Tentamen c 14 februari 2003 Perifeer Arterieel Vaatlijden (pad) Claudicatio Intermittens



Dovnload 175.97 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte175.97 Kb.
Tentamen C

14 februari 2003

Perifeer Arterieel Vaatlijden (PAD)
Claudicatio Intermittens
1p ■■■ 1 Welke beschrijving van een stadium van Fontaine is juist?
A stadium I is: vage klachten, maar nog geen aanwijsbare vaatafwijkingen

B stadium II is: pijn in de kuitspieren van het been bij lopen en soms bij het slapen

C stadium III is: pijn in de kuitspieren van het been in rust en liggende houding

D stadium IV is: pijn in de tenen en/of de voet(en) gepaard gaande met een arterieel ulcus of gangreen van (een deel van) de voet(en)

1p ■■■ 2 Indien bij een patiënt sprake is van “critical limb ischemia” (CLI) dan is de kans dat die patiënt binnen 1 jaar overlijdt

A ongeveer 5%

B ongeveer 10%

C ongeveer 20%

D ongeveer 40%

1p ■■■ 3 Welke bewering aangaande perifeer arterieel vaatlijden (PAD) is juist?


A de prevalentie onder mannen en vrouwen boven de 70 jaar is gelijk

B van alle patiënten met een afwijkende enkel/arm index heeft slechts + 50% claudicatio klachten

C bij mannen en vrouwen in de leeftijdsgroep 80-85 jaar komen claudicatio klachten in 15% voor

D als iemand een enkel/arm index heeft van < 90% dan is er sprake van PAD.


1p ■■■ 4 Welke bewering over een relatie tussen “roken” en “PAD” is juist?


A het risico op het krijgen van PAD is bij rokers ongeveer 2 à 3 maal zo hoog als bij niet-rokers.

B stoppen met roken vermindert de kans op progressie van PAD met 15 %.

C verlagen van een (te) hoog cholesterolgehalte geeft meer verlaging van de kans op PAD dan stoppen met roken

D normaliseren van een hypertensie geeft meer verlaging van de kans op PAD dan stoppen met roken.


1p ■■■ 5 Indien een patiënt met claudicatio intermittens klachten van de linkerkuit die sinds ½ jaar bestaan door de huisarts wordt onderzocht, dan zal deze waarschijnlijk vinden:
A een irregulaire pols met een normale frequentie; afwezige pulsaties van de linker A. poplitea

B een lagere temperatuur van het linkerbeen in vergelijking met het rechterbeen

C verminderde “capillary refill” van de tenen van de linkervoet

D afwezige pulsaties van de linker A. poplitea en de linker voetarteriën.


1p ■■■ 6 Van patiënten met claudicatio intermittens klachten kan gesteld worden:
A dat slechts + 20% uiteindelijk zal overlijden ten gevolge van perifere vaatafwijkingen

B dat bij + 2 à 3% van hen binnen 5 jaar een amputatie nodig zal zijn

C dat de sterfte door een fataal myocardinfarct ongeveer even hoog is als de sterfte door een fataal herseninfarct

D dat de kans op amputatie niet wordt vergroot door de aanwezigheid van diabetes mellitus

1p ■■■ 7 Indien bij een patiënt met claudicatio intermittens in één been een nadere analyse van de ernst en de locatie van de afwijkingen geïndiceerd is, dan gaat de voorkeur uit naar
A een magnetic resonance angiografie (MRA) omdat daarbij slechts weinig röntgenstraling nodig is en het contrastmiddel weinig nefrotoxisch is

B een selectieve digitale subtractie angiografie (DSA) omdat daarbij slechts weinig röntgenstraling nodig is omdat alleen foto’s van één been nodig zijn

C een digitale subtractie angiografie (DSA) omdat daarbij tevens een eventueel drukverval in de iliacale vaten gemeten kan worden

D een computed tomography angiografie (CTA) omdat daarbij de aanwezigheid van (ernstige) verkalkingen in de vaten geen beperkende invloed heeft.


1p ■■■ 8 Waarom neemt de bloedstroom (volumeflow) naar het aangedane been bij een patiënt met claudicatio intermittens onvoldoende toe als hij/zij gaat lopen?

A omdat de perifere weerstand onvoldoende wordt verlaagd

B omdat de aanwezige stenose(n) niet kan (kunnen) vasodilateren

C omdat de toename van de cardiac output onvoldoende is

D omdat de melkzuurproductie in de spieren leidt tot vasoconstrictie
1p ■■■ 9 Indien een patiënt met claudicatio intermittens klachten die behandeld wordt met een PTA, binnen één jaar recidief klachten krijgt, dan wordt dit waarschijnlijk veroorzaakt door:
A het ontstaan van intima hyperplasie

B het ontstaan van negatieve remodelling

C een combinatie van a) en b)

D door geen van de bovenstaande factoren

1p ■■■ 10 “Drug eluting stents” zijn stents
A die niet worden aangetast door de aanwezigheid (het gebruik van) medicijnen

B die niet met behulp van een ballon geëxpandeerd hoeven te worden maar expanderen doordat zij van “geheugen-metaal” gemaakt zijn

C die bedekt zijn met een laagje van een bepaald medicijn

D die gegeven kunnen worden in plaats van medicatie waarvoor patiënten overgevoelig zijn

1p ■■■ 11 Gentherapie biedt in principe de mogelijkheid om de vorming van intima hyperplasie te verminderen, maar:
A gentherapie kan gevaarlijk zijn indien een virus als transvector wordt gebruikt

B gentherapie heeft mogelijke gevolgen voor het nageslacht en is daarom discutabel

C gentherapie is zo duur dat het waarschijnlijk nooit kosten-effectief zal worden

G gentherapie leidt alleen tot uitstel van intima hyperplasie, maar kan dit niet voorkomen.

1p ■■■ 12 Welke van de volgende beweringen over oefentherapie bij patiënten met perifeer vaatlijden is/zijn juist?


  1. Zowel verbetering van endotheelfunctie als verandering in het metabolisme

van de spieren dragen bij tot het gunstig effect van oefentherapie.
2 Oefentherapie leidt tot afname van de pijn, maar heeft geen invloed op de loopafstand.
A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn niet juist


1p ■■■ 13 Welke van de volgende beweringen is/zijn juist?



  1. De werking van aspirine berust op de remming van de glycoproteïne IIbIIIa

receptor op bloedplaatjes
2 De werking van clopidogrel berust op de remming van de ADP receptor op bloedplaatjes

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn niet juist

1p ■■■ 14 Een van de hieronder genoemde alternatieven behoort niet tot de vorming van intima hyperplasie


A replicatie van gladde spiercellen in de tunica media

B migratie van gladde spiercellen vanuit de tunica media naar de tunica intima

C herstel van de lamina elastica interna

D productie van extracellulaire matrix door gladde spiercellen

1p ■■■ 15 Welke van de onderstaande processen speelt geen rol bij het ontstaan van atherosclerose?
A oxidatie van LDL door foamcellen

B opname van OxLDL in macrofagen


C aggregatie van trombocyten

D beschadiging van endotheelcellen

1p ■■■ 16 Welke van de onderstaande gegevens uit de anamnese van een patiënt past niet bij claudicatio intermittens?


A pijn in de kuit bij lopen die ontstaat na een afstand van 1 km.

B pijn in de billen/heupen na een loopafstand van 50 m.

C pijn in beide kuiten die ontstaat bij traplopen of tegen een helling op lopen

D pijn in één of beide kuiten na een loopafstand van 100 m die niet snel afzakt bij stilstaan



Acute Arteriële Occlusie

1p ■■■ 17 Welk alternatief past niet bij een acute arteriële occlusie van een been?


A uitval van de sensibiliteit

B uitval van de motoriek

C afwezig zijn van pulsaties bij een bleek koud been

D uitval van de motoriek zonder uitval van de sensibiliteit

1p ■■■ 18 Welke van de volgende beweringen is/zijn juist

1 ”Depending rubor” van een been betekent roodheid van de tenen, voet en

eventueel onderbeen in verticale houding bij een acute arteriële afsluiting


  1. “Blanching” is het verschijnsel dat optreedt bij patiënten met depending rubor

wanneer het been wordt opgetild en de voet bleek wordt.
A alleen bewering 1 is juist

B alleen bewering 2 is juist

C beide beweringen zijn juist

D beide beweringen zijn niet juist

1p ■■■ 19 Welke van de volgende beweringen is/zijn juist?


  1. Streptokinase wordt toegediend bij patiënten met een acuut ontstane afsluiting in de perifere arteriële vaatboom, omdat het stolsel hiermee kan worden opgelost




  1. Het proces van bloedplaatjes adhesie en aggregatie wordt aangeduid met de

term primaire hemostase
A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn niet juist



Cardiologie



Casus Pijn op de Borst

De 56 jarige Frans A zit thuis voor de TV als hij plotseling een zeurend gevoel op de borst krijgt. Aanvankelijk zakt de pijn weer wat om dan in alle heftigheid terug te komen. Hij gaat zweten, voelt zich duizelig en krijgt zelfs braakneigingen. Wanneer na ruim een half uur de klachten niet wegtrekken, zelfs erger lijken te worden, wordt hij angstig. Zijn vrouw belt de huisarts, die zijn spreekuur afbreekt, de ambulance belt en zich naar het huis van de patiënt spoed.


Angina pectoris, Instabiele Angina Pectoris en Myocard Infarct zijn drie verschillende uitingen van het coronair syndroom.

2p □□□ Aa Geef twee verschillen tussen Angina Pectoris en Instabiele Angina Pectoris


2p □□□ Ab Geef twee verschillen tussen Instabiele Angina Pectoris en Myocard Infarct.

De huisarts is snel ter plaatse, even later arriveert ook de ambulance. De ambulance-verpleger maakt een ECG dat er als volgt uitziet: (papiersnelheid 25mm/sec, normale ijk: 10 mm=1mV)


1p □□□ Ac Wat is de hartfrequentie op dit ECG?

2p □□□ Ad Bereken de duur (in seconden of milliseconden) van de P-top en de duur van het QRS-complex
1p □□□ Ae Hoe noem je het ritme van deze patiënt op het moment dat het ECG werd afgenomen?
Op dit ECG is in de afleidingen II, III en aVf, overeenkomend met de onderwand, een forse ST-elevatie te zien.
1p □□□ Af Waar wijst dit op?
2p □□□ Ag Welke kransslagader(s) komt(en) overeen met het gebied van de ST-elevatie?

De ambulance-verpleger geeft Frans thuis al thrombolyse. Dan wordt patiënt naar het ziekenhuis vervoerd. In de ambulance, tijdens het vervoer, krijgt Frans een circulatie-stilstand. Hij verliest daarbij het bewustzijn.

Vier verschillende problemen na een hartinfarct kunnen zijn:

1. atrium fibrilleren

2. 3e graads atrio-ventriculair block

3. linker bundeltak block

4. ventrikel fibrilleren
2p ■■■ 20 Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de circulatie-stilstand van Frans?

A probleem 1

B probleem 2

C probleem 3

D probleem 4

Om bij Frans de circulatie weer op gang te helpen heeft de ambulance-verpleger een aantal opties. Vier opties zijn:

1. de streptokinase sneller laten inlopen

2. hartmassage en beademing geven en defibrillatie toepassen

3. hartmassage, beademing en een pacemaker geven

4. nitroglycerine sublinguaal geven


1p ■■■ 21 Welke optie is voor Frans de beste?

A optie 1

B optie 2

C optie 3

D optie 4

Frans, die door de behandeling in de ambulance weer wat opgeknapt is, komt aan op het ziekenhuis. De dienstdoende cardioloog vindt een bloeddruk van 75/90 mmHg, een pols van 110 slagen per minuut en een ECG wat ongeveer hetzelfde is als het ECG wat bij Frans thuis gemaakt is. Hij besluit Frans direct naar het Katheterisatie laboratorium (Kathlab) te sturen voor verdere behandeling.


Over de reden voor deze beslissing worden vier beweringen gedaan:

1. Men kan dan de streptokinase direct in de aangedane coronair spuiten zodat het stolsel beter en sneller opgelost zal worden

2. Het is voor de toekomst van Frans van belang dat zo snel mogelijk zijn coronair systeem in kaart gebracht wordt

3. Frans heeft nog een erg lage bloeddruk en het ECG is niet wezenlijk veranderd in vergelijking met het ECG wat thuis gemaakt is

4. De problemen van Frans in de ambulance maken het noodzakelijk direct een blijvende pacemaker in te brengen
2p ■■■ 22 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4

In 1970 overleed 60% van de mensen van boven de 50 jaar die getroffen werden door een acuut myocardinfarct. Een kwart van de overlevenden had een aantasting van de pompfunctie. Stel dat de incidentie gelijk blijft, maar dat de letaliteit van het acuut myocardinfarct in 2020 is teruggebracht tot 20%, terwijl nog steeds een kwart van de overlevenden een aantasting heeft van de pompfunctie. Over de incidentie van hartfalen ten gevolge van een acuut myocardinfarct worden in dat geval vier beweringen gedaan:



  1. In 2020 verdubbelt de incidentie van hartfalen ten gevolge van een acuut myocardinfarct ten opzichte van 1970.

  2. In 2020 is de incidentie van hartfalen ten gevolge van een acuut myocardinfarct met 75% toegenomen ten opzichte van 1970

  3. In 2020 is de incidentie van hartfalen ten gevolge van een acuut myocardinfarct met 50% toegenomen ten opzichte van 1970

  4. In 2020 is de incidentie van hartfalen ten gevolge van een acuut myocardinfarct met 10% toegenomen ten opzichte van 1970

2p ■■■ 23 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4



De behandeling van Angina pectoris
Voor de behandeling van acute en chronische angineuze klachten worden een aantal medicijnen gebruikt. Hieronder volgen een aantal vragen over deze medicatie.
Beta-receptor antagonisten (beta-blokkers) hebben een gunstig effect bij patiënten met Angina Pectoris.

Over hoe dit gunstig effect wordt veroorzaakt worden vier beweringen gedaan:

1. beta-blokkers geven veneuze dilatatie

2. beta-blokkers geven arteriële dilatatie

3. beta-blokkers geven negatieve chronotropie

4. beta-blokkers geven een verbetering van de coronaire perfusie


1p ■■■ 24 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4

Bij de behandeling van Angina Pectoris worden vaak nitraten gebruikt. De hier onder genoemde nitraten hebben sterk verschillende halfwaardetijden, van zeer kort tot lang.

Over de verschillende nitraten worden de volgende beweringen gedaan:

1. nitroglycerine heeft de langste halfwaardetijd

2. isosorbidedinitraat heeft de langste halfwaardetijd

3. isosorbidemononitraat heeft de langste halfwaardetijd


1p ■■■ 25 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3


Ook calcium antagonisten kunnen gebruikt worden bij de behandeling van Angina Pectoris. Helaas zijn niet alle calcium antagonisten voor dit doel even geschikt. Dit heeft te maken met het feit dat deze middelen in het hart en/of op de bloedvaten kunnen aangrijpen.

Over welke calcium antagonist het minst gunstig voor de behandeling van Angina Pectoris is, worden de volgende beweringen gedaan:

1. verapamil is het minst gunstig omdat het alleen aangrijpt op het hart

2. nifedipine is het minst gunstig omdat het alleen aangrijpt in de bloedvaten

3. diltiazem is het minst gunstig omdat het zowel op het hart als in de bloedvaten aangrijpt
1p ■■■ 26 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

Een groep studenten bediscussiëren het proces van atherosclerose. De volgende meningen worden geuit:
I hypertriglyceridaemie speelt een minder belangrijke rol dan hypercholesterolaemie
II leeftijd is geen risicofactor
1p ■■■ 27 Welke bewering is juist?

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering I is juist

C alleen bewering II is juist

D beide beweringen zijn niet juist

Vier medische studenten bespreken met elkaar de theoretische achtergronden hoe bij een patiënt met stabiele Angina Pectoris het snelst een pijn-aanval gestopt kan worden.

Iedere student heeft een andere mening:

1. Student 1 zegt dat wanneer de hartfrequentie toeneemt en dit gepaard gaat met een stijging van de systolische bloeddruk de aanval meestal snel over is

2. Student 2 zegt dat wanneer de hartfrequentie afneemt en dit gepaard gaat met een stijging van de systolische bloeddruk de pijn meestal snel over is

3. Student 3 zegt dat wanneer de vulling van de linker kamer vermindert en dit gepaard gaat met een stijging van de hartfrequentie de pijn meestal snel over is

4. Student 4 zegt dat wanneer de vulling van de linker kamer vermindert en dit gepaard gaat met een daling van de hartfrequentie de pijn meestal snel over is
1p ■■■ 28 Welke mening is juist?

A mening 1

B mening 2

C mening 3

D mening 4

Vier studenten spreken hun angst uit dat zij op jonge leeftijd getroffen zullen worden door een hartinfarct. Bij alle vier komen hartziekten in de familie voor.

1. Student 1 vertelt dat hij vijf 1e en 2e graads familieleden heeft die tussen het 70e en 75e jaar een hartinfarct hebben gehad

2. Student 2 vertelt dat hij drie 1e en 2e graads familieleden heeft die tussen het 50e en 60e jaar een hartinfarct hebben gehad

3. Student 3 vertelt dat hij twee 1e en 2e graads familieleden heeft die tussen het 50e en 60e jaar aan een hartinfarct zijn overleden

4. Student 4 vertelt dat hij twee 1e en 2e graads familieleden heeft die voor het 45e levensjaar een hartinfarct hebben gehad


1p ■■■ 29 Wie van de vier studenten heeft een niet op een belaste familieanamnese gebaseerde angst om op jonge leeftijd een hartinfarct te krijgen?

A student 1

B student 2

C student 3

D student 4

Dezelfde studenten hebben, in verband met hun familieanamnese, hun cholesterol laten bepalen. De volgende cholesterol-waarden werden gevonden:


LDL cholesterol HDL cholesterol VLDL cholesterol
1. student 1: 4,2 mmol/l 1,5 mmol/l laag

2. student 2: 2,6 1,4 laag

3. student 3: 2,3 0,7 hoog

4. student 4: 4,5 0,8 hoog


1p ■■■ 30 Wie van de studenten heeft de meest atherogene combinatie?

A student 1

B student 2

C student 3

D student 4

Longziekten




Casus: Een kind met klachten van de luchtwegen


Een kind vertoont in de eerste levensjaren frequent chronische luchtwegsymptomen zoals zagende, brommende ademhaling, kortademigheid en piepen op de borst. Je overweegt een aantal differentiaaldiagnosen en probeert nu met een aantal gerichte vragen de diagnose te achterhalen.

Hieronder vind je een aantal van dergelijke vragen. Vul achter elke vraag in aan welke differentiaaldiagnose(n) je moet denken als de vraag bevestigend wordt beantwoord. Per vraag mogen niet meer dan twee regels antwoord gegeven worden.


2p □□□ Ba Zijn de klachten direct na de geboorte begonnen?
2p □□□ Bb Is er sprake van frequente, slecht verteerde ontlasting?
2p □□□ Bc Is er sprake van snelle vermoeibaarheid en transpireren?
2p □□□ Bd Is er eczeem (geweest)?
2p □□□ Be Heeft de moeder gerookt tijdens en/of na de zwangerschap?
2p □□□ Bf Spuugt het kind gemakkelijk?

Ouders vragen vaak naar de prognose van het astma van hun kind. Je kunt daarbij globaal aangeven hoe de prognose van astma is: Bij [A]% van de kinderen met astma verbeteren de klachten sterk of verdwijnen geheel rond de puberteit. Maar bij [B]% verminderen de klachten niet. [C]% krijgt juist ernstiger klachten rond de puberteit. Vier studenten beweren dat de percentages als volgt verdeeld zijn:


1. [A] = 80%, [B] = 10%, [C] = 10%

2. [A] = 10%, [B] = 80%, [C] = 10%

3. [A] = 50%, [B] = 30%, [C] = 20%

4. [A] = 30%, [B] = 50%, [C] = 20%


1p ■■■ 31 Welke student geeft de juiste percentages?

A student 1

B student 2

C student 3

D student 4

Astma kan het best worden behandeld met inhalatie-medicijnen. Hiervoor staan verschillende hulpmiddelen ter beschikking, waaruit je een keus moet maken. Twee hulpmiddelen voor inhalatie van corticosteroïden bij astma zijn:

I de dosisaerosol met voorzetkamer (voorbeeld: nebuhaler)

II de poederinhalator (voorbeeld: diskus of turbuhaler).


Over deze systemen wordt het volgende beweerd:

1. De dosisaerosol met voorzetkamer vereist hand-longcoördinatie, de poederinhalator niet.

2. De dosisaerosol met voorzetkamer is met een kapje te gebruiken, de poederinhalator niet

3. De dosisaerosol met voorzetkamer geeft een hogere depositie van medicijn in de keel dan de poederinhalator

4. De dosisaerosol met voorzetkamer is minder geschikt dan de poederinhalator bij de behandeling van astma-aanvallen
1p ■■■ 32 Welke van deze beweringen is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4

Twee verschillende oorzaken van recidiverend piepen op de borst en hoesten bij kinderen zijn astma en ‘transient early wheeze’. Deze onderscheiden zich door een aantal kenmerken.

Enkele van deze kenmerken zijn:

a – IgE in het serum is verhoogd

b – wordt vaak voorafgegaan door eczeem

c – uitsluitend klachten bij verkoudheid

d – zelfde symptomen komen voor bij moeder

e – klachten verdwijnen voor het zesde levensjaar

f – sterke associatie met roken door de moeder
Vier studenten beweren dat de volgende kenmerken bij de diagnose astma en ‘transient early wheeze’ horen:
1. astma: a, b, d; transient early wheeze: c, e, f;

2. astma: a, b, c; transient early wheeze: d, e, f;

3. astma: b, e, f; transient early wheeze: a, c, d;

4. astma: c, d, f; transient early wheeze: a, b, e;


1p ■■■ 33 Welke student geeft de juiste antwoorden?

A student 1

B student 2

C student 3

D student 4

Bij de onderhoudsbehandeling van astma worden medicijnen liever per inhalatie gegeven dan per os (in tabletten of drank).

Over inhalatietherapie worden de volgende beweringen gedaan:

1. na inhalatie komt vrijwel alle medicijn in de long terecht

2. inhalatie is gemakkelijker dan slikken

3. de bijwerkingen van astmamedicijnen zijn bij inhalatie minder

4. per inhalatie kunnen hogere doses worden toegediend
1p ■■■ 34 Welke bewering is correct?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4

De volgende twee beweringen worden over astma gemaakt:


1 Astma gaat meestal gepaard met allergie

2 Allergie gaat meestal gepaard met astma


1p ■■■ 35 Welke bewering(en) is/zijn juist?

A alleen bewering 1

B alleen bewering 2

C beide beweringen zijn juist

D beide beweringen zijn onjuist

Casus: een benauwde patiënt
Willem Bever is 26 jaar en hij is kort geleden in het Botlek gebied bij een petrochemisch bedrijf gaan werken. Voordat hij daar ging werken had hij wel eens last van niezen als hij de kat van de buren oppakte. Hij heeft regelmatig last van benauwdheid en piepen op de borst. Bij regen en mist heeft hij meer klachten dan normaal gesproken het geval is. De huisarts heeft geconcludeerd dat er sprake was van astma. Nadat hij een week ziek thuis was, moest hij, ondanks dat hij zich al weer wat beter voelde, bij de bedrijfsarts komen, waar hij op een spirometer moest blazen.
De bedrijfsarts meet een FEV1=4,75L (95% normaal) en een FVC=5.96L (98% normaal). De arts concludeert, dat hij geen astma heeft en dat hij weer kan gaan werken.
2p □□□ Bg Geef één reden, waarom de conclusie, dat er geen sprake van astma is, onjuist kan zijn.
2p □□□ Bh Welke test had hij wel moeten laten uitvoeren?
Na een paar weken komen de klachten terug en moet Willem weer blazen. De bedrijfsarts vindt een FEV1=3,25L en een FVC= 3,25L. Omdat de FEV1 nu verlaagd is (65% van normaal), is de conclusie dat er nu wel sprake is van een luchtwegobstructie.
2p □□□ Bi Is de meting betrouwbaar uitgevoerd?
2p □□□ Bj Waar is aan te zien dat de meting betrouwbaar is uitgevoerd?
2p □□□ Bk Verklaar je antwoord van vraag Bj door in een tekening van de Flow- Volumecurve een eventuele fout aan te geven.
De toegenomen klachten bij Willem duiden op inflammatie in de luchtwegen. Een aantal celtypen die uitgesproken rol bij de luchtweginflammatiespelen zijn:

1. de eosinofiele cel

2. de neutrofiele granulocyt

3. de mestcel


1p ■■■ 36 Welke van deze celtypen speelt geen uitgesproken rol bij de luchtweginflammatie?

A celtype 1

B celtype 2

C celtype 3

De klachten van benauwdheid duiden bij Willem op een luchtstroombeperking. De bedrijsarts overweegt de volgende mogelijkheden als oorzaak:
1. toename van slijmbekercellen in de bronchi en trachea

2. contractie van glad spierweefsel

3. verslapping van de wand distaal van de bronchioli terminalis
1p ■■■ 37 Welke mogelijkheid is bij patiënt Willem de oorzaak?

A mogelijkheid 1

B mogelijkheid 2

C mogelijkheid 3



Casus: een patiënt met kortademigheid
De 65-jarige Ralf Pieper heeft de laatste jaren in toenemende mate klachten van kortademigheid. Bij fietsen, maar ook bij traplopen, heeft hij last van kortademigheid. Ook hoest hij ‘s ochtends groen sputum op. Ralf heeft zijn hele leven gerookt, hij heeft een paar keer geprobeerd om te stoppen maar dat is hem niet gelukt. Hij is al jaren onder controle bij de longarts, die hem verteld heeft dat hij COPD heeft.
Over COPD worden de volgende uitspraken gedaan:

COPD wordt gekenmerkt door:

1. een sterk wisselende FEV1

2. een groot RV en klein FRC

3. een continu en sterker dan normaal afnemende FEV1
1p ■■■ 38 Welke van deze uitspraken is juist?

A uitspraak 1

B uitspraak 2

C uitspraak 3

Soms ziet men dat een patiënt met COPD groen sputum opgeeft.

Drie studenten beweren dat dit wijst op:

1. Student 1. ontsteking in het bronchiale slijmvlies

2. Student 2. luchtweginfectie

3. Student 3. bronchiectasieën
1p ■■■ 39 Welke student heeft gelijk?

A student 1

B student 2

C student 3

De longarts doet een laatste poging om Ralf ervan te overtuigen dat stoppen met

roken erg belangrijk voor zijn gezondheid is. Hij zegt tegen Ralf dat, wanneer hij ophoudt met roken:

1. de FEV1 weer normaal wordt

2. de versnelde achteruitgang in FEV1 teruggebracht wordt tot de normale leeftijdsgebonden achteruitgangs-snelheid in FEV1

3. de compliantie en diffusiecapaciteit normaliseren
1p ■■■ 40 Welk argument zal de longarts gebruiken?

A argument 1

B argument 2

C argument 3

De kans om COPD te krijgen wordt door een aantal risicofactoren vergroot. Genoemd worden:

1. rechtsbelasting van het hart

2. rookgedrag

3. bronchiale hyperreactiviteit

1p ■■■ 41 Welke van de genoemde factoren is geen risicofactor voor COPD?

A risicofactor 1

B risicofactor 2

C risicofactor 3

Over longemfyseem wordt beweerd dat het gepaard gaat met:

1. een verlaagde diffusiecapaciteit en een verlaagde longcompliantie

2. een verhoogd FRC en een verhoogde longcompliantie

3. een verlaagd FRC en een verlaagde diffusiecapaciteit


1p ■■■ 42 Welke bewering is juist:

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

3p □□□ Ca Noem 3 oorzaken van het ontstaan van een overbelasting van het rechter hart (rechter ventrikel) bij patiënten met longemfyseem.
4p □□□ Cb Noem 4 microscopische veranderingen in het slijmvlies van de luchtwegen bij een patiënt met COPD.

Casus patiënt met hypertensie
Een 57-jarige bezoekt uw spreekuur in verband met een te hoge bloeddruk. Uw overweegt de patiënt te behandelen. Voor de medicamenteuze behandeling van hypertensie zijn richtlijnen ontwikkeld door het kwaliteitsinstituut van de gezondheidszorg.
De volgende richtlijnen staan beschreven:

1. Het starten van de behandeling is gebaseerd op het geschatte risico op hart- en vaatziekten in de komende jaren

2. Patiënten met een diastolische bloeddruk van 100 mmHg of hoger dienen altijd behandeld te worden

3. Patiënten met een systolische bloeddruk van 160 mmHg of hoger dienen altijd behandeld te worden

4. Patiënten met een hart- of vaatziekte in de voorgeschiedenis dienen behandeld te worden indien de systolische bloeddruk gelijk of hoger is dan 140 mmHg en/of de diastolische bloeddruk gelijk of hoger is dan 90 mmHg.
1p ■■■ 43 Welke van deze richtlijnen is niet juist?

A richtlijn 1

B richtlijn 2

C richtlijn 3

D richtlijn 4

Je besluit de patiënt te behandelen met medicamenteuze therapie. Voor de medicamenteuze behandeling van hypertensie kan uit verschillende klassen van antihypertensiva gekozen worden.


Over de beïnvloeding van het hartminuutvolume door deze middelen wordt het volgende beweerd:.

1. ACE-remmers verlagen het hartminuutvolume

2. Bètablokkers verlagen het hartminuutvolume

3. Diuretica verlagen het hartminuutvolume

4. Vaatverwijders verhogen het hartminuutvolume
1p ■■■ 44 Welke bewering omtrent de beïnvloeding van het hartminuutvolume is niet juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4

De bloeddruk van de patiënt blijkt met een aantal geneesmiddelen moeilijk te behandelen. U vermoedt het bestaan van secundaire hypertensie. Mineralocorticoid-hypertensie is een secundaire vorm van hypertensie.


Vier studenten beweren over Mineralocorticoid-hypertensie het volgende:

1. Het plasma-aldosterongehalte is altijd verhoogd

2. Het serumnatriumgehalte is altijd verhoogd

3. Het plasmarenine is altijd verlaagd

4. Het serumkaliumgehalte is altijd verlaagd
1p ■■■ 45 Welke student geeft de juiste informatie?

A student 1

B student 2

C student 3

D student 4

Bij nader onderzoek in het laboratorium is er sprake van een nierfunctiestoornis, de patiënt blijkt een nierziekte te hebben. Nierziekten gaan vaak gepaard met hypertensie, de zogenaamde renale hypertensie.


Over renale hypertensie worden de volgende beweringen gedaan:

1. Deze hypertensie berust gewoonlijk op Na+ retentie

2. Deze hypertensie kan tot verdere nierfunctieachteruitgang leiden

3. Het is de meest frequente oorzaak van secundaire hypertensie

4. Alle beweringen zijn juist
1p ■■■ 46 Welke bewering over renale hypertensie is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4


Casus glomerulaire en tubulaire afwijkingen

Een 43-jarige man wordt naar uw spreekuur verwezen onder verdenking van een nefrotisch syndroom.


3p □□□ Cc Noem drie verschijnselen van het nefrotisch syndroom.

3p □□□ Cd Noem drie celtypen die je kunt onderscheiden in de glomerulus.

Twee beweringen met betrekking tot een patiënt met een nefrotisch syndroom zijn:
1 Als in de urine immunoglobulines zoals IgG worden gevonden wijst dit op een gestoorde ladings-selectiviteit.

2 Bij een patiënt met een nefrotisch syndroom moet, indien er geen verhoogd risico op complicaties bestaat, een nierbiopt worden verricht.


1p ■■■ 47 Welke van deze beweringen is juist?

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist

Er wordt besloten tot een nierbiopt. De radioloog, die de biopsie uitvoert, verteld de patiënt tevoren over de mogelijke complicaties.

Een aantal complicaties is:

1. Arterioveneuze fistel

2. Hematurie

3. Proteïnurie

4. Infectie
1p ■■■ 48 Welke van de bovenstaande complicaties kunnen optreden als gevolg van een nierbiopsie?

A 1 en 3


B 1, 2 en 3

C 1, 2 en 4

D 2, 3 en 4

Bij renale afwijkingen kunnen Glomerulaire en Tubulaire afwijkingen worden onderscheiden.

Twee beweringen met betrekking tot tubulaire afwijkingen zijn:
1 Stoornissen van de Tubulaire functie kunnen aanleiding geven tot alkalose.

2 Stoornissen van de Tubulaire functie worden gekenmerkt door een proteïnurie van ten hoogste 5 gram per etmaal.


1p ■■■ 49 Welke bewering(en) is(zijn) juist?

A beide beweringen zijn juist

B bewering 1 is juist

C bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist

Er blijkt bij deze patiënt sprake van een membraneuze glomerulopathie.

Twee beweringen met betrekking tot membraneuze glomerulopathie zijn:
1 Bij Membraneuze Glomerulopathie worden bij lichtmicroscopie in de glomerulaire basaalmembraan subendotheliale deposities gevonden.

2 Membraneuze glomerulopathie kan optreden als complicatie van een kwaadaardige ziekte.


1p ■■■ 50 Welke bewering(en) is(zijn) juist?

A beide beweringen zijn juist

B bewering 1 is juist

C bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist


Casus chronische nierinsufficiëntie
Een 58-jarige man is bekend met chronisch vaatlijden. Zo heeft hij twee maal een myocard infarct doorgemaakt en is hij bekend met hypertensie op basis van een nierarteriestenose beiderzijds. In de loop der jaren heeft hij, als gevolg van deze stenosen, een nierinsufficiëntie ontwikkeld, waarbij hij nu aan dialyse toe is. Bij echografie wordt een tweetal kleine nieren gezien (8 cm).
1p ■■■ 51 Van welke vorm van nierinsufficiëntie is hier sprake?
A Prerenale nierinsufficiëntie

B Renale nierinsufficiëntie

C Postrenale nierinsufficiëntie

Als gevolg van de nierinsufficiëntie kan er een aantal afwijkingen optreden in de samenstelling van het bloed.


Een aantal afwijkingen is:

1. Verhoogd fosfaat

2. Verhoogd calcium

3. Verlaagd hemoglobine

4. Verlaagd kreatinine
1p ■■■ 52 Welke van de bovenstaande afwijkingen passen bij nierinsufficiëntie?

A 1 en 3


B 1, 2 en 3

C 1, 2 en 4

D 2, 3 en 4

Bij chronische nierinsufficiëntie kunnen een aantal factoren van belang zijn bij de versnelde achteruitgang van de nierfunctie.


Een aantal factoren is:

1. Voortduren van de nierziekte

2. Overbelasting overgebleven nefronen

3. Bloedarmoede

4. Hypertensie
1p ■■■ 53 Welke van de bovenstaande factoren speelt geen rol bij versnelde achteruitgang van de nierfunctie?

A 1


B 2

C 3


D 4

U besluit de patiënt te gaan dialyseren. Hierbij moet de keuze gemaakt worden tussen hemodialyse en peritoneaal dialyse. Een student doet hierbij de volgende beweringen:


1 Bij hemodialyse vindt het transport van "gifstoffen" van het bloed naar het dialysaat plaats als gevolg van diffusie.

2 Bij peritoneaal dialyse vindt het transport van water van het bloed naar het dialysaat plaats als gevolg van convectie.


1p ■■■ 54 Welke bewering(en) is/zijn juist?

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist

De patiënt vraagt zich af hoe de vooruitzichten van de dialyse op lange termijn zijn. Dezelfde student doet hierover de volgende beweringen.


1 Bij dialyse patiënten is de kans op cardiovasculaire problemen veel groter dan bij mensen die geen nierziekte hebben.

2 Hemodialyse kan gepaard gaan met zowel hoge als lage bloeddruk.


1p ■■■ 55 Welke bewering(en) is/zijn juist?

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist

De patiënt overweegt het ondergaan van een niertransplantatie. Een kennis heeft een aantal uitspraken gedaan over transplantatie:


1 Niertransplantatie biedt een vergelijkbare kwaliteit van leven in vergelijking met dialyse.

2 Na 6 tot 12 maanden dient de afweerremmende medicatie te worden gestaakt.


1p ■■■ 56 Welke bewering(en) is/zijn juist?

A beide beweringen zijn juist

B alleen bewering 1 is juist

C alleen bewering 2 is juist

D beide beweringen zijn onjuist

Casus: Hartfalen


Je kent mevrouw S. (36 jaar) al vele jaren met een gedilateerde cardiomyopathie. Ze heeft haar huishoudelijke werk steeds normaal kunnen verrichten en genoot ook van haar wekelijkse badmintonavond. Nu meldt ze zich met dyspneu. Je vermoedt hartfalen.
2p □□□ Da Noem twee belangrijke mechanismen die het haar mogelijk maakten om, ondanks haar gedilateerde cardiomyopathie, de genoemde activiteiten tot nu toe toch zonder klachten uit te oefenen.
Patiënte geeft aan dat de kortademigheid twee weken geleden is ontstaan.
3p □□□ Db Noem 3 factoren die hartfalen kunnen uitlokken.

Je neemt de behandeling van een 56 jarige, blanke, mannelijke patiënt over van een collega in een andere stad. De gegevens uit het archief van de collega zijn nog niet gearriveerd. Patiënt zelf zegt dat hij hartfalen heeft. De medicatie die hij gebruikt is hiermee in overeenstemming.

Vier oorzaken van hartfalen zijn:

1. hypertensie

2. cardiomyopathie

3. hartinfarct in verleden

4. klepafwijking
1p ■■■ 57 Welke oorzaak van hartfalen is, als je de frequentie van voorkomen in ogenschouw neemt, de meest waarschijnlijke voor deze patiënt?

A oorzaak 1

B oorzaak 2

C oorzaak 3

D oorzaak 4

De heer P., 72 jaar bezoekt het spreekuur voor een rijbewijskeuring. Bij lichamelijk onderzoek hoor je een systolisch geruis.

Vijf klepafwijkingen zijn:

1. aortaklepstenose



  1. 2. mitralisklepinsufficiëntie

3. mitralisklepstenose

  1. 4. pulmonalisklepinsufficiëntie

  2. 5. tricuspidalisklepstenose

1p ■■■ 58 Welke klepafwijkingen kunnen de oorzaak zijn van een systolisch geruis?

A de afwijkingen 1 en 2

B de afwijkingen 1 en 3

C de afwijkingen 2 en 4

D de afwijkingen 3 en 5


Omdat de heer P, bij navragen, ook dyspneu bij traplopen blijkt te hebben acht je onderzoek gewenst naar de samenhang van zijn klacht en het geruis. Je verwijst hem naar de cardioloog.
1p ■■■ 59 Welk aanvullend onderzoek zal de meeste informatie opleveren?

A ECG


B lichamelijk onderzoek door de specialist

C echo-dopplercardiogram

D thoraxfoto
Naast de heer P. woont de 52 jarige, Turkse mevrouw T. bij wie vorig jaar een mitralisklepstenose is vastgesteld. Zij heeft als kind acuut reuma doorgemaakt.
3p □□□ Dc Beschrijf in maximaal 60 woorden het hemodynamische gevolg van deze klepafwijking.

Johan S., 26 jaar en al enige tijd bekend met een matig ernstige aortaklepstenose (gradient 75 mmHg) vertelt bij de laatste controle dat hij bij fietsen tegen de wind in een drukkend gevoel op de borst ervaart. Je interpreteert dit als angina pectoris.


4p □□□ Dd Beschrijf in maximaal 50 woorden hoe een aortaklepstenose angina pectoris kan veroorzaken.

In het beleid t.a.v. hartfalen staan het “zekerstellen van de diagnose” en het “opsporen van de oorzaak” op de eerste en tweede plaats.

Als mogelijke redenen hiervan noemen studenten:

1. hartfalen heeft goede prognose na behandeling



  1. 2. behandeling van hartfalen is noodzakelijk

  2. 3. sommige oorzaken van hartfalen zijn op te heffen

  3. 4. de oorzaak heeft invloed op de aard van de behandeling



1p ■■■ 60 Welke redenen zijn juist?

A de redenen 1, 2 en 3

B de redenen 1, 2 en 4

C de redenen 1, 3 en 4

D de redenen 2, 3 en 4

Een groot Europees onderzoek (EUROHEART SURVEY) heeft aangetoond dat veel patiënten met hartfalen binnen 3 maanden na een ziekenhuisopname voor behandeling, opnieuw worden opgenomen.


1p ■■■ 61 Welk percentage van de patiënten betreft dit?

A 10%


B 20%

C 40%


D 60%

Casus: Diagnostiek bij hartfalen


Je bezoekt mevrouw W, 63 jaar. Ze is recent in een particulier rusthuis opgenomen om te herstellen van een heupoperatie. Je kent haar nog niet. De verpleegkundige heeft gemeld dat patiënte ’s nachts erg kortademig is. Je bezoekt haar in het rusthuis. Je wilt de diagnose hartfalen stellen of juist uit kunnen sluiten.

Vijf methoden van onderzoek zijn:

1. Voorgeschiedenis en huidige klacht

2. ECG en lichamelijk onderzoek

3. Voorgeschiedenis, huidige klacht, lichamelijk onderzoek, thoraxfoto

4. Lichamelijk onderzoek, ECG, thoraxfoto

5. Voorgeschiedenis, huidige klacht, lichamelijk onderzoek
1p ■■■ 62 Welke methode is, in het geval en situatie van Mevr. W., de juiste voor het stellen of uitsluiten van de diagnose hartfalen?

A methode 1

B methode 2

C methode 3

D methode 4

E methode 5


Bij mevrouw W. heb je de waarschijnlijkheidsdiagnose hartfalen gesteld. Je hebt inmiddels ook de beschikking over een ECG.
3p □□□ De Noem 3 bevindingen van het ECG die behulpzaam zijn bij het opsporen van de oorzaak van hartfalen.
Je laat bij Mevr. W. nu ook bloed afnemen voor onderzoek. De uitslag van dit onderzoek kan helpen bij het opsporen van de oorzaak / uitlokkende factor van haar hartfalen maar ook een belangrijke uitgangswaarde geven bij het instellen van therapie.
1p ■■■ 63 Welke bepaling(en) vraag je aan als je vooral geïnteresseerd bent in de oorzaak van hartfalen?

A electrolyten en kreatinine

B Hb gehalte (meet bloedarmoede) en TSH (meet schildklierfunctie)

C O2 gehalte van arteriële bloed

D CO gehalte van arteriële bloed

Peter B, 26 jaar loopt elk weekend hard, samen met zijn vrienden. Hij kan redelijk goed meekomen maar moet vaker rusten dan de anderen. Hij heeft een geringe dilatatie van de linker ventrikel overgehouden na een myocarditis en zijn linker ventrikel ejectiefractie is met 50% ook wat verlaagd.


1p ■■■ 64 Met welke objectieve onderzoeksmethode kan zijn prestatievermogen het beste gevolgd worden in de tijd?

A echo-dopplercardiogram

B anamnese en lichamelijk onderzoek

C inspanningstest met VO2 meting

D stress echocardiogram

Casus Cardiomyopathie en Myocarditis

Het echtpaar V. heeft 3 zoons, van 18, 14 en 9 jaar. Ze hebben een gesprek aangevraagd en willen over de kinderen praten. Bij de oudste zoon is recent een cardiomyopathie vastgesteld. Je hebt het verslag van de bevindingen van de cardioloog net ontvangen. Je bereid je voor op het gesprek door punten op te schrijven waarover je informatie moet hebben. Als eerste punt schrijf je erfelijkheid op.


3p □□□ Df Noem 3 andere punten waarover je in het gesprek informatie wilt krijgen.

Robert is de zoon die van de cardioloog gehoord heeft dat hij een cardiomyopathie heeft. Meetgegevens, met echo-doppler, aan een hart kunnen zijn:

1. Een grote linker ventrikel dimensie

2. Een normale of kleine linker ventrikel dimensie

3. Een normale LV wanddikte

4. Een toegenomen LV wanddikte

5. Een dynamische obstructie

6. Een verwijde uitstroombaan

7. Altijd een mitralisklepinsufficiëntie

8. Nooit een mitralisklepinsufficiëntie


2p ■■■ 65 Welke combinatie van meetgegevens is juist voor een gedilateerde en een hypertrofische cardiomyopathie?





Gedilateerde cardiomyopathie

Hypertrofische cardiomyopathie

A


1 en 3

2 en 4

B

3 en 5

4 en 6

C

1 en 5

2 en 6

D

3 en 7

4 en 8

Marion G. van 16 jaar wordt vanuit een perifeer ziekenhuis overgeplaatst naar het academisch ziekenhuis. Zij heeft een Reuscel-myocarditis. Deze ziekte kan zeer fulminant verlopen: snel progressief hartfalen. Er is nog geen therapie om de oorzaak weg te nemen.


3p □□□ Dg Wat zullen de gevolgen zijn als ondersteunende medicatie geen resultaat heeft?

Beschrijf het verloop in maximaal 30 woorden.


Casus Plotse dood en ritmestoornissen bij hartfalen.


Je krijgt bericht uit het ziekenhuis dat je patiënt, de heer P, 63 jaar, op straat is gereanimeerd, gelukkig met succes. Je weet dat hij vorig jaar een groot myocardinfarct heeft doorgemaakt waarna hij zijn werk als accountant niet meer kan doen. Patiënt gebruikt als medicatie een ACE-remmer, diuretica en een beta blokker.

Je bezoekt patiënt P in het ziekenhuis. Hij geeft aan zich goed te voelen en is met name niet kortademig. Van het voorval op straat herinnert hij zich niets en als je informeert naar de behandelingsplannen blijkt ook zijn korte geheugen nog gestoord te zijn. Hij weet niet meer wat de cardioloog vanochtend heeft uitgelegd. Zijn buurman heeft echter meegeluisterd en vult aan dat hij een elektrisch kastje zal krijgen.


2p ■■■ 66 Welke behandeling kan de cardioloog hebben genoemd?

A een interne cardioverter defibrillator (ICD)

B een pacemaker en een stent in de ramus descendens anterior

C een ICD en/of pacemaker

D een stent in de ramus descendens anterior

De buurman van de heer P. wil ook zijn eigen probleem nog wel even aan je kwijt en vertelt dat hij atriumfibrilleren heeft.


2p □□□ Dh Noem 2 principes waarop de behandeling van deze ritmestoornis is gericht.

Casus Aspecten van zorg voor de patiënt met hartfalen.


Je treedt, als huisarts, toe tot een groepspraktijk. In deze praktijk zijn ook twee verpleegkundigen werkzaam die een ondersteunende taak vervullen bij de zorg voor de chronisch zieken. Je wilt nagaan of zij ook kunnen helpen bij de behandeling van jouw patiënten met hartfalen. Je vraagt hen ten aanzien van welke punten zij de hartfalen patiënt instrueren.

3p □□□ Di Geef 3 antwoorden die de verpleegkundigen moeten geven willen zij je kunnen helpen bij de behandeling van patiënten met hartfalen.

Over de zorg voor patiënt met hartfalen worden vier beweringen gedaan:

1. Alleen de cardioloog kan hartfalen behandelen

2. De huisarts kan alle patiënten met hartfalen volledig behandelen


  1. De cardioloog kan nagaan of andere dan medicamenteuze therapie geïndiceerd is.

  2. De hartchirurg is in staat om de meeste patiënten met hartfalen definitief te behandelen.

2p ■■■ 67 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3

D bewering 4




Casus Harttransplantatie

Mieke van G., 18 jaar, heeft 2 maanden geleden een harttransplantatie ondergaan. Vandaag wordt een hartbiopt genomen, daarna wordt ze door de cardioloog onderzocht en wordt een echo-dopplercardiogram gemaakt.

Als gevolg van het nemen van een hartbiopt kunnen complicaties optreden. Vier reeksen van mogelijke complicaties na het nemen van een hartbiopt zijn:

A bloeduitstorting, pneumothorax, darmperforatie

B zenuwbeschadiging, perforatie vena cava,

C bloeduitstorting, perforatie rechter ventrikel, shunt naar coronairvat, beschadiging tricuspidalisklep

D shunt naar coronair vat, beschadiging tricuspidalisklep, darmperforatie

2p ■■■ 68 Welke is de meest volledige en meest juiste reeks?

3p □□□ Dj Geef aan wat het verschil in informatie is, geleverd door het hartbiopt en het echo-dopplercardiogram.

Mieke heeft 2 maanden geleden een harttransplantatie ondergaan.

2p ■■■ 69 Waardoor wordt haar overleving na transplantatie vooral bepaald?

A de operatieprocedure, afstoting en maligne ziekten

B afstoting, nierinsufficiëntie virusinfecties

C maligne ziekten, afstoting, coronaire vaatziekte

D nierinsufficiëntie maligne ziekten, pulmonale hypertensie

Bij de heer C., 52 jaar is net de diagnose gedilateerde cardiomyopathie gesteld. Deze diagnose werd gesteld na onderzoek dat verricht werd naar aanleiding van het vinden van een linker bundeltakblok op het ECG. Dit ECG was onderdeel van de jaarlijkse bedrijfskeuring bij de brandweer. Patiënt is erg geschrokken van de diagnose, wil zijn werk als brandweerman onmiddellijk staken en verzoekt je hem direct naar een harttransplantatie centrum te verwijzen, hij wil een donorhart.
Over de handelingen direct na zijn verzoek worden vier beweringen gedaan:


  1. Je adviseert hem de medicijnen die de cardioloog heeft geadviseerd nauwkeurig in te nemen en maakt direct een afspraak voor hem bij het harttransplantatie centrum

  2. Je adviseert hem de medicijnen die de cardioloog heeft geadviseerd nauwkeurig in te nemen en legt hem uit dat transplantatie nog niet aan de orde is

  3. Je maakt direct een afspraak voor hem bij het transplantatie centrum en overlegt met de bedrijfsarts

  4. Je maakt direct een afspraak voor hem bij het transplantatie centrum

1p ■■■ 70 Welke bewering geeft de juiste reactie na het verzoek?


A bewering 1

B bewering 2
C bewering 3

D bewering 4

De heer C. is het niet met je eens. Hij vraagt je je handelwijze te motiveren.


2p □□□ Dk Geef twee argumenten voor je handelswijze.

Casus Leefregeladviezen bij hartfalen


Mevrouw D, 72 jaar, heeft al jarenlang hypertensie. De medicatie die je haar voorschreef heeft ze meestal niet ingenomen. Haar dochter, die verpleegkundige is, belt je met de mededeling dat moeder hartfalen heeft en dat ze haar al geadviseerd heeft toch haar ACE-remmer weer te gebruiken. Je bezoekt patiënte en moet de dochter gelijk geven. Mevrouw D. is kortademig en heeft oedeem van de onderbenen. Je schrijft een diureticum voor.
1p ■■■ 71 Hoe kun je zorgen dat de dosis van het diureticum zo laag mogelijk

blijft?


A natriumbeperkt dieet adviseren

B dosis van de ACE-remmer verhogen

C frequente kleine maaltijden met extra kalium

D de bloeddruk vaker controleren

Twee buren, mannen van 63 jaar, ontwikkelen beide hartfalen na een myocardinfarct. Buurman A. was accountant, had kantoor aan huis, verzamelde postzegels en bracht zijn vakanties door op een Spaans strand. Buurman B. was postbode, bracht brieven rond per fiets, voetbalde met zijn kleinzoons en wandelde in de vakantie in de Oostenrijkse bergen. Na het infarct zijn de linker ventrikel ejectiefracties van beide mannen gelijk, ook de grootte van de ventrikels is gelijk. Geen van beide heeft rest ischaemie.

2p ■■■ 72 Is er een uitspraak te doen over welke buurman de meeste lichamelijke

klachten heeft? Zo ja, welke buurman is dat?

A ja, buurman A heeft de meeste lichamelijke klachten


B ja, buurman B heeft de meeste lichamelijke klachten

C nee, de beide buurmannen hebben evenveel lichamelijke klachten

D nee, over de lichamelijke klachten van de buurmannen kan je geen uitspraak doen.
Casus epidemiologie en maatschappelijke aspecten
Vier beweringen over de frequentie van hartfalen in de Nederlandse bevolking zijn:


  1. Hartfalen komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen

  2. De leeftijdsspecifieke opnamecijfers door hartfalen zijn de afgelopen 20 jaar vrijwel niet veranderd

  3. De leeftijdsspecifieke opnamecijfers door hartfalen nemen sterk toe tot ongeveer 75-jarige leeftijd en blijven daarna stabiel

  4. Het aantal personen dat jaarlijks overlijdt ten gevolge van hartfalen bedraagt ongeveer 25.000

2p ■■■ 73 Welke bewering is juist?

A bewering 1

B bewering 2

C bewering 3
D bewering 4

Van vier factoren wordt beweerd dat zij een rol spelen bij de toename van hartfalen. Deze vier factoren zijn:



  1. een afnemend geboortecijfer

  2. uitstel van sterfte

  3. uitstel van ouderdomsgebreken

  4. een toenemende incidentie van coronaire hartziekten

2p ■■■ 74 Welke van deze factoren speelt een rol bij de verwachte toename van hartfalen in Nederland in de 21e eeuw?

A factor 1

B factor 2

C factor 3

D factor 4

Incidentie en prevalentie kunnen dalen en stijgen.

2p ■■■ 75 Welk samenspel van stijgende en/of dalende incidentie en prevalentie heeft de afgelopen jaren de epidemiologie van hartfalen gekenmerkt?





Incidentie

prevalentie

A

dalend

dalend

B

dalend

stijgend

C


stijgend

dalend

D

stijgend

stijgend

De ‘dubbele vergrijzing’ vormt een van de oorzaken van een toenemende frequentie van hartfalen in Nederland.


2p □□□ Ea Wat wordt bedoeld met ‘dubbele vergrijzing’?

2p □□□ Eb Leg in maximaal 30 woorden het verband uit tussen de dubbele vergrijzing en de frequentie van hartfalen



Een andere oorzaak van de toenemende frequentie van hartfalen in Nederland is de toename van de ‘cardiovasculaire kwetsbaarheid’ van de bevolking.
2p □□□ Ec Wat wordt bedoeld met de cardiovasculaire kwetsbaarheid?







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina