Tafsier van de Koran



Dovnload 33.56 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte33.56 Kb.



Tafsier van de Koran

[ nederlands - dutch -الهولندية ]


Saoed Khadje

bron: Dar-al-'Ilm

revisie: Yassien Abo Abdillah

Kantoor voor da'wa Rabwah (Riyad)

2013 - 1434



علم التفسير

« باللغة الهولندية »

سعود خديج


مراجعة: ياسين أبو عبد الله


2013 - 1434





بسم الله الرحمن الرحيم

Docent Dar-al-'Ilm Instituut voor Islam Studies

De verzen van de Koran zijn vanuit diverse invalshoeken bestudeert. Het uiteenzetten, in het bijzonder het interpreteren van de Koranverzen, wordt in het Arabisch tafsier genoemd. Het woord tafsier is afgeleid van het stamwoord fassara: uitleggen, de betekenis van iets verklaren of weergeven. De meeste werken op het gebied van de tafsier behandelen (al) de verzen van de Koran, dus van kaft tot kaft. Andere werken richten zich heel specifiek op één hoofdstuk. Andere werken gaan weer thematisch te werk anderen richten zich weer op een specifiek onderdeel (van verzen). Op deze manier kunnen een aantal categorieën of stijlen worden benoemd:


  • Religieuze exegese van de Koran (al-tafsier bi`l-ma`thoer

  • Exegese door zelfstandige oordeelsvorming (al-tafsier bi`l-ra`y)

  • Symbolische exegese (al-tafsier al-‘ishaari)

  • Rechtsgeleerde exegese (al-tafsier al-fiqhi)

  • Modernistische exegese (al-tafsier al-‘asraaniyyah of al-tafsier al-‘asriyyah). Door een enkele onderzoeker wordt dit tegenwoordig ook wel sociale en literaire exegese (al-tafsier al-idjtimaa‘i wa`l adabi) genoemd.

  • Wetenschappelijke exegese (tafsier al-‘ilmi)

Van de bovengenoemde stijlen zijn al-tafsier bi’l-ma’thoer en al-tafsier bi’l-ra’y de twee voornaamste vormen waarbinnen de tafsier wordt onderverdeeld.

Simpel gezegd; bij de tafsier bi’l-ma’thoer staan overleveringen of teksten centraal. Dit betekent dat een bepaalde Koranvers wordt uitgelegd in het licht van andere Koranverzen, of dat het wordt voorzien van hadieth (profetische overleveringen) of bijvoorbeeld uitspraken of uitleggen van metgezellen (sahaaba) of hun studenten (taabi‘ien).


De tafsier bi’l-ra’y kenmerkt zich door koppelingen die de moefassir (exegeet; uitlegger; schrijver van een tafsierwerk) zelf maakt. De moefassir trekt op basis van zijn kennis bepaalde conclusies of ziet bepaalde verbanden en verwerkt deze in zijn uitleg. Deze stijl kan worden aanvaard als men niet tot vergezochte interpretaties keert. Interpretaties die niet verder te onderbouwen zijn of die ‘sektarisch’ zijn of die in tegenstrijd zijn met betrouwbare ahaadieth of de algemene leer van de Islam.

Van de klassieke tafsierwerken bespreek ik alleen kort vijf van de meest bekende:



Muhammad ibn Jarir Al-Tabari (225-310H*/839-923C)
Hij is één van de belangrijkste Koranexegeten (uitleggers) van de klassieke periode. Zijn tafsierwerk Djaami’ al-Bayaan ‘an Ta’wiel Aay al-Qoer‘aan is één van de grootste klassiekers die tegenwoordig nog beschikbaar is. Het is zonder twijfel een monumentale tafsier van de Koran. Al-Tabari’s tafsierwerk heeft als basis gediend, of als belangrijk referentiewerk, voor vele andere tafsierwerken. Veel tafsierwerken ‘leunen’ op een of andere wijze op zijn werk. Dit komt vooral omdat zijn werk de meest veelomvattende en gedetailleerde werk was in de geschiedenis van de tafsier, zeker in de klassieke tijden. Hij probeert zoveel mogelijk relevante informatie over de Koranverzen en de profeet Mohammad (vzmh) mee te geven. 

Tijdsgenoten hebben gezegd dat hij er in ieder geval veertig jaar over heeft gedaan om zijn tafsierwerk te schrijven, en hij schreef veertig pagina’s per dag. Hierbij moeten wij niet vergeten dat dit was met de middelen die men had in díe tijd. Het is onvoorstelbaar. Wij mogen alleen maar dankbaar zijn, dat geleerden als Al-Tabari zo een schat aan kennis heeft achtergelaten waar wij tot op heden profijt uit kunnen halen. Een van de grote fiqhgeleerden in de tijd na Al-Tabari zei iets in de woorden: “Zelfs als iemand naar China zou moeten reizen om het tafsierwerk van At-tabari te kunnen verkrijgen, dan is dat niet veel moeite/inspanning.” China was toen de andere kant van de wereld en let wel, als iemand een kopie ervan wilde verkrijgen, dan moest dat met de hand worden overgeschreven. De bekende hadithgeleerde Ibn Khuzaymah zei: “Ik heb er van begin tot eind naar gekeken en ik ken niemand hier op aarde die meer kennis heeft dan Ibn Jarir.”

Al-Tabari’s stijl is voornamelijk te plaatsen in die van de tafsier bi’l-ma’thoer. Over Al-Tabari is gezegd dat hij de eerste zou zijn die zo een soort tafsier in boekvorm afmaakte. Ondanks dat het erg zwaar is gebaseerd op overleveringen, geeft het ook grammaticale analyses van Koranverzen weer, maar ook de verscheidene qiraa‘aat (recitatievormen) en wat dit betekent voor een desbetreffende vers (aayah). Wanneer hij dat zo nodig acht, geeft hij ook persoonlijke beredeneringen (idjtihaad) over verscheidene aspecten van een vers. Al-Tabari geeft echter ook kennis mee over het verleden. Dat is op zich niet vreemd, aangezien hij ook een uitmuntende historicus was. Al-Tabari staat bekend om zijn meesterschap over de Arabische taal. Hij gebruikte dit erg effectief in het uitleggen van de Koran. Verder geeft hij kritische inzichten in de overleveringen. Wat vaker als kritiekpunt wordt aangehaald is dat zijn werk ook controversiële israa’ieliyaat (Bijbelse vertellingen) bevat, die niet persé zijn bevestigd in authentieke islamitische bronnen. In veel opzichten kan dit als de eerste tafsier worden beschouwd die tracht om ieder aspect van een vers te behandelen. In latere tijden zijn er meerdere werken geschreven die de betrouwbaarheid van de overleveraarsketens van Al-Tabari’s tafsierwerk hebben onderzocht.

Al-Qurtubi (612-671H/1214-1273C)

Mohammad ibn Ahmad al-Qurtubi was een expert op het gebied van het islamitisch recht en zijn tafsierwerk Jaami’ Ahkaam al-Qur‘an wa‘l Mubayyin li maa tadamma min as-Sunnah wa Aay al-Furqaa is onmisbaar voor de juridische fiqh-kwesties van de Koran. Zijn werk wordt beschouwd als één van de monumentale werken op dit gebied. Ondanks dat Al-Qurtubi in zijn tafsier veel nadruk legt op de fiqh-kwesties, beperkt hij zich niet alleen tot dat.

Al-Qurtubi heeft zijn tafsierwerk goed georganiseerd. Hij begint zijn werk met een uitgebreid voorwoord over de deugden van de Koran, de etiquette van het reciteren en de juiste tafsiermethodologie. Bij alle verzen haalt hij wel hadieth aan, of uitspraken van sahaba, taabi ‘ien of voorname geleerden, maar doorgaans zonder keten. Hij geeft wel aan waar het te vinden is en wie het heeft overgeleverd. Na de Koranvers geeft hij aan wat voor punten verbonden zijn met deze tekst. Hij geeft goede inzichten in de taalkundige betekenissen en verklaart moeilijke woorden. De verschillende recitatievormen worden ook door hem behandeld. Met betrekking tot de fiqh-kwesties noemt hij de voornaamste meningen met de bewijsvoeringen daarvan en vervolgens evalueert hij deze. Al-Qurtubi volgde zelf de Maliki rechtschool en ondersteunde vaak hun positie, maar niet altijd. Hij was van de soennitische richting binnen de Islam en bekritiseerde en verwierp de argumenten van (afwijkende) groepen zoals de Shi‘ieten, de Mu’tazilieten en de Qadariyyah. Dit deed hij echter met de etiquette van een geleerde.

Ibn Kathir (701-774H/1301-1373C)

‘Imad al-Din Isma‘il ibn ‘Umar ibn Kathir is waarschijnlijk de populairste Koranexegeet in de geschiedenis van de Islam. Tot op heden is zijn Tafsier al-Qoer‘aan al-‘Aziem zonder twijfel één van de meest gelezen tafsierwerken. Ibn Kathir was een geleerde op het gebied van tafsier, taal, jurisprudentie, geschiedenis en hadieth. Hij was onder andere een student van de Hanbalitische theoloog en rechtsgeleerde Ahmad ibn Taimiyyah. De introductie in zijn tafsierwerk is in feite direct overgenomen van één van Ibn Taimiyyah’s boeken. De stijl van zijn tafsierwerk is tafsier bi’l-ma’thoer. Hij heeft veel geleund op Al-Tabari’s werk, maar in zijn denken en methode is hij sterk geïnspireerd door Ibn Taimiyyah. In vergelijking tot Al-Tabari was Ibn Kathir strikter in hadiethgebruik; hij blijft vaker bij sahieh hadieth (betrouwbaar geclassificeerde overleveringen). Op zich is dit niet vreemd en het doet ook geen afbreuk aan Al-Tabari. Ibn Kathir heeft nu eenmaal in een latere tijd geleefd dan Al-Tabari. 

Ibn Kathir legt sterk de nadruk op het uitleggen van Koranverzen vanuit andere Koranverzen, en dan middels overleveringen en uitleggen van de studenten van de sahaba. Tegelijkertijd analyseert hij kritische de door hem gebruikte overleveringen en ook evalueert hij de conflicterende uitspraken van metgezellen en taabi‘ien. Hij waarschuwt tegen de israa‘iliyaat (Bijbelse vertellingen), terwijl die ook af en toe door hem worden gebruikt. Maar hij deed dit eerder om de mensen op de hoogte te stellen wat er door hen werd verteld. Wat Ibn Kathir ook doet, is dat hij waarschuwt tegen foutieve informatie die vaker in andere tafsierwerken te vinden waren. Juridische kwesties werden door hem aangehaald en hij evalueerde waar nodig de verschillende meningen over een kwestie. Kritiek op zijn tafsierwerk is dat hij ondanks zijn strikte methode toch soms onvolledige (zwakkere) overleveraarsketens aanhaalt. Het doet echter geen afbreuk aan zijn werk, omdat de betekenissen van die aangehaalde teksten als betrouwbaar onderbouwd (kunnen) worden.

Eén van de redenen waarom Ibn Kathir’s werk zo algemeen aanvaard is, is omdat het erg toegankelijk is; het is kort en bondig en het verwijst goed intertekstueel. Vooral voor geleerden was en is dit een uitkomst. Met Ibn Kathir in de hand en daarnaast de eigen kennis, konden ze gemakkelijk verder werken.



Al-Suyuti (849–911H/1445–1505C)

Jalal al-Din ‘Abd ar-Rahman ibn Abu Bakr al-Suyuti schreef aanvankelijk het tafsierwerk Turjuman al-Qur‘an, waarin hij meer dan 10.000 hadieth, voorzien van overleveraarsketens, had opgenomen. Toen hij merkte dat zijn studenten niet geïnteresseerd waren in het leren van overleveraarsketens, kortte hij zijn tafsier in door de ketens weg te laten en hij meldde alleen nog de boeken waarin die hadith vermeld stond. Dit werk werd hernoemd tot Durr al-Manthūr fie at-tafsier bi`l Ma`thoer

In dit werk verzamelde Al-Suyuti al de overleveringen die hij kon vinden van de profeet Mohammad (vzmh) en de Salaf (eerste generaties) betreffende de interpretatie van iedere vers. Het werk is volumineus en erg nuttig, maar geleerden hebben wel een kenmerkend kritiek op hem. Volgens hen lijkt het erop dat Al-Suyuti zich, ondanks zijn kennis van de hadithwetenschappen, vooral heeft gericht op het verzamelen van zoveel mogelijk overleveringen zonder hierbij een onderscheid te maken welke hadith wel of niet aanvaardbaar of correct zijn. Dit werk moet dus kritisch worden benaderd en worden herzien om de zwakke van de authentieke overleveringen te onderscheiden.

Al-Suyuti staat verder bekend om de zogenoemde Tafsir al-Jalalain. Oorspronkelijk begon Mohammad ibn Ibrahim al-Mahalli met deze tafsier. Deze geleerde werd Jalal ud-Din genoemd en staat dan ook bekend als Jalal ud-Din al-Mahallī. Hij was een grote geleerde binnen de Shafi‘i rechtschool. Hij begon zijn tafsier te schrijven vanaf soerah 18 (Al-Kahf) en eindigde bij soerah An-Naas (114). Vervolgens begon hij met soerah Al-Fatiha, maar hij heeft het daarna niet kunnen afmaken omdat hij stierf. Jalal al-Din al-Suyuti begon vervolgens het werk af te maken vanaf soerah al-Baqarah tot aan soerah 17 (Al-Israa), in de stijl van Al-Mahalli. In de Jalalain worden de basisbetekenissen verklaard door tussenvoegingen die aanduiden waar de tekst om draait. De meest waarschijnlijke meningen worden hierbij genoemd. Zo af en toe haalt hij ook de verschillende manieren aan waarop een woord gelezen kan worden met de bijbehorende betekenis ervan. 

Al-Suyuti’s deel beslaat net iets minder dan de helft van de Koran. Doordat de beide “Jalal’s” een nagenoeg gelijke deel hebben geschreven, staat dit tafsierwerk bekend als “Jalalain”, oftewel de twee Jalal’s. De Jalalain is slechts 1 volume, maar ondanks de beknoptheid van het werk is het een erg waardevol werk. Het behoort ook tot de populairste tafsierwerken. Er zijn veel bewerkingen en commentaren op dit werk geschreven.

De genoemde werken zijn alleen een selectie van bekende werken. Niet alles in de genoemde werken is als correct in al hetgeen zij te melden hebben. Echter, over het algemeen volgden de genoemde werken de methodologie van tafsier door overleveringen en hierdoor kregen zij voorrang boven anderen.

* H = islamitische jaartelling op basis van een maankalender startend vanaf het jaar 623C.
   C = christelijke jaartelling op basis van een zonnekalender

Tafsier

Het woord ‘tafsier’ komt van het werkwoord ‘fassara’: uitleggen, uiteenzetten, verklaren. Tafsier betekent ‘de uitleg of interpretatie van iets’. In islamitische wetenschappen wordt tafsier gedefinieerd als zijnde: ‘de wetenschap waardoor de Koran wordt begrepen, haar betekenissen worden verklaard en haar regelgeving uit wordt afgeleid’.Het woord tafsier kan worden vertaalt als exegese. Exegese draagt de betekenis in zich van de uitleg of interpretatie van een heilig boek.



Metgezellen bekend om tafsier

Enkele metgezellen (sahaaba) stonden bekend om hun uitmuntende kennis over de interpretatie van de Koran. Al-Suyuti vermeld in zijn Al-Itqaan fie ‘Oeloem al-Qoer'aan : “Er zijn onder de metgezellen tien die beroemd waren om hun kennis van tafsier:

1) Abu Bakr al-Siddiq
2) ‘Umar ibn al-Khattab
3) ‘Uthman ibn Affan
4) ‘Ali ibn Abu Talib
5) ‘Abdullah ibn Mas‘ud
6) ‘Abdullah ibn 'Abbas
7) ‘Ubayy ibn Ka’b
8) Zayd bin Thabit
9) Abu Musa al-Ash‘ari
10) ‘Abdullah ibn al-Zubayr

Tardjoeman al-Qoer'aan

De metgezel ‘Abdullah ibn ‘Abbas wordt beschouwd als de metgezel die de meeste kennis had wanneer het kwam op de interpretatie van de Koran. Hij werd de tardjoeman al-Qoer'aan genoemd: de uitlegger van de Koran. ‘Abdullah ibn ‘Umar ibn al-Khattab heeft gezegd: “Van deze oemmah (gemeenschap) is Ibn ‘Abbas het meest geleerd betreffende de openbaring die aan Mohammad werd gegeven.”  Dit was niet zonder reden. De profeet Mohammad (vzmh) had namelijk zelf gebeden voor Ibn ‘Abbas en zei: “O Allah! Schenk hem de kennis van het Boek en van Wijsheid!” [Sahih al-Bukhari]. 

Uit een een andere overlevering leren wij dat de Profeet (vzmh) zei: “O Allah! Schenk hem de kennis van de dien (religie) en interpretatie.” [Sahih al-Bukhari].  ‘Abdullah ibn ‘Abbas was een neefje van de Profeet en hij vergezelde de Profeet gedurende zijn jeugd. Zijn tante Maymuna was ook een vrouw van de Profeet.

De meeste tafsiervertellingen

Het grootste aantal overleveringen die in de tafsierliteratuur worden gevonden, zijn afkomstig van de volgende van de Profeet’s metgezellen: 



  • Ibn ‘Abbas

  • ‘Abdullah ibn Mas‘ud

  • ‘Ali ibn Abu Talib

  • 'Ubayy ibn Ka’b

Ieder van hun vestigde gedurende hun leven leercentra in het ondertussen uitgebreide moslimgebied. Zij lieten na hun overlijden veel studenten achter onder de opvolgers (taabi‘ien).

Ontstaan van tafsierscholen

Na het overlijden van de Profeet verspreidde de metgezellen zich naar verschillende gebieden in het moslimgebied, om daar de mensen te onderwijzen in het islamitisch geloof. Een ieder van hun onderwees vele taabi‘ien (opvolgers) en de meesten van hun werden mettertijd geleerden in hun eigen recht. Historisch gezien werden er drie voorname- of ‘hoofdscholen’ gevestigd in het moslimrijk: Mekka, Medina en Kufa. Gedurende de periode van de opvolgers werd elk van deze gebieden een toonaangevend leercentrum, inclusief de kennis van tafsier.

Wie onderwees waar:


  • Mekka: 'Abdullah ibn 'Abbas onderwees hier.

  • Medina: 'Ubayy ibn Ka’b had hier de sterkste invloed op tafsier.

  • Kufa: 'Abdullah ibn Mas‘ud was hier het meest invloedrijk.

‘Ali ibn Abu Talib was de vierde rechtgeleide kalief en stierf in het jaar 661C.

Metgezellen en interpretatie

Dr. Al-Dhahabie meldt in zijn werk “Al-Tafsir wal Mufassirun” dat de metgezellen, na de interpretatie van de Koran door de Koran zelf en door de overleveringen van de Profeet (vzmh), ook nog op vier ‘bronnen’ vertrouwden om de Koran te interpreteren:



  • hun kennis van de Arabische taal,

  • hun kennis van de pre-islamitische gebruiken van de Arabieren,

  • hun kennis van de joodse en christelijke gebruiken ten tijde van de openbaring van de Koran,

  • hun persoonlijke redenering en hun intellect (welke natuurlijk was gebaseerd op kennis).

Enthousiasme bij de metgezellen

De metgezellen waren zo enthousiast in het leren over de Koran, dat zij niet alleen maar in staat waren iedere vers uit de Koran uit te leggen, maar ook om de achtergrond of oorzaak van een openbaring te geven. Imam Al-Bukhari vermeld bijvoorbeeld dat 'Abdullah ibn Mas'ud zei: “Wallaahi, Ik zweer bij Allah, naast wie er geen andere godheid is, er is geen soerah in de Koran behalve dat ik weet waar het geopenbaard is! En er is niet één vers in de Koran behalve dat ik weet wat de reden achter de openbaring ervan is! Als er ook maar iemand zou zijn die meer weet over de Koran dan ik, en ik zou in de mogelijkheid zijn om hem te bereiken, dan zou ik (op mijn kameel) naar hem toe rijden (om deze kennis te krijgen).



  • Copyright © 2012 Dar-al-'Ilm - Instituut voor Islam Studies

  • Webdevelopment by Qraft







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina