Thema 2: Naar een referentiekader voor onderwijskunde



Dovnload 456.5 Kb.
Pagina4/7
Datum23.08.2016
Grootte456.5 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

THEMA 6

Constructivisme: een ‘kennis’benadering met vele gezichten

Epistemologie of een onderwijskundige theorie?


  • Vrij veel auteurs kritisch tegenover constructivisme omdat theorie en begrippenkader minder concreet-operationeel zijn uitgewerkt

  • Constructivisme heel populair in onderwijspraktijk laatste 20 jaren

  • Er verschijnt meer onderzoek dat assumpties constructivisme toetst en probeert te onderbouwen MAAR niet gemakkelijk

 onderzoekers vallen terug op terminologisch referentiekader cognitivisme

= constructivisme eerder filosofisch referentiekader dan empirisch onderbouwde theorie


Basisassumpties van het constructivisme


- Snowman & Biehler:

  1. Elke lerende brengt eigen (eerder verworven) kennis in.

  2. Kennis kan niet overgedragen worden naar andere lerende omdat kennis resultaat is van persoonlijke interpretatie van ervaringen en persoonlijke kenmerken..

  3. Elke lerende heeft eigen interpretatie van de werkelijkheid, maar we kunnen toch met anderen communiceren, samenwerken.

  4. Kennis ontwikkelt en verandert.

- Ernest (= implicaties vorige principes):

  1. Alle kennis is belangrijk - ook subjectieve.

  2. Onderzoek gebeurt op basis van reflectie.

  3. Kennis omvat ook opvattingen en overtuigingen.

  4. Opvattingen over kennis, leren en instructie (door instructieverantwoordelijken) even belangrijk als kennis zelf.

  5. Kennis van anderen blijft voor lerende gesloten.

  6. Kennis is gebaseerd op sociale interactie => discussie, samenwerken, onderhandelen,…

- Jonassen: 8 concrete kenmerken van leren die op elkaar ingrijpen  specifieke leeromgevingen ontwikkelen

 basis cosstructivisme zeer gevarieerd

Constructivisme als een erfenis van verschillende auteurs


Volgende auteurs op eigen wijze bijgedragen aan constructivisme:

Piaget


Lerenden reflecteren op hun kennis en organiseren ervaringen met de buitenwereld om beter aangepast te zijn aan die buitenwereld.

Drie soorten kennis:

- fysisch empirische kennis

- logisch-wiskundige kennis

- sociale kennis

Ontwikkelingsfasen

Iedereen doorloopt op ongeveer zelfde leeftijd zelfde fasen  relatie tussen type kennis en fase waarin deze kennis verworven wordt.



Ontwikkelingsmechanismen

Assimilatie: object of gebeurtenis wordt geïntegreerd in de aanwezige cognitieve systemen

Accommodatie: bepaalde aspecten object worden nader bekeken, cognitieve structuur wordt eventueel aangepast

 toestand van cognitief evenwicht (equilibratie)



Perturbatie: verstoring in de ervaring van de lerende (hij/zij begrijpt iets niet)

Regulatie: aanpassing aan het initiële gedrag op basis concrete ervaringen

Compensatie: de cognitieve structuur wordt aangepast

 Piaget benadrukt expliciet de individuele cognitieve instructieactiviteit van de lerende


Vygotsky


Vygotsky geeft centrale rol aan sociale en culturele context  dominante invloed cultuur op manier waarop we denken.

Psychological Tools

Lerenden gebruiken tools (instrumenten) die vertaling zijn culturele invloed op kennisopbouw. Bv: notatiesystemen, regels, afspraken,…



De zone van naaste ontwikkeling

Je moet lerende in context plaatsen die niet iets complexer is dan wat hij/zij aan kan.

Hogere cognitieve structuren opgebouwd door twee deelprocessen:

- internaliseren: informatie opnemen

- externaliseren: verwerkte structuren gebruiken in nieuwe context

Mediation: sociaal aspect en ‘everyday concepts’

Mediëren ontstaat tussen lerende en andere personen en koppelt het aan concepten van “Conscious awareness and voluntary control of knowledge”.

Harré: model van volledige leercyclus via (I) de publiek-sociale ruimte naar (II) de sociaal-private ruimte, (III) de privaat-individuele ruimte en uiteindelijk (IV) de individueel-publieke ruimte.

Binnen zone naaste ontwikkeling: basis voor het ontwikkelen van rijkere wetenschappelijke concepten is contrasteren van verschillende everyday concepts.

 lerenden moeten zelf betekenis geven aan ervaringen

= pleidooi van Vygotsky om voort te bouwen op everyday knowledge en living knowledge


Jerome Bruner


De opeenvolgende representaties in kennisopbouw

Bij opbouw van kennis drie verschillende representaties van kennis doorlopen:



Enactive representations: valt terug op motorische ervaringen.

Iconic representations: valt terug op afbeeldingen.

Symbolic representations: kennis wordt met formeel symboolsysteem voorgesteld.

Discovery Learning

= zelfstandige kennisverwerving door de lerenden in een zorgvuldig opgezette probleemsituatie

 benadrukt zelfstandige ontwikkeling door een lerende van het ene naar het volgende representatietype

Proces van zelf ontdekken heeft 4 grote voordelen:

- het verhoogt de intellectuele krachten;

- het brengt intrinsieke beloning met zich mee;

- de leerling leert ondertussen zelf kennis ontdekken;

- de nieuwe kennis kan gemakkelijker opgeslagen worden in het geheugen.

 De ideeën van Bruner zijn in heel wat vakken, musea geïmplementeerd.

De constructivistische opvatting over leren


Verschil constructivisme – cognitivisme (zie schema p 194).

Cognitivistische benadering: kennis lerende is afgeleide van instructieactiviteiten van instructieverantwoordelijke.



<-> Constructivistische benadering waarbij lerende eigen ervaringen inbrengt en verwerkt bij de constructie van kennis. Ervaringscontext speelt een belangrijke rol.

Interactie bij constructivisme op verschillende manieren gebruikt:

- Menselijke interactie (lerende-instructieverantwoordelijke, lerenden onderling, interactie met nog anderen)

- Niet menselijke interactie (lerende-tools, lerende-informatie, student-leeromgeving, student-andere objecten)




1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina