Theorie 1 Atoombouw 1 a



Dovnload 89.14 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte89.14 Kb.

1 Microstructuren


Theorie

1 Atoombouw
1 a Het atoomnummer van neon is 10. Neon heeft dus 10 protonen.

b Het atoomnummer van zilver is 47. Een zilveratoom heeft dus altijd 47 protonen en (als het geen lading heeft) ook 47 elektronen.

c Het atoomnummer van zuurstof is 8, het massagetal van O-18 is 18. Het aantal neutronen is gelijk aan het massagetal minus het atoomnummer: 18 – 8 = 10.

d Het aantal protonen is gelijk aan het atoomnummer. Elk element heeft een uniek atoomnummer. Atoomnummer 23 is van vanadium, V.

e Omdat het aantal neutronen in een kern kan variëren, bestaan er van de meeste elementen meerdere isotopen met verschillende massagetallen. Verschillende elementen kunnen dus ook atomen hebben met hetzelfde massagetal. Opzoeken in Binas tabel 25A wijst uit dat van zilver en cadmium (Ag en Cd) isotopen bestaan met massagetal 109.
2 Het massagetal is een telwaarde. Het geeft aan hoeveel neutronen en protonen bij elkaar opgeteld, zich in de kern bevinden. Omdat het aantal protonen in een atoom vastligt, kun je uit het massagetal eenvoudig afleiden hoeveel neutronen een isotoop bevat. Zo bevat 35Cl twee neutronen minder dan 37Cl.

De atoommassa is een meetwaarde. Het geeft de nauwkeurig gemeten massa van een atoom weer. De atoommassa van 35Cl is 34,96885 u. De atoommassa van 37Cl is 36,965 90 u. Omdat de massa van een proton en een neutron beide ongeveer één unit bedraagt, ligt de atoommassa altijd in de buurt van het massagetal.

De relatieve atoommassa is het gewogen gemiddelde van de atoommassa's van de isotopen zoals ze voorkomen in de natuur. De relatieve atoommassa van chloor is 35,45 u (Binas tabel 99). Van chloor komt de isotoop 35Cl blijkbaar vaker voor dan de isotoop 37Cl.
3 a 82 – 36 = 46

b 31 – 14 = 17

c N-15 en

d Het atoomnummer van een element is altijd hetzelfde. Om aan te geven met welk isotoop men van doen heeft, volstaat daarom het massagetal.

e C-14 heeft een kern met daarin zes protonen en acht neutronen. Om de kern bevindt zich een elektronenwolk met daarin zes elektronen.
4 Binas en significantie hersteld

Dit komt overeen met de waarde in Binas tabel 99 (24,31 u).


5 De relatieve atoommassa van europium is 159,0. De isotoop 151Eu komt 52,19% voor. Dat betekent dat de andere isotoop voorkomt. De massa van deze isotoop is de onbekende, x. Invullen in de formule geeft:

Het massagetal van de andere isotoop is 153.





+6 a Een positief geladen bol met negen negatieve elektronen erin als krenten in een oliebol.

b Een kleine positief geladen kern met daaromheen negen elektronen, cirkelend in een grote wolk.

c Deeltjes die op een goudatoom botsen, worden allemaal een beetje afgebogen.

d Deeltjes die in de elektronenwolk terechtkomen, worden niet of nauwelijks afgebogen, deze bevat immers nauwelijks massa. Deeltjes die op de zware kern botsen, worden sterk afgebogen of ketsen zelf helemaal terug.

e Niels Bohr introduceerde elektronenschillen waarin elektronen zich in een vaste baan om de kern bewegen. Het aantal elektronen dat in een bepaalde schil past, staat vast en wordt, naarmate de schil verder van de kern staat, groter.

f Een kleine positief geladen kern met daaromheen de elektronen in vaste banen cirkelend. Twee elektronen in de eerste schil en zeven in de tweede schil.

+7 a Omdat een watermolecuul met het 18O-isotoop zwaarder is, kost het meer energie om het los te maken uit het water.

b ; Door beide getallen door het kleinste getal te delen, krijg je een verhouding in de vorm van 1 : ... ; .

c massaverhouding 1 : 416 betekent dat wanneer er 1000 u 18O aanwezig is er 416 000 u 16O aanwezig is. 416 000 u 16O komt overeen met atomen 16O. 1000 u 18O komt overeen met atomen 18O. De getalsverhouding 18O : 16O is dus 455 000 is 416 000 geworden
d Antwoorden van 7b en 7c invullen in de formule geeft .

e Uit de grafiek valt af te lezen dat de -waarden schommelen tussen de 2,8 en de 5,1. Het betreffende fossiel stamt dus uit een tijd waarin de -waarde relatief hoog was. Uit de formule blijkt dat de -waarde stijgt naarmate de hoeveelheid 18O in het monster toeneemt. In de tekst staat uitgelegd dat de hoeveelheid 18O in het zeewater relatief hoog is in koude periodes. Het fossiel stamt dus uit een ijstijd.

2 Periodiek systeem
8 a Ni, Pd, Pt, Ds

b Na, Mg, Al, Si, P, S, Cl, Ar

c aardalkalimetalen

d groep 18

e periode 1
9 In de groepen 13 tot en met 17 staan zowel metalen als niet-metalen. De eigenschappen van deze elementen komen dus niet allemaal overeen.
10 a De relatieve atoommassa van Te is groter dan die van I. Het element zou dus na I moeten komen. De eigenschappen van Te en I zijn echter zodanig dat I na Te geplaatst zou moeten worden.

b Toen de bouw van het atoom opgehelderd was, konden de elementen op volgorde van atoomnummer gezet worden in plaats van op massa. Nu werd duidelijk dat de relatieve atoommassa van Te wel degelijk 127,8 u bedraagt, en dat deze hoger is dan die van I ten gevolge van het voorkomen van zwaardere isotopen.
11 Men moest op zoek naar een element dat gasvormig is bij kamertemperatuur, weinig reactief is en een massa heeft van rond de 20 u.
12 a twee

b In periode 7 staat vooraan in de eerste kolom de elektronenconfiguratie van de eerste vier volle schillen. De vierde schil bevat 32 elektronen.

c De zwaarste atomen hebben 32 elektronen in de vijfde schil. Dat is evenveel als er maximaal in schil vier kunnen. Schil vijf wordt dus bij geen van de bestaande elementen helemaal gevuld. Uit Binas tabel 99 kan dus niet worden afgeleid hoeveel elektronen er maximaal in schil vijf kunnen (het zijn er overigens 50).

d

13 a Voor het nieuwe element levert berkelium 97 protonen en calcium 20 protonen. Het atoomnummer van het nieuwe element is dus 97 + 20 = 117.

b Het nieuwe element komt in groep 17 bij de halogenen terecht. Het zal dus gemakkelijk reageren met metalen en daarbij een eenwaardig negatief geladen deeltje vormen. Jood en astaat zijn vast bij kamertemperatuur. Het nieuwe element dus waarschijnlijk ook.
+14 a percentage neutronen =

H: 0%


Li: 56,8%

Na: 50,0%

K: 51,4%

Rb: 56,7%

Cs: 58,6%

Fr: 61,0%



b Het percentage stijgt over het algemeen naarmate de atomen zwaarder worden.

c De kern van een atoom bestaat uit positieve protonen en neutrale neutronen. Als de neutronen afwezig zouden zijn, zouden de protonen direct tegen elkaar zitten. Deeltjes met gelijke lading stoten elkaar af. Een kern die uit alleen protonen bestaat, is dus instabiel. De neutronen zijn nodig om de positieve ladingen van elkaar af te schermen. Hoe zwaarder een element, hoe meer positieve lading zich in de kern bevindt en hoe instabieler de kern wordt. De instabiliteit wordt niet veroorzaakt door de extra neutronen die de zwaardere kernen bevatten, maar deze kunnen dat ook niet voorkomen. De instabiliteit bestaat dus ondanks de neutronen. Het is overigens niet zo simpel dat de aanwezigheid van een extra neutron de kern altijd stabieler maakt. Van veel atoomsoorten bestaan isotopen die weliswaar een hoger massagetal hebben, maar toch een lagere halveringstijd.
15 Het juiste antwoord is antwoord A.

Het aantal elektronen in een deeltje kun je uitrekenen door het atoomgetal te nemen, het aantal elektronen in een neutraal atoom, en dat te corrigeren voor de lading door elektronen toe te voegen of weg te nemen. Wanneer calcium een lading 2+ heeft is het aantal elektronen 20 – 2 = 18. Dit is gelijk aan het aantal elektronen van argon.


+16 a De achttien bestaande groepen plus de veertien lanthaniden: 18 + 14 = 32.

b Alle lanthaniden hebben twee elektronen in de buitenste schil.

c Omdat de eigenschappen van de lanthaniden weinig verschillen, zijn ze ook lastig van elkaar te scheiden. Ze gedragen zich vrijwel hetzelfde onder verschillende omstandigheden en zijn even reactief.

d Th en U

e 8,2·107 jaar

f De leeftijd van de aarde is 4,65·109 jaar. De halveringstijd van 244Pu past daar keer in. . Er is dus nog maar · de beginhoeveelheid van 244Pu over. Dit getal is zo klein dat het inderdaad aannemelijk is dat er van de oorspronkelijke voorraad 244Pu niets meer over is.

3 Metalen
17 a Fe, ijzer

b De andere bestanddelen zijn koolstof en chroom. De rol van koolstof is bekend: maakt het materiaal harder. Chroom zorgt er dus voor dat het materiaal minder snel roest. sterker vervangen door harder

c Koolstof maakt het materiaal harder/minder vervormbaar. sterker vervangen door harder

d De naam zegt het al: door te gieten.
18 a Als de warmtegeleidingscoëfficient groot is, is de soortelijke weerstand klein.

b Beide eigenschappen houden verband met bewegende elektronen. Als de elektronen zich gemakkelijk door het materiaal bewegen, is de elektrische weerstand klein en wordt de warmte gemakkelijk verspreid.

c zilver

d Het is veel te kostbaar. Koper geleidt bijna even goed en is een stuk goedkoper.

e Goud corrodeert niet (in tegenstelling tot koper en zilver). De duurzaamheid van elektronica wordt hierdoor zozeer vergroot dat het loont het dure goud te gebruiken.
19 a alle valentie-elektronen: 2

b Wanneer een neutraal atoom twee negatieve ladingen afgeeft, heeft het een lading over van 2+.

c 3 en 3+

d Een niet-metaal komt juist elektronen tekort voor de edelgasconfiguratie. Een halogeen of zuurstof zou de elektronen kunnen opnemen.

e De edelmetalen, bijvoorbeeld goud en platina.
+20 a vergelijking kloppend gemaakt

b Nee, er ontstaat geen vloeibaar ijzer. Het smeltpunt van ijzer is 1811 K (1538 °C) (Binas tabel 8). In de oven is de temperatuur niet hoog genoeg om ijzer te smelten. 1181 is 1811 geworden

c Het houtskool is de brandstof die de oven warm stookt en is als reagens nodig om het ijzeroxide om te zetten in ijzer.

d Er is veel brandstof nodig om het ijzer zo heet te maken dat het bewerkt kan worden. Door de wolf uit de hete oven te halen, hoeft hij niet opnieuw verhit te worden en spaart men kostbare brandstof uit.

e De koolstof reageert met zuurstof uit de lucht. Hierbij ontstaat CO2.

f De aanwezigheid van koolstof maakt het ijzer bros. Het kan dan niet gesmeed worden (en gietijzer kende men nog niet in de Romeinse tijd).

g IJzer is een onedel metaal. De ijzeren voorwerpen uit de Romeinse tijd, die in de vochtige bodem terecht zijn gekomen, zijn allang allemaal weggeroest.

h
21 a Brons bestaat voor 90 massa% uit koper en 10 massa% uit tin.

b 125 kg brons levert maximaal kg koper. Dit brengt euro op.

c Tin smelt bij een veel lagere temperatuur dan koper. De metalen kunnen dus van elkaar gescheiden worden door het brons te verhitten tot een temperatuur boven die van het smeltpunt van tin, maar onder die van het smeltpunt van koper. Deze scheidingsmethode heet 'uitsmelten'.

d De zware bronzen beelden moeten eerst van de sokkel worden geslepen en vervoerd naar een loods. Om de beelden tot koper te verwerken, moeten ze vaak eerst nog in stukken gezaagd worden om in de smeltoven te passen. Het smelten kost flink wat energie. Al met al betekent het twee dagen hard werken voor een paar honderd euro. Als je dan bedenkt dat de marktwaarde van de beelden vaak het veelvoudige is, lijkt bronsdiefstal een vrij zinloze bezigheid.

4 Moleculen
22 a 1

b 2 Let op: er staat een fout in Binas tabel 99: het oxidatiegetal van O = -2, i.p.v. -1 opmerking toegevoegd

c 3

d 4

e 1

f 5 Dit is niet te zien aan het oxidatiegetal, maar wel aan het elektronentekort in de valentieschil (5). opmerking toegevoegd

g 0
23 a

b

c

d
24 a twee

b zes

c vier
25 a H2O

b HCl
26 a difosfortrioxide

b diwaterstofsulfide

c (mono)stikstofdioxide
27 a CS2

b NO

c PCl3
28 a massa CH4 =  u

b massa C5H12 =  u

c massa N2 =  u

d massa C5H12 =  u

De hoogte van het kookpunt van een moleculaire stof is afhankelijk van de sterkte van de vanderwaalsbinding. Deze neemt toe wanneer de massa van de deeltjes groter wordt. Het deeltje met de kleinste massa is a (CH4). Deze stof heeft het laagste kookpunt. Dan volgt b (N2). Deeltjes b en d hebben een gelijke massa. Doordat deeltje b een langgerekte structuur heeft, zullen de deeltjes een groter contactoppervlak hebben en dus een sterkere vanderwaalskracht dan deeltje d. De juiste volgorde is: a, c, d, b.


29 a Verdampen is een faseovergang. De moleculen blijven intact. Alleen de vanderwaalsbindingen worden verbroken.

b Ontleden is een chemische reactie. Hierbij worden atoombindingen, vanderwaalsbindingen en mogelijke waterstofbruggen verbroken. tekst aangepast

c Oplossen is geen chemische reactie maar een faseovergang. Alleen de vanderwaalsbindingen tussen de joodmoleculen worden verbroken.

d




30 a een

b 1-

c

d Aantal elektronen dat zuurstof moet opnemen: twee. De lading van het ontstane deeltje is dan 2-.

e Een atoomsoort dat de edelgasconfiguratie bereikt door elektronen af te staan: een metaal.
31 Door de bijzondere huidstructuur kan de gekko een heel groot contactoppervlak creëren door de kleine huidstructuren in alle mogelijke gaatjes en spleetjes van het materiaal waarover hij loopt te stoppen. De zwakke vanderwaalskracht wordt door dit grote oppervlak toch groot genoeg om het gewicht van de gekko te dragen. Een kat heeft door zijn kleine poten met kussentjes juist een heel klein contactoppervlak.

5 Zouten
32 a KBr

b CaCl2

c MgSO4

d Na3PO4

e Al2(CO3)3

f Na2O
33 a zinkhydroxide

b ijzer(II)sulfaat

c natriumacetaat

d kwik(I)oxide
34 a

b

c
35 a De sterkte van de ionbinding wordt onder andere bepaald door de lading van de betrokken ionen. De lading van het positieve ion wordt steeds groter. De ionbinding wordt hierdoor steeds sterker en het smelt- en kookpunt dus steeds hoger.

b Waarschijnlijk ontleden de zouten al voordat ze verdampen.

c Blijkbaar is het rooster zo opgebouwd dat er een relatief grote afstand tussen de ionen zit. De elektrostatische aantrekkingskracht tussen de ionen wordt daardoor verlaagd. Als gevolg hiervan is de ionbinding zwakker en het smeltpunt van de stof relatief laag.
+36 a Een hoekpunt grenst aan acht eenheidscellen. Binnen de eenheidscel bevindt zich dus een achtste deel van het ion.

b Een rib grenst aan vier cellen. Een ion op een rib bevindt zich voor een vierde deel in de eenheidscel. Een vlak grenst aan twee cellen. Een ion op een vlak bevindt zich voor een half deel in de eenheidscel.

c Afbeelding 23 links: van de witte ionen bevindt zich er één in de cel en er bevinden zich er acht op een hoekpunt. Het aantal witte ionen in de cel bedraagt . Er bevinden zich vier blauwe ionen in de eenheidscel. De verhouding wit staat tot blauw is dus 2:4, oftewel 1:2.

Afbeelding 23 rechts: er bevindt zich één witte bol in de cel en er bevinden zich er vier op de ribben. Het aantal witte ionen in de cel bedraagt Van de blauwe ionen bevinden zich er acht op de hoekpunten en er bevindt zich er één in de cel. Het aantal blauwe ionen in de eenheidscel bedraagt . De verhouding wit staat tot blauw is dus 2:2, oftewel 1:1.


+37 Zuurstof heeft een covalentie van 2. In een molecuul gaat het twee atoombindingen aan om de edelgasconfiguratie te bereiken. Het dubbelgebonden zuurstofatoom voldoet dus aan de edelgasconfiguratie. De twee enkelgebonden zuurstofatomen komen op basis van de atoombinding alleen nog een elektron tekort voor de edelgasconfiguratie. Omdat ze echter ook nog een lading van 1- bevatten, en dus een extra elektron hebben boven op de eigen en gedeelde elektronen, voldoen ze toch nog aan de edelgasconfiguratie.
38 Het juiste antwoord is antwoord B.

Element X heeft in de antwoorden steeds één of twee valentie-elektronen. Element X is dus een metaal (het element waterstof valt af omdat dat geen vaste stof is). Element Z moet dus een niet-metaal zijn en de ontstane verbinding een zout met de formule X2Z. De negatieve landing van Z (8 – het aantal valentie-elektronen) moet 2× zo groot zijn als de positieve lading van X (het aantal valentie-elektronen). Dat is het geval bij antwoord B en D. Antwoord D valt af omdat alle elementen met vier valentie-elektronen vast zijn.



6 Water
39 a Deze stof lost op in water, want kan met de NH2-groep waterstofbruggen vormen en heeft een klein hydrofoob gedeelte.

b Deze stof heeft geen OH- of NH-groep, of dubbelgebonden O-atoom en zal dus niet oplossen in water.

c Deze stof heeft maar liefst vier OH-groepen en drie dubbelgebonden O-atomen en zal dus ondanks het vrij grote koolstofskelet prima oplossen in water.

d Deze stof bevat weliswaar een OH-groep, maar het hydrofobe gedeelte is zo groot dat de oplosbaarheid in water toch slecht zal zijn.
40 a



afbeelding vervangen

b Doordat aan het zuurstofatoom van water twee waterstofatomen zijn gebonden en aan het O-atoom van ethanol maar één, kan water meer waterstofbruggen vormen dan ethanol. De waterstofbruggen dragen veel meer bij aan de hoogte van het kookpunt dan de vanderwaalsbindingen. Hierdoor is het kookpunt van water hoger dan dat van ethanol.
41 a
b Het isomeer kan geen waterstofbruggen vormen en zal daardoor een veel lager kookpunt hebben dan ethanol. De stoffen zijn van elkaar te scheiden met behulp van destillatie.
42 a Aceton heeft één waterstofontvangende groep en een klein hydrofoob gedeelte. Het lost daardoor goed op in water en andere hydrofiele stoffen. Omdat het echter met zichzelf geen waterstofbruggen kan vormen, hoeft bij het mengen alleen de zwakke vanderwaalsbinding verbroken te worden en mengt het ook goed met hydrofiele stoffen.

b De intermoleculaire krachten in aceton zijn zwak. Er kunnen immers geen waterstofbruggen gevormd worden tussen acetonmoleculen. Het kookpunt zal dus laag zijn.


43


soort stof

(s)

(l)

(aq)

deeltje dat de stroom geleidt




metaal

ja

ja

x

elektronen




moleculaire stof

nee

nee

nee

-




zout

nee

ja

ja

positieve en negatieve ionen


+44 a De negatieve kant van de watermoleculen zullen aangetrokken worden door positieve ionen. Negatieve ionen zullen de positieve kant van watermoleculen aantrekken.


b In een oplossing van NaCl bevinden zich geladen deeltjes die vrij kunnen bewegen. De oplossing kan dus elektriciteit geleiden.


+45 a

halogeen

elektronegativiteit

relatieve atoommassa




F

4,1

19,00




Cl

2,8

35,45




Br

2,7

79,90




I

2,2

126,9




At

2,0

210


b Hoe zwaarder het halogeen, hoe meer elektronenschillen gevuld zijn en hoe groter de straal van het atoom. De elektronen worden door de positieve kern aangetrokken. Die aantrekkingskracht wordt kleiner naarmate de afstand tussen elektronen en kern groter worden. Hierdoor neemt de elektronegativiteit af naarmate de massa groter wordt.

c zuurstof: 3,5; stikstof: 3,1.

d De elektronegativiteit van fluor is een stuk groter dan die van zuurstof en stikstof. De ladingsscheiding zal dus ook minimaal even groot zijn. Een HF-molecuul zal daardoor een sterke δ+ en δ- kant hebben. Tussen het H-atoom van het ene molecuul en het F-atoom van het andere molecuul worden dus waterstofbruggen gevormd.

7 Rekenen aan reacties
46 a De verhoudingsformule van natriumbromide is NaBr. De molmassa bedraagt

 g mol-1.

b De verhoudingsformule van calciumcarbonaat is CaCO3. De molmassa bedraagt

 g mol-1.

c De molecuulformule van difosforpentaoxide is P2O5. De molmassa bedraagt

 g mol-1. rekenfout verwerkt

d De molecuulformule van chloorgas is Cl2. De molmassa bedraagt

 g mol-1.
47

48 a Uit het schema blijkt dat wanneer je van aantal deeltjes naar aantal gram gaat, je eerst moet delen door het getal van Avogadro, NA, en dan vermenigvuldigen met de molmassa, M. De molmassa van Mn bedraagt 54,94 g mol-1.

 g. opmaak aangepast: formule op nieuwe regel



b Uit het schema blijkt dat wanneer je van aantal gram naar aantal deeltjes gaat, je eerst moet delen door de molmassa, M, en dan vermenigvuldigen met het getal van Avogadro, NA. De molmassa van I2 bedraagt  g mol-1. I2-moleculen.
49 a De molmassa van O bedraagt 16,00 g mol-1g∙,mol-−1.. Invullen in de formule

.

b De molmassa van O2 bedraagt  g mol-1.

 g.

c De molmassa van H2O bedraagt  g mol-1.

 g.
50 a De molmassa van Au bedraagt 197,0 g mol-1.

mol.

b De molmassa van SO2 bedraagt  g mol-1;

 mol. rekenfout en doorwerkfout verwerkt

c De molmassa van Mg3(PO4)2 bedraagt  g mol-1;

mol. significantiefout hersteld
51 a De molmassa van Cl2 bedraagt  g mol-1;  mol Cl2. Elk Cl2-molecuul bestaat uit twee chlooratomen. In 1,2 g chloor bevinden zich  mol chlooratomen. rekenfout verwerkt

b De molmassa van HCl bedraagt  g mol-1;  mol HCl. In elk molecuul HCl bevindt zich één chlooratoom. In 1,2 g waterstofchloride bevinden zich 0,0329 mol Cl-atomen.

c De molmassa van FeCl3 bedraagt  g mol-1;  mol FeCl3. In elk molecuul FeCl3 bevinden zich drie chlooratoom. In 1,2 g ijzer(III)chloride bevinden zich  mol Cl-atomen. cijferomkering hersteld
52 a  gram

b 35% van  gram ijzer. De molmassa van Fe(s) bedraagt 55,85 mol g-1. In en op de aarde bevindt zich  mol ijzer.

c aantal deeltjes Fe-atomen

d In Binas tabel 40A is de atoomstraal van ijzer te vinden:  m. De diameter van een atoom is 2× de straal. Fe-atomen op een rij overbruggen een afstand van  m. atoomstraat = atoomstraal en rekenfout verwerkt

e In een jaar bevinden zich  s; een lichtjaar komt overeen met een afstand van  m. De dichtstbijzijnde ster, Proxima Centauri, bevindt zich op een afstand van  m. Het ijzersnoer komt ver voorbij deze ster. Het reikt zelfs vele malen verder dan het verste sterrenstelsel ooit ontdekt, UDFy-38135539, dat zich op 12,9 miljard lichtjaar van de aarde bevindt. schrijfwijze eerste formule aangepast, Proxina = Proxima
+53 a Twee waterstofmoleculen reageren steeds met één zuurstofmolecuul. De massa van twee waterstofmoleculen bedraagt  u. De massa van één zuurstofmolecuul bedraagt  u. Waterstof en zuurstof reageren in de massaverhouding . zuurstofatoom is vervangen door zuurstofmolecuul

b  g

c Uit de reactievergelijking blijkt dat twee mol H2 met één mol O2 reageert. Waterstof en zuurstof reageren in de molverhouding 2:1.

d  g mol-1;  mol H2.

e Waterstof en zuurstof reageren in de molverhouding 2:1. Met 3,47 mol waterstofgas reageert mol zuurstof;  g mol-1;  g.
54 Het juiste antwoord is antwoord D.

100 gram van de verbinding bestaat uit  mol thallium en  mol zuurstof. In de verbinding bevindt zich × zoveel zuurstof als thallium. De lading van thallium is dus 1,5× zo groot als van zuurstof:


55 Het juiste antwoord is antwoord A.

100 gram van de verbinding bestaat uit  mol zuurstof. Uit de verhoudingsformule kan worden opgemaakt dat zich in 100 g  mol X bevindt. 0,87 mol X heeft een massa van  g.



De molmassa van X is  u. Dit komt overeen met de molmassa van arseen.
56 Het juiste antwoord is antwoord B.  g mol-1. symbool M in hoofdletter
+57 a In een liter natuurlijk water bevindt zich  mol water. Hierin bevinden zich  mol H-atomen. Hiervan is 0,015% deuterium. Het aantal HDO-moleculen is gelijk aan het aantal D-atomen. In één liter water bevinden zich dus  mol HDO-moleculen.

b

c In 22 g bevindt zich mol D2O. Uit de reactievergelijking volgt dat uit één mol D2O twee mol HDO gevormd wordt. Uit 22 g D2O wordt dus 2,2 mol HDO gevormd.

d  mol L-1

e De concentratietoename ten gevolge van het toedienen van D2O is  mol L-1. De hoeveelheid HDO die is ontstaan bedraagt 2,2 mol. 2,2 mol verdeeld over x liter lichaamswater heeft een concentratietoename van 0,058 mol L-1 als gevolg. , x = 38. De patiënt heeft 38 liter lichaamswater.
58 a

b In het artikel staat dat de waterstof in vloeibare vorm wordt opgeslagen. Het kookpunt van waterstof bedraagt 20,3 K (Binas tabel 12). Dit komt overeen met Waterstof is dus pas vloeibaar bij een temperatuur onder de 253 °C.

c Het kost veel energie om het waterstof zo sterk te koelen.

d Onder hoge druk wordt het gas samengeperst en kan het zelfs vloeibaar worden. Zo neemt het, net als bij lage temperatuur, veel minder ruimte in dan bij normale druk.

e Een hydride ion bestaat uit een kern met één proton met daaromheen een elektronenschil met twee elektronen.

f De formule van magnesiumhydride is MgH2. Het is een zout omdat het uit zowel metaalionen (Mg) als niet-metaalionen (H) bestaat. metaalatomen vervangen door metaalionen

g

h De molmassa van MgH2 is 2,016 u daarvan is waterstof. Het massapercentage waterstof bedraagt dus

i Een verbinding is een stof die uit verschillende atoomsoorten bestaan. Metalen vormen onderling geen verbinding, maar kunnen wel gemengd worden. Een mengsel van twee metalen heet een legering. De juiste benaming is een lanthaan-nikkellegering.

j Het proces van binden en loslaten vindt plaats aan het oppervlak. Hoe kleiner de deeltjes, hoe groter het oppervlak. Het binden en loslaten kan op nanoschaal sneller plaatsvinden dan wanneer het beschikbare oppervlak een beperkende factor is.

k In Binas tabel 40B is te vinden dan 2,3% van de lithosfeer uit magnesium bestaat. Dat is veel meer dan bijvoorbeeld nikkel en lanthaan. Magnesium staat in Binas tabel 97A vermeld als giftige en uiterst brandbare stof. De dichtheid van magnesium is met 1,74∙103 kg m3 relatief laag (Binas tabel 40A). Magnesium voldoet dus wel aan de eerste en derde voorwaarde, maar in mindere mate aan de tweede voorwaarde.

l Een opslagfaciliteit moet herbruikbaar zijn. Dat is alleen het geval wanneer het opslaan en afstaan van de waterstof een reversibel (omkeerbaar) proces is. Om de opslag rendabel te laten zijn mag er niet te veel energie verloren gaan bij het opslaan.






: sites -> brc -> schoolvakken -> scheikunde -> VWO%204
VWO%204 -> 1 Verbranding 1 a Er worden molecuulbindingen verbroken. Dit kost energie. Het is dus een endotherme reactie b
schoolvakken -> Hoofdstuk 4 – de republiek verliest haar voorsprong (1648-1702) Intropagina’s
schoolvakken -> Antwoorden bij toepassen hoofdstuk 1 1a De federale overheid. Zo stond het in de grondwet b
schoolvakken -> 1 Snelheid meten
schoolvakken -> 4. 1 Automaten 1 Het eerste onderdeel is de snelheidsmeter, deze meet de snelheid van het voertuig. Als deze te hoog is geeft hij een signaal af naar de foto­camera. De fotocamera is het tweede onderdeel, deze fotografeert het voertuig
schoolvakken -> Hoofdstuk 1 – centralisatie en reformatie intropagina’s (pagina 8-9)
VWO%204 -> 3 Zouten 4 Gehaltes 20 a b c
VWO%204 -> Theorie deel uit hoofdstuk 3 1 t/m 3) 1 Zouten in water




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina