Syllabus1 lezing D. Gelders udl 4 mei 2010 Communicatie in de aankondigingspolitiek



Dovnload 22.92 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte22.92 Kb.




Syllabus1 lezing D. Gelders UDL 4 mei 2010

Communicatie in de aankondigingspolitiek
Inleiding
“Want tussen droom en daad staan wetten in den weg en praktische bezwaren”, zo schreef Willem Elsschot in een gedicht over het huwelijk in 1910. Dit citaat is duidelijk van toepassing op "communicatie over nog niet beslist beleid", dit is communicatie vanwege bijvoorbeeld een regering of ministers over beleid dat door hen is overwogen of vastgesteld, maar dat verder moet bekrachtigd worden door een hogere instantie zoals het parlement of de regering.

In deze bijdrage bekijken we waarom dergelijke communicatie zo belangrijk is geworden (§1), wat de voor- en nadelen zijn van dergelijke communicatie (§2), en aan welke kwaliteitsvoorwaarden dergelijke communicatie zou moeten voldoen (§3).


Toegenomen belang
Communicatie over nog niet beslist beleid is belangrijker maar ook delicater geworden omwille van een aantal relatief recente ontwikkelingen zoals: (a) de zogenaamde verplaatsing van de politiek; (b) individualisering, ontzuiling en ontideologisering; (c) mediatisering.
Verplaatsing van de politiek
'De (nationale) politiek' is almaar meer verplaatst naar hogere en lagere bestuursniveaus, maar ook naar andere maatschappelijke gremia zoals de media, het multinationale bedrijfsleven, belangengroepen, enz. (Bovens et al., 1995). Het debat speelt zich niet alleen meer af in het Parlement, maar in toenemende mate ook in de media, zodat de grenzen tussen het formele politieke proces van deliberatie, controle en verantwoording en het informele circuit in de media, vervagen (Seydel, Van Ruler & Scholten, 2002). Door deze ontwikkeling hebben bestuurders minder autonome macht om beleid te voeren. Het is voor hen bijgevolg meer dan ooit belangrijk om hun goede bedoelingen en inspanningen te tonen, temeer omdat burgers steeds meer van bestuurders verwachten dat deze handelend optreden en resultaten voorleggen (Brans, Facon & Hoet, 2003, p. 3). Door over nog niet beslist beleid te communiceren, kunnen bestuurders hun goede bedoelingen tonen. In het kader van het Nederlandse programma 'Andere Overheid' stelt de Gemengde Commissie Communicatie (2005, pp. 2-3) echter kritisch:
“Burgers hebben een onrealistisch verwachtingspatroon over wat de overheid kan doen en zou behoren te doen. De overheid heeft nog een teveel aan ambities, terwijl zij zich zou moeten concentreren op het zo goed mogelijk vervullen van haar kerntaken. Ook zou de overheid duidelijker moeten zijn over wat daarbij van burgers wordt verwacht.”

Individualisering, ontzuiling en ontideologisering
Door ontwikkelingen als 'individualisering' en 'ontzuiling' weten bestuurders minder goed wat er leeft onder de bevolking. Vandaar dat ze in interactie met de media almaar meer proefballonnetjes oplaten en opiniepeilingen houden om te kijken of een idee aanslaat of om mensen warm te maken voor een verandering. Het minder uitgesproken ideologisch karakter van de hedendaagse politieke partijen heeft de drang tot profilering (het onderscheiden van de andere) alleen maar verscherpt, wat ook tot uiting komt in communicatie over nog niet beslist beleid.
Mediatisering
Met de zojuist genoemde verplaatsing van de politiek wordt het publieke debat almaar vaker in de openbare ruimte van de media gevoerd. Van Praag (2001) en Tiemeijer en Rijnja (2001) stellen dat zodra een wet door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd, de media minder geïnteresseerd zijn in het onderwerp. De voorafgaande fasen in het beleidsproces zijn immers meer controversieel en meer nieuwswaardig dan het verdere complexe beleidsproces. Omdat het nieuwsaanbod sterk is toegenomen, terwijl het bereik van de individuele media en daarbinnen van de informatieve programma’s sterk is teruggelopen, is politieke nieuwsgaring cruciaal geworden in de positionering en profilering van de individuele media op de nieuwsmarkt (Neijens & Sprenger, 2005, p. 263). In de journalistieke slag om de (aandacht van de) lezer/kijker/luisteraar, geven media niet altijd even duidelijk weer of de boodschap van de minister slechts gaat om beleidsintenties of reeds genomen beleidsbeslissingen. Het uitpakken met pakkende krantenkoppen krijgt voorrang op de statusvermelding of feitelijkheid van de informatie.

Voor en tegen
Het meest controversieel is het gebruik van massamediale publieksvoorlichting vanwege ministers bij nog niet beslist beleid (overheidsbrochures, krantenadvertenties van de overheid, ...) omdat er vaak grootschalige overheidsmiddelen voor worden aangewend en omdat de 'zendende overheid' minder gemakkelijk kan ‘corrigeren’ dan in het geval van persvoorlichting (interviews, persconferenties, …) of individuele publieksvoorlichting (telefonische uitleg aan burgers, …).


Denk maar aan de opschudding die ontstond eind jaren negentig bij de voorgenomen invoering van het rekeningrijden door toenmalig minister van Verkeer en Waterstaat Tineke Netelenbos. De ANWB en De Telegraaf stuurde de publieke opinie sterk met advertenties en allerhande stickers. Het ministerie kon onvoldoende weerwerk bieden via (enkel) persvoorlichting. Minister Netelenbos liet dan maar een krantenadvertentie publiceren over het parlementair nog niet besliste beleid. Er kwam veel kritiek vanuit de oppositie en de media, niet alleen omdat de overheid met massamediale publieksvoorlichting over nog niet beslist beleid communiceerde, maar ook omdat de fase in het besluitvormingsproces onvoldoende werd gecommuniceerd en de full-colour advertentie onredelijk duur was. In België denken we aan de discussie over de brochure die minister Aelvoet in 2001 op 600.000 exemplaren liet verspreiden over de controversiële drugnota, en denken we aan de krantenadvertentie die de federale overheid in 2005 in alle Belgische kranten over ‘Het Generatiepact’ liet publiceren.

Wat zijn de belangrijkste argumenten pro en contra (massamediale publieks)voorlichting over nog niet beslist beleid?
Pro’s
(a) andere actoren zoals parlementaire oppositie, belangengroepen en media berichten onvolledig, tendentieus, … over nog niet beslist beleid;

(b) communicatie over nog niet beslist beleid kan latere verrassingen, misverstanden, verzet, frustraties en speculaties bij organisaties en burgers verminderen/vermijden, en de beleidsimplementatie en beleidshandhaving dus bevorderen;

(c) burgers moeten in een democratie continu worden geïnformeerd over de verschillende politieke standpunten; communicatie over nog niet beslist beleid is dus noodzakelijk om degelijk gebruik te kunnen maken van het kiesrecht.
Contra’s
(a) overheidsmiddelen worden misbruikt voor voornamelijk propagandaredenen;

(b) de beleidsintimiteit of de vertrouwelijke politiek-ambtelijke afwegingen worden in gevaar gebracht;

(c) er wordt geanticipeerd op de goedkeuring door de bevoegde overheid (bv. parlement);

(d) er is meer kans op verwarring tussen beleidsintenties en beleidsbeslissingen, ofwel omwille van het loutere feit dat men over nog niet beslist beleid communiceert ofwel omdat men er gebrekkig over communiceert.


Het valt op dat de argumenten pro en contra communicatie over nog niet beslist beleid nauwelijks empirisch worden onderbouwd door de voor- en tegenstanders. Dit belet niet dat er aanwijzingen te vinden zijn voor deze argumenten, en zeker ook niet dat de argumenten sterk mee spelen in het discours over de grenzen en mogelijkheden van dergelijke communicatie.
De voor- en nadelen die communicatie over nog niet beslist beleid in feite met zich meebrengt, hebben in grote mate te maken met de kwaliteit van de communicatie over het nog niet besliste beleid. Daarop gaan we nu in.

Kwaliteitsvolle communicatie
Op basis van wetgeving en plichtenleer rond overheidscommunicatie in België en Nederland (zie o.m. de Nederlandse Uitgangspunten Overheidscommunicatie n.a.v. de Commissie Toekomst Overheidscommunicatie, 2001, naar haar voorzitter ook de Commissie-Wallage genoemd) leidden we de volgende zeven criteria af voor kwaliteitsvolle communicatie over nog niet beslist beleid:


Volledige info:

1. Er moet duidelijk worden gemaakt in welke fase van het beleidsproces de verstrekte informatie zich situeert en hoe het vervolgproces er uitziet.


Competentie:

2. Ministers die beleidsintenties formuleren, moeten op het moment dat ze hun beleidsintenties uitdrukken, ook bevoegd zijn om zelf rond het beleidsonderwerp beslissingen te nemen.



Tijdigheid:

3. Er moet over beleidsintenties worden gecommuniceerd op het ogenblik dat de informatie nodig of nuttig is voor de ontvanger.


Feitelijkheid:

4. Meningen mogen niet als feiten worden voorgesteld. Een exacte en neutrale beleidspresentatie verdient de voorkeur boven een ingekleurde of persoonsgebonden presentatie.


Consistentie:

5. De informatie van éénzelfde minister of van verschillende ministers van één regering over beleidsintenties moet vrij zijn van innerlijke tegenspraak.


Identificeerbaarheid:

6. Het moet duidelijk zijn dat de informatie van (welk orgaan van) de overheid afkomstig is.


Proportionaliteit:

7. De communicatie vanwege de overheid mag nooit grootschaliger (qua budget en bereik) worden ingezet dan die van de opponenten van het regeringsbeleid, en de communicatie moet in redelijke verhouding zijn met de fase in het beleidsproces.



Als politici bovengenoemde criteria in hun communicatie zouden respecteren, wordt het politieke bedrijf wellicht minder sexy, maar de geloofwaardigheid ervan des te groter.





Meer informatie:
Gelders, D. (2006), Tussen droom en daad: Communicatie over beleidsintenties door de overheid, Uitgeverij Vanden Broele, Brugge.
http://www.uitgeverij.vandenbroele.be/fondscatalogus/217.aspx?pageID=20050609124856Z



1 Gepubliceerd als: Gelders, D. (2007), ‘Communicatie over nog niet beslist beleid. Gewikt en gewogen’, Merk & Reputatie, 13(3), pp. 18-20.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina