Thema 2: Naar een referentiekader voor onderwijskunde



Dovnload 456.5 Kb.
Pagina2/7
Datum23.08.2016
Grootte456.5 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Thema 4: Van een behavioristische visie op leren naar het ontwerpen van instructie (p. 62-102)


1. Voorlopers: de associatieleer

Het kernbegrip: associaties

Associatieleer: basis = theorieën van Aristotles, Locke, Berkeley en Hume



Engelse associanisten: maken er meer omvattende theorie van

Kernbegrip = associatie: “verbinding tussen twee psychische inhouden

= waarnemingen, gevoelens of eigen voorstellingen

Aanhangers: iemand iets leren door stimuleren van associaties tss psychische inhouden

!!! Begrip leren nauwelijks gebruikt -> filosofische opvatting -> empirische onderbouwing o.b.v. wetenschappelijk onderzoek ontbreekt meestal

Wetten bij ontwikkelen van associaties:



  1. Principe van de contiguïteit : A en B komen in tijd en/of ruimte gelijktijdig voor vb. citroen – zuur




  1. Principe van de gelijkheid : A en B lijken sterk op elkaar

vb. boter - margarine

  1. Principe van de contrasten: A en B verschillen extreem van elkaar

vb. winter - zomer

Zie bv. gebruikte materiaal bij aanleren vreemde talen

2. De basis voor het behaviorisme

Twitmeyer (1873-1943)

= Bezig met reflexologie -> kniepeesreflex (patellar reflex)



Voorstelling met klassiek Stimulus - Response schema:

Stimulus Organisme Respons

(Tik van hamer) (Knie) (Reactie van kniepees)

!!! Te sterke verrassingsreactie bij proefpersoon vermijden door belletje te rinkelen:

Stimulus Organisme Respons

(Tik van hamer) (Knie) (Reactie van kniepees)

Stimulus



(Belletje)

!!! Na # proeven rinkelt belletje, maar vergeet Twitmeyer te kloppen -> onderbeen gaat toch omhoog -> kniepeesreflex

Stimulus Organisme Respons

(Tik van hamer) (Knie) (Reactie van kniepees)





Stimulus

(Belletje)



Nieuwe stimulus (belletje) vervangt oude (tik met hamer)

= klassieke conditionereing: combineren en verbinden van 2 stimuli

Pavlov (1849-1936)

= Vader klassieke conditionering (Twitmeyer in de vergeetput )



Nobelprijs onderzoekswerk met honden

Stimulus-response keten:

Stimulus Organisme Respons

(Voedsel) (De muil van de hond) (Speekselreactie)

Merkte na observatie nog stimuli die gekoppeld zijn aan aanbieden van voedsel:

Stimulus Organisme Respons

(Voedsel) (De muil van de hond) (Speekselreactie)





Stimulus

(Openen van deuren, stappen, geluiden van potten)

3de schema: klassieke conditionering. 2 stimuli tegelijkertijd, maar na een poos volstaat enkel de 2de om zelfde oorspronkelijke reactie te krijgen = (Pavlov)reflex geworden

Stimulus Organisme Respons

(Voedsel) (De muil van de hond) (Speekselreactie)



Stimulus

(Openen van deuren, stappen, geluiden van potten)



Thorndike (1874-1949): het Connectisme

Deed veel dierproeven + veralgemeende zijn bevindingen naar de mens

Zijn bekendste is de proef met:

de kat in een kooi + de zalm buiten de kooi (zie p. 72 bovenaan)



4 wetten:



  1. Law of effect: wat volgt op uitgelokt gedrag heeft effect op aard van connectie tss stimulus en respons

    • positieve reactie na respons -> connectie versterkt

    • negatieve reactie na respons -> connectie verzwakt

!!! Aanvankelijk: pos en neg = gelijkwaardige invloeden op gedrag MAAR neg gevolgen niet altijd genoeg om frequentie van dat gedrag te verminderen

Latere auteurs: neg bekrachtiging -> ook leereffect, maar minder gewenst



  1. Law of readiness: lerenden verwerven makkelijker iets nieuws als ze er klaar voor zijn

    • bepaalt mate waarin S-R ketens aan elkaar kunnen worden gekoppeld



  1. Law of exercise: hoe meer de relatie tussen tss S en R wordt herhaald, hoe sterker ze wordt = law of use Law of disuse



  1. Associative shifting: reacties op een bepaalde S kunnen, indien voldoende herhaald, ook volgen op andere S, wanneer deze maar in kleine mate van de oorspronkelijke S verschillen.

= noodzaak om transfer van wat geleerd wordt expliciet uit te lokken

= krachtige basis voor gedragsmodificatie (Zie ook Skinner)



vb. Kinderen kunnen opp. van een rechthoek berekenen, maar daarom niet automatisch de opp. van een driehoek -> stimuli moeten worden aangepast: oorspronkelijk aangeboden stimulus = rechthoek -> moet worden verknipt tot driehoek (zie p. 72 onderaan)

Test jezelf met een korte tussenopdracht op p. 76: “Herken je de principes van de voorlopers van het behaviorisme in dit uittreksel van de roman “The brave new world” van A. Huxley (1932, p. 29-31)?

3. Skinner: de eerste behaviorist die behavioristische principes vertaalt naar een aanpak voor instructie



Situering

  • Voorlopers: klassieke conditionering Skinner: operante conditionering

  • Bekend door o.a.:

Skinner box

Geprogrammeerde instructie



Teaching machines

...


  • Theorie bouwt verder op Watson, Thorndike en Thurnstone

  • Opgang in jaren ’50 en ‘60

‘Leren’ volgens Skinner

Leren = het ontstaan van een observeerbare gedragsverandering

Innerlijke processen: nt ontkend, mr onvoldoende wetenschappelijk te bestuderen dus black box waarover niets te zeggen valt.

Consequentie (de reïnforcer of bekrachtiger) = wat volgt na de R = centraal -> dus niet S of R

Theorie van het operant leren: via bekrachtigers de frequentie van het optreden van een gedrag controleren.

-> Belangrijk principe: het versterken van het gewenste gedrag



Contingentieprincipe: Bekrachtiging moet systematisch en consequent na gewenst gedrag volgen

Bekrachtigers kunnen :



  • positief (aangenaam) of negatief (onaangenaam)

  • extrinsiek of intrinsiek (reeds positieve oriëntatie bij individu) zijn

Skinner = pro positieve bekrachtiging -> straffen heeft niet gewenste effect want gewenste gedrag wordt er niet door geleerd

Extinctie: het weglaten van positieve bekrachtigers dat leidt tot de afname van het minder gewenste gedrag

Shaping: een instructietechniek waarbij men gedrag dat enigszins in de richting van het gewenste gedrag gaat, onmiddellijk positief bekrachtigt. Bij een volgende stap worden hogere eisen gesteld aan het initiële gedrag vooraleer een positieve bekrachtiging wordt gegeven. Dit noemt men Successieve approximatie.

Te bereiken eindgedrag -> opgesplitst in kleine deelstappen -> bekrachtigt volgens vooraf vastgelegde bekrachtigingsschema’s

! Voor een schema bij Skinner zie p. 79 bovenaan



Visie op instructie

  • Instructie volgens Skinner

Instructie = het creëren van leeromgevingen die maximale kansen geven voor het leren van nieuw, gewenst gedrag

-> centrale rol: contingencies of reïnforcement:

- een situatie waarin het gedrag zich voordoet

- het gedrag zelf

- de consequenties van het gedrag (bekrachtigers/reïnforcers)

Volgorde opeenvolgende consequenties moet vastliggen

Bekrachtiging systematisch en consequent na gewenst gedrag (contingent)

Constructivistische aanpak: nadruk op ervaring lerenden = tijdverlies


  • Principes bij het ontwerpen van instructie

Procedure voor het ontwikkelen van instructie gebaseerd op de principes van Skinner:

    1. Omschrijf zo exact mogelijk het gewenste eindgedrag

    2. Observeer en/of beschrijf het initiële gedrag van elke lerende

    3. Taakanalyse: beschrijf een reeks gedragingen (initieel gedrag -> eindelijke gewenst gedrag) Elk volgend gedrag = kleine verandering t.o.v. het vorige.

    4. Leid de lerende (demonstraties, instructies, ... ) Geef pos bevestiging (vooraf bepaald per lln) bij gedrag dat in goede richting gaat.

    5. Bied snel feedback over mate van correctheid van het leren

    6. Einde van het leerproces: evalueer of lln nagestreefde leerdoelen bereikte

Verwante instructierichtlijnen van Skinner:



  1. Maak zowel vr lln als vr instructieverantwoordelijke duidelijk wat moet worden geleerd

  2. Onderwijs wat éérst komt

  3. Lln moeten aan hun eigen tempo studeren

  4. Programmeer de leerstof

Skinners instructiemodel:

  • strikte planning

  • operant leren

  • elk deel strikt gecontroleerd

  • geïndividualiseerde instructie: tempo + types of thinking

  • technische instrumenten= Teaching Machines

4. Enkele typische toepassingen van de behavioristische visie op leren in aanpakken voor instructie

Het formuleren van leerdoelen in termen van observeerbaar gedrag

Leerdoelen:

a. Voor behaviorisme:

- Beschreven in termen van leerstof, kennisinhouden

b. In de behavioristische visie:

- Expliciete en operationele formulering

- Concrete gedragsdoelen als uitgangspunt

- Sterke detaillering: concrete criteria (inhoudelijk en/of kenmerkend) om te bepalen of gewenste gedrag bereikt is



eindtermen: vrij algemeen + pas na lange periode verworven

Jaren ’50 en ’60: taxonomieën vr leerdoelen o.b.v. behavioristische visie

= ordeningssystemen -> leerdoelen beter structureren + aandacht verschillende dimensies behavioristen vb. Bloom, Brown, De Block, ...


  1. Gedragsdimensies: weten, inzien, toepassen en integreren

-> opeenvolgende gedragingen in leerproces

  1. Inhoudsdimensies: feiten, begrippen, relaties, structuren, methoden en attitudes

-> hiërarchische ordening in leerstof

  1. Transferbegrip (cf. Thorndike): leerdoelen = 1st vakspecifiek dan ruimer toepasbaar

Richtlijnen om tot operationele doelstellingen te komen volgens Mager :

  1. Beschrijf exact wat lln moeten doen om correct te handelen + geef aan hoe je kunt merken dat ze adequaat handelen.

  2. Identificeer het precieze ww dat het best verwachte gedrag aanduidt van de lln en specificeer ook onder welke condities zij dit gedrag moeten kunnen vertonen.

  3. Schrijf voor elk gedrag een afzonderlijk leerdoel

Mastery Learning (ML): J. Caroll & B. Bloom

- Focus = rekening houden met individuele verschillen tussen lerenden + het oriënteren en informeren van de lerende

- Bouwen voort op Winnetka-plan van Washburne (jaren ’20)

- Behavioristische basis = herkenbaar vb. cues, bekrachtigingsschema’s enz.

- Opvallend: zeer optimistische opvatting over impact instructie

-> “Tot 95% van de lerenden kunnen een hoger beheersingsniveau bereiken als er voldoende leertijd en aangepaste hulp is.”

Carroll: leerproces = functie van 5 variabelen (schematische voortelling p. 88):


  1. Beschikbare tijd: kritiek op leseenheden op school -> te kort

  2. Het doorzettingsvermogen (perseverance) vd lerende: tijd die lerende wil besteden aan het leren

  3. aptitude = tijd die lerende nodig heeft om iets te beheersen

  4. Kwaliteit vd instructie: structurele componenten van instructieprocessen = leerdoelen, leerinhouden, werkvormen enz.

  5. Aanleg lerende: taal- en leervaardigheden: kunnen ontwikkeld worden



Leerresultaat

Aptitude = belangrijk! Lerende kan altijd leerdoelen bereiken als hij voldoende tijd krijgt

Blooms aanpak bij het plannen van instructie:


  1. Leg een reeks hoofddoelstellingen vast

  2. Splits de materie op in subdelen + formuleer subdoelen

  3. Bepaal de te gebruiken leerstof en instructiemethode

  4. Maak een korte diagnostische test (voortgang meten en leerproblemen vaststellen)

  5. Gebruik deze info om aanvullende instructies te geven zodat de leerdoelen kunnen worden bereikt

Mc Neill vult aan:

  1. De lln moet de opdracht en de te volgen procedure kunnen begrijpen

  2. De leertijd aanpassen aan individuele behoeften

  3. Alternatieve leermogelijkheden voorzien

Blooms alternatieve aanpakken die de kwaliteit van instructie kunnen verbeteren zijn o.a. sessies in kleine groepen, werkboeken, audiovisuele methoden en academic games

Effecten Mastery Learning (Anderson en De Block):

Positief:


  • ML is effectief -> dr feedback/correctiemechanisme

Lln onthouden meer + langer + positiever t.o.v. leerinhouden + meer zelfvertrouwen

- Mate van effectiviteit verschilt per type lerende

Personalised system of instruction

= Keller Plan (-> Fred Keller):



  1. Leerstof = kleine eenheden met specifieke doelstellingen

  2. Individueel -> eigen tempo

  3. Test + onmiddellijke feedback door proctor = medelerenden

  4. Mastery Learning principe: lln mogen nr volgende leereenheid als ze min. 80% vd leerdoelen vd huidige leereenheid beheersen

  5. Lezingen en demonstraties -> motivatie

Bij ontwerp van PSI -> systematisch keuzes maken vb.:

- Welke leermaterialen omvat de cursus? Uit hoeveel segmenten bestaat de cursus? Hoe wordt de toetsing opgezet? enz.

PSI: goede resultaten. Door:

- Het formuleren van concrete doelstellingen

- Frequente toetsing

- Proctoring (begeleiding)

- Mastery Learning principe

- Streven nr een hoger beheersingsniveau

5. Het referentiekader voor onderwijskunde en behaviorisme + 6. Kritieken op het behaviorisme

Deze hoofdstukjes bekijk je best in het boek (p. 99 -102). Het zijn allemaal opsommingen die al behoorlijk beknopt zijn, dus ik kan ze moeilijk nog meer samenvatten.




1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina