

Ende sinen pais daer ontfaen.’

Met Firapeel datsi ghinghen,

Ende maecten pais van allen dinghen.
neventekst tekstdelen uit een toneelstuk die niet door de acteur uitgesproken moeten worden (de hoofdtekst), maar bedoeld zijn als een soort regieaanwijzingen.
novelle verhaal (richtlijn: maximaal 100 blz.) dat door zijn beknoptheid een aantal voorwaarden stelt aan de auteur. Zo kunnen er maar een of enkele uitgewerkte personages in voorkomen, is er geen ruimte voor meerdere verhaallijnen en dient een novelle direct midden in de handeling te beginnen. Op al deze punten opponeert de novelle met de uitgebreidere roman.

omarmend rijm rijmschema (a, b, b, a) waarbij twee rijmende versregels steeds worden omsloten door twee andere op elkaar rijmende regels.
‘k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.

Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:

‘k gooi mijn vuil water weg en vul de kan;

maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

(J.A. Dèr Mouw)
ontvanger laatste schakel bij de literaire communicatie. Zie: lezer.
open eind zie open plek
open plek ook: lege plek. Door de auteur/verteller niet (of slechts ten dele) verstrekte informatie, zodat de lezer deze zelf kan invullen. Omdat deze invulling vaak van meerdere tijds- en persoongebonden elementen afhankelijk is, worden teksten met veel open plekken multi-interpretabel. Een bijzondere open plek is het zgn. ‘open eind’, waarbij de afloop van een verhaal in het midden wordt gelaten, zodat de lezer die volgens zijn eigen idee of verbeelding kan invullen.
overlooprijm ook: kettingrijm. Rijm waarbij het eerste woord van een regel rijmt op het laatste van de voorafgaande.
Heer Schimmelpenninck weet van sparen:

jaren at hij boter, vleesch noch visch!


oxymoron stijlfiguur waarbij twee elkaar uitsluitende begrippen gecombineerd worden.
Bij God! Ik was voor ’t sterven in de wieg gelegd.

(Gaston Burssens)



palindroom zin of woord(en) die letterlijk dan wel woordelijk achteruit gelezen kan worden. Eerder een taalspel dan een stijlelement.
‘Mooie zang; ’n alt sist lang na,’ zei oom.

(Battus: Opperlandse taal- en letterkunde)


A man, a plan, a canal: Panama.
panoramisch vertelwijze waarbij de verteller van enige afstand vertelt, zodat enerzijds een volledig, anderzijds een afstandelijk beeld opgeroepen wordt.
parabel gelijkenis. Vorm van beeldspraak waarbij een (allegorisch) verhaal verteld wordt om een meer abstracte waarheid duidelijk te maken. Het begrip wordt vaak voorbehouden aan de gelijkenissen die Jezus vertelde en die in het Nieuwe Testament staan opgetekend.
paradox schijnbare tegenspraak. Stijlfiguur die in eerste instantie op een tegenstelling of tegenspraak lijkt, maar die tenslotte toch een vorm van waarheid lijkt te bevatten.
Iedereen is uniek, behalve ik.

(Herman Brusselmans)


Ik leg me toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.

(Multatuli)


Er zijn twee soorten van menschen, de eene soort bestaat niet.

(Victor E. van Vriesland)


parallellisme stijlfiguur, waarbij de auteur een aantal opeenvolgende zinnen qua structuur en inhoud gelijk laat beginnen (en verlopen).
Geur van het reeuwse beest; geur van de

beurse vrucht:

geur van de zee; geur van ene aarde zonder

lucht;


- ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de

dwaze;


ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal

azen.
Ik ben de laatste peer in de ijlte van den boom.

Ik ben alléen ter killen herfst, en ik ben lóom.

Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have;

ik ben de zwaarste en de rijpste en zal geen kele

laven.


(Karel van de Woestijne)
parodie spottende nabootsing. Door overdreven gebruik te maken van de stijlmiddelen van een bepaalde auteur of stroming drijft de parodie er de spot mee. De oudst bekende vorm in onze taal in de Middelnederlandse parodie op de ridderepiek Van den vos Reynaerde. In De verteller van Harry Mulisch komen meerdere parodieën voor.
pastiche parodie die echter zo dicht tegen het origineel aanligt, dat de lezer in verwarring kan raken over de bedoeling van het werk.
perifrase stijlfiguur, waarbij wel een omschrijving maar niet het eigenlijke begrip wordt genoemd.
het zilte nat (de zee)

stalen ros (fiets)


Een eufemisme is een speciale soort perifrase.
peripetie in het klassieke (aristotelische) toneel de naam voor het vijfde bedrijf, waarin de beslissende wending (ten goede of ten kwade) en de afwikkeling plaatsvindt.
personale vertelwijze zie: verhulde-ik
personage handelende figuur in een epische of dramatische tekst.
personagerol functie van de personages in epische teksten. In navolging van Greimas onderscheiden we: subject, object, beïnvloeder, beïnvloede, helpers en tegenstanders.
personificatie vorm van beeldspraak, waarbij een niet-menselijk object menselijke eigenschappen krijgt toegedicht.
Achter de wuivende duinenlijn

Stoeien de wind en de wilde zee.

(P.C. Boutens)
begrippen kleden zich uit en aan

zinsdelen liggen in scheiding

(Jan G. Elburg)
perspectief zie: fysisch perspectief en psychisch perspectief
pleonasme stijlfiguur, waarbij een vaste eigenschap van een woord niettemin apart genoemd wordt.
een witte schimmel

de witte sneeuw


(het laatste voorbeeld is in onze sterk vervuilde omgeving al twijfelachtig)
poésie pure vorm van poëzie, die het gedicht wil zien als ‘klankgeheel’ als compositie van ritme en klank, waarbij de rede als oordelend element wordt uitgesloten.
groen is de gong

groen is de watergong

waterwee, watergong

groen is de gong van de zee


Sulina, Braïla

Sulina, Brest

Sulina, Singapore

achter de vest


stem die mijn slaap doorzong

waterklok, watertong

koperen long van de ree
Sulina, Braïla

Sulina, Brest

Silina, Senegal

wijd van het nest


hang die mijn ziel doordrong

waterdroom, watersprong

loeiende gong neem mij mee
Sulina, Braïla

Sulina, Brest

Sulina, Zanzibar

buiten is best


groen is de gong

groen is de watergong

waterwee, watergong

groen is de gong van de zee

(Jan Engelman: “En Rade. Vocalise voor Cavalcanti”)
poëzie literaire vorm, met een aantal uiterlijke kenmerken: korte (niet dóórlopende) regels, ruime bladspiegel, metrum, rijm, informatiedichtheid e.d. Meest gebruikte vorm voor veel lyriek.
polyperspectiviteit het afwisselend voorkomen van verschillende vormen van psychisch perspectief. Voorbeelden: Menuet (Louis Paul Boon) en De geruchten (Hugo Claus).
polysysteemtheorie leer die inhoudt dat het ‘literaire systeem’ naast en tussen tal van andere systemen (politiek, maatschappij, religie, economie, cultuur enz.) bestaat en van al die systemen voortdurend invloeden ondergaat, terwijl het omgekeerd zijn eigen invloed in al die andere systemen doet gelden. In de literaire communicatie is dit het gangbare model dat o.m. verklaart hoe zender, boodschap, kanaal en ontvanger op elkaar en op hun omgeving inwerken.
post rem vertelwijze waarbij de auteur het verhaal aan het (chronologische) eind van de verwikkelingen laat beginnen. Alle informatie die na het begin komt, heeft daar dus vóór plaatsgevonden. De vertelwijze komt niet zo erg vaak voor in de literatuur. Een bekend voorbeeld is Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants.
prolepsis stijlfiguur, waarbij een element uit de syntactische structuur wordt gelicht en – apart – voorop wordt geplaatst, waardoor het bijzondere aandacht krijgt.
Zijne kunstmoraal – hij vatte haar samen in twee zinvolle rijmpjes.

(Conrad Busken Huet)


Soep, daar lust ik wel pap van.
prospectie vooruitwijzing. Stijlmiddel waarbij de chronologie (min of meer) doorbroken wordt, door alvast te verwijzen naar de dingen die nog komen gaan. Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken.
proza aan weinig regels gebonden literaire vorm. Opponeert met poëzie dat zich juist kenmerkt door een bijzonder strakke beregeling. De prozavorm wordt vooral gebruikt voor epiek en essayistiek.
psychisch perspectief bij epiek de wijze waarop de lezer het verhaal wordt ingeleid, de verteller en zijn ‘point-of-view’. Er zijn drie hoofdvertelwijzen: de autoriële verteller, de ik-verteller en de verhulde-ik (of personale) verteller.
puntdicht ook: epigram. Kort gedicht met een geestige pointe of pakkende gedachte. Vaak bevat het een woordspeling.
Een ezel is een heer met een staart,

Die hij van achteren draagt, zoals een paard.

Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren

Zit hem soms minder in het hoofd dan wel in de

oren.

(De Schoolmeester)


Ook komische grafschriften rekenen we tot de puntdichten.
Tom Smith is dead, and here he lies,

Nobody laughs and nobody cries;

Where his soul’s gone, or how it fares,

Nobody knows, and nobody cares.



raamvertelling een roman waarin (vele) andere kortere vertellingen (novellen) zijn ingebed. Bekende voorbeelden: de Decamerone (Boccaccio), de sprookjes in Duizend-en-een-nacht. Een Nederlands voorbeeld is De barre winter van negentig (Herman de Man).
referentialiteit de mate waarin een literair werk verwijst naar een kenbare werkelijkheid. Vorm een oppositiepaar met fictionaliteit.
repetitio herhaling. Stijlfiguur waarbij een woord of kleine woordgroep enkele malen herhaald wordt en er zo bij de lezer wordt ‘ingehamerd’.
Laat me de schaduw worden van jouw schaduw

de schaduw van je hand

de schaduw van je hond,

maar verlaat me niet.

(Jacques Brel)
En niemand komt niemand dan niemand tegen.

En niemand zegt ik ben een iemandswoord.

En iemand zegt ik ben maar ben verzwegen.

De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.

(Hans Andreus)
retoriek onbezield gebruik van overspannen taal met clichés en bombast (overspannen beeldspraak). Niet te verwarren met de retorica (=welsprekendheidsleer).
retorische vraag stijlfiguur. Nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag. Er wordt dan ook geen antwoord op verwacht. Als een vakbondsleider de stakende arbeiders vanaf een kantinetafeltje toeroept: “Mannen, pikken wij deze diefstal van vrije dagen?” is het niet de bedoeling dat iemand antwoordt: “Nou, voor deze keer dan.”
retrospectie terugverwijzing. Stijlmiddel waarbij de chronologie (min of meer) doorbroken wordt, door terug te verwijzen naar de dingen die al eerder hebben paatsgevonden. Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken.
rime riche lett. ‘rijk rijm’. Rijm waarbij de klankovereenkomst wordt gerealiseerd door een rijmwoord in zijn geheel te herhalen.
Wat ontbrak, ontbreekt ook nu. Staat

zelfverlies zo vast dat alles valt?

Ik wil slapen, zei ik, te redden valt

er niets, want daglicht doet mij pijn.

(Marieke Jonkman: “Bang in het licht’)


roman literair prozawerk van grotere omvang. Dikwijls met meerdere verhaallijnen en uitgediepte karakterbeschrijvingen.
ruimte een belangrijke structuurelement bij epiek. Daarin kan naar hartelust van ruimte gewisseld worden. Ook kan ruimte een symbolische functie hebben. Zie ook onder fysisch perspectief.
rijm klankovereenkomst in beklemtoonde lettergrepen die niet al te ver van elkaar staan. Er zijn veel soorten rijm. Volrijm, halfrijm en Rime riche zeggen iets over de mate van klankovereenkomst. Eindrijm, beginrijm, binnenrijm, middenrijm en overlooprijm iets over de plaats ervan.
rijmschema regelmatige volgorde van rijmklanken aan het eind van versregels. De bekendste zijn gepaard rijm, gekruist rijm en omarmend rijm.
rijmverdoezeling dichterlijke techniek bedoeld om rijmklanken niet al te zeer te laten opvallen. We onderscheiden drie mogelijkheden: accentverschuiving, halfrijm en enjambement.

satire I. half ernstige, half humoristische aanval op menselijke dwaasheden of maatschappelijke toestanden, zoals vaak in cabaret gebeurt. II. hekeldicht. Gedicht of andere literaire tekst met onder I. genoemde eigenschappen. Voorbeelden zijn: Lof der zotheid (Erasmus), Wapenbroeders (Louis Paul Boon), De mensheid zij geprezen (Arnon Grunberg).
scène I. bij toneel: deel van een bedrijf, tussen twee spelerswisselingen in II. bij epiek: deel van het verhaal waarin de verteltijd en de vertelde tijd gelijk opgaan (ongeveer even lang duren.).
scènisch vertelwijze waarbij de verteller van korte afstand vertelt, zodat de lezer zich dicht op de ‘actie’ voelt zitten. Hierdoor wordt enerzijds een onvolledig, anderzijds een erg betrokken beeld opgeroepen, met een grote spannende werking.
schrijver i.t.t. tot de auteur is de schrijver de maatschappelijke figuur die zich ook buiten zijn boeken (en in zijn privé-leven) manifesteert. Als iemand onder pseudoniem schrijft is het verschil schrijver-auteur betrekkelijk makkelijk. Henk Marsman is de schrijver, Bernlef de auteur. Maar ook voor schrijvers die onder hun eigen naam publiceren moeten we dit onderscheid maken.
sextet zesregelig gedicht of zesregelige strofe.
Shakespeare-sonnet sonnet waarbij de wending niet na de achtste regel maar na de twaalfde te vinden is. Deze structuur wordt ook zichtbaar in het rijmschema abab cdcd efef gg.
What is your substance, whereof are you made,

That millions of strange shadows on you tend?

Since everyone hath, every one, one shade,

And you, but one, can every shadow lend.

Describe Adonis, and the counterfeit

Is poorly imitated after you;

Of Helen’s cheek all art of beauty set,

And you in Grecian tires are painted new.

Speak of the spring and foison of the year;

The one doth shadow of your beauty show,

The other as your bounty doth appear,

And you in every blessèd shape we know.

In all external grace you have some part,

But you like none, none you, for constant heart.

(William Shakespeare: ‘Sonnet 53’)
short story snel verlopend kort verhaal eindigend met een climax of onverwachte wending. Vaak moeilijk te onderscheiden van anekdote, scherts of novelle. Zoals uit de naam al op te maken valt, is het genre vooral populair in Angelsaksische landen, met schrijvers als Edgar Allan Poe, Truman Capote, Ernest Hemingway en Roald Dahl. Ook de Rus Tsjechov is een bekend beoefenaar. Nederlandse voorbeelden zijn Hugo Claus, Bob den Uyl en Jan Donkers.
simultaneïteit Een van de drie handelingsaspecten waarvan toneelschrijvers gebruik maken, waarbij gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om meer handelingen gelijktijdig te laten plaatsvinden en waardoor die handelingen versterkt worden. In Suiker van Hugo Claus treurt een van de personages over het verlies van zijn geliefde. Zijn verdriet wordt versterkt door eht feit dat je haar (buiten beeld) met andere mannen hoort feesten.
sleutelroman roman waarin de personages en gebeurtenissen (verhuld) verwijzen naar mensen en gebeurtenissen in de werkelijkheid. Een bekend voorbeeld is Onder professoren van W.F. Hermans.
socioculturele code (gedateerde) term voor de maatschappelijke en culturele invloeden die zowel de persoon van de schrijver als de lezer ondergaan. De grote verschillen tussen deze twee zouden een verklaring vormen voor het mislukken van literaire communicatie.
soft focus aan filmtechniek ontleende term die aangeeft dat een niet al te scherp beeld van de (omgeving van de) beschreven handeling wordt gegeven.
sonnet veertien regelig gedicht dat zijn oorsprong vond in de Italiaanse Renaissance (Petrarca) met een strak rijmschema en een wending (ook: “val’ of ‘chute’) na de achtste regel.
De woorden worden in een nieuw verband

Als in een zind’lijk weeshuis opgenomen:

Vier slaapzalen begrenzen, wand aan wand,

Afwisselend jongens- en meisjesdromen.


Over de bedden, naar den and’ren kant,

Wordt onderling een lokroep wel vernomen:

Wat ze verloren met den ouden band

Moet toch als kinderliefde bovenkomen.


Onder de zalen huizen de regenten,

Achter drie tafels, achter ’t groene kleed,—

En ingespannen pluizend om den wreed
Onterfden kleine deugden in te prenten,

Om hen, ook zonder hun zielseigen moeder,

Nog tot een draag’lijk einde op te voeden.

(S. Vestdijk: ‘Het sonnet’)


spanning stijlelement. Door schrijftechnische ingrepen kan de auteur kan de lezer spanning ondervinden. Korte en onvolledige zinnen, dosering van informatie, wisseling van perspectief, vertragingstechnieken en het gebruik van cliffhangers zijn veel voorkomende voorbeelden.
stafrijm zie: alliteratie
statisch motief motief (met enige regelmaat herhaald element in een tekst), dat zelf binnen de tekst geen ontwikkeling doormaakt.
stijlfiguur iedere afwijking van de gebruikelijke schrijfstijl die een auteur toepast om een zeker effect te bereiken.
strofe I. gedicht van één strofe(II). II. deel van een gedicht tussen twee witregels. Soms ook foutief ‘couplet’ genoemd. Strofen worden benoemd naar hun regelaantal. De belangrijkste zijn: twee regels: distichon; drie regels: terzine (in een sonnet: terzet); vier regels: kwatrijn; vijf regels: quintet (of: kwintet); zes regels: sextet; acht regels: octaaf.
structuur bouw(wijze) van een literaire tekst. Niet alleen ‘bouwstenen’ als hoofdstukken, alinea’s en strofen maak deel uit van de structuur, maar ook zgn. structuurmotieven (stijlelementen die in de bouw van een tekst terug te vinden zijn, zoals cyclische bouw, of het ‘dubbelwegmotief’.)
sujet epische tekst in de volgorde waarin hij gepresenteerd wordt. Meestal genoemd samen met zijn opponent ‘fabel’, wat het chronologisch gereconstrueerde verhaal is.
symbool vorm van beeldspraak waarbij het verband tussen beeld en object niet gebaseerd is op enig logisch of inhoudelijk verband, maar bijvoorbeeld op traditie (duif-vrede). Auteurs kunnen ook individuele symbolen bedenken en gebruiken.
synesthesie vorm van beeldspraak waarbij de zintuiglijkeeffecten van objecten verwisseld of gemengd worden.
schreeuwende kleuren

onwelriekende woorden

een diepe stem
‘Hoor dan met uw handen’

(Lucebert)



tautologie stijlfiguur waarbij (vaak in nevenschikking) tweemaal hetzelfde wordt gezegd.
zeker en vast

enkel en alleen


Hij sprak en zeide

In ’t zaâl zich wendend

Vaarwel, o moeder

(Geerten Gossaert: ‘De moeder’)


tempowisseling in epiek voorkomende wisseling in de verhouding verteltijd en vertelde tijd. Genette onderscheidt er vijf: pauze (vertelde tijd nul, verteltijd ‘oneindig’), vertraging (vertelde tijd > verteltijd), scène (vertelde tijd = verteltijd), samenvatting (vertelde tijd < verteltijd), ellips (verteltijd ‘oneindig’, vertelde tijd nul).
thema onderwerp van een literaire tekst, ook wel grondidee of grondmotief. Het thema is niet slechts afhankelijk van wat er in de tekst staat, maar ook van de interpretatie van de lezer. Omdat teksten soms zo complex kunnen zijn dat er moeilijk één thema uit te destilleren valt, spreken we in zo’n geval liever van ‘thematiek’.
thriller zie: detective
tijd een belangrijk structuurelement bij epiek, waarin niet alleen een chronologisch tijdsverloop voorkomt, maar waarin volop met tijd ‘gespeeld’ kan worden. Prospectie en retrospectie, flashbacks en flashforwards alsook tempowisselingen behoren tot de mogelijkheden die de auteur in dit spel ten dienste staan.
tijdsprong (in epiek) verzamelnaam voor verteltechnieken waarbij de auteur de chronologie doorbreekt: flash-backs, flash-forwards, vooruitverwijzingen en terugverwijzingen.
toespeling zie: allusie
toneel de literaire vorm bij uitstek waarin het genre dramatiek gegoten kan worden. Het gaat hierbij dan om de uitgegeven toneeltekst en niet om de uitvoeringspraktijk. Uiteraard kun die praktijk wel in je studie van het genre betrekken, net zoals je een film kunt bekijken en niet alleen maar in het script hoeft te lezen. Let op: dramatiek kan ook in proza of poëzie voorkomen.
trocheus tweelettergrepige versvoet van achtereenvolgens een beklemtoonde en een onbeklemtoonde syllabe.
Óp de gróte stílle héide dwáált de hérder éénzaam rónd
type een (vrijwel) niet uitgewerkt personage in een roman of novelle. Ook wel: flat character.

understatement stijlfiguur, waarbij iets op een verzachtende toon wordt gezegd, vaak met een humoristisch effect.
Hij kan een aardig balletje trappen (over een topvoetballer)
Understatements kunnen ook gebruikt worden om op een kalme, gewone toon over iets gruwelijks te vertellen. We spreken dan ook wel over een ‘onderkoelde toon’.

vergelijking zie: asyndetische vergelijking en als-vergelijking
versnelling (van het verhaaltempo), vergroting van de informatiedichtheid, of verkorting van het tijdsverloop door samenvattingen of ellipsen (zie onder: tempowisseling)
verstandslyriek vorm van lyriek die bedrieglijk veel op epiek-in-dichtvorm lijkt, maar waar een lyrische inhoud (‘met het verstand’) achter te vinden is. Bekijk zelf het volgende gedicht:
’s Avonds gezeten op een hek

zag ik het naadren van een trek.

Op stille hoeven, zonder geluid,

draafden vier ezeltjes vooruit.

Een zwarte bok met lange baard

volgde slordig en bedaard

een troep verkleurde maagre geiten.

Het twee-wielig wagentje reed achteraan

– paarden bleven gedurig staan

om driftig achterom te bijten –

en op de wagen een zwarte vrouw

met twee stil-starende kleine zonen.

Hun hoofden draaiden om naar mij,

zo reden ze zwijgzaam en licht voorbij,

zo rustig, haveloos en vrij…

Ik keek hen na; ik dacht, ik wou

zo rustig zijn en nergens wonen.

(M. Vasalis: ‘De trek’)


versvoet metrische eenheid in een dichtregel, bestaande uit één beklemtoonde en één of meer onbeklemtoonde lettergrepen. De bekendste zijn jambe, trocheus, dactylus en anapest.
vertelde tijd tijd die er verloopt tussen het begin en het eind van de fabel (II.)
vertelsituatie wijze waarop de auteur een verhaal vertelt. Het psychisch perspectief maakt deel uit van de vertelsituatie, maar bijvoorbeeld ook of het scènisch of panoramisch verteld wordt.
verteltijd tijd die nodig is om een verhaal te vertellen (of te lezen). De verhouding tussen verteltijd en vertelde tijd is bepalend voor het vaststellen van anachronismen en tempowisselingen.
vertraging (van het verhaaltempo), verkleining van de informatiedichtheid, of verlenging van het tijdsverloop bv door pauzes (zie onder: tempowisseling)
verwachtingshorizon verwachting die bij een lezer leeft als hij in een literair werk begint te lezen. Het doorbreken van de verwachtingshorizon wordt in de receptie-esthetica (o.a. door Jauss) als een kenmerk van literaire waarde genoemd – net als het vóórkomen van open plekken (door Iser)
visueel rijm rijm dat niet gebaseerd is op klank- maar op optische overeenkomst (bv in de spelling).
Een koe te Moskou sprak: Een koebel

kost hier anderhalve roebel.

En weet je wat ik heb ontdekt?

Een aardig klokkenspeleffect

bereikt men door met drie bellen

geweldig te gaan wiebelen.

(Kees Stip: ‘Op een koe”)
visuele poëzie poëzie waarbij de schrijfwijze (of typografie) de inhoud van de tekst illustreert. Denk aan de “Zeppelin” van Paul van Ostaijen, of aan “revolutie” van Paul de Vree.

vitalisering vorm van beeldspraak waarbij aan een levenloos object, eigenschappen van een leven wezen worden toegekend.
omdat er woorden stonden te blaten

onder het open raam waar ik lag.

(Guillaume van der Graft)
Een bijzondere vorm van vitalisering is de personificatie.
vrij vers vorm van poëzie die niet gebonden is aan regels van metrum, rijm of regel- en strofelengte.
wending in een sonnet (na de achtste regel) voorkomende overgang, meestal van inleiding of illustratie naar kerngedachte.
De arbeiders der fabriek aan de overkant

gaan, als de stoomfluit schaften heeft gefloten,

op een terrein, door muren ingesloten,

voetballen, vechten, eten. Onderhand

verzamelen de vogels langs de goten.

De hemel vraagt om kruimels van het land.

Reeds zwenkt de meeuw naar de uitgestoken

hand,


en bij de schoen zijn mussen toegeschoten.
Andere volgels hebben het niet zo.

Ik heb hen vaak op de brug gâgeslagen,

zij haalden brood op het stempelbureau.
Als die om kruimels van de hemel vragen,

een bioscoop, een fiets, een radio,

komt de cavalerie de hoek om jagen.

(M. Nijhoff: ‘De vogels’)


woordspeling overkoepelende term voor allerlei ‘grappen’ met betekenis, syntaxis of spelling.


zelfcorrectie stijlfiguur waarbij de auteur zijn woorden lijkt terug te nemen, of te verbeteren.
De moerbijtoppen ruischten;

God ging voorbij;

Nee, niet voorbij, hij toefde;

(Nicolaas Beets)


Hij aarzelt – neen, hij aarzelt niet, –

Ten minste niet heel lang –

’t Verloorne zoeken – da’s geen werk

Voor zonen van den zang!

(Piet Paaltjens)
zender bij literaire communicatie het geheel van schrijver, auteur en verteller, alsmede de (buiten)literaire invloeden die hierop inwerken.
zeugma stijlfiguur. Onjuiste samentrekking. Twee substantieven zijn verbonden met één werkwoord dat eigenlijk maar bij één van de substantieven past. Een bekende is
Hier zet men koffie en over.
Soms gebruikt een auteur een zeugma om het (grappige) effect. In Kort Amerikaans schrijft Jan Wolkers.
‘Riep u,’ vroeg de portier.

Eric keek geschrokken om naar dat bleke hoofd met die pet met glimmende sleutels dat om de hoek van de deur vragend naar hem keek. Hij schudde zijn hoofd en toen verdween het.




Thematisch register

Dit register is bedoeld als studiehulp. Je vindt er alle begrippen uit de syllabus, gerubriceerd naar acht thema’s.


Literaire communicatie

artistieke waarde

auteur

auteurstekst



bestseller

canon


censuur

code


didactische literatuur

fictionaliteit

hoofdgenres

intertextualiteit

jeugdliteratuur

kanaal


lezer

lezerstekst

literaire code

massa-lectuur

ontvanger

open plek

polysysteemtheorie

referentialiteit

schrijver

socioculturele code

verwachtingshorizon

zender
stijl

anagram

archaïsme



humor

  • ironie

  • parodie

  • pastiche

  • satire

palindroom

retoriek


spanning

structuur

stijlfiguren


  • allocutie

  • allusie

  • ambiguïteit

  • amplificatio

  • anakoloet

  • antithese

  • apokoinou

  • bombast

  • chiasme

  • cliché

  • climax

  • Distanzstellung

  • ellips

  • enumeratie

  • eufemisme

  • hendiadys

  • hypallage

  • hyperbool

  • hysteron proteron

  • litotes

  • oxymoron

  • paradox

  • parallellisme

  • perifrase

  • pleonasme

  • prolepsis

  • repetitio

  • retorische vraag

  • tautologie

  • understatement

  • zelfcorrectie

  • zeugma

woordspeling
beeldspraak

allegorie

als-vergelijking

asyndetische vergelijking

concretisering

Homerische vergelijking

metafoor

metonymia

symbool

synesthesie



vergelijking

vitalisering


motieven

compositiemotief



  • cyclische bouw

dynamisch motief

leidmotief

literair-historisch motief


  • aanval op de literatuur

  • aftakening

  • Blauwbaardmotief

  • christelijke motieven

  • katharsis

  • Lethe

  • locus amoenus

  • manuscriptfictie

statisch motief

thema
verhaaltechniek

cliffhanger

close-up


personages

  • karakter

  • personagerol

  • type

perspectief

  • auctorieel

  • betrouwbaarheid

  • focalisering

  • fysisch perspectief

  • ik-verteller

  • panoramisch

  • personaal

  • polyperspectiviteit

  • psychisch perspectief

  • scènisch

  • vertelsituatie

ruimte

soft focus

tijd en tempo


  • ab ovo

  • anachronisme

  • continu tijdsverloop

  • ellips

  • fabel

  • flash-back

  • flash-forward

  • in medias res

  • post rem

  • prospectie

  • retrospectie

  • scène

  • sujet

  • tempowisseling

  • tijdsprong

  • versnelling

  • vertelde tijd

  • verteltijd

  • vertraging


epiek

detective

dierenverhalen

fabel


novelle

parabel


proza

raamvertelling

roman

short story



sleutelroman
lyriek

bladspiegel

correspondentieketen

directe lyriek

grammaticale laag


  • lexicon

indirecte lyriek

limerick


metrum

  • anapest

  • dactylus

  • hexameter

  • jambe

  • trocheus

naamdicht

poésie pure

poëzie

puntdicht



rijm

  • acconsonerend rijm

  • alliteratie

  • assonantie

  • binnenrijm

  • enjambement

  • gekruist rijm

  • gepaard rijm

  • halfrijm

  • omarmend rijm

  • rime riche

  • rijmschema

  • rijmverdoezeling

  • visueel rijm

sonnet

  • Shakespeare-sonnet

  • wending

strofe

  • kwatrijn

  • sextet

verstandslyriek

visuele poëzie

vrij vers
dramatiek

catastrofe

climax

eenheid van plaats



eenheid van tijd

eenheid van handeling

expositie

handelingsaspecten

hoofdtekst

intrige


neventekst

peripetie

prospectie

retrospectie



scène

simultaneïteit



toneel






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina