Terreinwinst



Dovnload 0.55 Mb.
Pagina3/27
Datum06.12.2017
Grootte0.55 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

Oorzaken

De landbouwmarkt is extreem complex met grote verschillen tussen deelstaten, fluctuerende dagprijzen, invloedrijke lobby’s van rijke boeren bij de centrale regering, verkiezingsbeloftes van populisten aan arme boeren, pressie van rijke landen en internationale organen en corruptie op alle niveaus. Verder vertoont het overvloedige cijfermateriaal van de Indiase overheid en wetenschap hiaten en is het soms tegenstrijdig, waardoor het lastig is een scherp beeld te krijgen. Toch valt er wel degelijk een algemene tendens waar te nemen. Devinder Sharma, expert op het gebied van landbouwpolitiek, geeft die zo weer: “Nu de invoerquota voor landbouwproducten aan het verdwijnen zijn, of al niet meer bestaan, is India een open terrein voor goedkope voedselimporten geworden. In het afgelopen decennium zijn zij al verviervoudigd en de steeds grotere importen vernietigen verkoopmogelijkheden voor Indiase boeren. Behalve wat loze praatjes verkopen voor de bühne doet de overheid geen moeite de landbouwsector te beschermen. Terwijl zij heel goed weet dat invoer van voedsel gelijk staat aan invoer van werkeloosheid, kijkt de regering gewoon de andere kant op.” 15

Ook Food First, een organisatie die zich intensief bezig houdt met de voedselvoorziening in Zuidelijke landen komt tot de conclusie dat de “politieke wil iets te doen aan de voortdurende armoede” op het Indiase platteland “tanend” is.16
Het is niet voor niets dat Indiase suikerfabrieken hun boeren een veel lagere prijs bieden dan de afgelopen jaren. De wereldmarktprijs ligt namelijk erg laag. De lokale groothandels moeten voor Indiase suiker ongeveer 13 roepie per kilo neertellen, terwijl de wereldmarktprijs nog slechts de helft bedraagt.17 Nu importheffingen en importquota langzaam maar zeker tot het verleden behoren, ligt het voor de hand dat groothandelaren steeds meer buitenlandse suiker aankopen en dat Indiase fabrieken met hun voorraden blijven zitten.

De wereldmarktprijs voor suiker is sinds 1980 met 75 procent gedaald. Ook voor andere producten daalden de afgelopen twintig jaar de prijzen fors: voor tarwe 40 procent, katoen 60 procent, rijst 70 procent en koffie 85 procent. De prijzen van soja, maïs, thee, rubber, kokosolie en palmolie zakten eveneens. Slechts enkele producten zoals tabak en hout hebben hun waarde niet verloren.18 De oorzaak van de bijna algemene prijsdaling op de wereldmarkt is overproductie nu de Zuidelijke landen zich en masse zijn gaan richten op export.




Toename ondervoeding

De honger in India neemt toe. Dat is het meest alarmerende signaal dat er iets grondig verkeerd gaat. In 1971 leed ongeveer 6 procent van de bevolking honger; dat wil zeggen deze mensen kregen minder dan 1900 kilocalorieën per dag binnen. In 1997 was dit percentage opgelopen tot ruim 13; meer dan een verdubbeling! In datzelfde jaar leed meer dan 40 procent van de Indiase bevolking aan ondervoeding (minder dan 2400 kilocalorieën per dag). In 1992 had India verhoudingsgewijs meer ondervoede mensen dan de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. De helft van de kinderen onder de drie jaar was te mager en twintig procent veel te mager.19 Het is dan ook niet verwonderlijk dat er tientallen berichten in kranten verschenen van groepen mensen in verschillende deelstaten die letterlijk van de honger omkwamen.20+

Absoluut, maar ook verhoudingsgewijs, is er meer armoede en honger op het platteland dan in de stad. Terwijl ruim 40 procent van de stadsbevolking tot de armen gerekend moet worden, ligt dit percentage op het platteland op ongeveer 55.21 En armoede betekent in de Indiase situatie ondervoeding of honger, zelfs op het platteland waar het voedsel vandaan komt. De plattelandsarmen zijn boeren met weinig land van slechte kwaliteit zonder irrigatie. Zij zijn niet in staat voldoende te verbouwen om de pacht te betalen en hun gezin het hele jaar door te voeden. Verder gaat het om ‘landloze boeren’, dat wil zeggen: landarbeiders, seizoenwerkers zonder grond. Vooral vrouwen, kinderen, kastelozen (Dalits of onaanraakbaren) en inheemsen zijn armoedeslachtoffers.
Om hongersnood te voorkomen en om een einde te maken aan de vernederende voedselimporten uit de VS in de vijftiger en zestiger jaren, heeft de regering in 1965 de ‘Food Corporation of India’ (FCI) opgezet. Deze moest de productie van graan stimuleren en reservevoorraden aanleggen. Via de Groene Revolutie (nieuwe zaden met een hoge opbrengst, die echter veel irrigatiewater, kunstmest en bestrijdingsmiddelen vragen), subsidies aan boeren en kunstmestfabrieken, strikte regulering van import en export en gegarandeerde minimumprijzen voor tarwe en rijst, lukte het India inderdaad zelfvoorzienend te worden. Een probleem is echter dat de overheid zich concentreerde op Haryana en Punjab, deelstaten waar door de koloniale geschiedenis22 grotere boerenbedrijven zijn. Kleine boeren in de andere deelstaten profiteerden veel minder van de staatshulp en vaak ook niet van de officiële minimumprijzen.
De FCI kreeg een speciale onderafdeling, het ‘Public Distribution System’ (PDS), om basisvoedsel tegen lage, gesubsidieerde prijzen ter beschikking te stellen aan de bevolking. In haar topjaar verschafte de PDS een kleine 20 miljoen ton graan aan 80 miljoen mensen via 40.000 eigen winkels. Hoewel de PDS inderdaad hongersnood heeft weten te voorkomen, ging er het nodige mis. Door wanbeleid, bureaucratie en corruptie kwam veel graan (lees: geld) in verkeerde zakken terecht.23+ In 1992 en opnieuw in 1997 reorganiseerde de overheid de voedseldistributie. Om de kosten te drukken, zoals de Wereldbank dat eist, richt de nieuwe distributieorganisatie zich uitdrukkelijker dan voorheen op mensen die extra arm zijn. De dienst heet nu dan ook TPDS, Targeted PDS. Deze beperkte groep krijgt echter nog maar tien kilo graan per familie per maand, tegen vroeger 70 kilo. Een huishouden van vijf mensen kan hier een dag of vier mee vooruit.

Omdat de FCI in een paar deelstaten graan bleef opkopen dat onder de gegarandeerde minimumprijs dreigde te zakken, raakten haar graanopslagplaatsen propvol. In 2002 deed zich de tragische situatie voor dat de FCI 65 miljoen ton graan had liggen, terwijl 400 miljoen mensen iedere avond hongerig naar bed gingen. De voorraad was voldoende om al deze armen tien maanden van graan te voorzien. Om de voorraden te verminderen exporteerde de Indiase overheid in de periode april 2002/juni 2003 17 miljoen ton graan, in plaats van het uit te delen aan de armen. De combinatie van de ijzeren greep van IMF/Wereldbank en de harteloosheid van de Indiase elite blijkt monsterlijke resultaten te leiden.24+






1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina