T. I. Oei ‘Toetsing medicijnen jaagt patiënten de dood in’



Dovnload 54.69 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte54.69 Kb.
Snippers: Wilsbekwaamheid? Ja, liefst altijd!

Primaire tabs



Toegevoegd door Karel Oei

Weblog NVPA Datum: di, 10/14/2014 - 12:54

Het recht op onbeperkte toepassing van de wilsbekwaamheid

T.I. Oei


‘Toetsing medicijnen jaagt patiënten de dood in’
Marco Visscher Trouw, 02/08/14
Het testen van nieuwe medicijnen duurt lang. Dat jaagt mensen de dood in, zegt de Amerikaanse filosofe Jessica Flanigan.
Laat de patiënt zélf beslissen
Jessica Flanigan
Wie heeft er nog vertrouwen in de farmaceutische industrie? Haar imago is slecht: deze gigabedrijven maken enorme winst over de ruggen van zieke patiënten. Ze komen allicht met nieuwe medicijnen, maar vooral ook met nieuwe aandoeningen waarvoor ze, heel slim, gelijk ook de oplossing verkopen. Ze manipuleren onderzoekers, beleidsmaker en artsen, zodat hun middelen vaker worden voorgeschreven.
De Amerikaanse Edelman Trust Barometer, die het vertrouwen in bedrijven rangschikt, plaatst de farmaceutische industrie net boven de media en de bankwereld - in Nederland zullen de verhoudingen niet heel anders liggen.
Regels beschermen patiënten tegen geneesmiddelen die niet werken of ernstige bijwerkingen hebben. Daarom duurt het in Nederland zo'n vijftien jaar voordat een medicijn is geregistreerd en mag worden voorgeschreven. Af en toe sluipt er een ondeugdelijk middel doorheen, wat tot tumult en rechtszaken leidt. Toch pleit Jessica Flanigan voor het recht op toegang tot medicijnen, ruim voordat die zijn goedgekeurd, en zonder recept van de arts.
Uw oproep is curieus. Mensen wantrouwen de farmaceutische industrie, ze willen juist méér testen voordat een medicijn beschikbaar komt.
“Ik vind juist dat ze recht hebben op zelfmedicatie. Stel, een nieuw medicijn kan tweehonderd levens per jaar redden. En stel dat het toelatingsproces vijf jaar duurt. Dan zijn er duizend patiënten gestorven, terwijl dit medicijn in de bureaucratische mallemolen zat. Ze hadden gered kunnen worden, maar al die jaren zaten de toezichthouders in de weg.”
“Hoe kun je nu zonder grondig testen weten of een middel geen schade berokkent of zelfs dodelijk is?”
“We zullen nooit zeker zijn over de veiligheid van medicijnen. Sommige hebben risico’s op de langere termijn die je niet aantoont met testen vóór introductie op de markt. Daar moeten we mee leven.”

In 1999 was Vioxx dé nieuwe, veelbelovende ontstekingsremmer tegen reumatische artritis en acute pijn. Maar al snel bleek het middel een fiasco. Het gebruik van Vioxx leidde vaak tot ernstige hartproblemen, soms met dodelijke afloop. Fabrikant MSD wist ervan, maar verzweeg de gevaren en greep niet in, zodat er enorme winsten werden gemaakt. Pas in 2004, na vijf jaar dus, haalde MSD Vioxx van de markt.


De ervaringen met Vioxx - en met andere pillen die tot vergelijkbare drama’s hebben geleid - pleiten tegen Flanigans recht op zelfmedicatie. Weliswaar hadden nieuwe medicijnen in een eerder stadium levens kunnen redden, maar ze hadden net zo goed kunnen leiden tot de dood.
Wat kunnen we leren van het drama met Vioxx?
“Dat we een nieuw medicijn scherp moeten controleren, zodat we snel weten wanneer problemen optreden. En dat we farmaceuten moeten verplichten tot openheid van zaken, zodat ze geen onwelgevallige informatie kunnen achterhouden. Maar laten we één ding niet vergeten: sommige patiënten waren Vioxx aan het hamsteren toen dit alles in het nieuws kwam.

Waarom? Omdat voor hen Vioxx het beste medicijn ooit was. Zij wilden ermee doorgaan, ook al wisten ze van het risico op een hartaanval. Dit middel verbeterde de kwaliteit van hun leven, of misschien waren ze toch al oud: hoe dan ook, een flink aantal patiënten wilde het risico wel nemen en doorgaan met Vioxx.”


Patiënten hebben toch niet de expertise om het risico goed in te schatten?
“Juist wel! Als we praten over de veiligheid van geneesmiddelen vellen we namelijk een oordeel over risico’s die we acceptabel achten. Wie verkeert er nu in de beste positie om uit te maken welk risico voor mij aanvaardbaar is? Een ambtenaar die voor iedereen hetzelfde beslist? Of ben ik dat toevallig zelf? Ja natuurlijk! Ik weet toch het beste welk risico ik bereid ben te nemen?”
Is dat echt zo? Veel mensen zijn onvoldoende opgeleid, of hebben te weinig ervaring, om zo’n afweging te maken.
“Klopt. Daarom vind ik dat iedereen toegang moet hebben tot medisch advies. Ik geloof dat beoordelaars en bewakers van de werkzaamheid van medicijnen de maatschappij een dienst bewijzen door onderzoek in kaart te brengen.
Het lijkt me ook prima wanneer ze bepaalde medicijnen certificeren die zij beschouwen als veilig en effectief. Maar ik vind niet dat zij óók het recht moeten hebben om mensen te verhinderen medicijnen te gebruiken die zij zelf willen. Daarmee schenden ze het recht van de patiënt, want als ik als patiënt zelf over mijn lichaam beslis, maken ze dat strafbaar. Bij alle andere rechten zouden we dat niet pikken. Waarom wel als onze gezondheid in het geding is?”
Sommige mensen zullen beslissingen nemen die nadelig voor hen uitpakken...
“Zeker. Dat doen sommige mensen ook met hun creditcard. Maar je wilt toch ook niet dat de overheid vooraf hun uitgaven gaat goed- of afkeuren? We moeten simpelweg leren om anderen de ruimte te geven voor keuzes die we zelf nooit zouden maken. Zoals we ook riskant gedrag accepteren als iemand ervoor kiest om te gaan bergbeklimmen. Dat is nu eenmaal de prijs die we betalen voor een vrije samenleving.”
Maar een patiënt kan sterven door experimentele medicijnen die achteraf niet goed blijken te zijn.
“In sommige gevallen zal een patiënt beslissingen nemen die zijn of haar gezondheid ondermijnen. Dat is triest, maar die beslissingen zijn aan hem of haar.”
Is er dan geen enkele grens?
“Jawel. Ik denk dat het recht op zelfmedicatie ophoudt waar de keuze ervoor anderen schade berokkent. Zo mag je niet zomaar antibiotica innemen als je er zin in hebt, want grootschalig gebruik van antibiotica leidt tot immuniteit, wat weer meer infecties tot gevolg heeft”

Flanigan erkent de risico’s van versneld toelaten van nieuwe medicijnen, maar die wegen niet op tegen de gevaren van het huidige systeem. De bestaande eisen, zegt ze resoluut, “jagen alleen al in de Verenigde Staten tienduizenden de dood in”. Het is, erkent ze, een ruwe schatting, die omgerekend naar Nederland neerkomt op honderden, misschien wel duizend onnodige sterfgevallen per jaar. Daarom is vertraging in de toegang tot geneesmiddelen uiterst problematisch. Iedere verdere aanscherping van het toelatingsproces zal leiden tot meer doden.


“Bovendien,” zegt Flanigan, “kost het dure, trage proces zo’n 1 miljard euro per geneesmiddel.” Dat drijft niet alleen de prijzen van nieuwe medicijnen nodeloos op, maar leidt er ook toe dat er minder geneesmiddelen worden ontwikkeld dan in een minder gereguleerde markt het geval zou zijn. Daarom is Flanigan blij met de succesvolle campagne van Amerikaanse patiëntenverenigingen voor het verruimen van de toegang tot experimentele geneesmiddelen.
In Nederland probeert belangenorganisatie MyTomorrows patiënten in contact te brengen met farmaceutische bedrijven, zodat zulke medicijnen voor hen beschikbaar komen. Flanigan noemt MyTomorrows een ‘waardig doel’. Maar juist vanuit Nederlandse patiëntenverenigingen is, onder meer in deze krant, heftig geprotesteerd. Kwetsbare patiënten die niets meer te kiezen hebben, zouden volgens hen verworden tot handelswaar.
Kunt u zich voorstellen dat veel mensen het zorgelijk vinden als iedereen zomaar ongeteste medicijnen mag gebruiken?
“Jazeker. Ongeteste medicijnen kunnen heel gevaarlijk zijn. Eigenlijk zou niemand die moeten gebruiken! Maar voor patiënten met heel weinig alternatieven kunnen ze interessant zijn. Waarom zou je hun die optie ontnemen?”
Denkt u niet dat iedereen gaat experimenteren?
“Stel, ik vertel u over een nieuw, experimenteel medicijn dat speciaal is ontworpen om u slimmer te maken. Er kleven wel aardig wat risico’s aan, en het zou ook nog wel eens gevaarlijk kunnen zijn.”
Zou u het gebruiken?
“Eh, ik denk het niet.” “Welnu, als ú uw keuzes niet aanpast terwijl u toch het recht op zelfmedicatie had, waarom zouden anderen dat wél gaan doen?”
Jessica Flanigan studeerde aan Princeton toen ze haar eerste kindje kreeg. Haar ervaringen in het ziekenhuis waren niet best. Zo mocht het personeel zonder toestemming de vliezen van de moeder breken om de bevalling op gang te brengen. Toen stierf ook nog haar grootvader, in een hospice waar hem ongevraagd morfine werd toegediend - dat zou de laatste loodjes wat draaglijker maken. Hijzelf dacht er anders over.
Flanigan ervoer het als tekenen van ‘medisch paternalisme’. “Tot halverwege de twintigste eeuw waren artsen extreem paternalistisch. Ze logen tegen hun patiënten over hun diagnose. Ze onthielden hun levensreddende behandelingen. Vandaag kunnen dokters niets doen zonder toestemming van de patiënt, en moeten ze alle relevante medische informatie verstrekken. Dat vinden we nu heel gewoon, maar in de jaren zeventig gaf negentig procent van de oncologen toe dat ze hun patiënten niet vertelden dat ze terminale kanker hadden.”
“Inmiddels denkt de dokter anders. En de patiënt is autonomer geworden. Maar de toetsingseisen belemmeren hem de toegang tot medicijnen.” Flanigan: “Als medisch paternalisme verkeerd is, dan zijn alle regels die de toegang tot bepaalde geneesmiddelen ontzeggen dat dus ook. Zelfmedicatie is de volgende stap.”
Daar zijn we nog niet klaar voor.
“Dat zeiden ze vijftig jaar geleden ook: ‘O, als we kankerpatiënten vertellen dat ze doodgaan, dan worden ze depressief, roekeloos of suïcidaal.’ Nou, niets van dat alles gebeurde.”
Zou het recht op zelfmedicatie ons gezonder maken?
“Er is voorzichtig bewijs dat mensen zorgvuldiger met hun gezondheid omgaan in plaatsen waar je geen doktersrecept voor medicijnen nodig hebt. Wanneer we de zorg om onze gezondheid overlaten aan artsen, ontwikkelen we een aangeleerde hulpeloosheid. Dan zijn we bevattelijker voor nare bijverschijnselen.” (…)
“Dus, ja, ik denk dat de gevolgen van zelfmedicatie goed zullen zijn. Maar zelfs als dat niet zo is, betekent het niet dat een overheidsfunctionaris de rechten van patiënten zomaar mag schaden. Ik geloof dat niemand anders dan jijzelf de morele autoriteit heeft om beslissingen te nemen over jouw lichaam.”
Jessica Flanigan
Filosofe Jessica Flanigan (30) doceert ethiek, gezondheidsrecht en leiderschap aan de Universiteit van Richmond. Ze promoveerde op een wijsgerig onderzoek naar zelfmedicatie en werkt nu aan ‘Liberal Medicine’, een publieksversie van haar proefschrift. Daarin pleit ze voor zelfmedicatie.

Medicijnen in Nederland


In Nederland heeft een fabrikant een vergunning nodig, verstrekt door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), om een medicijn op de markt te brengen. Eerst wordt het geneesmiddel getest op werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid. Bij een positief oordeel wordt het geregistreerd en toegelaten. Het duurt gemiddeld vijftien jaar voordat een ontwikkeld medicijn beschikbaar komt.

Russische roulette komt erop neer dat je een kans van één op de zoveel (zes gewoonlijk) hebt dat je de kogel krijgt. Het recht op zelfmedicatie opent de weg naar een vorm van Russische roulette. Maar ook het verbod op zelfmedicatie kan die richting opgaan. Het niet innemen van medicijnen terwijl je die wel nodig hebt om beter te worden is net zo riskant als het wel innemen van medicijnen terwijl je niet weet of die je dood zullen versnellen. Het gaat erom of mensen de beschikking hebben om zelf te beslissen wat ze doen: wel of niet innemen van medicijnen voor ziekten die mensen onder de leden hebben.


Het recht op een zo onbeperkt mogelijke vrijheid van handelen is een ideaal van mensen. Tot hoever mag je over dat recht beschikken? Uiteindelijk gaat het dus om het recht om van je wilsbekwaamheid volop gebruik te maken. Daar zal niemand bezwaar tegen hebben.
Alleen hoe objectiveer je zo’n rechtstoepassing? Voer voor juristen, medisch ethici en politici.12345

1 Als je als bestuurder de vrije hand hebt en je maakt het je zo gemakkelijk als mogelijk, zonder te kijken naar eigen principes, normen en waarden, ethisch besef van wat wel of niet meer kan, dan is de kans groot dat er excessen gaan plaatsvinden. Vergelijk: ‘Minister, stop met sjoemelen in de zorg’


OPINIE - Reinette Klever, Volkskrant.nl, 09/09/14
opinie Sommige topbestuurders in de zorg geven een heel andere invulling aan het begrip ‘zorg’ dan de gewone Nederlander, schrijft PVV-Kamerlid Reinette Klever. ‘Ze zorgen vooral voor zichzelf. Ze zorgen voor een riant salaris, vertrekpremies, bonussen en bezorgen elkaar baantjes.’
Als de minister of haar ministerie kennis wil opdoen dan kan ze partijen toch gewoon uitnodigen?
Vorig jaar incasseerde de bestuurder van een GGZ-instelling maar liefst 741.843 euro waarvan 564 duizend euro vertrekpremie. In de jaren daarvoor verspilde deze bestuurder 1 miljoen euro zorggeld aan twee mislukte megalomane fusiepogingen. Wegens gebrek aan vertrouwen moest hij opstappen. Nu zit hij ergens in de Raad van Toezicht van een andere zorginstelling en moet toezien op het financieel beleid. Dit voorbeeld is eerder regel dan uitzondering. Tien miljoen ging er de afgelopen jaren naar vertrekpremies van zorgbestuurders.

Vriendjespolitiek


De oorzaak ligt in de cultuur van vriendjespolitiek in de sector. Het zorgnetwerk spreekt elkaar regelmatig op exclusieve informele bijeenkomsten, zogenaamd om ‘dingen te horen die je op formele bijeenkomsten niet hoort’. Zorgverzekeraars en topambtenaren van het ministerie zijn ook van de partij. Minister Schippers vindt dit niet meer dan logisch. Tijdens het debat over het Apollo Netwerk, een van de exclusieve farmaclubjes, gaf de minister aan dat het doel is: ‘De bijeenkomsten worden gebruikt bij gedachtevorming ter voorbereiding op, uitvoering of evaluatie van beleid.’ Geheimhouding is noodzakelijk gezien ‘de wens dat alle betrokkenen vrijuit kunnen praten’.
Als de minister of haar ministerie kennis wil opdoen dan kan ze partijen toch gewoon uitnodigen? Als de minister beleid wil toetsen of evalueren dan heeft ze daar toch formele instrumenten voor? Besturen hoort in alle openbaarheid te gebeuren. De minister moet zich toch verre houden van alle schijn van belangenverstrengeling? Toch is er een subcultuur ontstaan die achter de schermen alles regelt en gesteund door minister Schippers de controlefunctie van de Tweede Kamer sterk uitholt. Mijn motie om ambtenaren te verbieden aan dit soort informele netwerken deel te nemen, haalde het helaas niet.
Toen ik om een oplossing vroeg om de eerste hulp in Spijkenisse open te houden, was daar geen geld voor
De NZa-affaire licht een nieuw tipje van de sluier op. Onder invloed van het ministerie worden besluiten van de NZa achteraf bijgesteld. Of dit nu wel of niet juridisch door de beugel kan, feit is dat het is gebeurd. Invloed vanuit het netwerk resulteert dus in meer geld. Dat is op te vatten als concurrentievervalsing, staatssteun en gesjoemel. Dit roept veel vragen op voor het NZa-debat van vandaag. Zoals: op welke manier zijn de afgelopen jaren adviezen van de NZa, zoals het afschaffen van de vrije artsenkeuze, beïnvloed door het ministerie? En hoeveel zorggeld is er nog meer doorgesluisd naar ziekenhuizen of instellingen die daar in eerste instantie geen recht op hadden?
Toen ik om een oplossing vroeg om de eerste hulp in Spijkenisse open te houden, was daar geen geld voor. Het bestuur van het ziekenhuis zat zeker niet in het juiste netwerk? Ondertussen wordt er wel goed gezorgd voor de NZa-bestuursleden. Beiden zijn nog steeds in dienst van de overheid.
Reinette Klever is Tweede Kamerlid voor de PVV.

2 Hoewel de volgende uitspraak heel interessant is, is het niet geheel duidelijk of die vaststaat. Omwille van gedragskundige overwegingen is zij goed te verdedigen om volwassen verstandelijk gehandicapte verdachten volgens het jeugdstrafrecht ter zake te doen vervolgen. Vergelijk:


Jeugddetentie voor volwassen dader
Zutphen, 3-9-2014
De rechtbank Gelderland heeft vandaag driehonderd dagen voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd aan een 21-jarige verdachte, voor een gewelddadige overval op een oudere, alleenstaande man in ’s-Heerenberg. Daarnaast kreeg hij 200 uur werkstraf opgelegd. Uitgangspunt is dat ook jeugdige daders voor dit misdrijf een onvoorwaardelijke celstraf krijgen opgelegd. Het maatschappelijk belang is er echter niet mee gediend als de verdachte na het voorarrest opnieuw moet vastzitten, zegt de rechtbank. De man was betrokken bij een overval op 10 augustus 2013 op een oudere man in diens eigen woning. De verdachte en zijn mededaders dachten ten onrechte dat de man veel geld in huis had. Bij de overval werd geweld gebruikt. De man werd bedreigd en kreeg een klap op zijn hoofd. De overvallers maakten uiteindelijk enkele tientjes buit. Op het moment van de overval was de verdachte 20 jaar en dus volwassen. De rechtbank heeft desondanks het jeugdstrafrecht toegepast, vanwege de jonge leeftijd van de verdachte, zijn ontwikkelingsachterstand (licht verstandelijk beperkt) en zijn ontvankelijkheid voor pedagogische beïnvloeding. De verdachte heeft oprecht spijt en houdt zich aan schorsingsvoorwaarden. De verdachte zat 87 dagen in voorarrest. Hij hoeft nu niet naar de jeugdgevangenis. Wel stelde de rechtbank een proeftijd van twee jaar. Als de verdachte zich binnen die termijn nog eens schuldig maakt aan een strafbaar feit of zich niet aan de voorwaarden houdt, dan moet hij alsnog 213 dagen naar een jeugdinrichting. Verder dient de verdachte zich te melden bij de reclassering, moet hij zich onder behandeling laten stellen en mag hij geen contact meer hebben met zijn mededaders.
Uitspraken: ECLI:NL:RBGEL:2014:5649

3 Of zoals door Wang Gai, China, 1679, wordt beweerd: ‘Wie vrij wil zijn van regels, zal eerst de voorschriften moeten leren. Wie naar vanzelfsprekend gemak streeft, zal eerst hard moeten werken. Wie naar eenvoud streeft, zal eerst het complexe moeten beheersen.’



4 Objectivering van wat we als dragers van een hersenorganisme (the brains) wel of niet kunnen vinden, hangt met name af van de vraag in hoeverre wij de subjectiviteit van ons handelen als geest (mind) kunnen integreren in de objectiviteit van ons handelen door onze hersenfuncties (the brains). Neuropsychoanalyse tracht een dergelijke integratie te bewerkstelligen door multidisciplinaire samenwerking van onderzoek tussen hersenspecialisten en psychoanalytici. Vergelijk
The Second Coming of Sigmund Freud
Just as the old psychoanalyst seemed destined for history’s trash heap, neuroscientists are resurrecting his most defining insights.
By Kat McGowan Thursday, March 06, 2014 DiscoverMagazine.com
The party is at a trendy Harlem restaurant, in the private rooms downstairs. It is crowded and, for a science event, glamorous. Many women are in sparkly cocktail dresses. Men are wearing expensive ties. Everyone has fashionable eyewear. Over at the bar is the goateed Joe LeDoux, known for his groundbreaking research on fear, as well as for his rock ’n’ roll band of scientists. The celebrity chef who owns the restaurant is personally greeting guests.
This gathering is unusual for other reasons. A benefit for the Neuropsychoanalysis Foundation, it is celebrating the idea that psychoanalytic concepts like repressed impulses and unconscious drives remain important and relevant in this era of the neurobiological study of the brain. If that seems surprising, so will this: Sigmund Freud, the creator of psychoanalysis, actually began his career as a neurobiologist, dissecting the nerves of crayfish. But in his late 19th-century era, brain science was primitive. Even the basics of how a neuron worked were still mysterious. Freud abandoned objective science, developing a subjective approach to understanding the mind based on what his unhappy patients told him about their inner lives. Psychoanalysis, the discipline he created, began as a technique to help miserable people. It became the 20th century’s single most influential theory about the human mind.
Freud’s theory, which he formulated in the 1890s and revised repeatedly, was both comprehensive and radical. Its bottom line is that we do not know ourselves. In his formulation, the mind constantly generates powerful wishes that are repressed — shut down by our own internal censors before we even become aware of them. Much of what we do and think is shaped by these unconscious impulses, unbeknownst to us. Dreams, slips of the tongue and psychiatric symptoms are the result of desires distorted by the mental censors. In the “talking cure” — the practice of psychoanalysis — the therapist helps the patient notice these mental lapses, interpret the unconscious struggles they reflect and bring them into the light of self-awareness.
After Freud, psychoanalysis fractured into many schools of thought, but the idea of an inner world of unconscious conflict, and the notion that subjective experiences are meaningful and important, remain at the core of this view of human nature. Meanwhile, neurobiology — the scientific study of the physical brain — evolved in the other direction. Neuroscience focused on the nuts and bolts of the brain: how nerve cells communicate with electrical and chemical pulses, how brains learn and calculate and remember. But neuroscience avoided subjective experiences, sticking to what it could measure and observe.
By the end of the 20th century, the two disciplines, psychoanalysis and neuroscience, did not even seem to be talking about the same thing. Psychoanalysis was hostile to the idea of testing hypotheses through experiments. Neuroscience claimed to explain the brain but ignored its finest product: the dazzling, intimate sensations of human consciousness.
That is both a shame and an amazing intellectual opportunity, says the South African neuropsychologist and psychoanalyst Mark Solms, co-chair of the International Neuropsychoanalysis Society. Neuropsychoanalysis is his life’s project, and more than any other single person, this is his party tonight. He roams about the room, kissing women on both cheeks, bear-hugging old friends. If he seems a bit like an evangelist on the hunt for converts, it’s for good reason. Solms is convinced that reconnecting psychoanalysis and neuroscience is absolutely essential — the only way we will ever truly understand the brain.
The point is not to prove that Freud was right, but to apply the techniques of modern biology to explore some of his most enduring ideas. It’s to put the study of the mind back in the study of the brain, says Solms: “What neuropsychoanalysis is all about is this: How does the actual stuff of being a person relate to the tissue and physiology and anatomy and chemistry of the brain?” Psychoanalysis has insightful, provocative theories about emotions, unconscious thoughts and the nature of the mind. Neurobiology has the ability to test these ideas with powerful tools and experimental rigor. Together, the two fields might finally answer the most elusive question of them all: How is it that dreams, fantasies, memories and feelings — the subjective self — emerge from a hunk of flesh?
Brotherly Origin
Solms’ intellectual crusade was launched by a childhood trauma. As a child, he loved and revered his older brother Lee. But when Solms was 4, Lee fell off the roof of the local yacht club and hit his head, seriously injuring his brain.
When Lee came home from the hospital, he had changed. He had no interest in the elaborate fantasy games that the brothers used to play. He was lethargic and slow, and he had to wear a helmet. He seemed like a different person.
Mark was devastated. He had lost his best friend. But his crisis was also existential. How could a person’s identity be snuffed out so easily, just by a blow to the head? The shock shaped Solms in ways he would not recognize for years to come. When he began college in 1980, he studied medicine and brain science, planning to help people like his brother. But he was also seeking answers to the question that haunted him: How can it be that a physical organ — a piece of meat — determines who we are?
He soon found out, to his dismay, that neuroscientists at that time did not probe the mystery of the self. Faced with the complexity of the brain, neuroscience focused on questions that could be subdivided into manageable units: How we see, how we move, how nerve cells work. The vivid experience of selfhood, the swirl of being, was not on the curriculum.
Yearning for answers, Solms wandered into a university philosophy seminar on Freudian dream theory. Our minds are divided, the lecturer explained. Roiling beneath the surface are the primal drives of the id — the mental force that Freud said generated unconscious lust, aggression, hidden fantasies and wishes. The mental mechanisms of the ego struggle to contain this mad turmoil. One result of this constant battle: the twisted, distorted narratives in dreams. The lecturer also described Freud’s abortive attempt to ground psychology in neurological observations about the brain.
It was an awakening. Finally, here was someone trying to think systematically and scientifically about the real matter of inner life. “Here was this philosopher talking about dreams, fantasies, wishes, sex,” says Solms. “I thought, ‘That’s life! This means me!’ ” Eagerly, he asked his neurobiology professors which scientists were studying these ideas now, in light of modern research. The answer: nobody. Such topics are not appropriate for science, the young Solms was told. “Don’t ask these questions,” a professor warned him, trying to be helpful. “It will damage your career.”
Solms had run headfirst into an ideological roadblock. At the time, psychoanalytic ideas still guided the treatment of the mentally ill. But lab scientists engaged in brain research — the neuroscientists — rejected psychoanalysis whole cloth. There were no experiments — no objective data — to show it made any sense at all.
By the 1980s, Freud-bashing was a well-established sport in neuroscience. Harvard neurobiologist J. Allan Hobson used recordings of brain activity from sleeping people to gleefully trash psychoanalytic dream theory, and by implication, the central Freudian ideas of censorship and repression. The nonsense in dreams is caused by random electrical noise in nerve cells, asserted Hobson, a kind of cellular static; repression had nothing to do with it. Psychoanalysis belonged “on the junk heap of speculative philosophy,” he wrote. He might as well have danced on Freud’s grave.
An Existential Mystery
Solms was undeterred. After he finished his doctorate degree in 1992, he was faced with being drafted into the white South African military. He left for a job as a neuropsychologist in the U.K., treating people with strokes and other brain injuries. By day, he was a conventional doctor in the neurosurgical rehab ward at the Royal London Hospital. By night, he studied to become a psychoanalyst. He thought that some of what he was being taught was speculative and dogmatic. But at least it recognized that the real mystery of the brain was an existential one. It posed the crucial question of what it means to be a mind that thinks. To disregard this problem, as neuroscience did, was a massive intellectual error, Solms believed. It would be like trying to study the solar system while pretending gravity doesn’t exist. Any answers you get are bound to be wrong.
As all shrinks-in-training are still required to do, Solms went through analysis himself: five days a week for nine years. Like other types of psychotherapy, psychoanalysis focuses on emotions and explicit beliefs about the world. Unlike the briefer forms of counseling that are now more common, it also explores unconscious thoughts and feelings, the wishes, memories and other self-involved thoughts constantly bubbling beneath the surface.
In Freud’s model, the relentless efforts by other parts of the mind to control these potentially destructive notions and impulses can lead to crippling symptoms such as anxiety, depression and pervasive misery. The analyst helps the unhappy patient notice destructive patterns in his own life, especially where he avoids painful memories or feelings. “Analysis is about having somebody help you to face facts that you would rather not face up to,” says Solms. In practice, this talking cure translates into deep self-knowledge.
For Solms, the experience was liberating. It helped him finally recognize how much his brother’s injury had affected him. Lee never regained his lost abilities, and to this day he struggles with his mental impairments. Out of sympathy with his brother, Mark went through childhood filled with guilt about growing up, of learning and achieving and doing things his brother would never be able to do. He held himself back. Only in analysis did he realize how he’d avoided his own ambitions. He realized it was time to take on the intellectual project he’d been preoccupied with his whole life: studying the human mind with rigor and precision.
He began planning how to scientifically scrutinize psychoanalytic concepts, starting with Freud. At the same time, Solms began using techniques from analysis to help his brain-injured patients cope with their confusion and fear. Some had lost most of their memories. Others couldn’t speak or walk. Some no longer had any idea who they were. From the perspective of most doctors, a psychotherapy approach was bizarre: These patients’ minds didn’t need help because it was their brains that were broken. Yet to Solms, it made perfect sense. Someone whose life has been shattered clearly needs counseling as well as medical treatment. He sat down with his patients and listened to their experiences.
Studying how brain damage affects thoughts and behaviors is one of the oldest techniques in neuroscience. Solms began to systematically evaluate the hallucinations and delusions of his patients in the light of Freudian concepts like denial and wish fulfillment. Simply put, these two ideas propose that we prefer to see the world as we wish it were, rather than as it truly is. Facing the facts is difficult, requiring sustained mental labor and a high-functioning brain. A person who cannot sustain this effort winds up living in a fantasy world.
Many of Solms’ patients’ brains were indeed not up to the task. Some had survived an arterial rupture, a common type of stroke that damages brain regions that organize the perception of space and time. The bewildered patient makes up ludicrous stories to explain the world, a condition called confabulatory amnesia. To Solms, it was fascinating. The mind that lurked behind the damaged brain could be seen in the details of these loopy explanations.
For example, one patient, a former electronic engineer, always greeted Solms as a fellow engineer. He told Solms and his other doctors he owned a Porsche and a Ferrari, and he frequently asked to cut short his medical visits in order, he said, to play squash. “Where’s my beer?” he would ask his examiners, searching for a glass right there in the exam room. From a neurobiological perspective, his problem was a ruptured aneurysm that had damaged his frontal lobes, impairing his ability to monitor his own memory. Psychoanalytically speaking, he was acting out fantasies — that he was a respected expert rather than a brain-damaged patient, that he drove race cars, that he was at a bar. Both explanations contained part of the truth. His brain was indeed injured, and now his mind ran wild with daydreams of freedom and pleasure.
Another patient happily told Solms that an old friend had just dropped by for a visit — a lovely surprise, he said, given that the man had been dead for decades. Others, partly paralyzed by damage to one side of the brain, denied they were affected. They were too tired to move their limbs, they’d say, or they would patiently explain to Solms that their motionless arms and legs belonged to other people. They weren’t consciously lying. They were oblivious to the problem, a condition called anosognosia.
The conventional medical explanation, that this type of brain damage causes attention deficits, did not explain why these patients generate such surreal explanations of their paralysis, Solms believed. Psychoanalysis offered a clearer rationale: Rather than face facts, these patients unconsciously chose to live out the fantasy that they are well. The content of the patients’ delusions revealed ordinary human wishes: to be competent, to be healthy, to be at home. It was poignant and fascinating. “There’s much tragedy and pain involved, but from a scientific point of view, it was like being a kid in the toy shop,” says Solms.
His insights also helped in his clinical practice. Because he thought about the emotions that must lie behind the patients’ fantasies, he could explain their odd behavior to families and talk to his patients in ways that would calm them down. Explaining patients’ bizarre delusions to them as emotional fantasies — you wish life were this way because you are frightened — could often lift their confusion. With a few colleagues, Solms conducted a systematic study of the engineer’s confabulations, finding that they were substantially positive or wishful. And he began to pair his patients’ subjective reports with their objective diagnoses, launching the scientific practice of neuropsychoanalysis.
Up Against Dogma
To be fair, neurobiologists had good reasons to be wary of studying inner life. Interpreting data about internal experiences is fraught with potential errors. People are notoriously inaccurate at identifying their own sensations and emotions, and words are vague. When someone says he feels good, does it mean the same as someone else who also feels good? Before the spread of neuroimaging techniques in the late 1990s, there were few objective markers of mental events. (Even today, neuroscientists’ ability to connect people’s specific thoughts and feelings to their brain signals is crude.)
But some of the opposition was just dogmatic. Many brain researchers believed that only cognition and behavior were suitable for study. Emotions were dismissed as evolutionary detritus — primitive reflexes that interfere with more important functions like calculating, planning and reasoning.
Solms was not the only one to question this doctrine. Antonio Damasio, a neurologist and neuroscientist now at the University of Southern California, began thinking seriously about emotions after meeting a patient named Elliot. Damasio had seen many odd patients in his studies of how brain damage affects language and memory, but he’d never met someone so hard to figure out. After a successful surgery to treat a brain tumor, Elliot seemed to recover completely, but he began making terrible decisions that were ruining his life. At work, he became so obsessed with trivial decisions that he neglected important problems that got him fired. He threw money at ridiculous financial schemes, losing his life savings.
Elliot aced every personality and cognitive test, and his memory, intellect and speech were normal to excellent. Eventually, Damasio figured it out: The tumor damaged regions of Elliot’s frontal lobes responsible for emotional processing. Because he no longer knew his own feelings, he could no longer make good decisions. Damasio soon discovered other people with damage in the same regions of the brain suffering from the same problem. These observations, and the experiments that followed, led Damasio to conclude that emotions are not irrational intrusions into reason. They are intrinsic to rational thought.
At about the same time, during the 1990s, neuroscientist Jaak Panksepp
was exploring the feelings of animals. Panksepp saw that human emotions and emotional problems could be explored by studying other mammals — how their brains generated emotions akin to the anger, sadness and joy that humans describe, what neurons and neural circuits were involved. Using animals as models of humans is the basis of biomedicine, but for a long time Panksepp’s work was marginalized and ignored because it focused on the internal experiences of animals, a realm supposedly inaccessible to science. “Most people truly do not understand the limits scientists impose upon themselves,” says Panksepp. “One big limit was the idea that we can study animal behavior, but we cannot understand their minds because that’s subjective.”
Panksepp persevered, identifying seven basic emotions shared by species ranging from chickens to guinea pigs to people and tracing the neural networks involved in each. He explored attachment, the intense bond between mother and child, by observing what a puppy does when it is taken away from its mother. It whines, cries and searches for her, then gives up and collapses into passive despair. The combination of panicky grief and apathy, he noted, looks a lot like the feelings of a person in the grips of depression, and he began to consider how the neural systems that ensure attachment might also cause depressive disorder. He was not a Freudian, but he was converging toward a similar idea of depression that focuses on the fear of separation and loss.
Other researchers, such as Elizabeth Phelps and Joe LeDoux (he of the goatee and guitar), were describing the way emotions influenced learning and memory, focusing on how the brain detects, analyzes and remembers threats.
Together, these research projects established that studying emotions was not only possible in the mainstream of neurobiology, but essential. As scientists like Damasio and Panksepp published influential books in the 1990s, Solms discovered he was not alone.
Freud’s Ideas Endure
More than a decade later, the study of emotions is a major field in brain science. Even the study of consciousness, long considered impossibly speculative, now attracts mainstream researchers. But as biologists wander into these realms, they need guidance — hypotheses to test and refine, well-thought-out concepts and questions that point the way toward useful experiments. They could do worse than look to Freud for inspiration, suggests Eric Kandel of Columbia University, a Nobel Prize-winning expert on learning and memory and one of the most respected voices in neuroscience. “Flawed as it may be, Freud’s is still a coherent and intellectually satisfying view of the mind,” says Kandel. “You can’t have a meaningful science of the brain without having a meaningful science of the mind.”
Although many details of Freud’s theories are wrong, some of his major ideas have been borne out. One of those trailblazing observations concerns the scope and influence of unconscious thought. Freud put the unconscious on the throne of the mental kingdom, but the subjectivity problem led brain scientists to ignore the plentiful evidence of unconscious mental processing for nearly a century. How could they measure mental activity that subjects weren’t even aware of themselves? It wasn’t until the 1980s that researchers began to solve this conundrum.
In a study that is now legend, cognitive scientist Benjamin Libet asked people to press a button whenever they felt like it while he monitored the electrical activity in their brains. He could see that movement-controlling brain regions become active about a quarter of a second before subjects said they’d consciously decided to push the button. Some unconscious part of the brain decided well before the conscious mind did.
Since then, thousands of studies have proven that people process most information, especially social data like other people’s behavior, unconsciously. We also make many decisions without much input from conscious thought. If anything, Freud underestimated the power and sophistication of unconscious thought, says social psychologist Timothy Wilson of the University of Virginia. The nature of unconscious thought that emerges from contemporary experiments is radically different from what Freud posited so many years ago: It looks more like a fast, efficient way to process large volumes of data and less like a zone of impulses and fantasies. But he was absolutely right to put it at the center of psychology.
Another Freudian premise that reappears in current science is that our minds are inherently conflicted, the terrain of a struggle between instinctual impulses and inhibitory mechanisms. Instead of the Freudian terms id and ego, biologists use neuroanatomical descriptions: Motivations like pleasure and reward arise from circuits in the limbic system, a center of emotion, loosely parallel to the id. The prefrontal cortex handles self-control and the override of habitual responses, sort of like the ego. The difference isn’t just a matter of terminology; Freud’s id was a chaotic zone that inspired barbaric, unpredictable behavior, whereas the limbic system is tightly regulated, the origin of rigid and inflexible emotional reactions. But the big picture — of a mind at war with itself — is fundamentally the same, says Bradley Peterson, chief of child psychiatry and director of MRI research at Columbia University, who also trained as a psychoanalyst.
Freud revised his ideas many times, and even his most prescient insights only roughly anticipate scientific findings. Plus, he was often simply wrong, for example in his theories about the elaborate mental lives of infants. “The guy often makes not only errors but outlandish errors,” says Matthew Erdelyi, a cognitive psychologist at Brooklyn College with a long-standing interest in psychoanalysis. “But he also comes up with ideas that absolutely nobody else would come up with,” ideas worth further consideration.
The difficulty is selecting the ones that have merit, and testing them in a way that provides concrete answers.
Emory medical school neurologist and depression researcher Helen Mayberg explains that her work on depression strives to describe the same overarching concepts that Freud invoked, including links between brain circuits and disordered moods. “Analysis has a much richer tapestry of both words and concepts” than neurobiology, says Mayberg. “The things Freud wrote about are things that every awake person on the planet thinks about.” She has pioneered the treatment of profound depression with deep-brain stimulation, a technique that stimulates precise brain locations with electricity, but she recognizes that she cannot yet account for why some patients improve so dramatically and others do not. A psychoanalytic perspective might begin to explain this X factor — the invisible psychological dynamics that allow some patients to escape depression, while others remain trapped in misery despite the change in their brains.
Neuropsychoanalysis may illuminate another mystery: the origins of anorexia. Neurobiologist Samantha Brooks at Uppsala Biomedical Center in Sweden is studying how anorexics control their desire to eat. She probes neural circuits that link inhibitory systems of the prefrontal cortex to reward systems deeper in the brain, but she says this reductionist approach does not fully explain how someone with anorexia can dampen bodily sensations of pleasure and pain. Psychoanalysis suggests the answer may lie in the interplay between physical sensations, emotions and anxiety, ideas Brooks is now exploring with brain imaging.
A neuropsychoanalytic approach, combining subjective reports and objective measurements, could be used to explore a big mystery in current neurobiology: the purpose of the recently discovered “default mode network.” This network of neural regions is active during mind-wandering, daydreaming, free association and other dreamy introspective states. It seems to be fundamental, accounting for as much as 80 percent of the brain’s energy consumption, but why it exists and what it’s for are still open questions.
From a psychoanalytic perspective, this portrait of a brain preoccupied with introspective activity sounds strikingly familiar, says Maggie Zellner, who collaborates with Solms and is executive director of the New York-based Neuropsychoanalysis Foundation. In the psychoanalytic model, our minds constantly sift through thoughts about ourselves and our experiences. Below the surface of consciousness, our minds are absorbed with ruminating over memories and feelings, dreaming up fears and fantasies of the future, generating all the raw material that the “talking cure” taps into. The activity of the default mode network might be the biological equivalent of this incessant running internal monologue, suggests Zellner — the neural phenomenon that underlies this mental experience. It’s mostly just a hunch at this point, she says, but it could lead the way to a new perspective on this neural mystery.
A Growing Movement
Solms now spends much of his time in South Africa, where, as chair of neuropsychology at the University of Cape Town, he studies dreams, brain injury and related subjects, and he treats brain-injured patients. He travels to New York regularly, where the Arnold Pfeffer Center for Neuropsychoanalysis hosts public lectures presenting neurobiological work: Panksepp on his emotion research, Mayberg on her efforts to treat depression. Solms has just finished retranslating all 24 volumes of Freud’s psychological writings, a project begun in the 1990s and scheduled to be published in late 2014.
Neuropsychoanalysis is now a growing intellectual movement in its own right. It has two international organizations that give small grants to young investigators and host a world conference. In the broader world of neuroscience, Freud is no longer uniformly shunned and avoided, but is frequently seen as the author of interesting hypotheses that provoke worthwhile questions and debate.
The resurgence of Freud may also have a more profound impact. Psychoanalytic thought is fundamentally humanistic. It honors the unique experience of individual human beings — something often overlooked by the current medical approach to the mind. Solms and Panksepp, now at Washington State University, lay the blame for the generally poor quality of psychiatric treatments on that reductive mentality. They say an approach inspired by neuropsychoanalysis offers a better way.
Depression is a perfect example. The prevailing theory in biomedical research is mechanistic: Depression is just another biochemical problem, essentially no different from diabetes or gout. That approach leads to the creation of dozens of medicines that tamper with serotonin and other brain chemicals — drugs that, for more than half of patients, don’t work. “Pharma has dumped a gazillion dollars down the drain and never [has] come up with a new concept,” says Panksepp.
Like most psychiatrists, he and Solms say the place to begin is with the existential reality of depression — the soul-crushing hopelessness and despair. Their fundamental question: Why does depression feel so bad? Based on decades of Panksepp’s research, the hypothesis is that the misery of depression is related to errors in the brain mechanisms that ensure emotional attachment. For mammals, whose babies are born helpless, attachment is a life-or-death matter: A curious baby who wanders off does not last long on its own. When everything is working correctly, the terrible pain of separation is a warning, ensuring that a crying baby sticks close by. If mother and baby do get separated, despair and apathy kick in, eventually immobilizing the baby and preventing it from getting even more lost.
When these sensitive systems malfunction — perhaps overreacting to a loss that is not life-threatening — persistent, panicky grief and crushing apathy result. In humans, we call it depression. “The pain of loss and despair evolved for a biological reason,” says Solms. “It feels bad to be separated from those who care for you because this is nature’s way of making sure that you are reunited. You’ll never understand depression if you don’t see that.” Their approach focuses on the circuits involved in attachment that are sensitive to opiates and related compounds. Unhappy puppies can be soothed by morphine and similar drugs that alter neurochemistry in the circuits involved in the distress of separation. Based on this idea, a non-addictive morphine derivative called buprenorphine (often prescribed to treat pain or opiate addiction) is now being tested in suicidal people with good early results. “It’s not as if we’ve cracked depression, but we’re on the verge of a whole new era,” says Solms. In Solms and Panksepp’s vision of the future, depression treatment might blend various types of therapy — sometimes including psychoanalysis — with drug regimens designed to target the neural circuitry involved in a well-understood emotional response.
Whether or not Freud is vindicated by modern science, that humane perspective may be the most enduring contribution of neuropsychoanalysis. It is what inspires Solms as he tries to understand the mental realities of his neurological patients. “What is most significant about the brain, in comparison to other bodily organs, is that it’s not just an object but a subject,” says Solms. “To truly recognize that has massive implications. That’s really what’s motivated me consciously in my scientific life.” We must embrace the fact that a brain is also a mind, that it thinks, it experiences, it suffers. In a word, that it is us.

5 Het onderzoek over mensenrechten is van wezenlijk belang om te bezien in welk opzicht mensen hun basale recht op het bestaan, hun gezondheid, hun materiele en psychische evenwicht, hun recht op wonen en werken, op onderwijs, verdraagzaamheid en saamhorigheid, veiligheid en rechtvaardigheid, en dergelijke meer kunnen vinden en verdedigen. Vergelijk: UvT, 10-10-2014, Tilburgse betrokkenheid bij strategisch procederen voor mensenrechten Marloes van Noorloos, universitair docent strafrecht aan Tilburg Law School, is benoemd als lid van de Projectraad van het Public Interest Litigation Project (PILP), een nieuw initiatief van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM). Zij is tevens voorzitter van het NJCM. Het gaat om een pilot project, voor twee jaar gefinancierd door Open Society Foundations, dat de mogelijkheden van strategisch procederen in Nederland verkent. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is strategisch procederen door mensenrechtenorganisaties heel gebruikelijk. In Nederland nog niet. Het Public Interest Litigation Project wil individuen en minderheden een stem geven bij belangrijke onderwerpen die op dit gebied spelen in Nederland en tegelijkertijd het algemeen belang dienen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan je privacy als je kentekengegevens worden opgeslagen terwijl je nietsvermoedend over de snelweg rijdt. Het doel van het project is om duurzame sociale en juridische veranderingen tot stand te helpen brengen. Tegelijkertijd is het een project met een beperkt budget, geen proefprocessenfonds waar grote zaken uit kunnen worden gefinancierd. Daar waar zaken niet pro bono kunnen worden gevoerd, wordt op zoek gegaan naar fondsen. Het Public Interest Litigation Project kan en wil de taak van de overheid om toegang tot de rechter te waarborgen ook niet overnemen. Het ziet juist toe op de naleving van dit recht voor iedereen. Het Public Interest Litigation Project wordt geleid door advocaat mr. Jelle Klaas.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina