T taag -tajo taai



Dovnload 0.96 Mb.
Pagina14/15
Datum22.07.2016
Grootte0.96 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

tussenpersoon - agent, ambassadeur, bemiddelaar, commissionair, handelsagent, intermediair, makelaar, medium, ombudsman, stroman, tolk, vertrouwensman

tussenpersoon tussen afzender en ontvanger - expediteur,

verzender, vrachtondernemer



tussenplaatsen - interlokaal, interponeren

tussenpoos   afwisseling, intermissie, interruptie, tussenruimte, interval, pauze, rusttijd

tussenpozend   intermitterend

tussenregeerder - regent

tussenregering   interregnum

tussenruimte - afstand, gaping, interlinie, interstitie, interval, spatie, speling, spleet, tussenpoos

tussenrijk - tussenregering

tussenschakel - overgangsdeel, overgangsvorm

tussenschot - septum

tussenschuifsel - parenthese

tussenslaapkamer - alkoof

tussenslag - bijnoot

tussensloot - middensloot, scheidingssloot

tussensluis - middensluis

tussensolo - obligaat

tussensoort - bastaard, middelsoort

tussenspant - vulspant

tussenspel   diludium, entremés, interlude, interludium, intermezzo

tussenspraak - bemiddeling

tussenstand - klassement

tussenstation - halte

tussenstuk van een rund - paterstuk

tussentijds   a.i., inmiddels, interludium, interim, intermissie, intussen, ondertussen, tijdelijk, voorlopig

tussentijds opgemaakte tussenstand in een wedstrijd -

klassement



tussentijds rapport - interimverslag

tussentijdse vakantiedag - snipperdag

tussentoon   middentoon

tussen twee tijdstippen - tussentijds

tussenverdieping - entresol, hangkamer, insteekkamer, mezzanine

tussenvertrek - insteek, insteekkamer

tussen vet en mager - doorregen

tussenvoegen   atlassen, inlassen, inschuiven, interpoleren, invoegen

tussenvoeging   inlas, inlassing, interpolatie, invoeg, invoegsel, las

tussenvoegsel - in(las), interjectie, invoeg

tussenvonnis   interlocutie

tussenvorm   overgangsvorm

tussenvorm van sommige dieren - larf, larve, pop, rups

tussenwaar - ruilmiddel

tussenwand   scheidswand

tussenweg   compromis, middenweg

tussenwerk   bijwerk

tussenwerpsel   ach, aha, ai, au, ba, bah, bravo, dut, foei, ha, hé, hè, hm, hoera, interjectie, nou, och, oei, oh, pst, plonk, sjonge, tjonge, st, tut tut, zo, zag

tussenzang in een drama - koorzang

tussenzetsel - inlas, las, tussenstuk

tussenzetten - entwijze, inlassen

tussenzin - parenthese, parentesis

tussenzin scheiden - aandachtstreepje

tussis - hoest

tut - kalm, stil, radijs, rustig

tutela - voogdij

tutelair   beschermend

tuten - roepen

tuteur - beschermer, tutor, voogd

tutrice - voogdes

tutten - tobben, zeuren

tutter - fopspeen

tutteren - aarzelen, treuzelen

tutterig - beuzelachtig, houterig, zeurderig

tutti   t, allen

tutto - geheel

tutu - balletrokje

tutup - sluiten, toetoep

tuub - fietsband

tuuk - aalschaar, tureluur

tuur - trek, tuier, zin

tuurpaal - tuierpaal

tuut - agent, bink, diender, klabak, politie, politieagent, smeris

tv zender in Nederland - Lopik

tv-zenders zoeken - zappen

T-vormig kruis - Antoniuskruis

twaalf - dozijn

twaalf apostels   keizerskroon

twaalf dozijn - gros

twaalf maanden - jaar

twaalf stuks - dozijn

twaalf uur 's nachts - middernacht

twaalfboutshelm - duikerhelm

twaalfdelig   duodecimaal

twaalfde maand - december

twaalfde rugwervel - gordelwervel

twaalfdelig - duodecimaal

twaalfeilandengroep aan de Kleinaziatische kust -

Dodekanesos



twaalfhoek   dodekagoon, dodecagoon

twaalfmaandelijks - jaarlijks

twaalfpuntsletter   augustijn

twaalftal   dozijn

twaalftallig - duodecimaal

twaalftonig - duodecafonisch

twaalftoonstelsel   dodecafonie

twaalfurebloem - daglelie

twaalfuurtje - (lunch)pakket, middag boterham

twaalfvingerige darm   duodenum

twaalfvlak   dodecaëder

twee - beide, duo, paar, span, stel

twee aan twee - paarsgewijs

twee aan twee rangschikken - paren

twee ballen gelijk raken bij het biljartspel - biljarderen

twee bijeen horende dingen   koppel, paar, span, stel

twee bij elkaar behorende zaken - paar

twee dagen geleden   eergisteren

twee dagen na heden - overmorgen

twee damschijven op elkaar - dam

twee dingen - stel

tweedraads garen – twijn

twee en een half - derdehalf

twee evenoude kinderen van een moeder   tweeling

twee gelijke exemplaren - duplicaat, duplo

twee gulden vijftig - knaak, rijksdaalder

twee ineen lopende rivieren - streng

twee in elkaar lopende kamers - suite

twee keer - tweemaal

twee kwarten - helft

tweeledig - binair, dubbel(zinnig)

twee maal twaalf uur - etmaal

twee maanden na zicht - uso

twee medeklinkers - ks, ml

twee meeldradend hebbend - diandrisch

twee metalen samensmelten tot één - legeren

twee muzikanten - duo

twee nationaliteiten bezittend - bipatride

twee oceanen verbindend   interoceanisch

twee onbeloonde en een betoonde lettergreep - anapest

twee paarden   span

twee ronden bij het breien - naadje, tour

twee schijven op elkaar   dam

twee snarig muziekinstrument - rebab

twee sneetjes brood met ei en vlees - uitsmijter

twee soorten watersalamanders - aalpadsalamander

twee strijdende partijen - principaal

twee stukken hout - deuvel

twee vingers hebbend - didactylisch

twee wegen met bezwaren - dilemma

twee zit   duo

tweeaar - korenhalm

tweearmige trekboom - lamoen

tweebast - amandelwilg, schietwilg, waterwilg

tweebenig gevleugeld dier - vogel

tweebenig werktuig - passer

tweeblad - keverorchis

tweebroederig - diadelfus

tweed - kaardgaren

tweede - ander, secundo, secundus, span, vice

tweede aardperiode uit het prenaire tijdvak - siluur

tweede baas - onderbaas

tweede binnen planeet in ons zonne stelsel   Venus

tweede boek van Mozes - Exodus

tweede boekhouder - onderboekhouder

tweede borstrok - onderborstrok

tweede commissaris - ondercommissaris

tweede correctie van drukproeven - revisie

tweede deel van de priesteropleiding - scholastikaat

tweede der kleine wijdingen - lector

tweede directeur - onderdirecteur

tweede drukproef - revisie

tweede echt - bigamie

tweede estrade van een balébalé - paseban (Ind.)

tweede exemplaar - doordruk, duplicaat

tweede exemplaar van een kunstwerk - repliek

tweede exemplaar van een wissel - secunda

tweede gelijke exemplaar   duplicaat

tweede gewas - etgras, etgroen, nagras,

tweede gewas van een stuk hooiland - eimat

tweede graangewas - eimat

tweede grasgewas - eimat, etgras, etgroen, nagewas, nagras, nahooi, naoogst, navrucht

tweede halswervel - draaier, epistrofeus

tweede helft van de 18e eeuw - pruikentijd

tweede huwelijk - deuterogamie, digamie, hertrouw

tweede jaargetij - zomer

tweede kamer (Denem.) - Folketing

tweede kamer (Eng.)   Lagerhuis

tweede kaste der Hindoes - kshatriya's

tweede keer   herhaling, repetitie

tweede kerstdag - boxingday

tweede klasse - secunda

tweede kok - onderkok

tweede koster - onderkoster

tweede maag - huif, netmaag

tweede maand - februari

tweede maand (Hebr.) - Ijar

tweede macht van een getal - kwadraat

tweede moeder - stiefmoeder

tweede moer - contramoer

tweede mogelijkheid - alternatief

tweede naamval - genitief

tweede ontbijt - lunch, luncheon, tiffin

tweede oogst - nagewas

tweede opzichter - onderopzichter

tweede phase in ngodsdienst der Indiërs - brahmaïsme

tweede plaats, in de - secundair

tweede planeet van ons zonnestelsel - Venus

tweede prijs - accessit, assessiet, zilver

tweede snede van klaver   nasnede, etgroen, etgroen

tweede stem - tegenstem

tweede troefkaart in het omber, quadrille - manille

tweede zangstem   alt

tweede zondag in mei   moederdag

tweede zondag in de vasten - reminiscere

tweede zondag vóór Pasen - passiezondag

tweedegraadsvergelijking - vierkantsvergelijking

tweedehands - antiquarisch, gebruikt, gedragen, tagrijn

tweedehands koopje - occasion

tweedekker - biplaan, biplane

tweedelig - binair, dubbel

tweedelig badpak   bikini

tweedelig pak - kostuum

tweedelig rijtuigje - bendy, cabriolet, deleman, gig, hansom (Eng.), kar, kossong, mallejan, rikshaw, riksja, sado, sjees, sulky,tonneau

tweedeligheid   binariteit

tweedeling   dichotomie

tweederangs   minderwaardig

tweedimensionaal begrip   vlak

tweedraadsgaren - tweern, twijn

tweedracht   breuk, eris, etgroen, gekijf, geschil, heibel, herrie, hommeles, krakeel, mot, onenigheid, ongenoegen, onmin, verdeeldheid, ruzie, scheuring, tweespalt, twist, vete

tweedrachtig   onenig, verdeeld

tweedrachtsappel   twistappel

tweedradig - bifilaire

tweedradig weefsel - zwilk

tweeduizend (Rom.)   m.m.

tweeëcht - bigamie

tweeënhalve cent - botsen, kluut, plak

tweeërhande - onverbuigbaar

tweefiets - tandem

tweegesprek   dialoog

tweegevecht - duel, handgemeen, kamp, lijfgevecht, tweekamp, worstelpartij

tweegezinswoning   duplex woning

tweehandig - bimanueel

tweeheid - dualiteit

tweeheidsleer - dualisme

tweehoevig dier   alpaca, alpensteenbok, angorageit, antilope, banteng, berggeit, bezoargeit, bison, blauwbok, blesbok, bok, brandhert, buffel, bultrund, damhert, djunglerund, dromedaris, duikerbok, dwerghert, edelhert, eland, gaffelbok, garm, gazel, gazelle, geit, gems, giraffe, gnoe, grijsbok, hamel, hartebeest, herkauwer, hert, hinde, hokkeling, kalf, kameel, kantjil, karbouw, kariboe, Kashmiergeit, kemel, klipgeit, knoros, koe, koedoe, lakenvelder, lam, lama, manenschaap, mehari, mendjangan, merinosschaap, moefflon, muffeldier, muskusdier, muscusos, ree, oeros, okapi, ooi, os, pink, pinkstier, pinkvaars, ram, rendier, rund, sapi, schaap, schaapkameel, sik, spiesbok, spieshert, springbok, steenbok, steengeit, steenschaap, stier, twenter, vaars, var, vetstaart, waterbok, wapitihert, wildebeest, wisent, yak, zeboe

tweehokkige vrucht van kruisbloemigen - hauw, siliwua

tweehonderd (Rom.)   c. c.

tweehonderd stuks haringen - tal

tweehoofdige opperarmspier   biceps

tweehuizig heestergewas - gagel

tweehuizigheid - dioecie

tweehulzige plant - wilg

tweejaarlijkse tentoonstelling of zulk een concours   Biënnale

tweejarige haring - toter

tweejarig huisdier   twenter

tweejarig paard of rund - twenter

tweejarige haring - toter

tweejarig vrouwelijk rund - hokkeling

tweejarige mannelijke ree - smalrug

tweejarige vrouwelijke ree - smaldier, smalree

tweekamerstelsel - bicamerisme

tweekamp   duel, heengaan, kamp, krijt, omheining, strijdperk, tweegevecht, wedstrijd

tweeklank - ai, ei, eu, oe, oi, ui, diftong, dubbelklank

tweekleurig - dichroïtisch

tweekoren - amelkoren

tweekristalvormig - dimorf, dimorph

tweeledig - binair, binomisch

tweeleer - dualisme

tweeling - twin

tweelingbroer van Amphion   Zethus

tweelingbroer van Artemis   Apollo

tweelingbroer van Castor   Pollux

tweelingbroer van Remus   Romulus

tweelingen   gemini, gemellen, twins

tweelingsterren   Castor, Pollux

tweelingvenster - bifora

tweelingzuster van Ares - Eris

tweelippig - bilabiaal

tweeloops - dubbelloops

tweeluik   diptiek

tweemaal   andermaal, bis, nogmaals

tweemaal hetzelfde zeggen   tautologie

tweeman - duümvir, nizuër

tweemanschap - duümviraat

tweemaster - gaffelschoener, kits, kof, schoener

tweepalig - bipolair

tweepersoons muziekstuk   duo, duet

tweepersoonsauto   two-seater

tweepersoonsbed   lits jumeaux

tweepersoons fiets - tandem

tweepersoonssofa - causeuse

tweepersoonszadel   buddyseat

tweepolig - bipolair

tweeregelig vers   distichon, doublet

twern - twijn

tweernen - twijnen

tweeslachtig   amfygeen, amfibisch, androgyn, hermafrodiet

tweeslachtig dier - amfibie, amphibie, hermafrodiet, kikker, kikvors, moeraskikker, pad, salamander, vors

tweeslachtig wezen   afrodiet, hermafrodiet

tweeslachtigheid   androgynie, biseksualiteit, dualisme, gynandrie

tweesnarige viool - rebab

tweesnijdend - anceps

tweesnijdend mes   lancet, vlijm

tweesnijdend Romeise bijl - bipennis

tweesnijdend slagzwaard - espadon

tweesnijdend zwaard   kortelas

tweespalt   conflict, disharmonie, onenigheid, ruzie, tweedracht, twist, verdeeldheid, vete

tweespraak - dialoog, samenspraak

tweesprong   dilemma, scheiweg

tweestemmige compositie - bicinium

tweestemmige zang   duet

tweestemmig gezang - discant, duet

tweestemmig zangstuk - bicinicum

tweestemmige compositie - madrigaal

tweestrijd   dilemma, dubio, dubium, duel, kamp, scheuring, tweekamp, tweespalt

tweestromenland   Mesopotamië

tweetakkig   gaffelvormig

tweetal   duo, duet, koppel, paar, span, stel(letje), twin

tweetalig land   België, Canada

tweetallig cijfer - bit

tweetaligheid   bilinguïsme

tweetallig - binair

tweetal muzikanten - duo

tweetandige vork   gaffel

tweetenig luipaard - unau

tweeterm   binomium, binoom

tweetermig - binominaal, binomisch

tweetongig - bedrieglijk, vals

tweevaardigheid - ambivalentie

tweevleugelig insekt - aasvlieg, bijenluis, bromvlieg, dar, daas, dazerik, galmug, horzel, kamervlieg, kriebelmug, mestvlieg, motrug, mug, muskiet, paardehorzel, paardevlieg, roofvlieg, runderaas, runderhorzel, sluipvlieg, stalvlieg, steekmug, tseetseevlieg, vleesvlieg, vlieg, vlo, wapenvlieg, wolzwerver, zuiderzeemug, zweefvlieg

tweevleugelig vliegtuig   tweedekker

tweevleugelige insecten - diptera

tweevleugeligen   diptera

tweevoetig dier - biped

twee voorgespannen trekdieren - span

tweevormig - dimorf

tweevormigheid - dimorfisme

tweevoud   duplo

tweevoudig   binair, dubbel, duplex, duplo, tweedelig, tweeledig, tweetallig

tweevoudigheid   dualiteit

tweewaardig   bivalent

tweewaardig   ambivalent

tweewaardigheid   ambivalentie

tweewieler - brommer, fiets, rijwiel, step, tandem

tweewielig huurrijtuig (Eng.) - ransom

tweewielig rijtuigje voor één persoon   bendie

tweewielig rijtuigje - boerensjees, karikel, kariool, riksja, sjees, sulky,tilbury

tweewielig voertuig - bagagewagentje, bromfiets, brommer, buggy, caravan, dogkar, dosados, fiets, gig, kar, kariool, mandewagentje, motor(fiets), riksja, rijwiel, sado, scooter, sjees, step, sulky, tandem, tilbury

tweewielig wagentje   gig

tweezaadlobbigen   dicotylen

tweezak - knapzak

tweezang - duet

tweezijdig - dubilateraal, bbel

tweezijdig beschreven - opistograaf, papyrusrol

tweezijdig gelijk - symmetrisch

tweezitsbank - bisellium

tweezijdig   bilateraal

tweezit - duo

Twent(h)e   Tubantia

Twentenaar   Tukker, Twent

twill - keper, keperweefsel

twinkelen - fonkelen

twint - intussen

twintig roeden - snees

twintig stuks - stijg

twintig eieren - schok

twin - duo, paar, stel, tweeling

twinkelen - fonkelen, glanzen, glinsteren, pinkelen, schitteren, stralen

twinkeling - fonkeling, glanzing, straling

twinset - damestrui

twintigtal - snees, stijg

twintigvlak - icosaëder

twist - afgrijzen, afkeer, altercatie, bonje, conflict, contentie, contestatie, discordantie, disharmonie, gekibbel, (geschil)punt, gehaspel, gekrakeel, ge(kijf), gevecht, herrie, krakeel, kwaad, kwestie, lis, misverstand, mot, onenigheid, ongenoegen, onlust, onmin, onvrede, ruzie, sporreling, strubbeling, strijd, tegenzin, tweedracht, tweespalt, verdeeldheid, vete, woorden

twisten - bakkeleien, bekvechten, debatteren, disputeren, haarplukken, harrewarren, kibbelen, kiften, krakelen, kijven, plukharen, polemiseren, quelleren, ruziën, sporrelen, strijden, tobben, vechten

twisten over kleinigheden - kibbelen

twistend - overhoopliggend, polemisch

twistgeding - controverse, procest

wister - krakeler, ruziemaker, ruziezoeker

twistgeschrijf - pennenstrijd, polemiek

twistgesprek   debat, dispuut, polemiek, redekaveling, redestrijd, redetwist, ruzie

twistgierig - onverdraagzaam

twistgodin - Eris

twistkunde - eristiek

twistmaker - ruziezoeker

twistpunt - controverse, strijdvraag

twistrede - dispuut

twistschrijver   pamflettist, polemist

twiststoker - stokebrand

twistvraag - strijdvraag

twistziek - chicaneus, chicaneurig, contentieus, eristisch, kibbelachtig, korzelig, krakeelziek, kregel, kribbig, kijfziek, querulant, sporrelig, twistgierig, warrig

twistziek mens - neetoor

twistziek persoon - kribbebijter

twistzieke echtgenote - Xantippe

twistzieke vrouw - kribbebijtster

twistzoeker   haspelaar, kemphaan, ruziemaker, ruziezoeker, stokebrand

twistzucht - twistgierigheid

twofold - dubbel, tweevoudig

twostep - stepdans

twijfel - aarzeling, besluiteloosheid, scepsis diffidentie, dilemma, dubio, dublum, kwestie, onvastheid, onzekerheid, scepsis, schroom, tweestrijd, verdenking, wanhoop

twijfel aan eigen persoonlijkheid - depersonalisatie

twijfel uitdrukkend - sceptisch, twijfelachtig

twijfelaar - scepticus, pyrronist

twijfelachtig - aarzelend, anceps, besluiteloos, betwistbaar, douteus, dubbelzinnig, dubieus, equivoque, flauw, huiverachtig, kwestieus, los, onbeslecht, onbeslist, onduidelijk, ongewis, onopgelost, onstandvastig, onvast, onwaarschijnlijk, onzeker, precair, problematiek, problematisch, quaestieus, twijfelmoedig, veranderlijk, wankel, wankelbaar, wankelmoedig, weifelend, zwak

twijfelachtige vraag - probleem

twijfelachtigheid - problematiek

twijfelarij - twijfelzucht, scepticisme

twijfelen - aarzelen, betwisten, diffideren, dubben, dubiëren,

twijfelend - onzeker, twijfelachtig

twijfeling - aarzeling, onzekerheid

twijfelklaarte - twijfellicht

twijfelleer - pyrronisme

twijfellicht - schemerlicht


1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina