The year of the cat 2



Dovnload 24.18 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte24.18 Kb.
THE YEAR OF THE CAT 2
Over de manier waarop Z. mij bij de dierenarts voor schut zette praat ik net zo min als over zijn naam. Maar vlak daarna was Z. opeens een volledig andere kat geworden. Nog wel een met een oranje vacht, een opvallende, rode dwarsstreep en een veel te grote snor, maar niet meer de omnipotente bal van bont en spieren die zijn dagen vulde met het kleineren van dat deel van de mensheid dat onder de naam P.J.D. Smit door het leven moet. Hij kwam die ochtend met moeite overeind, had kleine ogen en zwalkte over de vloer. Ik schatte hem in op zeven marguerita's, met een paar biertjes vooraf. Toen hij na een paar wankele stappen in een onvrijwillige zijwaartse beweging terecht kwam deed ik er nog een calvadosje bij. Voor het poezendeurtje viel hij om.

"Kop op, kerel! Zolang je languit op de vloer kan liggen zonder je ergens aan vast te houden ben je niet dronken."

Z. keek me van tussen zijn oogspleetjes aan. Ik begon mij solidair te voelen.

"Gewoon doorgaan, kameraad! Opgeven kan altijd nog. Je linkervoorpoot op je neus leggen en dan in een rechte lijn naar voren. Op naar de eeuwige overwinning!"

Z. worstelde zich omhoog. Hij veegde met zijn linkerpoot over zijn snuit en viel opnieuw om. Ik keek hem even verbaasd aan en liep naar de keuken om warme melk te maken.
Later die ochtend hoorde ik op de radio wat er aan de hand was. Overal in het land waren katten ziek geworden na het eten van kattenbrokjes. Iedereen werd opgeroepen de brokjes in de originele verpakking te laten en naar de winkel terug te brengen. De aankoopkosten zouden worden vergoed.

"Jaja," mompelde ik. "En je bent meteen je bewijsmateriaal kwijt."

Dat het in werkelijkheid precies zo ernstig was bleek nog diezelfde middag. Katten stierven bij tientallen, honderden waren geheel verlamd en duizenden konden hun achterpoten niet meer bewegen. Een radiowagen reed door de straat. Uit de megafoon klonk een klaaglijk miauwen, gevolgd door enkele minuten indringend geschetter.

"Ala, ala! Nieba ava stota! Nieba ava stota havoe! Doe mahoe wava sleve zoma! Nieba ava stota! Ra nezama nie beza!"

De auto reed stapvoets verder. Af en toe kwam een vrouw een huis uit om te vragen wat er aan de hand was. Uit de bewegingen en de uitdrukkingen op de gezichten maakte ik op dat de chauffeur van de radiowagen het ook niet precies wist, en dat hij alleen maar was ingehuurd als boodschapper van slecht nieuws.
Hoe slecht dat nieuws was bleek uit het televisiejournaal. Dat opende met het beeld van een overvolle wachtkamer van een dierenarts, en de tekst: "de wachtkamers van dierenartsen zijn overvol." Terwijl de nieuwslezer een zak brokjes voor zich op tafel zette keek ik naar Z. Die zat achter de kachel, met een hoge rug. Hij ademde zwaar en onregelmatig. Naar de dierenarts gaan had geen zin. Die zaten toch overvol. Afwachten dus maar. Ik liep naar de keukenkast, pakte de zak brokjes en zette die bij het chemisch afval. De volgende dagen stonden de kranten vol katten. Rijen katten in het mortuarium van een dierenbegraafplaats. Katten in mandjes bij dierenartsen. Katten die meegedragen werden bij een stille fakkeloptocht langs het Catshuis. Na de tocht gaf een woordvoerder van de kattenbrokjesfabriek een persconferentie. Zijn woorden waren geruststellend bedoeld, maar halverwege versprak hij zich en was er, volgens de kranten, sprake van 'de langste oorverdovende stilte uit de vaderlandse geschiedenis.'

Zijn verspreking bleek overigens correct. De toestand van Z. verbeterde niet. Hij at nauwelijks, dronk af en toe een paar druppels melk en lag achter de kachel te ademen. Pas na een week kwam hij in beweging. Met kleine stapjes en een hoge rug strompelde hij naar de wand. Daar liet hij zich trillend door zijn achterpoten zakken. De rest van de dag bleef hij zo zitten, met open ogen en zijn neus op een duimbreedte afstand van het blauwgeverfde hout. Ik schudde mijn hoofd. Zouden zo beschavingen ten onder gaan? Van de Romeinen wordt beweerd dat ze een manier hadden gevonden om jam te bewaren door de potten met lood af te sluiten. Gevolg was een massale loodvergiftiging, die juist de bovenlaag van de bevolking trof, met de ineenstorting van het Romeinse Rijk als gevolg. Zouden die Romeinen op een dag collectief hun stoelen en ligbanken naar een blinde muur hebben gedraaid en de strijd om het bestaan verder voor gezien gehouden hebben?


Z. kwam in beweging toen ik het eigenlijk niet meer verwachtte. Hij liep nog steeds houterig, als een met bont beklede Meccano-kever. Wel leek zijn rug iets minder bol te staan. Toen Z. klaaglijk miauwde maakte ik een blikje voor hem open. Hij at een paar kleine hapjes en strompelde naar de buitendeur. Ik liet hem uit. Toen hij het stoepje afkroop schatte ik de kans dat hij ooit nog zelfstandig het poezenluikje zou kunnen gebruiken op nul. Tijd om mij verder om hem druk te maken werd mij niet gegund. Een marketingbureau wilde een onderzoek laten doen naar de kansen voor speciaal bejaardenvoedsel, in blikjes met gebruiksvriendelijke sluiting en voorzien van extra kalk, vitaminen, een snufje Viagra en een smaakje dat aan tijden van weleer herinnerde. Of ik daar wat namen voor wilde bedenken, voorzien van een voor de opdrachtgever aansprekende motivatie en een wervend stukje tekst voor op het wikkel. Uiteraard moest ik er rekening mee houden dat de doelgroep dan wel hoogbejaard was, maar absoluut niet als zodanig wenste te worden aangesproken. Het moest dus gaan om vrijheid en genieten, korte kooktijden waardoor er meer tijd overbleef voor dingen als sport, theaterbezoek, actieve doe-vakanties en dergelijke.
Altijd wanneer ik denk een makkelijke opdracht te hebben, loopt het uit op een drama. Ook dit keer. Het leek een klassiek geval van kat in het bakkie, maar het werd een strafexcercitie door de Vallei des Doods. Overdag probeerde ik uit alle macht om mij in de denkwereld van vitale gepensioneerden in te leven. Eeuwleeuwen, stamoudsten, grijze panters, surfers op de golven van de tijd, fully qualified survivors die Magere Hein grijnzend een loer draaiden en daarna uitgebreid gingen spotten met de wetten van ouderdom en aftakeling. Ik concentreerde mij op coast to coast in campers door Amerika crossende senioren, die na de rit nog wat gingen joggen om de eetlust op te wekken en de kostelijke lichaamssappen eens lekker door te laten stromen. Maar 's nachts droomde ik van een Monty Python-sketch, waarin de eigenaar van een bejaardenwinkel een klant te woord staat die ontevreden is omdat zijn pas aangeschafte bejaarde een dode indruk maakt.

"This old chap I just bought here is dead! The only reason it's standing straight is because it's kneecaps are rusty!"

"No sir, no sir, it's not dead! It's dreaming of days gone by! It might even be lost in stormy visions! Visions of the Whitbread Race or something like that!"

Ik verzon van alles, maar wat door mijn hoofd bleef spoken was de merknaam Omaatjelief, een foto van een tandeloze, opengesperde mond en de tekst: Hap, slik en weg: ja, met Omaatjelief is bejaarden voeren kinderwerk. Kerngezond én ouderwets lekker! Bovendien bespaart u tijd en tandartskosten, want... dat akelige kauwen hoeft niet meer! In handige blikken, nu tijdelijk met spaarzegels voor korting op een rollator. Toen de deadline binnen eenvoudig bereik was gekomen had ik niet meer genoteerd dan:

Hapkla

Vita Ranger



Easybite (Meer levenstijd met easybite!)

Daar kon ik niet mee aan komen. Ik hoorde de valbijl al neersuizen, en stelde mij een langzame guillotinering voor: eerst de linkerhand, dan de rechter, gevolgd door mijn voeten in een volgorde die mij niet is bijgebleven. Voor ik naar de presentatie ging nam ik een extra stevige Americano. Het hielp niet. In de lift naar de vijfde verdieping besloot ik glorieus ten onder te gaan. Ik joeg een streep door de drie produktnamen en krabbelde het Omaatjelief-concept eronder. Toen ik de lift uitstapte keek ik eerst waar de nooduitgang was. Daarna ging ik het presentatiezaaltje van marketingbureau Spanendonk & De Wit binnen.


Een uur later stond ik weer op straat. Een clown die een doodsmak maakt en onder een orkaan van gejuich naar de eerste hulp wordt gedragen zal zich niet veel anders gevoeld hebben.

"Een eye-opener! Dat we dit niet zelf gezien hebben! Reality sells! Alleen die visual met die open mond, dat moest wat meer op standard operational bullshit-niveau gebracht worden. Anders gaan supermarkten die blikjes misschien op minder in het oog lopende plaatsen zetten, en dat kost omzet. Een decent hoofd moet erop, het modellenbureau wordt vanmiddag nog ingeschakeld. Denk je om je rekeningetje? Doe er maar wat bovenop, zo in de grootte van een reisje van een maand naar zo'n eiland in een of ander Caraibisch gebied. Eind volgende maand moet Superman weer terug zijn, want dan hebben we Superman weer nodig. Bedankt!"


Pas toen ik, over de dijk fietsend, mijn huis zag liggen zakte het rumoer in mijn hoofd weg. Voor het eerst in een week zag ik Z. weer. Hij zat bewegingloos op de stam van de afgezaagde kastanjeboom. Ik moest aan de leeuwen denken die van de Londense South Bank over de Thames uitkijken, en die 160 jaar geleden gemaakt zijn van een soort beton dat onverslijtbaar blijkt, maar waarvan de fabriek het recept niet meer weet. Vlak voor ik van de dijk naar beneden fietste werd ik ingehaald door een motorkoerier. Uit de zijtassen staken halzen van champagneflessen. Mijn laatste beetje twijfel over de oprechtheid van de marketingmannen verdween. Bij de boomstronk stopte ik om te zien hoe Z. het maakte. Ik bewoog mijn hand voor zijn ogen heen en weer. Hij keek mij uitdrukkingloos aan. Ik haalde mijn arm naar achteren, balde mijn vuist en liet die tot vlakbij zijn neus naar voren schieten. Hij reageerde niet. Mijn buurman kwam over het pad aanlopen.

"Leeft dat beest nou of niet?"

Ik haalde mijn schouders op.

"Hij heeft van dat voer gegeten."

"Dat voer dat de zenuwbanen blokkeert? O, vandaar. Ik dacht al: dat beest zit daar al een week zonder een vin te verroeren."

We keken naar Z.

"Dit stond bij mij voor de deur. Ik dacht, het is een fles, dus het zal wel voor jou zijn."

Mijn buurman gaf mij een houder met een fles champagne erin.

Aan de hals zat een envelop. Ik gokte op een vliegticket, maar maakte de envelop nog niet open.

"Tevreden klanten?"

Ik knikte.
De fles was niet van marketing. Hij was van mijn uitgever. In de envelop zat een briefje. Mijn manuscript zou niet in druk verschijnen. Om mij met dit harde feit te verzoenen was gekozen om de mededeling van een goede fles vergezeld te laten gaan. Even stond ik bewegingloos. Niet verschijnen? Het contract was al getekend, aan het omslag werd gewerkt en vorige maand had ik de drukproeven gecorrigeerd. Mijn keel werd hard. Ik trok de kurk uit de fles en nam een flinke slok. Zo goed is die fles niet, dacht ik. Dus misschien komt mijn boek toch nog uit. Dit geruststellende idee bleek beperkt houdbaar. Het inzicht dat ik met driekwart liter halfzoete bubbeltroep was afgescheept leidde tot een onwillekeurige armbeweging. Ik wilde de fles nog tegenhouden, maar dat had alleen maar tot gevolg dat hij, in plaats van tegen de muur van het huis in scherven te slaan, met een flauwe boog dwars door het raam van mijn werkkamer vloog. Ik keek om. Mijn buurman stond op het tuinpad en keek terug. Hij was te ver om iets van zijn gezicht te kunnen lezen. Ik stak mijn hand op en liep door. Op het stoepje voor de voordeur stonden twee flessen. Aan de hals van de linker zat een envelop. Er zat een vliegticket in naar Cuba, met de groeten van marketingbureau Spanendonk en De Wit. Ik trok de fles open en proefde. Deze champagne was wel echt. En niet zo'n beetje ook. Verdorie, wat was deze champagne goed.
Toen ik, terug uit Havana, vanuit de taxi mijn huis zag keek ik of Z. weer was opgedoken. Hij zat niet op de boomstronk. Hij zat ook niet aan de slootkant, onder de heg of onder het kastanjebosje. Toen de chauffeur naast het huis stopte hoorde ik de telefoon. Ik stak mijn hand door de gebroken ruit en nam op, in de veronderstelling dat het iemand van Spanendonk en De Wit zou zijn. Het was de secretaresse van mijn uitgever.

"Bent u daar eindelijk," zei ze.

Mijn antwoord werd niet afgewacht.

"Ik probeer u al veertien dagen te bellen. Wij hebben u namelijk een fles champagne toegestuurd en u hebt niets van zich laten horen. Helemaal niets!"

Ik kon even niets uitbrengen.

"En wij hebben nog wel nieuws voor u. Het boek gaat toch door, er is zelfs al een optreden in een tv-programma voor u geregeld. U bent toch de bedenker van Omaatjelief, dat klopt toch?"

"Ja," zei ik.

"Hebt u het nieuws niet gevolgd de afgelopen week? Bent u soms met vakantie geweest?"

"Ja."

"O, zit het zo. Maar dan hebt u de fles misschien nog niet open gemaakt. Zou u hem terug willen sturen? Nu het boek toch doorgaat is..."



"Hij is leeg."

"Leeg? Echt waar?"

"Ja."

"O. Nou, daar is dan niets meer aan te doen. Komt u vanmiddag om drie uur naar de uitgeverij? De opnamen voor het televisieprogramma worden hier vlak om de hoek gemaakt. Uw redacteur loopt even met u mee."



"Drie uur," zei ik, en hing op.
De kranten stonden inderdaad vol. Omaatjelief had het land in tweeën gespleten. Direct nadat de eerste reclameposter was verschenen had het klachten geregend. Ouderen uit de leeftijdsklasse vlak onder de doelgroep waren razend. Jongeren vonden het prachtig: bijna alle posters waren al de eerste dag uit de vitrines gestolen. Organisaties van verpleegkundigen vonden het produkt op zich uitstekend. Hoe eerder de blikken op de markt komen, hoe liever het ons is, zei een woordvoerster, die het verder nog had over "drie keer per dag voeren, dat vreet tijd'. Wel vond ze de naamkeuze wat ongelukkig. Iets als Easybite had haar passender geleken. Een tv-presentatrice op jaren had de campagne het werk van een weerzinwekkende, zieke geest genoemd, een psychische melaatse die het verdiende om de rest van zijn jaren met een ratel over de zandpaden van Oost-Groningen te dolen. De commissaris van de koningin van Groningen was daar boos over geworden en eiste excuses. De vrouw die model had gestaan voor de poster was ondergedoken. Ze had een kort geding aangespannen en eiste dat het contract ongedaan werd gemaakt. Dat geding diende vanmiddag.
Voor de opnamen werd afgesproken dat de presentatrice mij zou aankondigen als de auteur van het binnenkort te verschijnen boek "Op Apengapen", een boek waarin ik afrekende met de mythe van de vrolijke oude dag. Nu ging het boek daar niet over, maar volgens mijn uitgever gaf dat niet.

"Zoiets geeft alleen maar nog meer publiciteit. Ik heb je manuscript nog niet gelezen, maar we leveren het onder embargo af, dus als de eerste het door heeft is de voorraad al uitverkocht. Op Apengapen wordt een seller! Ik voel het!"



In de studio kwam ik de jongens van Spanendonk en De Wit tegen. Ze sloegen mij op de schouder, riepen van alles over free publicity en zeiden dat ik de reistijd en de uren in de studio beslist in rekening moest brengen. Mijn uitgever - hij had zo'n belangrijk item niet aan een redacteur over willen laten en was zelf meegekomen - vond hen duidelijk een stel plurken. Ik mocht ze wel. Een uur later zaten we met zijn allen om een tafel. De eerste tien minuten kwam ik niet aan het woord. Er werden wel vragen aan mij gesteld, maar voor ik mijn mond open kon doen was mijn uitgever al aan het antwoorden. Uiteindelijk werd de opname stilgezet. Mijn uitgever moest mij laten praten. Zo niet, dan moest hij de zaal uit. Ik vermeed het om naar de kant waar mijn uitgever zat te kijken, en richtte mijn ogen daardoor automatisch naar het publiek. De voorste rijen zaten vol met vrolijke verpleegsters en grinnikende jongeren. Daarachter zaten woedende bejaarden. Op de hoek van de voorste rij zat een vrouw. Of ze vrolijk keek, dat weet ik niet. Ik zag alleen haar bontstola. Die was oranje. Halverwege liep een rode streep door het bont. Ik spande mijn ogen in en schatte het formaat van de gebruikte pels. De vrouw draaide zich half om. Ik kwam overeind, maar werd meteen weer in mijn stoel teruggedrukt. Uit de verte kwamen stemmen. De vrouw ging weer recht zitten. De stemmen om mij heen werden luider. Ik schudde mijn hoofd en boog naar voren.
De dagen die volgden kreeg ik veel post. Vrienden stuurden kranten waar ik in stond. Mijn uitgever schreef een brief. Bureau Spanendonk en De Wit stuurde nieuwe flessen champagne. Mijn moeder belde op en vroeg of ik dement was, dat had ze op de radio iemand horen zeggen. Ik keek de videoband van het programma dertig keer af, belde vergeefs met de studio en zette een advertentie waarin de vrouw met de rode bontstola werd verzocht om contact met mij op te nemen. Er werd niet op gereageerd.
Uiteindelijk besloot ik mij weer aan het schrijven te zetten. Ik bekeek mijn bankafschriften, zag ik dat ik mij de komende jaren niet ongerust hoefde te maken en kocht een nieuwe computer. Dat is nu een jaar geleden, maar ik heb geen letter op papier gekregen. Tijd genoeg, aan goede wil en werklust geen gebrek, maar ik kan die rode streep maar niet uit mijn hoofd krijgen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina