The One-Dimensional Hand



Dovnload 165.3 Kb.
Pagina1/5
Datum21.08.2016
Grootte165.3 Kb.
  1   2   3   4   5


The One-Dimensional Hand

-Het gebruik van Smith’s invisible hand in moderne economische literatuur-

ERASMUS UNIVERSITY ROTTERDAM
Erasmus School of Economics

Department of Economics


Supervisor: R.M. Verburg
Name: S.J. van Dalen

Exam Number: 313863

E-mail: sebastian.van.dalen@gmail.com

Inhoudsopgave
Inleiding 03
Hoofdstuk 1 Adam Smith’s invisible hand

1.1 History of Astronomy 04

1.2 The Theory of Moral Sentiments 05

1.3 An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations 06

1.4 Historische achtergrond 07

1.5 Moral Philosophy 08

1.6 Randoorwaarden 10

1.7 Conclusie 11

Hoofdstuk 2 Marktwerking vs overheidsingrijpen


    1. Beknopt overzicht 13

2.2 Marktfalen 14

2.3 Game Theory 18

2.4 Problemen in het publieke keuzedomein 19

2.5 Conclusie 21

Hoofdstuk 3 De invisible hand in moderne teksten

3.1 Herintrede van de Invisible Hand 23

3.2 Smith en de neoliberalen 24

3.3 Conclusie 28

Hoofdstuk 4 Gevolgen van de veranderde randvoorwaarden

4.1 Sociale structuur 29

4.2 Economische structuur 30 4.3 Juridische structuur 30

4.4 Psychic Balm 31
Conclusie 33
Literatuurlijst 35

Inleiding
Adam Smith wordt gezien als de grondlegger van de moderne economie, maar tijdens mijn studie is hij vrij minimaal behandelt. De algemene invulling van mijn studie is er een die past binnen een kapitalistisch systeem, met de nadruk op de werking van de markt. Het is deze werking van de markt waar Smith veelvuldig mee in verband wordt gebracht, met als stokpaardje Smith’s invisible hand. Zelfs op de middelbare school had ik al van deze term gehoord, maar de daadwerkelijke passages waarin Smith deze invisible hand gebruikt zijn niet uitvoerig behandelt. Dit terwijl Smith soms als “vader van de moderne economie” wordt bestempelt.

Adam Smith wordt met name in verband gebracht met de rol van de markt in het uitwerken van de allocatieve problemen van een samenleving.1 Bekend als voorstander van de vrije markt ten opzichte van overheidsingrijpen wordt hij soms in het hokje van laissez-faire kapitalisme geplaatst. Dat Smith—ongeacht zijn precieze voorkeuren—een belangrijke plek in de economische wetenschap heeft staat buiten kijf, maar in hoeverre schuilt in zijn werk nog iets van waarde voor de tijd waarin wij nu leven? Smith schreef zijn werken immers meer dan 200 jaar geleden.

Tijdens mijn studie heb ik me vaak verbaasd over de eenzijdigheid van het grootste gedeelte van mijn verplichte vakken. Het eerste en tweede jaar stond vrijwel altijd in het teken van modellen die aantonen dat vrije marktwerking optimale resultaten genereert. Bepaalde voorwaarden werden wel behandelt, maar ondanks het feit dat zulke voorwaarden vaak compleet onrealistisch leken—zoals bijvoorbeeld de afwezigheid van transport kosten—bleef de boodschap toch hetzelfde: de markt werkt wonderen. Een van die wonderen is de “invisible hand” die de acties van alle individuen naar een optimale sociale uitkomst leidt. Met mijn scriptie wil ik dan ook onderzoeken waar dit idee vandaan komt en wat precies de voorwaarden zijn voor het goed functioneren van de markt.

Met deze vragen in het achterhoofd kom je dus al snel uit bij Adam Smith. Gezien het feit dat Adam Smith voor een deel als grondlegger van dit gedachtegoed gezien wordt, is het interessant om hem als startpunt te nemen. Wat zei Smith precies over de invisible hand en wat was zijn kijk op het spanningsveld tussen marktwerking en overheidsingrijpen. Vervolgens wil ik onderzoeken in hoeverre deze invisible hand zichtbaar is gemaakt binnen de economie. Kortom in hoeverre is het bewezen dat de vrije markt het optimale middel is om economisch verkeer te geleiden. Gezien het feit dat er nog steeds veel controverse over marktwerking is wil ik daarna behandelen hoe de invisible hand na Smith gebruikt is en in hoeverre Smith’s randvoorwaarden nog van toepassing zijn in de moderne tijd. Om uiteindelijk de hoofdvraag te kunnen beantwoorden:


In hoeverre is het geloof in de invisible hand gerechtvaardigd?

Deze scriptie zal uit vier deelvragen bestaan. (1) Op wat voor manier heeft Adam Smith de invisible hand gebruikt? (2) Hoe zijn de randvoorwaarden voor het functioneren van de invisible hand uitgewerkt? (3) Hoe is de invisible hand na Adam Smith gebruikt? (4) Hoe zijn door verloop van tijd de randvoorwaarden verandert? Om vervolgens in de conclusie de hoofdvraag te kunnen beantwoorden.



Hoofdstuk 1

-Adam Smith’s invisible hand-


Inleiding

In de economische literatuur zijn de meningen over de importantie van de invisible hand verdeeld. Waar sommigen het zien als slechts een metafoor voor onvoorziene en onbedoelde consequenties die uit acties volgen, zien anderen het als een daadwerkelijk mechanisme dat feilloze resultaten genereert. Het debat over de invisible hand gaat vaak over wat er daadwerkelijk in de echte wereld te observeren is. Bestaat er een invisible hand, of zelfs zoiets als een invisible hand systeem. Maar net zo vaak gaat het over wat nou de bedoeling was van Smith. Zo wordt voorstanders van een invisible hand doctrine verweten dat ze iets wat als metafoor bedoeld was tot mythe verheven hebben en ze Adam Smith voor hun geloof misbruiken. Terwijl zij die het slechts als metafoor zien verweten wordt dat ze de mogelijkheden van de overheid overschatten. Een interessant debat, omdat het gaat om een belangrijke bouwsteen van de moderne economie—de markt.

Als startpunt van dit debat wordt Adam Smith genomen, al was hij niet de eerste die de term invisible hand gebruikte. Zodoende begin ik deze scriptie met een overzicht van de passages in Smith’s werk waarin de term invisible hand voorkomt. Om uit te leggen hoe een auteur iets bedoelt is het ook noodzakelijk te kijken naar de grotere lijnen in zijn werk. Een passage in een tekst kan niet los gezien worden van de bredere context waarin het gebruikt is. Een overzicht van wat Smith bedoelde is dus alleen te maken wanneer de context, evenals de tijd, waarin het begrip gebruikt is ook aan de orde komt. Ik behandel eerst de specifieke passages waar Smith de invisible hand gebruikt heeft, om vervolgens zijn bredere analyse van de mens en het handelen van de mens onder de loep te nemen. Zodoende krijgen we een beter beeld van de plaats die de invisible hand inneemt in Smith’s werk.

1.1 History of Astronomy
In Adam Smith’s gepubliceerde werk komt de term invisible hand slechts driemaal voor, een keer in History of Astronomy, eenmaal in The Theory of Moral Sentiments en vervolgens ook nog eenmaal in zijn meest bekende werk An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. (Samuels 2011: 30) Ik behandel eerst kort het gebruik in History of Astronomy, omdat de term hier geen economische relevantie heeft. Wel is het interessant om te zien in welke context Smith hier gebruik maakt van de invisible hand.

In History of Astronomy wordt de term gebruikt om aan te geven dat primitieve volken voor onverklaarbare gebeurtenissen een goddelijke verklaring hadden. Of in Smith’s woorden: “For it may be observed, that in all Polytheistic religions, among savages, as well as in the early ages of heathen antiquity, it is the irregular events of nature only that are ascribed to the agency and power of the gods. Fire burns, and water refreshes; heavy bodies descend, and lighter substances fly upwards, by the necessity of their own nature; nor was the invisible hand of Jupiter every apprehended to be employed in those matters.(Smith 1795: III.2, 49-50) Het gaat hier om de onzichtbare hand van Jupiter, die slechts aanwezig was bij onverklaarbare gebeurtenissen in de gedachten van polytheïstische en antieke heidenen. De onzichtbare hand is hier dus niets meer dan een metafoor voor goddelijke interventie in de normale gang van zaken. Iets wat volgens Smith een logische stap van de hersenen is, als de link tussen oorzaak en gevolg onduidelijk is. In plaats van chaos, creëert het brein de meest logische verklaring die op dat moment voorhanden is. Wat bij gebrek aan wetenschappelijk inzicht al snel neerkomt op een goddelijk iets. (Samuels 2011: 30-31)

Op die manier proberen de hersenen de fantasie tot rust te brengen, die bij het ontbreken van een zichtbare link tussen oorzaak en gevolg, hier een onzichtbare link voor in de plaats creëert. De gevonden link werkt als “psychic balm” en in de zoektocht naar waarheid neemt het brein de meest logische verklaring als waar aan. Hoe beter iets verklaart is, hoe kalmer de psyche kan worden. Het was dit zoeken naar een beter verklarende werkelijkheid die als rode draad in Smith’s werk gezien kan worden.

In deze passage zit geen enkele economisch relevante verwijzing, daarom zal ik deze invisible hand van Smith, niet verder behandelen. Al is het interessant om in het achterhoofd te houden dat Smith hier dus de invisible hand als een niet bestaand iets ziet. Een verzonnen entiteit die slechts dient om de mens gerust te stellen, wanneer die de werkelijke link tussen oorzaak en gevolg niet kan bevatten.


1.2 The Theory of Moral Sentiments
In The Theory of Moral Sentiments schrijft Smith: “The rich only select from the heap what is most precious and agreeable. They consume little more than the poor, and in spite of their natural selfishness and rapacity, though they mean only their own conveniency, though the sole end which they propose from the labours of all the thousands whom they employ, be the gratification of their own vain and insatiable desires, they divide with the poor the produce of all their improvements. They are led by an invisible hand to make nearly the same distribution of the necessaries of life, which would have been made, had the earth been divided into equal portions among all its inhabitants, and thus without intending it, without knowing it, advance the interest of the society, and afford means to the multiplication of the species” (Smith 1790: IV.I.10). Het gebruik van de invisible hand in deze passage is wederom metaforisch en heeft duidelijk een economische inslag.

In dit deel, deel IV, van Theory of Moral Sentiments, behandelt Smith eerst de kwestie van nut en waarde. Meer specifiek zegt hij dat men meer waarde hecht aan de geschiktheid van een middel om een doel te bereiken, dan het uiteindelijk bereiken van het doel. Met als voorbeeld een persoon die zijn klok voor vrijwel niks verkoopt, omdat deze een klein beetje te traag loopt. “The sole use of watches however, is to tell us what o'clock it is, and to hinder us from breaking any engagement, or suffering any other inconveniency by our ignorance in that particular point. But the person so nice with regard to this machine, will not always be found either more scrupulously punctual than other men, or more anxiously concerned upon any other account, to know precisely what time of day it is. What interests him is not so much the attainment of this piece of knowledge, as the perfection of the machine which serves to attain it.”(Smith 1790: IV.I.5). Hij heeft het over wat mensen drijft tot handelen en dat dit streven niet altijd rationeel te verklaren is.

Mensen leveren grote inspanningen om een bepaald doel te bereiken, of bepaalde objecten te vergaren, inspanningen die bij nadere reflectie buitensporig lijken. Zo is volgens Adam Smith het streven naar materiële vooruitgang vaak buitensporig, omdat de uiteindelijke opbrengst niet altijd in goede verhouding staat tot de opoffering. Maar juist dit streven zo stelt Smith is de reden van de vooruitgang van de mens. “It is this deception which rouses and keeps in continual motion the industry of mankind. It is this which first prompted them to cultivate the ground, to build houses, to found cities and commonwealths, and to invent and improve all the sciences and arts, which ennoble and embellish human life; which have entirely changed the whole face of the globe, have turned the rude forests of nature into agreeable and fertile plains, and made the trackless and barren ocean a new fund of subsistence, and the great high road of communication to the different nations of the earth”(Smith 1790: IV.I.10)

Vervolgens argumenteert Smith, dat dit begeren naar meer en beter, niet noodzakelijkerwijs resulteert in een alles consumerende landlord, een alles verspillende “rich man”. Het oog is immers groter dan de maag en de rijken maken een verdeling, die vrijwel gelijk is aan de verdeling die zou ontstaan als de aarde in gelijke stukken verdeeld was. De landlord moet immers de mensen die zijn waarde creëren en die dus afhankelijk van hem zijn wel iets geven in ruil voor hun werk. Hij koopt als het ware hun afhankelijkheid door in hun behoeften, te voorzien. Dit komt door de manier waarop de wereld en ook de mens in elkaar zit. Smith ziet hier de natuurwetten aan het werk, wetten uit de natuurlijke wereld waar de mens met zijn verstand kennis van kan opdoen. Volgens Smith ligt god ten grondslag aan de natuurlijke wereld waarin wij leven en dit is de reden dat bepaalde natuurlijke driften de mens in de juiste richting duwen.



Om zijn redenatie kracht bij te zetten gebruikt Smith de metafoor van onzichtbare hand, die de landlord “without intending it, , without knowing it” het nut van de maatschappij laat nastreven. Een gevolg wat dus onbedoeld en onvoorzien is. De landlord heeft immers niet als intentie om een gelijke verdeling tot stand te laten komen: “It is to no purpose, that the proud and unfeeling landlord views his extensive fields, and without a thought for the wants of his brethren, in imagination consumes himself the whole harvest that grows upon them. (Smith 1790: IV.I.10) Maar de omstandigheden, dwingen hem als het ware tot het delen van zijn overvloed. Hij heeft de arbeiders nodig voor de komende jaren en als hij hen niets geeft, zal ook zijn eigen maag uiteindelijk leeg zijn. Deze zienswijze past bij een in vele opzichten pre-industriële samenleving, waar mensen nog sterk afhankelijk zijn van meer lokale machtsverhoudingen en ook de landlord veel meer aan zijn lokale omgeving gebonden is.
1.3 An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations
De derde en laatste keer dat Adam Smith in zijn gepubliceerde werk de term invisible hand hanteert komt uit An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations—zijn meest bekende werk—veelal afgekort tot the Wealth of Nations. Hier schrijft Smith: “But the annual revenue of every society is always precisely equal to the exchangeable value of the whole annual produce of its industry, or rather is precisely the same thing with that exchangeable value. As every individual, therefore, endeavours as much as he can both to employ his capital in the support of domestic industry, and so to direct that industry that its produce may be of the greatest value; every individual necessarily labours to render the annual revenue of the society as great as he can. He generally, indeed, neither intends to promote the public interest, nor knows how much he is promoting it. By preferring the support of domestic to that of foreign industry, he intends only his own security; and by directing that industry in such a manner as its produce may be of the greatest value, he intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. Nor is it always the worse for the society that it was no part of it. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it. I have never known much good done by those who affected to trade for the public good. It is an affectation, indeed, not very common among merchants, and very few words need be employed in dissuading them from it.”(Smith 1776: IV.2.9).
Ook hier gaat het weer om onbedoelde en onvoorziene consequenties, waardoor je een invisible hand aan het werk zou kunnen zien. Zijn zichtbare hand, zijn eigen wil, streeft slechts zijn eigen gewin na. Omdat hij zoveel mogelijk winst voor zichzelf wil hebben, investeert hij bij voorkeur in de meest winstgevende projecten. “As every individual, therefore, endeavours as much as he can both to employ his capital in the support of domestic industry, and so to direct that industry that its produce may be of the greatest value” Smith gebruikt hier “therefore” omdat hij in het betoog voor deze passage argumenteert dat binnenlandse sectoren niet beschermd hoeven te worden om zo het kapitaal van de inwoners aan te trekken. Omdat een zakenman immers de veiligheid van investeren in binnenlandse productie, prefereert boven een onzekere opbrengst in buitenlandse productie. Hij heeft namelijk in het buitenland geen zicht op zijn kapitaal, kent de industrie niet evengoed als in het binnenland en heeft geen ervaring met de specifieke wetten van dat land. Hij heeft er dus in het binnenland meer kijk op en kan ook meer druk uitoefenen om het resultaat behaald met zijn kapitaal te maximaliseren. Zo zal het kapitaal van elk individu noodzakelijkerwijs grotendeels binnenlands in de meest winstgevende projecten geïnvesteerd worden, wat als consequentie heeft dat de totale winst in de maatschappij maximaal is. Een onbedoeld gevolg, wat tot stand komt door de manier waarop individueel zelfbelang, het nastreven van winst, in relatie staat tot het algemeen nut.

De invisible hand geeft ook hier verbale kracht aan het argument dat acties onvoorziene en onbedoelde gevolgen kunnen hebben. Door bepaalde omstandigheden kan dus een negatief iets als het streven naar zelfbelang resulteren in een positief iets. Al wordt het als slechte eigenschap gezien het eigen gewin na te streven het feit dat dit gebeurt zorgt voor een optimale jaarlijkse opbrengst. Hierdoor staan zelfbelang en totale opbrengst dus positief met elkaar in verband, ook al is dit niet het doel van het individu. Smith heeft het niet over het nut van iedereen, maar spreekt slechts over de relatie van de individuele acties van handelaren met de “annual revenu of the society”. Een relatie die voortvloeit uit de context waarin gehandeld wordt. Wanneer de randvoorwaarden juist zijn, hoeven acties genomen uit “self-love” of “self-interest” dus niet per se schadelijk te zijn voor anderen. En het zijn juist deze randvoorwaarden die Smith probeerde bloot te leggen en die vaak in latere teksten achterwege zijn gelaten als in de 2e helft van de 20e eeuw de roep om marktwerking en privatisering steeds sterker wordt. Want om het invisible hand argument goed te begrijpen is het noodzakelijk goed te kijken naar de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het ontstaan van een positief resultaat.


1.4 Historische achtergrond

De tijd van Smith, 1723 – 1790, werd gekenmerkt door sterke technologische vooruitgang, die economische vooruitgang voor een steeds groter deel van de bevolking mogelijk maakte. De stijgende productiecapaciteit en bijbehorende daling van de kosten van goederen zorgde er voor dat mensen het vooruitzicht hadden om de armoede te kunnen ontstijgen. Dit was voor Smith dan ook een belangrijke reden om te onderzoeken hoe dit het beste mogelijk was.“His main concern was to promote the availability of goods, which made a decent life possible for all.” (Muller 1993: 58) Het idee dat de mens zou mogen streven naar materiële welvaart was relatief nieuw, gezien het feit dat de grote intellectuele tradities in Europa tot de 18e eeuw dit streven verwierpen op basis van godsdienst of op basis van een veronderstelde immoraliteit van het handeldrijven met winstoogmerk.

Dominante intellectuele tradities stamden of af van het idee van de goede maatschappij van de klassieke Grieken, of hadden een sterk religieuze grondslag. De kerk stelde over het algemeen dat stoffelijke welvaart slechts als afleiding van het hogere doel op aarde –het hiernamaals, diende en zodoende de zonde in de hand hielp. Ook in de klassiek Griekse denkwijze zou handelen corruptie in de kaart spelen en het deugdelijke leven verhinderen.2 Verder veronderstelden de meeste klassieke denkers tot de 18e eeuw dat de materiële welvaart van de aarde een vast gegeven was. Zodoende was er geen manier om er zelf op vooruit te gaan, zonder dat een ander er noodzakelijkerwijs op achteruit zou gaan. Waardoor het streven naar meer welvaart een immorele handeling werd. Het beleid van de meeste Europese landen ten tijde van Smith vloeide voort uit het principe dat de materiële welvaart van de wereld vast stond. Wat bij de meeste naties leidde tot een sterk protectionistisch beleid om productie in het eigen land te garanderen en zo de accumulatie van goud en zilver mogelijk te maken. Dit goud en zilver was volgens de Mercantilisten de ware vorm van welvaart. Handel met een ander land werd als nadelig voor het eigen land gezien en in sommige gevallen zelfs als verraad, of oorlogsactie ervaren.

Tegen dit mercantiele systeem met hoge importheffingen en grote subsidies voor verschillende binnenlandse sectoren probeerde Smith met zijn redenatie in the Wealth of Nations een omkeer in beleid teweeg te brengen. Sterk beïnvloed door de franse Fysiocraten, die ook kritiek hadden op het Mercantilistische beleid in hun eigen land. Smith reisde van 1764 tot 1766 door Frankrijk en raakte zo bekend met hun ideeën.

(Jerry Z. Muller, 1993, 24-25)

Maar hij had zowel op de Fysiocraten als de Mercantilisten kritiek, omdat beide stromingen volgens hem de bron van welvaart verkeerd inschatten. Zowel goud en zilver accumulatie, wat de mercantilisten als bron van welvaart zagen, als het vergroten van de agrarische sector, wat de fysiocraten als bron van welvaart zagen, waren volgens Smith niet de reden van de welvaart van een land. Wat wel de bron van welvaart is behandelt Smith in “An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations”, de titel zegt het eigenlijk al. Zowel de Fysiocraten als de Mercantilisten zagen het streven naar zelfbelang als een negatief iets wat spanning met het nationaal belang opleverde. Het was hier waar Smith een omslagpunt teweegbracht door aan te tonen dat in veel gevallen de individuen zelf veel beter kunnen inschatten wat in hun en uiteindelijk ook in het nationale belang is. Een idee al eerder behandelt door Bernard Mandeville, waar Smith het echter niet geheel mee eens was.3

Smith stelde dat als bepaalde sectoren te veel bevorderd of ontmoedigd worden het kapitaal op onnatuurlijke wijze in deze sectoren stroomt en dus inefficiënt ingezet wordt, wat de kapitaalaccumulatie van de totale economie afremt en dus het nationaal belang schaadt. Een vrije markt zou de individuen daar de investeringen laten doen, waar ze uiteindelijk ook een positieve uitwerking zouden hebben op het algemeen nut. In deze redenatie speelde de invisible hand een rol. Smith toonde aan dat het mogelijk was om zelfbelang meer in overeenkomst met het grotere belang te laten zijn. Zodoende kon een individuele actie met slechts het nut van het individu voor ogen, in de juiste banen geleid door de instituties die invloed op hem uitoefenen, resulteren in een algeheel positief resultaat. Omdat Smith begreep dat dit niet voor iedereen makkelijk te begrijpen was, probeerde hij zijn argument kracht bij te zetten door het gebruik van de invisible hand.


1.5 Moral Philosophy

Adam Smith was geen econoom zoals wij dat tegenwoordig kennen, hij hield zich bezig met wat hij zelf noemde “Moral Philosophy”, een term waar hedendaagse psychologie, filosofie, economie, sociologie, politieke wetenschappen en recht binnen vallen. (Wight 2007: 343) Adam Smith deed in zijn werk onderzoek naar hoe handelen tot stand komt, beïnvloed door verschillende factoren, met als uitgangspunt innerlijke driften die in een samenspel met omgeving en opvoeding tot uiting komen als acties. Jonathan B. Wight vat Smith’s kijk op deze innerlijke driften in zijn essay “The Treatment of Smith’s Invisible Hand” als volgt samen.

Een mens handelt volgens zijn natuurlijke, ultiem van god afstammende, instincten. Deze instincten kun je indelen in drie categorieën. De zelfzuchtige passies, de sociale passies en de onsociale passies. De zelfzuchtige passies houden zich bezig met het eigen welzijn, zoals de drift tot zelfbehoud, bevrediging van lichamelijke lusten en de drang naar persoonlijke prestaties. De sociale passies dienen er toe dat men nut ontleend aan het welzijn van anderen, zoals goedwillendheid, affectie en vrijgevigheid. Ondanks het feit dat Smith de zelfzuchtige passies als de meest krachtige zag, schreef hij de sociale passies wel meer waarde toe dan veel andere filosofen uit zijn tijd. “How selfish soever man may be supposed, there are evidently some principles in his nature, which interest him in the fortune of others, and render their happiness necessary to him, though he derives nothing from it except the pleasure of seeing it.” (Smith 1790: I.I.1). Dan zijn er nog de onsociale passies zoals haat en afkeer die nut ontlenen aan de negatieve welvaart van anderen, deze passies dragen er aan bij dat de mens het recht en de onschuldigheid beschermt. Als men immers niet haatdragend zou kunnen zijn, zou men ook geen straffen kunnen uitvoeren, waardoor het hele rechtssysteem in gevaar komt. Deze drie passies zijn de motieven van de mens volgens Smith, waarvan de eerste de meest krachtige is.

Maar menselijk handelen komt niet alleen tot stand vanwege deze passies, menselijk handelen komt tot stand door het samenspel van passies, geweten, reflectie, de wil om tot op zekere hoogte bij anderen in de smaak te vallen en instituties zoals de kerk, familie en de markt. Het is dan zaak om daar waar mogelijk de instituties zo te vormen dat het nastreven van de “selfish passions”, die de sterkste motivaties van individueel handelen zijn, leidt tot het nut van allen. Hiervoor hoeven de individuen niet te weten hoe ze precies bijdragen aan het algemeen nut, deze consequenties van individueel handelen zijn vaak, zo niet altijd, een onbedoeld en onvoorzien gevolg.

Het was dus geenszins Smith’s opvatting dat de mens door alleen zijn “selfish passions” te volgen automatisch ook een positief effect op de welvaart van de gehele economie zou hebben. De voorwaarden die zorgen dat hij geleid wordt door een invisible hand zijn talrijk en als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan is het vrij eenvoudig mogelijk dat er binnen de samenleving een conflict van interesses ontstaat. Als het zelfbelang namelijk niet op zodanige wijze wordt gestuurd dat het automatisch aan het algemene nut bijdraagt, kan de onzichtbare hand vrij makkelijk mensen leiden tot handelen wat schadelijk is voor anderen en eventueel zelfs voor zichzelf.


Als belangrijke voorwaarde voor vooruitgang ziet Smith de vrijheid van de mens. Als er sprake is van een afhankelijkheid van slaaf op meester, of van boer op feudaal heerser, is de welvaart kleiner dan in een vrijere samenleving. In een economie met meer persoonlijke vrijheid kan de markt de rol van behoeftevoorziening vervullen. Door arbeidsdeling is het mogelijk om een rijker leven te leiden als “arme” arbeider in een rijke samenleving dan als koning in een arme samenleving. Een voorbeeld wat Smith gebruikt in the Wealth of Nations, vlak nadat hij over arbeidsverdeling en bijbehorende voordelen het volgende gezegd heeft.

It is the great multiplication of the productions of all the different arts, in consequence of the division of labour, which occasions, in a well-governed society, that universal opulence which extends itself to the lowest ranks of the people. Every workman has a great quantity of his own work to dispose of beyond what he himself has occasion for; and every other workman being exactly in the same situation, he is enabled to exchange a great quantity of his own goods for a great quantity, or, what comes to the same thing, for the price of a great quantity of theirs. He supplies them abundantly with what they have occasion for, and they accommodate him as amply with what he has occasion for, and a general plenty diffuses itself through all the different ranks of the society.”(Smith 1776: I.1.10)

Deze arbeidsdeling kwam volgens Smith niet tot stand door wijsheid of beleid, maar door de sterkste van de menselijke passies, het streven naar zelfbelang. “This division of labour, from which so many advantages are derived, is not originally the effect of any human wisdom, which foresees and intends that general opulence to which it gives occasion. It is the necessary, though very slow and gradual, consequence of a certain propensity in human nature which has in view no such extensive utility; the propensity to truck, barter, and exchange one thing for another.”(Smith 1776: II.1.1). Hier, net zoals in vele andere voorbeelden ziet Smith hoe een natuurlijk gegeven instinct, kan leiden tot de vooruitgang van het gehele menselijke ras. Zonder dat dit de intenties zouden moeten zijn van de individuen die slechts uit zelfbelang handelen.

Omdat de consequenties van het meeste handelen vaak onbedoeld en onvoorzien zijn, is het mogelijk dat een actie vier verschillende gevolgen kan hebben. Want al zal een persoon nooit een actie ondernemen met als doel zichzelf pijn te doen, hij kan niet altijd goed inschatten wat het gevolg van zijn actie is. Zodoende kan hij zelfs handelend uit puur zelfbelang, een negatief effect voor zichzelf genereren. Een actie kan dus met het oog op respectievelijk zichzelf en de maatschappij, slecht-slecht, slecht-goed, goed-slecht en goed-goed uitpakken. Het is dit laatste gevolg waar men naar moet streven, door de instituties die van invloed zijn op het menselijk handelen op zodanige wijze vorm te geven, dat acties genomen uit zelfbelang uitmonden in algemeen nut. Om op die manier de kracht van het natuurlijke instinct te kunnen oogsten.




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina