Te weinig vrouwelijke hoogleraren binnen de Nederlandse universiteiten



Dovnload 150.5 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte150.5 Kb.
  1   2   3

Te weinig vrouwelijke hoogleraren binnen de Nederlandse universiteiten


M. B. van Rijn (s0069833)


Eerste begeleider: prof. dr. K. Sanders

Tweede begeleider: Leandra Bosma

Externe opdrachtgever: prof dr. C. Millar
Enschede, april 2007
Universiteit Twente

Faculteit Gedragswetenschappen



Samenvatting
In deze studie is onderzocht wat de aangeslotenen van de stichting landelijk netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (lnVH) veranderd willen zien aan het beleid op de universiteiten ten aanzien van participatie van vrouwen in de wetenschap en wat de aangeslotenen van het lnVH zelf zouden willen doen om de participatie van vrouwen in de wetenschap te laten toenemen. Daarnaast is er ook nog gekeken naar de invloed van de kenmerken van de universiteiten en de faculteiten binnen de universiteiten op hoe de aangeslotenen van het lnVH deze vragen beantwoord hebben. Gebruikmakend van een enquête die verspreid is onder 398 aangeslotenen van het lnVH tonen de resultaten dat de respondenten (n=188) vooral veel beleidsveranderingen binnen de universiteiten willen zien als het gaat om het aanstellen en behouden van vrouwelijke hoogleraren. Als het gaat om de vraag wat de respondenten zelf willen doen om de participatie van vrouwen in de wetenschap te laten toenemen blijkt dat er zowel respondenten zijn die wel lokaal of in een netwerk actiever zouden willen zijn, of als mentor voor UHD’s en beginnende vrouwelijke hoogleraren, als respondenten die dit niet willen of die er neutraal tegenover staan. Gekeken naar de invloed van de verschillende universiteiten en de faculteiten op het beantwoorden van de vragen in de enquête, blijkt dat er geen significante verschillen bestaan tussen de beantwoording van de vragen in de enquête door de respondenten van de verschillende universiteiten en faculteiten. Wel zijn er verschillen gevonden tussen de hoeveelheid parttime en fulltime werkende vrouwelijke hoogleraren, de bijzondere en functionele vrouwelijke hoogleraren en het aantal vrouwelijke hoogleraren dat werkzaam is binnen de verschillende faculteiten. In de conclusie en discussie worden deze resultaten en de implicaties van deze resultaten verder besproken.

Summary
This study addressed the question of what the members of the foundation ‘landelijk netwerk Vrouwelijke Hoogleraren’ want to change about the universities’ policy regarding the participation of women in science. The study furthermore addressed what the members of the lnVH themselves would like to do to improve the participation of women in science. Finally, the study investigated the effects of the characteristics of the universities and faculties on the answering of the questions of the questionnaire by the members of the lnVH. Using a questionnaire that was distributed among 398 members of the lnVH, the results showed that the respondents (n=188) mostly wanted to change something about the policy of the universities regarding the hiring and retaining of female college teachers. When asked what the respondents want to do themselves to improve the participation of women in science, it shows that there are respondents who do want to be more active locally or in a network, or as a mentor for UHD’s and beginning female college teachers, as well as respondents who do not want to be more active or have no opinion about it. Taking into account the influence of the different universities and faculties on the answering of the questions of the questionnaire, it shows that there are no significant differences between the answers on the questionnaire by the respondents of the different universities and faculties. There are significant differences between the number of part time and fulltime working female college teachers, the special and functional female college teachers and the number of female college teachers who are employed within the different faculties. In the conclusion and discussion the implications of the results will be discussed in further detail.

1. Inleiding
Participatie van vrouwen in de wetenschap staat de laatste jaren in binnen- en buitenland in de belangstelling. Zo werd in maart 2000 het Lissabon akkoord opgesteld. Hierin is een Europese norm vastgelegd die stelt dat in het jaar 2010, 25% van de hoogleraarposities door vrouwen bekleed zouden moeten worden

(http://www.unimaas.nl/default.asp?template=overig/archief_item.htm&fac=um+Algemeen&nid=X77P2BHL22B0MG55M771&taal=nl, bezocht op 2 maar 2007).

In 2005/2006 bleek het aandeel vrouwelijke hoogleraren in Nederland op bijna 10% te zitten. Hiermee zit Nederland ver in de achterhoede van Europa, waarbij Roemenië een aandeel heeft van 29% vrouwelijke hoogleraren en Malta 2,3% vrouwelijke hoogleraren. Mede hierom heeft de Nederlandse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Europese norm voor Nederland bijgesteld naar 15% van de hoogleraarposities in Nederland die in 2010 bekleed moeten worden door vrouwen (Monitor Vrouwelijke hoogleraren 2006, 2006).

De Nederlandse universiteiten stellen verscheidene maatregelen in om deze norm te kunnen halen. Zo stelde de Vrije Universiteit (VU) in april 2001 zeven vrouwen tegelijk aan als deeltijd-hoogleraar, ieder voor een dag in de week

(http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/2001/02/27/Vp/04.html, bezocht op 2 maart 2007).

In 2003 introduceerde de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen (FWN) van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) het Rosalind Franklin programma. Hierbij heeft de Faculteit aanvankelijk toegezegd om 5 tenuretrack plaatsen voor vrouwen te reserveren. Hierbij krijgen de aangestelde onderzoekers een aanstelling voor 5 jaar en geld voor het aanstellen van een onderzoeker in opleiding (AIO) en een kleine toelage voor apparatuur. Als na 5 jaar de onderzoekers een positieve beoordeling ontvangen wordt er een hoogleraarpositie in het vooruitzicht gesteld. Met dit programma hoopte de RuG aan meer Assistenten in opleiding (Aio’s) een stimuleringsimpuls te geven om ook een wetenschappelijke loopbaan na te streven

(http://www.math.rug.nl/~curtain/dutchrosieart.doc, bezocht op 2 maart 2007).

(http://www.rug.nl/Corporate/nieuws/archief/archief2003/114_00, bezocht op 2 maart 2007).

Op 16 maart 2006 bericht de TUDelta, het informatie- en opinieblad van de TU Delft, dat Meike Buteijn van het P&O netwerk van de Technische Universiteit Delft (TUD) een netwerk van vrouwelijke wetenschappers wil oprichten. Hierbij geeft Meike Buteijn aan dat ze denkt dat het netwerk kan helpen bij het bekijken hoe nieuwe vrouwen aangetrokken kunnen worden maar ook hoe ze ervoor kunnen zorgen dat de vrouwen die nu al werkzaam zijn binnen de TUD hier ook zullen blijven werken

(http://www.delta.tudelft.nl/archief/j38/n9/20727, bezocht op 2 maart 2007).

In het artikel ‘De schaarste aan vrouwelijke hoogleraren in Nederland’ noemt Willemsen (2002) een aantal oorzaken voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de Nederlandse universiteiten. Op het niveau van de organisatie merkt zij op dat de organisatiecultuur van universiteiten gekenschetst kan worden als hiërarchisch en competitief. Het blijkt echter dat vrouwelijke promovendi meer waarde hechten aan samenwerken in niet hiërarchische structuren. Terwijl mannen daarentegen de voorkeur geven aan een duidelijk geordende hiërarchische cultuur waarin er sprake is van continue competitie. Deze universiteitscultuur wordt gezien als één van de oorzaken van de grotere uitstroom van vrouwen uit de universiteit. Daarnaast spreekt de totale beschikbaarheid voor de wetenschap als voorwaarde voor een wetenschappelijke carrière vrouwen niet aan. Een ander bezwaarlijk punt binnen het niveau van de organisatie is dat het personeelsbeleid van universiteiten vaak weinig professioneel is. Zo werven veel universiteiten voor de gewone leerstoelen en uhd-plaatsen wel via advertenties, terwijl er voor de bijzonder leerstoelen andere procedures gevolgd worden die vaak ondoorzichtig zijn en waar emancipatie- of ander beleid geen vat op heeft.

Op het interpersoonlijke niveau noemt Willemsen (2002) de rol van seksestereotypen. Seksestereotypen zijn verwachtingen over hoe mannen en vrouwen zich horen te gedragen en op grond hiervan kunnen beoordelingsfouten gemaakt worden, omdat de informatie wordt verwerkt in het kader van de bestaande verwachtingen over mannen of vrouwen. Van Vianen (1987) heeft al aangetoond dat dergelijke discriminatie ook optreedt bij sollicitaties voor hogere universitaire functies in Nederland (Willemsen, 2002). Daarnaast zorgen de vaak homogeen-mannelijke formele en informele netwerken ervoor dat vrouwen door uitsluiting van dergelijke groepen minder macht en invloed hebben. Door deze uitsluiting uit netwerken ontvangen vrouwen waarschijnlijk ook minder sociale steun op de werkplek, als een resultaat zou het zo kunnen zijn dat vrouwen het in hogere functies zwaarder hebben.

Als maatregelen die genomen moeten worden om de participatie van vrouwen in de wetenschap te laten toenemen noemt Willemsen (2002) op het niveau van de organisatie een realistisch gender- of emancipatiebeleid. Dit zou dan moeten betekenen dat men zich er meer bewust van is dat sekse een rol speelt op alle beleidsterreinen en dat op die gebieden rekening gehouden moet worden met sekse-aspecten. Een aantal aspecten die dan deel zouden moeten uitmaken van zo’n beleid is het bijhouden van de gegevens omtrent de posities van mannen en vrouwen en het actief zoeken naar vrouwen voor alle functies.

Op het interpersoonlijk niveau vindt Willemsen (2002) het van groot belang dat de procedures van oordelen en beoordelen meer objectief en transparant gemaakt worden. Dit zou bijvoorbeeld bereikt kunnen worden door training aan te bieden en door een strakke begeleiding van dergelijke ad-hoc commissies. Men moet echter wel voorzichtig zijn met vrouwen te zeer in uitzonderingsposities te plaatsen. Op individueel niveau is het dan ook beter dat vrouwen in hogere functies niet te zeer een uitzonderingspositie kunnen claimen. Wel vindt Willemsen (2002) het nuttig om solidariteit te tonen met andere vrouwen in wetenschappelijke posities, en dat vrouwelijke hoogleraren zich beschikbaar stellen als mentor voor de jongere generatie vrouwen in de wetenschap.

Om de participatie van vrouwen in de wetenschap in Nederland te laten toenemen zit Willemsen in het bestuur van het landelijk netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (lnVH). Dit netwerk is opgericht in de jaren 90 en is op 9 augustus 2001 een stichting geworden. Het lnVH is een netwerk dat in januari 2007 bestond uit ongeveer 430 vrouwelijke hoogleraren die afkomstig zijn uit allerlei wetenschapgebieden. De doelstelling van het lnVH luidt: “Het bevorderen van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen binnen de universitaire gemeenschap.” (http://www.lnVH.nl/?page=4, bezocht op 2 maart 2007) Dit doel probeert de stichting te bereiken door de band tussen vrouwelijke hoogleraren in Nederland te versterken, steun te bieden in alle activiteiten die met het hoogleraarschap samenhangen, doorstroming van capabele vrouwen naar hogere universitaire rangen te bevorderen en uitstroom te voorkomen, samen te werken met organisaties met vergelijkbare doelstellingen en gelijkmatige vertegenwoordiging van vrouwen in commissies en adviesorganen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs na te streven (http://www.lnVH.nl/?page=2, bezocht op 2 maart 2007).

Vanuit het bestuur van het lnVH is er het verzoek gekomen om een enquête op te stellen en uit te laten gaan naar de aangeslotenen van het lnVH. Het doel van deze enquête was om te inventariseren wat de aangeslotenen van het lnVH zoal willen van het netwerk en het bestuur van het lnVH. Mede naar aanleiding van het bovenstaande artikel van Willemsen (2002) is er in het onderzoek aandacht besteed aan de beleidsveranderingen die de aangeslotenen van het lnVH willen zien binnen de Nederlandse universiteiten. Daarnaast is er geïnventariseerd wat de aangeslotenen van het lnVH zelf zouden willen doen om de participatie van vrouwen in de Nederlandse wetenschap te laten toenemen. In dit onderzoek is dan ook aandacht besteed aan de volgende twee vragen:



  1. Welke beleidsverandering willen de aangeslotenen van het lnVH zien binnen de Nederlandse universiteiten?

  2. Wat willen de aangeslotenen van het lnVH zelf doen om de participatie van vrouwen in de Nederlandse wetenschap te laten toenemen?

Naast de beantwoording van deze vragen is er binnen het onderzoek ook nog aandacht besteed aan de invloed die de kenmerken van de verschillende universiteiten en de verschillende faculteiten binnen de universiteiten hebben op hoe de aangeslotenen van het lnVH deze vragen beantwoord hebben.

2. Methode
2.1 Respondenten

Het databestand bestaat uit 188 vrouwelijke hoogleraren (response 47,2%). Zeventien vrouwelijke hoogleraren (9,3%) zijn met emeritaat. (Niet alle personen hebben de vragenlijst volledig ingevuld). De respondenten zijn random verdeeld over de 14 Nederlandse Universiteiten, zie hiervoor ook de onderstaande tabel. Van de respondenten werken er 17 bij een alfa faculteit (9,9%), hieronder valt de studie letteren, 82 bij een beta faculteit (48%), hieronder vallen de medische studies en de exacte wetenschappen en 72 bij een gamma faculteit (42,1%), hieronder vallen de kunstwetenschappen en sociale wetenschappen. Van de respondenten werken er 103 fulltime (58,5%) en werken er 73 parttime (41,5%). De gemiddelde leeftijdscategorie van de respondenten ligt tussen de 51 en 55 jaar en ze zijn gemiddeld 7,7 jaar hoogleraar (SD = 5,96).


Tabel 1. Verdeling van de vrouwelijke hoogleraren over de Nederlandse universiteiten

Universiteit Frequentie Procent

Erasmus Universiteit Rotterdam 10 5,5

Radboud Universiteit Nijmegen 21 11,5

Universiteit Leiden 14 7,7

Rijksuniversiteit Groningen 23 12,6

Open Universiteit Nederland 2 1,1

Technische Universiteit Delft 1 0,5

Technische Universiteit Eindhoven 5 2,7

Universiteit Utrecht 29 15,9

Universiteit Maastricht 8 4,4

Universiteit Twente 3 1,6

Universiteit van Amsterdam 27 14,8

Universiteit van Tilburg 6 3,3

Vrije Universiteit Amsterdam 25 13,7

Wageningen Universiteit 8 4,4



2.2 Procedure

In totaal zijn 398 vrouwelijke hoogleraren aangeschreven, dit vanuit het adressenbestand van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke hoogleraren (lnVH). Dit is zowel via email als via een schriftelijke brief gebeurd. De respondenten hadden de mogelijkheid om de enquête ofwel schriftelijk in te vullen, ofwel in te vullen via het internet. Om de response rate te verhogen is twee weken na het versturen van de enquête nogmaals een email verstuurd naar alle respondenten met wederom het verzoek om de enquête in te vullen.


2.3 Instrumenten

Voor dit onderzoek is er een eigen enquête opgesteld. Deze is gebaseerd op literatuuronderzoek en drie interviews met vrouwelijke hoogleraren van de Universiteit Twente. Deze enquête is daarna voorgelegd aan het bestuur van het lnVH, en aan de hand van de suggesties die het bestuur van het lnVH voorstelde is de uiteindelijke enquête opgesteld (zie ook appendix D op pagina 30). De enquête is opgedeeld in vijf onderdelen, namelijk: de verhoging van het percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland, een oordeel over het lnVH en haar activiteiten, verwachtingen van het lnVH en het bestuur, de actieve betrokkenheid bij het lnVH en als laatste nog algemene vragen. Op de meeste vragen kon de respondent antwoorden in de categorieën die volgens de vijfpuntsschaal van de Likert scale geconstrueerd zijn. Deze categorieën lopen van 1 “helemaal mee oneens” tot 5 “helemaal mee eens”. Bij het onderdeel met algemene vragen kon uit bepaalde categorieën worden gekozen (zoals een leeftijdscategorie) of kon zelf wat worden ingevuld (bijvoorbeeld bij welke faculteit deze persoon werkt). De hele enquête bevat verder maar twee open vragen: “welke activiteiten mist u bij het LNVH die het netwerk zou moeten of kunnen ondernemen?” en er was een ruimte om overige opmerkingen te noteren. Hieronder worden de verschillende onderdelen en de opgestelde factoren van de vragenlijst besproken.


2.4 Metingen

Verhoging percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland. De respondenten is gevraagd naar hun mening ten aanzien van het lage percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland en instrumenten die gebruikt worden of gebruikt kunnen worden om hier verbetering in aan te brengen. Er werd aan de respondenten gevraagd om over 16 items hun mening te geven, bijvoorbeeld over het item ‘Universiteiten zouden altijd open sollicitatieprocedures moeten volgen’. Door middel van factoranalyse is de factor ‘universiteit beleidsmaatregelen’ opgesteld (α = 0.72). Omdat alleen items met een factorlading: “Hoogleraarsbenoemingen zouden naar zuiver objectieve richtlijnen moeten plaatsvinden”, “Er moeten meer deeltijdleerstoelen komen” en “Lokale netwerken van vrouwelijke hoogleraren zouden ook open moeten staan voor UHDs”.

Oordeel over het lnVH en haar activiteiten. Hierbij werd de respondenten gevraagd om hun oordeel te geven over het LNVH en de activiteiten die vanuit het LNVH verzorgd worden. Dit onderdeel van de enquête bevat negen item, één item is bijvoorbeeld: ‘Ik ben tevreden over de symposia van het lnVH’. Vanuit deze negen items zijn drie factoren gevormd. De eerste factor is ‘bekendheid met het LNVH’ (α=88) en bestaat uit twee items. Een voorbeelditem is: “ Ik ben bekend met het LNVH”. De tweede factor is ‘proactiever bestuur/LNVH’(α=.77) en bestaat uit vier items. Een voorbeelditem is: “Het bestuur van het LNVH moet zich duidelijker profileren”. De derde en laatste factor met elf items is ‘tevredenheid met de activiteiten van het LNVH’ (α = 0.92). Een voorbeelditem hiervan is: “Ik ben tevreden over de website van het LNVH”. De twee items die buiten de factoren vallen zijn: “Ik ga vaak naar een bijeenkomst van het LNVH” en “Ik bezoek de website van het LNVH regelmatig”.

Verwachtingen over het netwerk en het bestuurvan het lnVH. Er werd aan de respondenten gevraagd hun verwachtingen over het netwerk van het LNVH en van het bestuur van het lnVH kenbaar te maken. Één voorbeeld item is: ‘Het LNVH zou aangeslotenen actief moeten benaderen mentor te worden voor beginnende vrouwelijke hoogleraren’. Er is één factor uit dit onderdeel van de enquête gehaald namelijk ‘verwachtingen/mandaat lnVH bestuur’ (α=.80).

Actieve betrokkenheid bij het lnVH. Deze items gaan over de actieve betrokkenheid van de respondent bij het lnVH. Dit onderdeel bevat zeven items, één voorbeeld item is: ‘Mijn werkdruk beperkt de hoeveelheid tijd die ik kan besteden aan de activiteiten van het lnVH’. Uit deze zeven items zijn twee factoren gevormd. De eerste factor ‘relatie aangeslotenen – lnVH’ (α=.60) bestaat uit drie items. Een voorbeeld item is: ‘Ik vind steun bij het lnVH’. De tweede factor ‘zelf actief willen zijn’ (α=.74) bestaat uit twee items. Een voorbeeld item is: ‘Ik zou zelf wel mentor willen worden voor UHD’s en beginnende vrouwelijke hoogleraren’. De twee items die niet in de factoren zijn gekomen zijn: “Ik besteed weinig tijd aan activiteiten van het LNVH” en “Mijn werkdruk beperkt de hoeveelheid tijd die ik kan besteden aan de activiteiten van het LNVH”.


Algemene vragen. Er werd de respondent gevraagd naar algemene zaken zoals haar leeftijd, hoeveel kinderen ze heeft, hoe lang ze al hoogleraar is geweest, of ze fulltime of parttime werkt etc. Hierbij zijn er zowel open vragen als multiple choice vragen waarbij de respondent het antwoord van haar keuze kan aankruisen.
De stellingen in het algemene deel. Uit de stellingen die in het algemene vragendeel staan, zijn twee factoren gehaald. De eerste factor ‘benoembaarheidvriendelijkheid vrouwelijke hoogleraren’ (α=.67), bestaat uit vijf items. Een voorbeelditem is: ‘Er worden te weinig vrouwen benoemd omdat ze er gewoon niet zijn’. De tweede factor ‘vrouwvriendelijkheid universiteiten’ (α=.82) bestaat uit drie items. Een voorbeeld item is: ‘Mijn faculteit is vrouwvriendelijk’.
2.5 Factoranalyse

Factoranalyse (principale componenten) leverde dus de volgende negen factoren op (hierbij zijn items met een factorlading boven .30 opgenomen in de factoren): ‘universiteit beleidsmaatregelen’ (α = .72), ‘bekendheid met het lnVH’ (α = .88), ‘proactiever

bestuur/lnVH’ (α = .70), ‘tevredenheid met de activiteiten van het lnVH’ (α = .92),

‘verwachtingen/mandaat lnVH bestuur’ (α = .80), ‘relatie aangeslotenen – lnVH’ (α = .60),

‘zelf actief willen zijn’ (α = .74), ‘benoembaarheidvriendelijkheid vrouwelijke hoogleraren’

(α = .67), ‘vrouwvriendelijkheid universiteiten’ (α = .82). (zie voor de items binnen de factoren en de factorladingen appendix A, op pagina 20)


2.6 Data-analyse

Om de vragen die binnen dit onderzoek zijn gesteld te beantwoorden is er gekeken naar de frequenties van de antwoorden die de respondenten hebben gegeven op de items binnen de enquête. Daarnaast zijn er, om te kijken wat voor invloed de kenmerken van de universiteiten hebben op de beantwoording van de items in de enquête te bepalen, nog variantie analyses en correlatie analyses uitgevoerd.







  1. Resultaten


3.1 Wat willen de aangeslotenen voor een klimaatsverandering in hun universiteit?

Er is geïnventariseerd wat voor klimaatsverandering de aangeslotenen willen in hun universiteit, hierbij zijn er voornamelijk vragen gesteld over wat de universiteiten zouden kunnen doen of veranderen om het percentage vrouwelijke hoogleraren binnen de universiteit te laten toenemen. Uit de onderstaande frequentietabel blijkt dat het grootste deel van de respondenten het eens was met de items die gaan over wat voor een klimaatsverandering aangeslotenen graag willen zien binnen hun universiteit (63,1%). De percentages respondenten die het niet eens waren met deze items (17,8%) en respondenten die neutraal reageerde op deze items (18,7%) liggen erg dicht bij elkaar (zie voor frequenties van de items binnen deze schaal Appendix B, tabel 1, op pagina 25)



Tabel 2. Frequenties factoren -/-- +/- +/++ SD

Klimaatsverandering binnen de universiteiten

Gemiddelden 17,8 18,7 63,1* 1,11



Zelf actief willen zijn

Gemiddelden 26,5 26,1 46 1,06



Universiteit beleidsmaatregelen

Gemiddelden 18,8 19,7 60,8 1,11



Bekendheid met het lnVH

Gemiddelden 3,5 5,4 91,2 0,77



Proactiever bestuur/lnVH

Gemiddelden 24,4 65,7 9,90 0,76



Tevredenheid met de activiteiten van het lnVH

Gemiddelden 4,1 47,5 48,1 0,83



Verwachtingen/mandaat lnVH bestuur

Gemiddelden 10,5 23,6 66,0 0,87



Relatie aangeslotenen – lnVH

Gemiddelden 30,9 34,1 31,7 1,17



Benoembaarheid vrouwelijke hoogleraren

Gemiddelden 28,5 23,5 48,0 1,11



Vrouwvriendelijkheid universiteiten

Gemiddelden 23,4 32,8 43,8 1,08




* In de frequentietabel staat -/-- voor het percentage respondenten dat gekozen heeft voor ‘helemaal mee oneens’ of ‘mee oneens’ op het item, +/- voor het percentage respondenten dat neutraal was over het item en +/++ voor het percentage respondenten dat gekozen heeft voor ‘helemaal mee eens’ of ‘mee eens’ op het item.


3.2 Wat willen de aangeslotenen zelf doen?

Er is geïnventariseerd wat de respondenten zelf zouden willen doen om te zorgen voor een toename van het percentage vrouwelijke hoogleraren binnen de universiteiten. Hierbij is er gevraagd of ze zelf mentor zouden willen worden voor UHD’s en beginnende vrouwelijke hoogleraren of dat ze zelf, lokaal of in een netwerk, wat actiever zouden willen zijn. Respondenten reageerden op de items die gaan over wat de aangeslotenen zelf willen doen met betrekking tot het lage percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland, voornamelijk positief. Het grootste deel van de respondenten was het eens met deze items (46%). Het percentage respondenten dat het niet eens was met deze items (26,5%) en het percentage respondenten dat neutraal reageerde op deze items (26,1%) lag erg dicht bij elkaar (zie voor de frequenties van de items binnen deze schaal Appendix B, tabel 4, pagina 28). Daarnaast is hierbij ook nog bekeken of er een correlatie bestaat tussen of de respondenten zelf wel wat actiever willen zijn en de werkdruk die zij ervaren. Er bestaan echter geen significante correlaties tussen het item ‘mijn werkdruk beperkt de hoeveelheid tijd die ik kan besteden aan de activiteiten van het lnVH’ en de items ‘Ik zou meer tijd willen besteden aan activiteiten van het lnVH’(r = .064), ‘Ik zou zelf wel mentor willen worden voor UHD’s en beginnende vrouwelijke hoogleraren’ (r = -.012) en ‘Ik zou zelf lokaal of in een netwerk wel wat actiever willen zijn om verhoging van het percentage vrouwelijke hoogleraren te bevorderen’ (r = .004).


3.4 Verschillen tussen de meningen van de hoogleraren met betrekking tot de kenmerken van de universiteiten

Er is gekeken of de meningen die de respondenten hebben over de onderwerpen die naar voren zijn gekomen in de enquête verschillen tussen respondenten afkomstig van verschillende universiteiten, of tussen respondenten die werkzaam zijn binnen de verschillende faculteiten (alpha, bèta, gamma).

De onderstaande variantie analyses zijn zowel uitgevoerd met de vrouwelijke hoogleraren die met emeritaat zijn erbij in, als met de vrouwelijke hoogleraren die met emeritaat zijn als covarianten. Hier bleek echter geen enkel verschil tussen te bestaan.

Uit de variantie analyses blijkt dat de respondenten van de verschillende universiteiten niet verschillen in hun mening over de items binnen de factoren van de factoranalyse. Ook blijken de respondenten die werkzaam zijn binnen de verschillende faculteiten niet van mening te verschillen over de items binnen de factoren van de factor analyse. Er bestaat hier echter wel een bijna significant verschil (F(13,161)= 1,716, p<0,05) tussen de beantwoording van de items binnen de factor ‘proactiever bestuur/lnVH’ en de beantwoording van de items binnen de andere factoren. Zie ook de onderstaande tabellen.


Tabel 3. F waarden variantie analyse factoren, universiteiten


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina