T taag -tajo taai



Dovnload 0.96 Mb.
Pagina12/15
Datum22.07.2016
Grootte0.96 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

tovervoorwerp - talisman

toverwerk - grimassen, guichel, toverij

toverwoord - abacadabra, sesam (open u)

toverwortel   alruin

toverij - betovering, duivelskunst, feeërie, geestenoproeping, goochelarij, goochelkunst, goëtie, guichel, heksenwerk, hekserij, incantatie, magie, nigromantie,

toverij door oproeping van boze geesten - goëtie

tower - staatsgevangenis

toxemie - bloedvergiftiging

toxiciteit - vergiftigheid

toxicologie - vergiftenleer

toxicum - vergift

toxinevernietigend - toxinicide

toxisch   vergiftig

tra   gang, (kaats)baan, karrespoor, loop, los, pad, plek, speelbaan, veepad, wagenspoor

traag   bewegingloos, drukkend, indolent, inert, laks, lamlendig, langzaam, lauw, lijmerig, lusteloos, log, lomig, loom, lui, lijzig, onverschillig, saai, slepend, slof(fig), sloom, stapvoets, suf, vadsig, werkschuw, zwoel

traag en lui - loom

traag en sloom - laks

traag gaand - slepend

traagheid - laksheid

traag meisje of vrouw   dauwel

traag persoon - lamzak, lijs, sul

traag van begrip   dom, onbegrijpelijk, onbevattelijk, staf(gew.), suf

traag van beweging - log

traagheid   flegma, indolentie, inertie, lamlendigheid, langzaamheid, luiheid, slapte, sloomheid, willoosheid

traam - ladderboom

traan   drop, druppel, lacrima, levertraan, olie, oogvocht, visolie, walvisolie, waterlander

traanachtig - tranig

traangas - jobstraan, lacrimogeen, martoniet

traanklierontsteking   dacryadenitis

traanoog - leepoog, siepoog

traanwekkend gas - ammoniak

tracasserie - plagerij

traceerijzer - afschrijfpunt

traceren - afbakenen, nasporen, ontwerpen

tracering - maaswerk, opzet

tracé   aslijn, ontwerp(weg), plan, richting, schets, wegverloop

traceren - aangeven, afbakenen, nasporen

trachea - luchtpijp

trachee - ademhalingsbuis

tracheotomie - luchtpijpsnede

trachten   beproeven, beijveren, pogen, proberen, streven, tenteren, zien

trachten te bewegen - wrikken

trachten te doen - pogen

trachten te krijgen   dingen, solliciteren

traktaat   akkoord, overeenkoms, pact, traktaat, verdrag

tracteren - behandelen, bejegenen

tractie - trekking

tractor   bulldozer, landbouwtractor, trekker, voortrekker

tractus - misgezang

trademark - handelsmerk

traditie   adat, gewoonte, overlevering, zede

traditie met Pasen - paasei, paashaas, paasvuur

traditioneel - conventioneel

traductie - overbrenging

trafak - werk

trafiek - handel, koopmansbedrijf

trafiek - arbeid, drukte, werk

trafikant - handelaar, neringdoende

trage man - dauwel

trage spijsvertering - bradypepsie

trage vrouw   lijzebet

tragedie   drama, treurspel

tragel - jaagpad, kadijk, trekpad, zomerkade

tragen - talmen, vertragen

trager maken - vertragen

trage stoelgang - constipatie, hardlijvigheid, obstipatie

trage vrouw - lijzebet

tragicus - treurspeldichter

tragiek   ellende, misère, treurigheid

tragisch   droef, droevig, noodlottig, somber, triest

trailer - aanhangwagen, caravan, oplegger, sleepboot, trawier, truck, voorfilm

trainen - africhten, coachen, harden, oefenen, stalen

trainer - africhter, coach, enmeesteroefsportleraar

traineren - rekken, vertragen

training - africhting, oefening, opleiding, scholing

trainingszaal voor judo   dojo

traitabel - geneeslijk, handelbaar

traject   afstand, baan, baanvak, etape, laan, pad, route, sectie, weg, weggedeelte

traktaat   akkoord, essay, overeenkomst, pact, pakt, verdrag, verhandeling, vertoog

traktabel - gedwee, handelbaar

traktant - gastheer, onthaler

traktatie - lekkernij, onthaal, surprise, tractaat, traktaat, verrassing, versnapering

traktement   bezoldiging, gage, inkomen, jaarwedde, loon, salaris, soldij, wedde, zakgeld

trakteren - aanbieden, begaleren, bejegenen, geven, onthalen, schenken, vergasten, weggeven

tralie   latwerk, spijl, stang, stijl, vensterstaaf, ijzerwerk

traliegewijze - roosterachtig

traliehek   hamei

traliekool   kevie

tralieligger - vakwerkligger

traliespectrum - buigingsspectrum

tralietafel - slagersbank

traliewerk   hek(werk), latwerk, raamwerk, raster, rooster, ruif

traliewerk boven voerbak   ruif

tramhuisje - abri, wachthuisje

tramhuisje in oud Den Haag   wachtje

tramlijn   rail

tràmmelant   drukte, herrie, lawaai, moeilijkheden, narigheid, onenigheid, penarie, ruzie

tramontane - noordenwind, poolster

tramp   landloper, trampboot, trampschip, vaartuig (wilde vaart), zwerver

trampelen - drentelen, trappelen

trampen - trappen, schoppen

trampersoneel   bestuurder, conducteur, machinist, stoker

tramstalling - remise, tramgarage

tramzijde - inslagzijde

trance - bedwelming, droomtoestand, geestvervoering, high, verrukking

tranchant - bits, bijtend, scherp

tranche - snede

tranchee - greppel, loopgraaf

trancheeën - loopgraven

trancheermes - voorsnijmes

trancheren - ontleden, snijden, voorsnijden

trancheur - voorsnijder

tranen   huilen, schreien, waterlanders, wenen

tranen storten - plengen

tranen vergieten - plengen

tranendal - ondermaanse

tranende ogen hebben - traanogen

tranenverwekkend - lacrimogeen

tranenvloed - epifora

tranig - garstig, olieachtig, traanachtig

tranquil - bedaard, gelaten, gerust, kalm, koen, onbevreesd, onversaagd, vrijmoedig

tranquiliteit - gerustheid, kalmte, rust

tranquillamente - rustig

tranquille - bedaard, gelaten, rustig

tranquillo - rustig

trans - borstwering, bovenrand, hoogte, kanteel, omgang, omloop, ommegang, overzijde, rand, tinne, torenomgang, uitspansel, weergang

trans (voorvoegsel)   over

transactie - affaire, beschouwing, dading, deal, handel, overeenkomst, ruil, schikking, spekulatie, vereffening, ver(koop), zaak

transactie aan de beurs - koehandel, operatie, potloodaffaire

transactie met vreemd-geldwissels - deviezenspeculatie

transacties   overeenkomst, zaken

transbordeur   zweefpont

transcendent   bovenaards, bovenzinnelijk, buitenaards, buitenzintuiglijk, metafysisch, onkenbaar, onvatbaar

transcendentaal - bovenzinnelijk, buitenzintuiglijk

transcendentie - bovenzinnelijkheid

transcenderen - verheffen

transcriberen - overschrijven

transcript   afschrift, doorslag, kopie,

transcriptie - muziekarrangement, overschrijving, overzetting

transeneren - kwellen, mishandelen, plagen

transept   dwarsbeuk, kruisbeuk

transes - trans

transfer - overdracht, overmaking, overschrijving

transferabiliteit - overdraagbaarheid

transfereren - overbrengen, overdragen, uitstellen

transfiguratie - gedaanteverandering

transfigureren - vervormen

transformatie   metamorfose, omvorming, omzetting, vormverandering

transformeren   omvormen, omzetten, ontvouwen, vervormen

transformisme - evolutietheorie

transfusie - overgieting, overlapping

transgressie - overschrijding

transiet - doorreis, doorvoer, overgang

transigeren - plooien, schipperen

transistor - kristalversterker

transit - overgang

transitie - overgang



transitief   overgankelijk

transito - doorvoer, passeren

transitoir - tijdelijk, voorbijgaand

transitorisch - overdraagbaar, voorbijgaand

transitoverkeer   doorvoerhandel

translaat   vertaling

translateur   vertaler, tolk

translatie - omzetting, overdracht, verplaatsing, vertaling

translatrice - vertaalster

translocatie - overbrenging, overplaatsing, verplaatsing

translucide - doorschijnend

transluciditeit - doorschijnendheid

transmigratie - zielsverhuizing

transmissibel - overzendbaar

transmissibiliteit - overdraagbaarheid

transmissie - overbrenging, overdracht, overlevering

transmitteren - overbrengen, overzenden

transmutabel - veranderbaar, veranderlijk

transmutabiliteit - veranderlijkheid

transmutatie - verandering, verwisseling

transmutatieleer - afstammingsleer

transmuteren - veranderen

transparant   diafaan, doorschijnend, doorzichtig

transparant loodglazuur - kwaart

transparantie - doorlaatbaarheid, doorschijnendheid, klaarheid

transpiratie - uitwaseming, verdamping, zweet, zweten

transpireren - sudatie, uitwasemen, zweten

transplantatie - overplanting

transplanteren - overplanten

transponeren - omzetten, overzetten

transport - overdracht, vervoer

transportabel - verplaatsbaar, vervoerbaar

transportarbeider - bootwerker, spoorwerker

transportatieoord - verbanningsoord

transportband - rodelbaan, rolriem

transportband voor personen - roltrap

transportbedrijf   N.S., ATO, G.T.M., K.L.M., N.A.C.O.

transportmiddel   auto, autobus, boot, bus, fiets, helicopter, hovercraft, kar, kraan, lift, metro, motor, rijtuig, rijwiel, schip, slee, spoor, tandem, tanker, taxi, touringcar, trailer, trein, vliegtuig, vlot, vrachtboot, wagen

transportmiddel op rail - spoor

transportmiddel voor olie   tanker, tankwagen

transporteren   overbrengen, overschrijven, vervoeren

transporteur - graadboog, vervoerder

transportfiets - carrier

transportinrichting voor goederen langs een rail -

hangbaan, hangspoor



transportmachine - transportvliegtuig

transportmiddel - auto, autobus, bakfiets, boot, brommer, bus, diligence, ferryboot, fiets, handkar, hoeker, kales, kar, koets, kraan, mailschip, motor, motorfiets, pont, postkar, postkoets, rijtuig, schip, scooter, spoor, tandem, tanker, taxi, trailer,tram, trein, veerboot, vervoermiddel, vliegtuig, vrachtschip, wagen, zeilschip

transportmiddel voor olie - tanker, tankwagen

transportonderneming - ato

transportpark - voertuigenpark

transportschip   hoeker, tanker, vrachtschip

transportwagen - bus, truck, vrachtwagen

transportwagen met hefinrichting - vorkheftruck

transportwerktuig - elevator, heftruck, kraan, lier, loopkat, motorlaadschop, winch

transpositie - omzetting, overzetting

transsubstantiatie - wezensverandering

transsudatie - doorzweting

transsuderen - doorsijpelen, doorzweten

transuraan - americium, berkelium, californium, curium, einsteinium, fermium, mendelevium, neptunium, nobelium, plutonium

transvaal, hoofdstad van - Pretorium

transvers   dwars

transversaal - dwars, overhoks, zijdelings

transversaalboog - gordelboog

transversale parelyse - dwarslaesie

transvestitisme - eonisme

trant - aard, genre, manier, methode, mode, modus, slag, soort, stijl, voege, wijs, wijze

trant van onderwijs - leervorm

trantelen - drentelen, treuzelen

tranten - drentelen, treuzelen, wandelen

trap   aftrap, brandtrap, escalier, etappe, fase, graad, hak, keldertrap, ladder, leer, lep, noodtrap, roltrap, rang, scheepstrap, schop, stadium, stamp, trede, valreep, wenteltrap, zoldertrap

trap aan een schip - valreep

trap, deel van een - boom, stootbord, tre(d)e, valreep

trap van afstamming (adeldom) - kwartier

trap van ontwikkeling   fase

trapauto - skelter

trapbekleding - traploper

trapeze - rekstok, schommelrek, touterrek, zweefrek

trapezium - hangrek, trapeze

trapgevel - zeeslakje

trapje - leer

trapje om over een heg te komen - stegeltje

trapladder - leer

trapleer - ladder

traplorrie - draisine

trappaal - hoofdbaluster

trappelen - denderen, drentelen, schoppen

trappelzak - slaapzak

trappen - fietsen, gooien, kogelen, schieten, schoppen, smijten, stampen, treden

trappenhuis - portaal

trapper - paard, pedaal, pelsjager, vallenzetter, wildjager, woudloper

trapper van een fiets - pedaal

trapperen - betrappen, ontmoeten, treffen

trapperik - paard, schoen, voet

trappist - baardkoekoek, cisterciënzer, kloostermonnik, monnik

trapportaal - overloop

trapschaaf - ateilboorschaaf

trapschijf - torenschijf

trapsgewijs   gradatim, gradueel, hiërarchisch, opklimmend, rangsgewijze,

trapsgewijze ontwikkeling - evolutie

trapsgewijze opklimming   gradatie

trapsgewijze toeneming - escalatie

traptoestel - nautilette

trapvogel - trapgans

trapvogels - knorhanen, otides

trapzang - graduale

tras   cement, mortel, specie, tufsteen,

trascinando - slepend

rassaat - betrokkene

trassant - trekker

trassteen - tuf

tratto - gerekt

trauma   kwetsuur, letsel, stoornis, verwonding, wond, wonde

travail - arbeid, werk

traven - stouwen

traverse - dwarslijn

traverseren - doorsnijden

travertijn   kalktufsteen

travestie - verkleding, vervorming

trawant   begeleider, bijplaneet, handlanger, helper, lijfwacht, maat,

medestander, satelliet, staffier, volgeling



trawl - grondnet, treil, sleepnet

trawler - treiler, viskotter

trechter   bomtrechter, doorgieter, granaattrechter, krater, kratermond, molentrechter, treem, tremel, tuit, wijntrechter

trechter in berglandschap - doline

trechter van douche   broes

trechter van molen   treem, tremel

trechter van netwerk   ink, inkel

trechter voor gemalen graan   treem, tremel

trechtermond - estuarium

trechtervormig - kratervormig

trechtervormig net - kor, korre

trechtervormig sleepnet   inkel, kor(re)

trechtervormige depressie   doline

trechtervormige riviermond   delta, estuarium, trechtermond

trechterwinde - trompetbloem

trechterzwam - steelzwam

tred   gang, loop, pas, schrede, voet(stap)

trede - gang, juist, laddersport, opstap, pas, schrede, sport, stap, trap, tred, tree, treeplank, voetstap, waterpas

treden - bespringen, gaan, lopen, stappen

trede naar beneden   afstap

tred of loop - stap

tredmolen - rosmolen, treemolen

tree - estrade, laddersportsport, trede

treedsel - eikiem, hanetree

treef houden   vasten

treeft - drievoet, rooster, trepied

treek - foefje, kunstgreep, kunststukje, list, poets, slimheid, streek, truc

treem   (molen)trechter

treemke - schakelnet

treeplank - opstap, trede

trees - hooimaand

tree van een bordes - opstapje

tree van een trap - sport

treewegen - weegbree

tref   bof, gelukje, kans, luk, mazzeltje, meevaller, toeval, treffer

trefbaar - kwetsbaar

treffelijk - deftig, eerzaam, fatsoenlijk, voornaam

treffen   aandoen, aangaan, aangrijpen, bereiken, boffen, frapperen, gebeuren, gevecht, neerkomen, ontmoeten, ontmoeting, ontroeren, opvallen, overkomen, raakslaan, raken, roeren, schokken, slaan, sluiten, tikken, toucheren, vallen, vinden

treffend   aandoenlijk, aangrijpend, bezield, frappant, getroffen, goed, hartbrekend, hartroerend, indrukwekkend, levendig, markant, merkwaardig, ontroerend, opvallend, pakkend, passend, pathetisch, raak, roerend, schokkend, sprekend, touchant, uitkomen, verrassend, wonderlijk

treffende uitbeelding - creatie

treffer - bof, buitenkans, doelpunt, gelukje, meevaller, touche

trèfle - klaveren

trefwoord - devies, lemma, leus, lijfspreuk, motto, raakwoord, steekwoord

trefzeker - doelbewust

treife - onrein, verboden

treil - jaaglijn, kuilnet, sleepnet, tiras, trawl, treklijn

treiler - viskotter

trein   boemeltrein, expres, gevolg, rij, sneltrein, sleep, spoor, stoet, T.E.E., Tee

treinbaan   spoorlijn, spoorweg, rail(s)

treinbeambte - bestuurder, chauffeur, conducteur, machinist,

rangeerder, stationschef, stoker, treinchef, treinconducteur, treingeleider, treinsmid, treinwachter



treinbed - couchette

treinboek - spoorboekje

treindeur - portier

treinen - sporen

treinen splitsen - rangeren

treingeleider - conducteur

treingids - spoorboekje

treinhalte - station

treinkaartje - reisboljet

treinkade - perron

treinmachinist - bestuurder

treinongeluk   deraillement, ontsporing, treinbotsing, treinramp

treinpersoneel   bestuurder, conducteur, machinist, stoker, tremmer

treinrails - spoorstaven

treinreis   navet

treinsoort   elektrisch, diesel, stoomtrein

treinverkeer tussen twee punten - spoorlijn

treinwachter - conducteur

treinwagon   coupé, goederenwagen, postwagen, restauratiewagen, slaapwagen

treinziek - misselijk

treit - bastaardnachtegaal, grasmus

treite - varkensgras

treiten - schimpen, spotten, treiteren

treiter - bedaard, drein, flegmatiek, frigide, judas, koel, kwelgeest, nuchter, onaangedaan, onbewogen, ongevoelig, onhartelijk, pestkop, plaaggeest, plager, sar, terughoudend, treiteraar

treiteraar - jenner, nijdas, pestkop, plager, sar, terg, treiter

treiteren - dreinen, huilen, jennen, judassen, kwellen, mishandelen, narren, negeren, pesten, plagen, pruttelen, sarren, stangen, tarten, tergen

trek - aantrekking, animo, appetijt, begeerte, beweging, bluf, drukte, eet, eetlust, eetzin, fut, gewild, gezocht, goesting (Z.N.), haal, hang, honger, lust, lijn, mars, meug, migratie, moed, muf, neiging, passie, penchant, poets, populair, puf, ruk, slag, streep, tocht, toeloop, toer, tuk, verlangen, vogelvlucht, zin

trek hebben - lusten

trek in drinken - dorst

trek in eten - eetlust, honger

trek in hartig eten - miers

trek met pen   haal

trek naar de stad - urbanisatie

trekachtig - tochtig

trekautomaat - speelkast, trekkast

trekbalk - bintbalk, kapbalk

trekbeest - trekdier

trekbegrenzer - trekregelaar

trekbeugel - baggerbeugel

trekblok - juk, trektuig (ossen)

trekboom - dissel, lamoen

trekboot - sleper

trekbrug - ophaalbrug

trekbij - Andrena, zwerf bij

trekdier   bok, buffel, ezel, hond, kameel, karbouw, karhond, ked, kedde, olifant, os, paard, rendier

trekduiker - aalscholver

trekelger - aalboerelger

trekgaren - treknet, zegen

trekgat   luchtgat, mui, pijp, pijpgat, schoorsteen, schoorsteengat stookgat, tochtgat, ven, ijsopening

trekgat tussen zandbanken - mui

trekgeld - plok, strijkgeld

trekgereedschap - nijptang

trekgordel   gareel, greel, halsgordel (leren), leidsel, singel, trekstengen

trekgordijn - ophaalgordijn

trekgras - kweek

trekhaak - balkhaak, kuiperswerktuig

trekhamer - leidekkersgereedschap

trekharmonica - accordeon, musette, trekorgel

trekhond voor een wagen - zwing

trekje - haal

trekjurk - haam, halsjuk

trekkabel - sleeptroskabel

trekkanaal - hengst

trekkar - handkar

trekkast - flipperkast, gokmachine, trekautomaat

trekkebek - sleedoorn

trekkebekken - minnekozen

trekkebekkeri] - gezoen

trekken   begeven, gaan, halen, loten, ontvangen, oogsten, plukken, reizen, roeien, rondreizen, rukken, sjorren, slepen, sleuren, sollen, strekken, tijgen, tochten, toereiken, togen, traineren, trasseren, uitloten, zwerven

trekken (het) - afscheuren, roppen, rukken, tobben, tractie

trekken naar - hellen

trekken van de wind - tochten

trekken van het gelaat - lineamenten

trekken van vogels - migratie

trekken voor prijzen - loten

trekkend - reizend

trekkend volk - nomaden

trekkende bewegingen maken - tobben

trekker - aftrekker, band (broek, vest), emigrant, geweerhaan, haan, kampeerder, migrant, reiziger, rits, tandarts, tractor, trassant, trekvogel, truck, wandelaar, wisseltrekker

trekker van een wissel   trassant

trekkerschuif - bulldozer, schuifblad

trekkig - trekkerig

trekking - tractie, uitloting

trekking van een loterij - uitloting

trekkingslijst - uitlotingslijst trekkerig - tochtig, winderig

trekkoord - sim, vissnoer

trekkop - paalkop

trekkracht - h.p., p.k., aantrekkingskracht, motor, tractie, trekdier

treklade - schuiflade

treklap - schoenlapper

treklijn - jaaglijn, tiras, treil

trekmachine - tractor, trekker

trekmateriaal - tractie

trekmes - haalmes

trekmiddel - epispasticum

trekmotor - tractor

trekmuis - trekrat

trekmuts - vrouwenbovenmuts

treknet - foezel, kol, kor, korre, sleepnet, tiras, treil, trekgaren, wade, zegen

trekorgel - accordeon, harmonica

trekpaard - jaagpaard

trekpad - tragel

trekpen - rastraal

trekpers - draaitrekkerswerktuig

trekpersen - dieppersen

trekpiano - harmonika

trekpleister - aantrekkingsobject, epipasticum, lokkertje, mosterdpleister, sensatienummer, vesicatorium

trekpop - harlekijn, marionet, pias

trekreep - kanonreep

trekschacht - mijnschacht

trekschop - graafwerktuig

trekschuit   barg(e), smak, snik

treksel   afkooksel, aftreksel, bouillon, extract

treksel van koken - afkooksel

treksloot - tochtsloot, wetering

treksluiting   rits

trekstengen - gareel, greel, trekgordel

trekstoof - trekharmonika

trektafel - uitschuiftafel

trektang - nijptang

trektouw (aan gareel of haam) - zeel

trektuig   gareel, haam, juk

trektuig van ossen - juk

trektuig voor paarden - borstgareel

trekvaart - waterweg

trekvalk - slechtvalk

trek van banden - rijspoor

trekveer - expander, spiraal

trekvermogen - trekkracht

trekvisnet   wade

trekvogel   kievit, kranvogel, kwartel, ooievaar, reiger, wulp, zwaluw

trekvogel met grote kuif en lange snavel - hop

trekweg langs water   jaagpad

trekwortel - trekpleister

trekzaag - schrobzaag

trekzeel   haam

trema - deelteken

tremando - bevend, sidderend

tremblelijn - golflijn

trembleren - tremuleren, trillen, vibreren

tremel   treem, (molen)trechter,

tremmen - storten

tremmer - hulpstoker, kolensjouwer, machinist, stoker, varensgast

tremolando - bevend, trillend

tremolo - tremulant, tremulerend, triller

tremor - beving

trempé - doornat, doorweekt

tremplin - springplank

tremske - korenbloem

tremulant - triltoon

trenchcoat - overjas

trend   neiging, richting, tendens, tendentie, verloop,

trenen - dragen, druppen, likken

trens - bies, galon, lis(je), lus(je), oogje, paardenbit, vlecht

trentelen - drentelen, talmen, treuzelen, trenzen, vlechten

trenzen - vlechten

trepaan - operatieboortje, schedelboor

trepak - volksdans

trepanatie - doorboring

trepelen - dribbelen, trippelen, vasttrappen

trepidatie - angst, gejaagdheid, siddering

tres - agrement, boordsel, galon, garnering, goudboordsel, haardracht, haarsnoer, haarsnoervlecht, haarstreng, oplegband, oplegsel, passement, vlecht, wrong, zilverboordsel

tres aan een (uniform)jas - brandebourg

tressen - vlechten

treter - pantoffel, schoen

treuga dei - godsvrede

treurband - pleureuse

treurdicht   elegie, jeremiade, klaagdicht, nenia

treuren   bedroeven, beschreien, bewenen, jammeren, klagen, kniezen, kwijnen, rouwen, tobben, versmachten, weeklagen

treurend (muz.)   mesto

treurende moèder (myth.)   Niobe

treurgewaad - rouwkleed

treurig   akelig, bedroefd, bedroevend, bedrukt, beklagenswaardig, bekommerd, deplorabel, down, droef, droefgeestig, droevig, ellendig, erbarmelijk, (muz.) funébre, funest, inbedroefd, jammerlijk, kniezerig, knudde, kommervol, kwalijk, luguber, melancholiek, miezerig, naar(geestig), navrant, neerslachtig, ontroostbaar, rouwig, saturninisch, sip, slecht, smartelijk, somber, tragisch, triest, troosteloos, verdrietig, verslagen, vreugdeloos, zielig, zwaarmoedig,

treurig toneelspel - drame

treurige gebeurtenis   drama

treurigheid   droefenis, droevigheid, ellende, misère, narigheid, tragiek, rouw, naarheid, verdriet

treurlied - elegie, jeremiade, klaaglied, klaagzang, lijklied, nenia (Grieks), treurdicht

treurmars - dodenmars

treurnis - droefheid, rouw, tragiek

treurpsalm - boetpsalm

treurspel   drama, tragedie

treurspeldichter   Aeschylus, Euripides, Sophocles, Thepis, tragicus

treurspelspeelster   tragédienne

treurtoneel   tragedie

treurveer - pleureuse

treurweek - schibab

treurzang - elegie, epicedion, jeremiade, klaaglied, klaagzang, lijkzang, nenia, (Grieks), treurdicht, treurlied

treuzel - lijs, slof, talm, sukkel, talm(er), tut, zeef

treuzelaar - dauwel, dralerm hannes, haspel, lijntrekker, lijs, plakker, slabakker, slof, sukkel, sukkelaar, talmster, talmer, teut

treuzelkous



treuzelen   aarzelen, beuzelen, dralen, hangen, hannesen, klungelen, leuteren, lijntrekken, prutsen, slabakken, talmen, temen, teuten, traineren, trammelanten

treze - pannenlap

trezoor   dressoir, ladekast, schat(kamer)

trezorier - beheerder, penningmeester, schatmeester

triadisch - drietallig

tri - vlekkenwater

triade - drieeenheid, drietal

triage - schifting, uitschieting

triakel - geneesmiddel,tegengif, teriakel

trial - onderzoek, proef, poging

triangel - driehoek

triangulair - driehoekig

triangulatie   driehoeksmeting

trias - drieheid, trits

tribade - lesbienne

tribometer - wrijvingsmeter

tribrachys - versvoet

tribulatie - tegenspoed, verontrusting, wederwaardigheid

tribunaal   gerecht, hof, rechtbank

tribune - gaanderij, galerij, kansel, spreekgestoelte, stellage, stelling

tribuun - demagoog, gemeensman, volksleider, volksmenner

tribuut   belasting, cijns, schatting

triceps - driehoofdig, strekspier

trichine - haarworm

trichofyie - schimmelziekte

trichopathie - haarziekte

trichophytie - baardworm

trichopthera - schietmotten

trichord - tokkelinstrument

trichroïsme - driekleurigheid

triclinium - eetkamer, eetzaal

tricofilium - drieblad, klaver

tricolor - amarantsteen, driekleur

tricot - sport(trui)

tricot dameshemd   kamizool

tricotsoort - charmeuse, interlock, jersey, plattricot

tricycle - driewieler

tridens - drietand

triëder - drievlak

trielje - glanslinnen

triënnaal - driejaarlijks

triëren   schiften, zuiveren

triefelen - friemelen, klungelen, knoeien, peuteren

triest - abominabel, akelig, bedroefd, bedroevend, beklagenswaardig, deplorabel, down, droef, droefgeestig, droevig, ellendig, funest, funèbre (muz.), jammerlijk, kniezerig, knudde, kwalijk, melancholiek, miezerig, naar, naargeestig, navrant, neerslachtig, sip, smartelijk, somber, tragisch, treurig, triestig, troosteloos, verdrietig, zielig

triest (muz.) - tremolando

triestig - naar, somber

trifenyldihydroglyoxaline - amarine

trifolium - drieblad, klaver

triforium - nonnengang

trifthong - drieklank

trifos - driepas

trigemini - drielingen

trigeminus - driehoekszenuw

trigonometrie   driehoeksmeting

trigoon - driehoek

trigram   ang, ing, lettercombinatie

triktrak - bakspel, jacquet, sjoelbak, verkeersbord, verkeersspel

tril - zweel

trilapparaat - triller, vibrator

trilateraal - driezijdig

trilgras - bevertjes, briza

trilhaar - cilie, fibril

trilhaardiertjes - ciliaat, wimperdiertjes

trilhaarworm - turbellaria

trilharen - pseudopodiën

trillen - beven, bibberen, daveren, dreunen, fremitus, huiveren, Kliert (gewestelijk), kwakkelen, rillen, schudden, sidderen, trembleren, vibreren, zinderen, zoemen

trillen met dof geluid - dreunen

trillen op een noot - tremolo

trillen van de oogbol   nystagmus, oogsidderen

trillen van verlangen - popelen

trillen van vlees - lillen

trillend   bevend, tremolando, (muz.) vibrato

trillend roepen - kirren

trillende beving - siddering

trillende toon - tremulant

triller - trilapparaat

triller (muz.)   tremolo

trillerig   beverig, bibberig, huiverig, huivering, rillerig, sidderig, vibrerend

trilling   beving, daver, golf, golfbeweging, oscillatie, schok, seisis, siddering, tremolo (muz.), vibratie

trilling van de aardkorst   aardbeving

trillingtdemper - trillingsisolator

trillingsgetal - frequentie

trillingsmeter - seismograaf

trillingswijdte van radiogolven   amplitudo

trilpopulier - ratelaar, ratelpopulier

triltoon   tremolo, tremulant

trim - evenwicht, stabiliteit

trimbaan - oefenbaan

trimester   kwartaal, trim

trimmen - knippen, stuwen, tremmen

trimmer - hondenkapper

trimschool - sportschool

trimtrampje - rietzanger, tjiftjaf

trinchinenziekte - richinose

trinitarissen - kloosterorde

triniteit - drieëenheid (goddelijke), drievuldigheid

tinitrofenel - pikrinezuur

trinitrotoluol   T.N.T., trotyl

trinomisch - drieledig, drievoudig

trio   drietal, triade, trits

triomf   overwinning, zegefeest, zege(praal)

triomfant - zegepralend, zegevierend

riomfantelijk - zegepralend, zegevierend

triomfator - overwinnaar

triomfboog - erepoort, zegeboog

triomferen - juichen, overwinnen, zegepralen, zegevieren

triomferend - jubelend

triomfkreet - zegekreet

triomflied - zegelied

triomfpoort - erepoort

triomftocht - overwinningstocht, zegetocht

triomfzang - triomflied

trip - duikelaartje, plankje (voor turftrappers), plezierreis, reis, rit, tocht, toer, uitstapje, vrouwenschoeise-

tripang - zeekomkommer

tripel   drievoudig, polijstaarde

tripelglas - vensterglas

tripiet - trip

tripje - reisje

triplaan - driedekker

triple - drieledig, drievoudig

tripleren - verdrievoudigen

triplex - driedelig, drievoudig, houtplaat

tripliceren - verdrievoudigen

tripliciteit - drievoudigheid

triplo - drievoud

tripmadam - muurpeper

tripmiddelen   amfetamin, benzedrine, DMT, heroïne, morfine, LSD, mescaline, peyote, STP, pervitine, psilocibine

tripode   drievoet, melkkrukje, statief

tripolair - driepolig

tripot - danshuis, kliek, speelhol, speelhuis

trippelen - huppelen

trippen - trappen

tripper - veentrapper

triptiek - drieluik, schilderij

triptrappen - trippelen

tripzool - spiegelzool

trismus - kaakkramp, mondklem

triste - bedroefd, droefgeestig, treurig, triest

tristezza - droefheid, treurigheid

tritheïsme - driegodendom

tritium - waterstofisotoop

triton - watersalamander, zeegod

tritonshoorn - schelp

tritrieur - sorteerinrichting, vlekkenwater

trits - drie(tal), triade, drie, trio

tritsen - dobbelsteenspel

triumviraat   driemanschap

trituratie - fijnmaling, fijnwrijving

tritureren - fijnmalen, fijnwrijven

triumvir - drieman

triumviraat - driemanschap

trivalent - driewaardig

triviaal   alledaags, banaal, gewoon, laag, laagbijdegronds modderig, plat, platvloers, sedimenteus,

trivialiteit - alledaagsheid, platheid

trivialiter - alledaags, plat

trivium   dialectiek, grammatica, retoriek

trochilidae - kolibries

trochlea - katrol

troebel   beroering, drabbig, ondoorschijnend, onduidelijk, onenigheid, onklaar, onrust, onscherp, onzuiver, opaak, vuil, wanorde, zwoel

troebel maken - storen, troebelen, troubleren, verontrusten, verwarren

troebele - drabbege, drabbige

troebele dikke vloeibare vloeistof - drab, drabbe

troebelen   onlust, onlusten

troebleren   storen, verontrusten, (ver)storen, vertroebelen, verwarren

troedel - schat, vleinaam

troef - atout

troef in het omberspel - manille

troef in omberspel - matador

troef inleggen - couperen

troefboer   jas

troefkaart,   aas, atour, boer, manille, nel, spadille

troefkoning - troefheer

troefnegen - nel

troel - liefje, meid, slet, snoes, uilskuiken

troela - lummel

troep   aantal, afdeling, beeld, beestenboel, bende, bent, boel, drift, drom, gezelschap, groep, horde, huskaravaan, keet, kliek, kloet, koppel, kudde, leger, macht, menigte, meute, mikmak, pan, partij, ploeg, puinhoop, rataplan, reut, roedel, rommel(tje), rot, rotzooi, schaar, schare, sjoecht, sliert, slipjacht, stel, stelletje, wanorde, warboel, zooi(tje), zwerm, zwik,

troep dieren   drift, koppel, horde, korf, kudde, meute, roedel, vlucht, zwerm

troep ganzen - koppel, vlucht

troep herten - roedel

troep hinden - harem

troep hoenders   toom

troep honden - meute

troep jachthonden - drift, meute

troep kunstenaars - bent

troep lasteraars - lasterboel

troep mensen - massa, menigte, meute

troep misdadigers - bende, gang

troep muzikanten - band, orkest

troep ossen - drift, ossendrift

troep of bende - jamboel, rommel

troep of rommel - zooi

troep padvinders   patrouille

troep rovers   bende, bent, gang

troep ruiters - ruiterbende, ruiterschaar

troep schoolkinderen - klas

troep soldaten - detachement, horde, peloton

troep stierenvechters - quadrille

troep vee - kudde

troep vissen - school

troep vogels - klucht, vlucht, zwerm

troep welpen   horde, nest

troep wild - roedel

troep wilde zwijnen - rotte

troepen legeren - kantonneren

troepen legeren bij burgers - inkwartieren

troepen werven - recruteren

troepenafdeling   bataljon, brigade, compagnie, detachement, divisie, echelon, escouade, korps, reg, regiment, patrouille, peloton, sektie, vendel

troepeneenheid - regiment

troepenkamp - legerkamp

troepenleer - opstellingsleer

troepenmacht   armee, contingent, divisie, heir, krijgsmacht, leger

troepenschouw   inspectie, parade, revue

troepentrein - tros

troepenverzorgers   tros

troepenverzorging - intendance, logistiek

troetel - liefje, lieverd, sabelkwast, sierkwast

troeteldier - knuffeldier

troetelen   knuffelen, koesteren, liefkozen, sollen, strelen

troetelkind   oogappel, pupil

troetelnaam - hart(je), honey, koosnaam, kwast, lief, lieveling, lieverd, schat

troeterig - papperig

troeven - afrossen, kaartspelen, slaan,

trofee - beker, cup, medaille, zegepalm, zegeteken

troffel - kalkschep, truweelt

trofisch - veranderend, vormend, vormgeven

trog   atacamatrog, geosynclinale, kil, kneedbak, luchtdrukgebied (zeer laag), plooidal, voerbak, voederbak, zeebodeminzinking

troglodiet - holbewoner, mijnwerker

troglodytidse - winterkoninkjes

trogwolfje - troggewelf

troïka - driespan

Trojaans held   Aeneas, Antenor, Hector

Trojaans priester die tevergeefs waarschuwde voor het houten paard in Troje   Laocoön

Troje   llion, llium

trok   biljartspel, reisde

trol   dwerg, kabouter, kobold

troll - demon, geest

trom   bedoek, drum, pauk, tamboerijn, tamtam, trommél

trom op Java - kendang

trom van de gamelan   kendang

tromba - hoos, trompet

trombase - enzym

trombine - trombase

trombocyt - bloedcel, bloedplaatje

trombone   bazuin, schuiftrompet

trombose - bloedstolling, embolie

trom, grote - in moskee - bedoek

trommel - bus, doos, drum, pauk, tamtam, trom

trommel (draaiende- voor wolbewerking) - snar

trommel om wol te zuiveren - snar

trommelaar - drummer, roffelaar, slagwerker, tamboer

trommelen - drummen, roffelen

trommelholte - middenoor

trommelkruis - equerre

trommelmeel - beendermeel

trommelslag   roffel

trommelslager   drummer, paukenist, tamboer, trommelaar

trommelstok - baguette

trommelstokboom - pijpkassia

trommeltje van een hengel - reel

trommelvel - kalfsvel, perkament

trommelvlies - gehoorvlies, membraan, ormembraan, timpaan

trommelvuur - spervuur

trommelzucht – meteorisme, timpanatie, timpanie, tympanie, veeziekte

trommelzuchtig - tympanitisch

tromp - blaashoorn, jagershoorn, mondharp, olifantssnuit, slurf, trombone

trompen - brullen, toet(er)en)

trompet   bazuin, blaasinstrument, eustachiusbuis, klaroen, orgelregister, piston, schuiftrompet, signaalhoorn, spreekhoorn, toeter

trompet met kleppen - ventieltrompet

trompetbloem - bignonia, narcis, tecoma

trompetdiertje - stentor

trompetdiertjes - wimperinfusoriën

trompetfanfare - sonnerie

trompetgewelf - schelp

trompetkwast - banderol

trompetschelp - tritonshoorn

trompetslak - tritonshoorn

trompetterspier - wangspier

trompetvogel - agami, psophia

trompetvormig orgaan - salpinx

tromp van een olifant - slurf

tronen - heersen, regeren, verleiden, zetelen

tronie - aan(gezicht), bakkes, facie, fiselemie, gelaat

tronie Barg. - ponem, porem

tronk - boomstomp, stobbe, stomp, stronk, trunktroon - vorstenzetel

troonsafstand   abdicatie

troonhemel   baldakijn

troop   beeld, kerktoon, melisme, metafoor, uitdrukking

troop der naamsverwisseling - antonomasie

troop der overnoeming - metonymia

troost   bemoediging, consolatie, heil, heul, koffie, lafenis, leniging, medeleving, opbeuring, so(e)laas, sterkte, steun, toevlucht, verkwikking, vertroosting, verzachting

troosteloos - bedroefd, desolaat, desperaat, diepbedroefd, doods, mistroostig, ontredderd, ontroostbaar, radeloos, somber, treurig, triest, verlaten,verslagen, wanhopig, woest

troosteloosheid   desolatie, somberheid, treurigheid, verslagenheid, verwoesting, wanhopigheid

troosteloze vlakte - schiervlakte, steppe, woestijn

troosten   bemoedigen, laven, opbeuren, steunen, verlichten

trooster - bemoediger, opbeurder, Parakleet

troost of leut - koffie

troostprijs - consolatieprijs

trop - menigte, troep

tropa-alkaloïde - cocaïne, scopolamine

tropaeolacee - kanariekers

trope - keerkring, troop, zonnestilstand

tropen - keerkringen

tropengewas - agave, alangalang, alkanna, aloë, ananas, bamboe, banaan, betel, canna, cassave, doerian, hevea, ketella, kina, liaan, liane, lombok, maniok, melati, paddie, papaja, peper, pisang, rotan, rijst,sereh, sesam, sirih, tonga, traangras, vanille

tropenkoorts - malaria

tropisch Afrikaanse vlieg - tseetseevlieg

tropisch bloempje - melati

tropisch dier - buffel, emoe, gazelle, giraffe, gnoe, krokodil, leeuw, luipaard, olifant, tijger

tropisch gewas   banaan, cacao, katoen, kina, koffie, kokos, nootmuskaat, oliepalm, peper, rijst, rubber, sagopalm, suikerriet, teakhout, thee

tropisch insect - termiet, tseetsee

tropisch kledingstuk - safaripak

tropisch knolgewas - bataat

tropisci land - Cameroen, Ghana, Guinee, Kongo,Tanzania

tropisch oliehoudend gewas   sesam

tropisch plantengeslacht   aleurites

tropisch regenwoud - jungle

tropisch wapen - assegaai, blaasroer

tropisch wind - passaat

tropisch zeewier - agaragar

tropische aquarium vis - zwaarddrager

tropische bomen (V.S.) - aleurieten

tropische boom   apeboom, arenpalm, assem, assemboom, dividiviboom, djati, djatiboom, gomboom, hevea, klapperboom, koaboom, kola, mangaboom, mangrove, nipapalm, palm, palmboom, pandanus, pisang, regenboom, sagopalm, tamarinde, tamarindeboom, teak, teakboom, tonkaboom, waringin, wortelboom

tropische cycloon - orkaan

tropische graansoort   rijst

tropische grassoort - alangalang

tropische grasvlakte in Amerika - savanne

tropische grond   lateriet

tropische hagedis - gekko, tjiktjak, tokké

tropische huidziekte   framboesia

tropische insektensoort - termieten

tropische keerkring - evenaar

tropische kleding - burnoes, kaftan

tropische klimplant - bougainvillea, derris

tropische luchtstroom   moesson, passaat

tropische malaria - zwartwaterkoorts

tropische paardeziekte - dourine

tropische plant   aloë, ananas, cactus, canna, cassave, mahinot, maniok, meloen, mimosa, orchidee, palm, ramee, sesam, vanille

tropische rivier - Niger, Nijl, Zambezi

tropische sierplant - ageratum, canna

tropische slingerplant   betel, kamperfoelie, sirih, liaan

tropische steekmug - muskiet

tropische tuin - plantage

tropische vegetatie   mangrove

tropische verfstof - kino

tropische vetplant - agave

tropische vis - egelvis, goudvis, longvis, maanvis, murela, sluierstaart

tropische vogel - ara, beo, flamingo, glatik, kaketoe, koetilan, kolibri, maraboe, neushoornvogel, papegaai, paradijsvogel, parkiet, pelikaan, rijstvogel, struisvogel, toekan

tropische vrucht - advocado, ananas, banaan, dadel, djeroek, doekoe, doeren, doerian, guava, kiwi, manga, mangis, mangistan, mango, papaja, pisang, ramboetan, sawoe, semanka, vijg,



tropische wervelstorm op de Filippijnen - baguio, baquio

tropische wildernis - jungle, oerwoud, regenwoud, rimboe

tropische wilde vlakte - jungle

tropische wind - passaat

tropische zeevis - bandvis, beefvis, egelvis, goudvis, klipvis, koekvis, koffervis, kogelvis, leervis, longvis, maanvis, roofvis,

zeepaardje



tropische ziekte   cholera, dengue, dysenterie, filariasis, framboesia, lepra, lupus, malaria, slaapziekte, tyfus

tropische zwemvogel - fregatvogel

troppel - evenzo, troepje

tropus - tekstuitbreiding

troqueren - ruilen

tros   aar, ankerkabel, bagage, bagagetrein (mll.), bloeiwijze, bos, bundel, cluster, impedimenta, kabel, krap, krijgstrein, legerbagage, legertrein, meertouw, pak, resem, rist, sequela,

tros aalbessen - aalbessenrist, rist

tros aardwormen - peur, pier, poer, vale

tros bananen - kam, orsir

tros bloemen of vruchten - cluster

tros haver - poeshaver

tros vruchten   bel, kam, racemeus, ragemus

tros wormen   poer, peur

trosachtige bloeiwijze - speer

trosachtige plant - speer

trosgierst - vogelvoer

troshaver - vlaghaver

troshyacint - druifhyacint, druifjes

trosiep - steeliep

troskerseboom - vogelkers

troskieuwige zeevis   zeenaald, zeepaardje

trosknecht - pakknecht

trospaard - pakpaard

trosroos - polyantharoos

trossel - bundel

trosselen - bundelen, drossen, pakken

trossen - bundelen, drossen, pakken, weglopen

trostouw - paktouw

trosvormig   racemiform

trot - afstand, draf

trots - aanmatigend, bats, bluffen, bogen, dapper, eigendunk, eigenwaan, ferm, fier(heid), flink, front, glorieus, groots, hooghartig, hoogmoed(ig), hovaardig, hovaardij, kloek, laatdunknd, laatdunkendheid, niettegenstaande, onbevreesd, ondanks, ongenaakbaar, onvervaard, opgeblazen, overmoedig, overzedig, parmant(ig), prachtig, prat, preuts, roemen, roemrijk, statig, spijt, statig, steunen, trotsheid, verwaand(heid), verwaten, weids, ijdelheid, zelfbehagen, zelfbewust, zelfgevoel

trots van het moederschap - moederweelde

trots zijn - pralen, pronken

trots zijn op - bogen, fier, pochen

trotse houding   air

trotsen - trotseren

trotseren - blootstellen, braveren, tarten, uitdagen, verachten, weerstaan

trotse vrouw - pauwin

trotsheid - fierheid, overmoed

trots zijn - pralen, pronken

trotten - draven

trotter - draver

trotteren - draven

trottoir   stoep, stoeppad, straatkant, straatstoep, voetpad, wandelpad, wandelplaats

trottoir voor een café - terras

trottoirband - stoeprand

trottoirtegel - tichel

trotyl - tnt, trinitrotoluol

troubadour   bard, meistreel, menestreel, minnezanger, minstreel, provencaal, rapsode, speelman, trouvere, trovatore, zanger

troubleren - storen, verontrusten

trouvaille   oplossing, vinding, vondst

trouvere - dichter, minnezanger

trouw   aanhankelijk, aanhankelijkheid, eerlijkheid, fideel, fides, gehecht(heid), getrouw, loyaal, onveranderlijk, oprecht, probiteit, standvastig, standvastigheid, stiptheid, toegenegen, vasthoudend, verbonden, verknocht, volhardend, waarheid, zeker

trouw naar de kerk gaan - kerks

trouw verdediger - paladijn

trouwbed - bruidsbed, huwelijksbed

trouwbelofte doen - verloven

trouwbeloften - ondertrouw, plechtigheden, sponsaliën

trouwbreuk - felonie, perfidie, scheiding, woordbreuk

trouwbreuk jegens de leenheer   felonie

trouwbrief - trouwbericht

trouwdag - bruiloftsdag

trouwdicht - huwelijksdicht

trouwde voor haar zuster Rachael - Lea

trouwe bezoeker   habitué, stamgast

trouwe echtgenote - Penelope

trouwe gezel van Orestes - Pylades

trouwe klant - habitué, stamgast

trouwe verdediger - paladijn

trouwe vriend   Achaat, Achates, boezemvriend, Jonathan, pylades

trouweloos - deloyaal, gemeen, infideel, onbetrouwbaar, oneerlijk, ontrouw, perfide, punisch, vals, verradelijk

trouweloos handelen - verraden

trouweloosheid   felonie, ontrouw, perfidie, verraad

trouweloos iemand - afvallige, verrader

trouweloze daad   verraad

trouweloze verleidster   Delila



trouwen - echten, huwen

trouwen beneden zijn stand - mesailliëren

trouwens - immers, overigens

trouwerij - bruiloft, huwelijk, echt, trouwpartij

trouwfeest - huwelijk

trouwhartig   argeloos, eerlijk, fideel, gezellig, heus, hoffelijk, loyaal, naïef, openhartig, oprecht, rondborstig

trouwjapon - trouwjurk

trouwpartij   bruiloft, echt, huwelijk, trouwerij

trovatore - minnezanger, minstreel, troubadour

trubbel - moeite, narigheid

trubbels - onlust

trubbels of hinder - last

truc   (Ind.) akal, foef, foefje, geslepenheid, handigheid, kneep, krijgslist, kunst(werk), kunstgreep, list(igheid), loer, loosheid, manier, pert, poets, raffinement, schranderheid, slimheid, slimmigheidje, sluwheid, streek, stunt, toetje, treek, tuk, valstrik, voorwendsel, zet

truc (Ind.) - akal, foefje, list

trucage - kunstgreep

trucfilm - fake

truffel - tuber

truck - oplegger, trekker, vrachtauto

trui - jumper, moerkonijn, sweater, zeug,

trui zonder kraag   pull-over

truis - plukje, tros

truïsme - gemeenplaats

truite - forel

trumeau - muurvlak, penantspiegel, penanttafel, spiegel, vensterdam

trunk - koffer, schacht, tronk

truntel - bagatel, beuzeling, kletspraat, nietigheid

trust - bedrijfsconcentratie, kartel, samensmelting

trustee - lasthebber, vertrouwensman

trutten   talmen, treuzelen

truweel   troffel

trypsine - trypsase

trijs - bras, hijsbalk, takel

trijsen - ophalen, takelen

trytisch - fijnmakend, verbrekend, verbrijzelend

trijzel - treuzel, korenzeef

trijzelen - zuiveren

tsaar   Iwan, keizer, Peter

Tsjechisch auteur - Cech, Fric, Hasek

Tsjechisch gebergte   Ertsgebergte, Jeseniky, Sudeten,

Tsjechisch persbureau   C.T.K.

Tsjechische burgemester - starost

Tsjechische componist   Dvorak, Smetana

Tsjechische dans   polka

Tsjechische munt - koruna

Tsjechische partijleider   Husak

Tsjechische politicus   Dubcek, Husak, Masaryk, Novotny, Svoboda,

Tsjechische rivier   Donau, Eger, Moldau, Morava, Vltana

Tsjechische schrijver   Benesj, Capek, Kafka, Masaryk

Tsjechische stad   Bratislava, Brno, Decin, Kosice, Krupina, Liberec, Olomouc, Ostrava, Plzen, Praag, Telc

Tsjechische volksdans - furiant

Tsjechoslowaaks bergmassief - Brdy

Tsjechosloakije , hoofdstad van - Praag

Tsjecho-Slowaakijs   koruna

Tsjeka - letterwoord

Tsjoenen - beheksen

tsiepen - piepen, tjilpen

Tsongdialect - Bila

Tsuba - stootplaat

tuba - bazuin, blaasinstrument, schuiftrompet

Tubantia - Twente

tubboot - oefenboot

tube - buisje, kokertje

tubelair - buisvormig

tuber - gezwel, knobbel

tuberculose - ftitis, tering, tb.c., tb.

tubereus - knobbelachtig

tuberiform - knobbelvormig

tuberkelziekte - tuberculose

tuberoos - herfsthyacint

tuberositeit - knobbeligheid

tubulus - buisje

tubus - buis, kijker, verrekijker

tucht   bevel, discipline, dwang, gehoorzaamheid, leiding, liniaal, lijn, mededeling, onderwerping, orde, reeks, richel, toezicht, voorschrift

tuchteloos - indisciplinair, ongebonden, ontuchtig, ordeloos, onzedelijk

tuchteloosheid - bandeloosheid, insubordinatie

tuchthuis   (straf)gesticht, gevangenis

tuchtigen   castigeren, geselen, kastijden, modificeren, slaan, straffen

tuchtiging - castigatie, doding, geseling, kastijding, lijfstraf, mortificatie, ranseling, slaag, straf, visitatie

tuchtigingsmiddel   gard, gesel, karwats, knoet, roe, roede, spitsroede, stokslag, tuchtroede, zweep

tuchtigingsriem - gesel

tuchting - kastijding, slaag, straf

tuchtleer - discipline, indisciplinair, ongebonden, ongezeglijk, vrijgevochten

tuchtmaatregel - represaille

tuchtmeester - cipier, provoost, gevangenbewaarder

tuchtmiddel - karwats, roede, zweep

tuchtoefening - straf

tuchtrechterlijk   disciplinair

tuchtroede - gesel, zweep

tuchtschool - gesticht


1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina