T8 Internationale economische betrekkingen T8H1 Relaties met het buitenland en de betalingsbalans: opgaven



Dovnload 352.76 Kb.
Pagina1/3
Datum27.08.2016
Grootte352.76 Kb.
  1   2   3


6 E - Algemene Economie T8 p van



T8 Internationale economische betrekkingen

T8H1 Relaties met het buitenland en de betalingsbalans: opgaven

Opgave 1 p. 104 Zie ook http://users.pandora.be/jvl-economie/Betalingsbalans.PDF

a) Internationale transacties =



Voorbeelden:

b) Lopende rekening (1 tot 4: D = kosten; C = opbrengsten))

1 Goederen- of Handelsbalans:

2 Dienstenbalans:

3 Inkomensbalans:

4 Transfertenbalans:

5 Kapitaalbalans (D = X van kap.; C = M van kap.)

6 Deviezenbalans (D = toename (-); C = afname (+) )
Opgave 2 p. 105

a) Deviezenbalans: export = ; buitenlandse belegging =

Saldo = deviezenreserves stijgen / dalen met ...

b) Boeking onder ‘Veranderingen in officiële deviezenreserves’: - / + ...

(Bij een toename van de beleggingen in buitenlandse valuta schrijven we - ; d.i. een vordering op het buiten-land of D; Bij een afname van de beleggingen in buitenlandse valuta schrijven we + of C)
Opgave 3 p. 105

a) Deviezenbalans: export = ; buitenlandse belegging =

Saldo = deviezenreserves stijgen / dalen met ...

b) Boeking onder ‘Veranderingen in officiële deviezenreserves’: - / + ...
Opgave 4 p. 105

a) Saldo handelsbalans: positief / negatief saldo van ...

Bij welke balans van de lopende rekening zien we een negatief saldo:

b) Saldo lopende rekening: positief / negatief saldo van ...

c) De kapitaalrekening heeft een negatief saldo, dit wil zeggen: de vorderingen op het buitenland zijn groter / kleiner dan de schulden ten gevolge van handelstransacties.

Is dit een slechte zaak? ja / neen. Ons land wordt rijker / armer, we kunnen minder / meer leningen toestaan aan het buitenland.

d) Som van alle saldi =

e) Verklaar het vorige:
Opgave 5 p. 106

a) Overschot of tekort van ... mln euro.

b) Positief saldo wil zeggen dat de voorraad deviezen is toegenomen / afgenomen.




Naam:

Klas / Nummer:

T8H1 Relaties met het buitenland en de betalingsbalans: oefeningen

Oefening 1 p. 107

Lopende rekening: Goederenbalans: Dienstenbalans:

Inkomstenbalans: Transfertenbalans:

Kapitaalverkeer:

Oefening 2 p. 107

Hogere inflatie bij ons. Gevolg:

Mogelijk gevolg voor handelsbalans:

Oefening 3 p. 107

Juist? ja / neen want ...

Oefening 4 p. 107

ja / neen want ...

Oefening 5 p. 107

a) Saldo handelsbalans = b) Saldo lopende rekening = c) totaal saldo =

d) Economische analyse (liquiditeitsconcept): neg. saldo –> voorraad deviezen steeg / daalde met

Oefening 6 p. 108

Lening aan het buitenland = kapitaalinvoer / kapitaaluitvoer, m.a.w. ...

Oefening 7 p. 108

a) Tekort op de betalingsbalans kan dat?

b) Tekort op de lopende rekening kan gecompenseerd worden door ...

c) Handelsbalans bepaalt het evenwicht op de betalingsbalans. Juist?

Oefening 8 p. 108 xls

Overschot op de handelsbalans wil zeggen dat de uitvoer kleiner / groter is dan de invoer.

Een positief saldo bij deviezenreserves wijst op een toename / afname van deze reserves, m.a.w er is een tekort / overschot op de betalingsbalans volgens het liquiditeitsconcept.

Deelbalansen van de betalingsbalans

A. Lopende rekening

= dat deel van de betalingsbalans dat betrekking heeft op de transacties die bijdragen tot de vorming van het

nationaal inkomen en de besteding ervan

1° Goederenbalans = in- en uitvoer van goederen (stoffelijke goederen)

+ loonwerk (d.i. de vergoeding m.b.t. de verwerking van eigen goederen door buitenlandse ondernemingen of buitenlandse goederen door de BLEU zonder eigendomsoverdracht)

2° Dienstenbalans = Het dienstenverkeer vermeldt alle diensten verstrekt aan, of verkregen van het buitenland

(onzichtbare verkeer). Bv. vervoerdiensten, verzekeringsdiensten, reisverkeer, enz.

+ Driehoekshandel d.i. de aankoop van goederen in een vreemd land en wederverkoop in een ander land (werd vroeger arbitrage genoemd en bij goederenverkeer gerekend).

3° Inkomensbalans = Arbeidsinkomens of inkomens uit grensarbeid, door internationale instellingen betaalde bezoldigingen

+ Inkomens uit beleggingen en investeringen m.a.w. alle aan het buitenland betaalde of van het buitenland ontvangen intresten en dividenden

4° Overdrachten- of transfertenbalans = overdrachten aan en van het buitenland zonder tegenprestatie.

Bv. ontwikkelingshulp; betalingen van de Belgische regering aan de E.U.; een gastarbeider die een deel van zijn

loon naar zijn thuisland stuurt; enz.

B. Financiële rekening:

De financiële rekening geeft de wijzigingen in de structuur weer van de tegoeden en verplichtingen van onze economie tegenover het buitenland.

5° Kapitaalbalans = Kapitaalverkeer van de overheid of leningen van de Belgische overheid in het buitenland en

omgekeerd + Kapitaalverkeer van de ondernemingen en de particulieren, m.a.w. kapitaaltransacties, in- en uitvoer van kapitaal door de privé-sector

6° Deviezenbalans = verandering in de goud- en deviezenvoorraad

T8H1 Betalingsbalans: oefening 1: voorbeeld; 2&3 zelf oplossen

Stel de betalingsbalans samen aan de hand van volgende gegevens:






Oefening 1

Oef. 2

Oef. 3

1/ invoer / uitvoer van goederen

2/ betaling vervoerskosten aan buitenland

3/ inkomsten uit toerisme

4/ inkomsten uit grensarbeid

5/ kapitaal in- en uitvoer

6/ ontvangen kapitaalopbrengsten

7/ inkomstenoverdrachten aan het buitenland

8/ betaling verzekeringskosten aan het buitenland



1500/1400

50

200



60

70/140


80

30

20



688/725

30

220



90

50/80


70

55

25



589/625

10

15



4

71/83


5

6

0



Boekingsregels

a) Lopende rekening

D = transacties die deviezen vergen (kosten);

C = transacties die deviezen opleveren (opbrengsten)

b) Kapitaalrekening

D = uitvoer van kapitaal; C = invoer van kapitaal



c) Goud- en deviezenbalans

D = toename van de voorraad deviezen; C = afname van de deviezenvoorraad



Oefening 1

Goederenbalans Dienstenbalans Inkomensbalans



1500

1400




50+20=70

200







60+80=140

Transfertenbalans Kapitaalrekening Goud- en deviezenbalans

30







140

70




1400+200+60+70+80=1810

1500+50+140+30+20=1740

Oefening 2

Goederenbalans Dienstenbalans Inkomensbalans


























Transfertenbalans Kapitaalrekening Goud- en deviezenbalans



























Oefening 3

Goederenbalans Dienstenbalans Inkomensbalans


























Transfertenbalans Kapitaalrekening Goud- en deviezenbalans


























Bereken het saldo van de lopende en de kapitaalrekening.



Saldi

Oefening 1

Oefening 2

Oefening 3




Tekort

Overschot

Tekort

Overschot

Tekort

Overschot

Goederenbalans

Dienstenbalans

Inkomensbalans

Overdrachten



100

30


130

140














Lopende Rekening

Kapitaalrekening



70

140













Deviezenbalans




70













T8H2 Hoe belangrijk is internationale handel?

Kengetallen van onze buitenl. handel
1 In- en uitvoerquote


M

m = ------- . 100

BBP


X

x = ------- . 100

BBP



Met deze verhoudingen kan men de belangrijkheid van de in- en uitvoer uitdrukken in een getal. We moeten echter opletten voor een te grote simplificatie, vermits X en M uitgedrukt zijn in factuurwaarde, terwijl het BBP uitgedrukt wordt in toegevoegde waarde. Hierdoor worden deze getallen eigenlijk onvergelijkbaar.
2 Openheidsgraad of afhankelijkheidscoëfficiënt

gemiddelde X en M

= ------------------------------- . 100

BBP + M



De export wordt uitgedrukt in % van de beschikbare middelen. Hetzelfde kunnen we doen met de import. Men gebruikt ook het gemiddelde van M en X gedeeld door BBP+M om de openheidsgraad weer te geven.


3 Uitvoer per inwoner

De uitvoergerichtheid van ons land kan ook gemeten worden aan de gemiddelde export per inwoner.



Zoek actuele cijfers en bereken deze kengetallen.

Zie: http://plan.be/nl/db/,

http://statbel.fgov.be;

www.mineco.fgov.be/barometers/facts; ; http://www.nbb.be/DOC/DQ/N/dq3/BelgoHome.htm
Vergelijk deze kengetallen met deze van onze buurlanden, de VS, Japan en Rusland.


Jaar: 0..

BBP = mia.

X = mia.


M = mia.

inw.=

Zie ook KBC-publicaties: Economisch profiel van België

T8H2 Hoe belangrijk is internationale handel? 2.1 Belang van internationale handel - Opgave 1 p. 109: Export is de motor van onze economie

Verklaar: Export is voor ons land levensnoodzakelijk: export levert

1/

2/



Kengetallen van onze buitenl. handel: uitvoerquote, openheidscoëff., X per inwoner Opgave 2 p. 109

a) Meest exportgerichte sectoren:

b) Exportquote 2002 =

c) Neen. Ze worden op andere manier berekend. X =

BBP =

d) Exportquote =

e) Beter: Openheidscoëfficiënt =

f) Openheidscoëfficiënt =

Opgave 3 p. 110: Openheidscoëfficiënt

a) B = F = D = N =

GB = VS = Japan = Australië =

b) Verklaring België:

Verklaring VS:



2.2 De wereldhandel in cijfers - Opgave 4 p. 111

a) Na WO II groeide de wereldhandel sneller / trager dan de productie van alle landen samen.

b) Verklaring:



c) Sterkste groei vd int. h.:

Zwakste groei vd int. h.:

Opgave 5 p. 112 xls

b) % M naar industrielanden in 2002 = % X van industrielanden in 2002 =

c) Aandeel van West-Europa in de wereldexport in 2002 =

d) % van de wereldexport bestemd voor Afrika in 2002 =

e) Belangrijkste evoluties: achterkant;

f) Algemeen besluit:





Opgave 6 p. 112 xls

b) tabel; c) 6 belangrijkste exporteurs E25: % aandeel =

6 belangrijkste importeurs E25: % aandeel =

d) % aandeel van de E10 in export = in import =

e) Vaststellingen: achterkant; f) Vgl. X van Dtsl en VS:

Vgl. hun openheidscoëff.:

T8H2 Hoe belangrijk is internationale handel? Oefening 1 p. 115

Ja / neen. waarom?



Oefening 2 p. 115

Vergelijking uitvoerquote:

Kan de uitvoerquote groter zijn dan 100? ja /neen

Verklaar met een voorbeeld: Land X maakt 1 product (= 100) dat het exporteert. Om dit te maken werden eerst

grondstoffen ingevoerd (= 20). X = BBP = Exportquote = x =
Oefening 3 p. 115 xls

a&b) tabel c) Grootste exportgerichtheid:

d) % aandeel Vlaanderen in het BBP en X:
Oefening 4 p. 116 xls

b) tabel; c) 4 belangrijkste netto-uitvoerders binnen de EU:

4 belangrijkste netto-invoerders binnen de EU:

2 belangrijkste netto-uitvoerders buiten de EU:

2 belangrijkste netto-invoerders buiten de EU:

d) België: X>M? ja / neen; ooit anders? ja / neen. Wanneer?

e) E15? X>M? ja / neen

f) E10? X>M? ja / neen Saldo = in % van het BBP =

g) VS? X>M? ja / neen Saldo = in % van het BBP =
Oefening 5 p. 118 xls

a) tabel; b) 3 koplopers qua M:

3 koplopers qua X:

Staarthangers:

c) Voor de meeste landengroepen:

Uitzondering:
Oefening 6 p. 119

Producten die Rwanda invoert:

en uitvoert:

Voornaamste exporthandelspartners van Rwanda: ; import uit:

Openheidscoëff. Rwanda = Vergelijk met Zuid-Korea:
Oefening 7 p. 119 België

a) Belangrijkste handelspartners:

b) X en M naar en uit buurlanden: ; Europa:

c) Gevaar? We richten ons vooral op ...

en niet op de nieuwste groeimarkten zoals ...




Naam:

Klas / Nummer:


T8H3 Verklaring voor de internationale handelstransacties

Theorie van de absolute kostenverschillen: A. Smith

Stel dat België en de VS allebei boter en margarine produ­ceren. Smith stelt dat de prijs en de kosten bepaald worden door de hoeveelheid aangewende arbeid (kostenbena­dering).


Beide landen beschikken over 150 productie-eenheden.

Voor de productie van 1 mio. ton Bo of Ma zijn volgende produc­tie-eenheden vereist:


Productiekosten


België

VS

Boter


Margarine

5

1


3

2



Wie heeft een absoluut kostenvoordeel in de productie van boter?
Wie heeft een absoluut kostenvoordeel in de productie van margarine?
Voor specialisatie en internationale handel produceerde beide landen op basis van de voorkeur van de consumenten (in mio. T)

Productie

voor int. handel

België

VS

Totaal

Boter

Margarine


6

40

46

Als beide landen aan internationale handel gaan doen zullen zij zich specialiseren in hetgeen zij het goedkoopst kunnen maken.

België zal zich specialiseren in de productie van , en de VS in de productie van .

Als zij zich volledig specialiseren in de productie van het­geen waarin zij een absoluut kostenvoordeel hebben, d.w.z. de 150 beschikbare productie-eenheden enkel aanwenden om dat product te fabriceren waarin zij het efficiëntst zijn, kunnen zij een maximale productie bereiken van:

Productie na spec.

en int. handel

België

VS

Totaal

Boter

Margarine





Met hoeveel zal de productie stijgen dank zij specialisatie en internationale handel:

a) van boter: b) van margarine:
Besluit

Als elk land zich specialiseert in die bedrijfstak waarin het het efficiëntst produceert zal de totale productie verhogen. D.i. de 'wet van de absolute kostenverschillen'.


Adam Smith stelde dat er een absoluut kostenverschil moet be­staan opdat internationale

handel tot stand zou kunnen komen.


Theorie v/d comparatieve kostenverschillen: D. Ricar­do

Stel dat België en de VS allebei boter en margarine produ­ceren. Stel dat de prijs en de kosten bepaald worden door de hoeveelheid aangewende arbeid.


Beide landen beschikken over 150 productie-eenheden.

Voor de productie van 1 mio. ton Bo of Ma zijn volgende produc­tie-eenheden vereist:


Productiekosten


België

VS

Boter


Margarine

5

1


3

0,75



Wie kan het goedkoopst boter produceren?

Wie kan het goedkoopst margarine produceren?

De VS heeft dus een absoluut kostenvoordeel in de produc­tie van boter en in de productie van margarine. Zullen beide landen nu nog voordeel kunnen halen uit specialisa­tie en internationale handel?
Voor specialisatie en internationale handel produceerden en consumeerden beide landen op basis van de voorkeur van de consumenten (in mio. T):

Productie en cons.

voor int. handel

België

VS

Totaal

Boter

Margarine


6

43

49

Als beide landen aan internationale handel gaan doen zullen zij zich specialiseren in hetgeen zij relatief (comparatief) het goedkoopst kunnen maken.

België zal zich specialiseren in de productie van , het heeft een kleinere achterstand in de productie van . De VS zal zich specialiseren in de productie van omdat het daarin de grootste voorsprong heeft (5/3).


Als zij zich volledig specialiseren in de productie van het­geen waarin zij een comparatief kostenvoordeel hebben, d.w.z. de 150 beschikbare productie-eenheden enkel aanwenden om dat product te fabriceren waarin zij relatief het efficiëntst zijn, kunnen zij een maximale productie bereiken van:

Productie na spec.

en int. handel

België

VS

Totaal

Boter

Margarine






Met hoeveel zal de productie stijgen dankzij specialisatie en internationale handel:

a) van boter: b) van marga­rine:


Besluit: Als elk land zich specialiseert in die bedrijfstak waarin het relatief het efficiëntst produ­ceert zal de totale productie verhogen.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina