Themap door Aansluiten van een gps ontvanger: 2



Dovnload 36.89 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte36.89 Kb.

TheMAP door



Aansluiten van een GPS ontvanger: 2

Het selecteren van de kaart: 2

Het werken met het programma: 4

Het gebruik van de gebruikers bestanden: 4

Het gebruik van de functie Schalen: 5

Het gebruik van de functie Extra: 5

Het gebruik van de functie Routepunten: 5

Het gebruik van de functie Tracks: 5

Het gebruik van de functie ARPA: 6

Aansluiten van een GPS ontvanger:

Om te kunnen werken met TheMap, is het noodzakelijk in het bezit te zijn, van een GPS ontvanger, b.v. een handheld als de Garmin GPS 12. Zonder deze GPS ontvanger is het onmogelijk de scheepspositie op het scherm te tonen. De GPS ontvanger wordt op de seriële poort van de computer aangesloten via een 9-polige connector. Bij de handheld ontvangers is het mogelijk om een PC-interface kabel voor dit doel aan te schaffen.

We kunnen hierna de gegevens van de GPS ontvanger instellen in het programma.

Meer informatie over de GPS ontvanger is te vinden op de Internetpagina van de betreffende GPS-ontvanger.



  1. Start het programma TheMap.

  2. Ga met de muis naar [Bestand]  [Eigenschap].

  3. Selecteer [Soort apparaat] behorende bij de poort waarop de GPS is aangesloten. (zie onderstaande figuur)





  4. Selecteer hier de functie RecNMEA183 voor de GPS.
    Er worden voor alle poorten standaard waarden gebruikt, deze kunnen worden aangepast aan de waarden van de aangesloten apparatuur.
    Klik hierna op de knop [Klaar].

  5. Hierna gaan we met de muis naar [Nav.Controle]  [Selecteer gekoppelde sensoren] om gebruik te maken van de zojuist ingestelde GPS ontvanger.
    Dit doen we door het aanklikken van het witte rondje achter [RecNMEA1831], zodat de functie verandert van [Off] naar [On]

Het selecteren van de kaart:

Om te kunnen zien welke positie de GPS ontvanger doorstuurt naar de computer, moet er een kaart op het scherm worden getoond. Om een kaart te selecteren gaan we naar [Bestand]  [Open kaart bestand]. We krijgen nu een lijst van alle aanwezige kaarten op het scherm. Selecteer de gewenste kaart en klik op [Done].

Na het openen van de kaart, wordt deze gecentreerd op de positie van de GPS ontvanger.
Als dit de eerste kaart is, die wordt geopend na het starten van het programma,

dan wordt er gevraagd om uw pincode in te vullen.

Deze kun u vinden op de bijgeleverde diskette of CD-rom.
Na het beginnen van het programma en het openen van de kaart wordt de kaart automatisch gecentreerd op de scheepspositie. (zie illustratie 1)

Na het verplaatsen van de kaart positie met behulp van de cursor toetsen of het dubbel klikken van de muis knop, is deze functie uitgeschakeld. (zie illustratie 2)

Om terug te gaan naar de scheepspositie en de kaart op deze positie te centreren, klikken we op dit icoontje, zodat de rode cirkel verdwijnt.

figuur 1. figuur 2.

Het werken met het programma:

Alle gegevens worden aan de rechterkant van het scherm weergegeven.




Taakbalk

Scheeps positie


Diepte informatie

Gyro informatie


Positie van volgende routepunt

Verwachte aankomsttiijd

Systeem tijd

Naam van ontvanger


Verplaatste ontvanger

Cursor positie inclusief afstand en richting

t.o.v.het schip


Het gebruik van de gebruikers bestanden:

Om een gebruikers bestand te gebruiken, moet er eerst een gebruikers bestand worden gemaakt, waarin alle wijzigingen worden opgeslagen. Dit doen we door te gaan naar [Eigen bestand]  [Open bestand voor bijwerken]. In het geopende scherm kunnen we, indien aanwezig, een bestaand bestand selecteren of de naam van een nieuw bestand invoeren. Hierna komen we met het gebruiken van de rechter muis knop in het menu, waarin we diverse mogelijkheden kunnen toevoegen, wijzigen of verwijderen. Na het wijzigen, gebruiken we de rechtermuis knop en selecteren [Sluiten], waardoor de wijzigingen worden bewaard en dit menu afgesloten.

Het opnieuw wijzigen van de gebruikers database, gebeurt door het gebruiken van de rechter muis knop en het selecteren van [Eigen bestand]  [Aanpassen bestand].


Afsluiten wijzigen gebruikers database

Toevoegen van een symbool

Veranderen van een symbool/tekst bij symbool

Verwijderen van een symbool

Verplaatsen van een symbool


Toevoegen van een lijn

Verbinden van lijnen

Toevoegen van een lijn van symbolen

Toevoegen van een specifieke lijn

Toevoegen van een cirkel

Vullen van een vlak met kleur

Vullen van een cirkel met kleur

Verwijderen van een lijn

Verwijderen van een cirkel

Stoppen met toevoegen van een lijn


Selecteren van de kleur
Verplaatsen van de cursor naar positie op de kaart

Verplaatsen van de cursor ten opzichte van het schip


Inzoomen van de kaart

Uitzoomen van de kaart

Centreren van de kaart op de muis positie

Het gebruik van de functie Lagen:
Met behulp van de functie [Lagen] kunnen we verschillende layers aan of uit te zetten.

Elke verandering geldt alleen voor de schaal, die op dat moment wordt gebruikt.

Op deze manier is het mogelijk om elke schaal een eigen instelling te geven.

Ook is het mogelijk om de veranderingen te kopiëren naar de hogere en lagere schalen.



Het gebruik van de functie Schalen:

De functie [Schalen] kan worden gebruikt om snel van schaal te veranderen.

Door het met de muis verslepen van de aanwijzer kan de gewenste schaal factor worden geselecteerd.

Het veranderen van de schaalgrootte kan ook via het toetsenbord gebeuren en wel door het gebruik maken van de [Page Up] en [Page Down] toetsen.





Het gebruik van de functie Extra:

In het menu [Extra] zijn enkele functies opgenomen, die afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren kunnen worden gebruikt.




Veranderen van de kleur van de kaart

Veranderen van de helderheid (dag en nacht kleuren)

Lengte van de koerslijn in minuten




Het gebruik van de functie Routepunten:

Met de functie routepunten is het mogelijk een route uit te zetten.

Om de functie routepunten te kunnen gebruiken, moet er eerst een routepunten bestand worden gemaakt, waarin alle wijzigingen worden opgeslagen.Dit doen we door te gaan naar [Routepunten]  [Open bestand voor bijwerken].

In het geopende scherm kunnen we, indien aanwezig, een bestaand bestand selecteren of de naam van een nieuw bestand invoeren.Hierna komen we met het gebruiken van de rechter muis knop in het menu, waarin we routepunten kunnen toevoegen, wijzigen of verwijderen.

Na het wijzigen moet het menu worden afgesloten en wel door de rechter muis knop te gebruiken en de functie [Sluiten] te selecteren, zodat de wijzigingen worden bewaard.

Het opnieuw wijzigen van de routepunten gebeurt door het gebruiken van de rechter muis knop en het selecteren van [Routepunten]  [Aanpassen bestand].




Stoppen met het wijzigen van de routepunten.


Toevoegen van een routepunt.

Verwijderen van een routepunt.

Tussenvoegen van een routepunt.

Verplaatsen van een routepunt.

Veranderen van de kleur van de route.
Verplaatsen van cursor positie

Verplaatsen van cursor positie t.o.v. het schip


Vergroten van de schaal

Verkleinen van de schaal

Centreren van de kaart op de cursor positie

Het gebruik van de functie Tracks:

Met de functie tracks is het mogelijk de afgelegde lijnen te bewaren en op een later tijdstip op het scherm te laten zien.

Er kan voor elke lijn een verschillende kleur worden gekozen, zodat de verschillende lijnen beter zichtbaar zijn.

Ook bij deze functie, maken we eerst een bestand om te kunnen bewerken, waarna er direct wordt begonnen met het opnemen van de lijnen.

De registratie van de lijn kan worden gepauzeerd door het aanklikken van het icoontje van de blauwe T linksboven in het hoofdscherm.

De registratie wordt weer hervat door het nogmaals aanklikken.

Het is aan te raden om eerst de kleur te selecteren om daarna te beginnen met het registreren.

Het gebruik van de functie ARPA:

Om de ARPA functie te kunnen gebruiken, moet het radar signaal worden aangesloten op de computer.

Dit gaat op een soortgelijk manier als de GPS ontvanger.

Als de GPS ontvanger op de eerste seriële poort is aangesloten, kunnen we de ARPA signalen op de tweede poort aansluiten.

Deze tweede poort is bij nieuwere computers net als de eerste een 9-polige connector, bij wat oudere computers kan het een 25-polige connector zijn en in dat geval is er een omzetter nodig.

De 25-polige connector is te vergelijken met de printer poort, het enige verschil is dat de printer poort een “vrouwtje” is en de seriële poort een “mannetje”.

De Hardware sleutel kan alleen worden aangesloten op de printer poort, dus als er nog een 25-polige poort aanwezig is, zal dit waarschijnlijk de seriële poort zijn.

Ook de ARPA radar moet in het menu [Bestand]  [Eigenschappen] worden toegevoegd als een aangesloten apparaat en onder [Nav. Controle]  [Selecteer gekoppelde sensoren] kunnen we het signaal aan en uit zetten.



Onder het menu [ARPA]  [Active Arpa Targets] is er de mogelijkheid om targets te selecteren, uit te zetten en van kleur te veranderen.

TheMAP® Systeem
Shortcut Toetsen


De volgende toetsen kunnen worden gebruikt om de verschillende functies uit te voeren:
* (ster) Een Instant Fix wordt op de scheepspositie geplaatst.
F1 TheMAP Help functie wordt gestart.
Home De kaart wordt op de cursor positie gecentreerd.
End De kaart wordt op de scheepspositie gecentreerd.
← ↑ ↓ → De cursor toets verplaatst de kaart in de gekozen richting.
PageUp De schaal vergroten.
PageDown De schaal verkleinen.
Cijfers 1-9 Het gebruiken van de cijfers, plaats een van de symbolen (rechter bovenkant van het scherm) op de scheepspositie.
Alt-Letter Het ingedrukt houden van de Alt-toets en het indrukken van de onderstreepte letter in een menu, zal deze functie activeren.

Voor meer informatie www.chartworx.com





20-08-2016




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina