Tijdschrift voor Criminologie 2003 (45) 271-285 Delinquent gedrag, netwerken en sociaal kapitaal. Een netwerktheoretisch perspectief op criminaliteit van jongeren



Dovnload 77.81 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte77.81 Kb.
Tijdschrift voor Criminologie 2003 (45) 271-285

Delinquent gedrag, netwerken en sociaal kapitaal.

Een netwerktheoretisch perspectief op criminaliteit van jongeren

Beate Völker en Frans Driessen*)



Abstract

Recently, more and more studies pay attention to the role of social networks in explaining delinquent behaviour. However, as we argue in this contribution, the network perspective is no theory by itself. Further, because of differences in theoretical frameworks, measurement instruments, sampling, and methods of analyses as well, results are difficult to compare and the ‘state of the art’ concerning the research of social networks and delinquency cannot be established. In this article, important research in this field is discussed and the theory of social capital is introduced. The use of such a theory brings more unity in network and crime research and facilitates the formulation of new research questions and hypotheses.


1 Inleiding

Een van de belangrijkste opgaven van de criminologie is het verklaren van delinquent gedrag. Daarom is binnen deze discipline veel onderzoek gedaan naar de oorzaken voor individuele deelname aan verschillende vormen van delinquent gedrag. Recentelijk wordt er ook steeds meer aandacht geschonken aan de rol van sociale netwerken bij deze verklaring. In dit artikel willen we onderzoek naar netwerken en delinquent gedrag bediscussiëren en de theorie van het sociaal kapitaal bespreken die opvattingen over netwerken meer inhoud geeft. Naast een integratieve interpretatie van bestaand onderzoek leidt deze theorie tot nieuwe hypothesen.

Meer specifiek willen we de volgende vragen beantwoorden: (1) Draagt een netwerkperspectief bij aan een verbetering van de verklaring van crimineel gedrag? (2) Kan de theorie van het sociaal kapitaal het ontstaan van sociale netwerken waarbinnen crimineel gedrag plaats vindt verklaren?

Deze bijdrage is als volgt opgebouwd. Eerst wordt ingegaan op persoonlijke netwerken, en netwerken van adolescenten. Vervolgens wordt een schets gegeven van bestaand onderzoek. Tenslotte wordt de theorie van het sociaal kapitaal geïntroduceerd en worden haar waarde en implicaties voor verder onderzoek bediscussieerd.


2 Persoonlijke netwerken

Een persoonlijk netwerk, het geheel van de relaties dat een individu heeft met familie, vrienden, collega’s, klasgenoten etc., kan verschillende vormen en functies hebben1. Reeds in de jaren 1950 en '60 raakten antropologen gefascineerd door de vele soorten relaties die individuen kunnen hebben en het belang van deze relaties voor gedrag (zie bijvoorbeeld Radcliffe-Brown 1952, Bott 1957, Malinowski 1960). In de jaren ‘70 waren het vooral de structuralistisch geïnspireerde sociologen die modellen ontwikkelden voor verschillende netwerkpatronen (Boorman en White 1976, White, Boorman en Breiger 1976). In dit mathematisch georiënteerde onderzoek lag de nadruk op een adequate beschrijving van de structuren van relaties, maar de effecten op individueel gedrag bleven onduidelijk, aangezien er geen duidelijke vraagstelling of geëxpliciteerde theorieën aan ten grondslag lagen. Sinds de jaren ’80 wordt er steeds meer aandacht besteed aan de theorievorming binnen het netwerkperspectief (Flap 1988, Lin 1992).

In uiteenlopende domeinen van het leven is de rol van persoonlijke netwerken bestudeerd, zoals bij het krijgen van een baan (Granovetter 1974/1995, De Graaf en Flap 1988, Völker en Flap 1999), het kopen van een huis (Dimaggio en Louch 1998) en zelfs het behouden van een goede gezondheid (Berkman en Syme 1979, Thijhuis 1994; voor een overzicht over netwerkonderzoek in Nederland zie Knipscheer en Anonucci 1990; Jansen en Van den Wittenboer 1992).

Als men ervan uitgaat dat netwerken (crimineel) gedrag beïnvloeden dan zijn verschillen tussen personen in de compositie en de structuur van hun netwerken van belang. Individuele kenmerken zoals sekse, opleiding, etniciteit en leeftijd bepalen deze netwerkpatronen. Zo is over het algemeen het netwerk van jongeren groter dan dat van ouderen en de compositie van netwerken verandert met de leeftijd: het aantal familieleden in een netwerk is het grootst bij personen rond de veertig jaar (Fischer 1982, Marsden 1987, Van der Poel 1993).

Ook de institutionele omgeving van een persoon is van groot belang voor de samenstelling en de omvang van diens netwerk. Individuen proberen via hun netwerken problemen op te lossen die door bepaalde institutionele omstandigheden zijn ontstaan. Een voorbeeld: in de voormalige DDR was er schaarste aan veel soorten goederen en diensten. Om dit probleem te omzeilen bouwden de bewoners informele ‘ritsel-netwerken’ op. Men hielp elkaar door het ruilen van de gewenste goederen. Deze ritsel-netwerken waren heterogeen qua opleiding en beroep – deze heterogeniteit was de beste manier om toegang tot schaarse goederen te garanderen (Völker 1995).

In de criminologie wordt een accent gelegd op de bestudering van jeugddelinquentie omdat het merendeel van de volwassen criminelen reeds op jonge leeftijd begonnen is met een criminele carrière.2 De laatste jaren is delinquentie onder adolescenten toegenomen en met name de oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in de criminaliteitscijfers (overzicht in Driessen, Völker e.a. 2002) is een punt van maatschappelijke zorg.3 Kenmerkend voor de adolescentie is een geleidelijke verandering van het persoonlijke netwerk (Blyth en Traeger 1988). Het netwerk wordt tijdens deze levensfase groter en gevarieerder. Vrienden en kennissen zijn voor de ontwikkeling van de adolescent cruciaal, terwijl het netwerk met de familie aan belang inboet. Empirisch onderzoek over relaties van adolescenten heeft meestal betrekking op de betekenis van vrienden tijdens de adolescentie (Meeus, Helsen en Vollebergh 1997, Corsaro en Eder 1990). Problemen met vrienden worden in deze fase als ingrijpend en bedreigend ervaren (Ambert 1994) en de kwaliteit van de relaties met vrienden is belangrijk voor een positieve zelfwaardering en zelfvertrouwen (Gecas en Seff 1990). Het belang van vriendschapsrelaties voor de verdere ontwikkeling wordt ook benadrukt (zie bijvoorbeeld Hazekamp 1985, over rondhangende jongeren, of Naber 1985 over vriendinnen). Met name Naber (op.cit.) laat zien hoe belangrijk relaties (onder jonge meisjes) zijn en hoe deze in de loop van het leven veranderen. Dergelijk onderzoek kan als een voorloper van modern netwerkonderzoek worden beschouwd. Het bestudeert vooral de functies van deze relaties voor een individu; het gaat echter nauwelijks in op structuren van relaties en de relaties die een persoon in verschillende levensdomeinen heeft. Ook het onderzoek naar peergroups en vriendschappen onder jongeren is niet gericht op relationele structuren en er wordt over het algemeen maar één domein of context, bijv. vrije tijd of de plaats waar de jongeren ontmoeten, bestudeert. In onderzoek naar persoonlijke netwerken wordt daarentegen een steekproef van iemands relaties in verschillende levensdomeinen (vrije tijd, school, buurt, familie etc.) genomen en men probeert structuren alsmede functies van relaties in deze verschillende domeinen in kaart te brengen.



3 Netwerken en delinquent gedrag: bestaand onderzoek
Het belang van sociale relaties bij crimineel gedrag is reeds in de jaren ‘30 in de VS aangetoond. Toen werd gevonden dat meer dan 80% van de jonge criminelen die voor de rechter kwamen de delicten samen met anderen hadden gepleegd (Shaw en McKay 1931). Ook in het klassieke werk van Sutherland (1924) werd geopperd dat van de twee algemene factoren, persoonlijkheid en (sociale) situatie, de laatste belangrijker is. Toch concentreerden de meeste studies zich tot de jaren ‘80 vooral op de persoonlijkheid van de dader (Birkbeck en LaFree, 1993). Sinds de laatste twee decennia wordt echter veel onderzoek verricht naar het verband tussen structuren en functies van sociale relaties en criminaliteit. Onderzoek richt zich vooral op straatbendes, buurt en school als de sociale settings waarin delinquente netwerken ontstaan. Steeds wordt gevonden dat het verband tussen delinquentie in het netwerk van de jongere en delinquentie van de jongere zelf zeer sterk is en zelfs sterker dan iedere andere factor die ter verklaring wordt aangevoerd (Haynie 2001, Sarnecki 1986).

Het onderzoek naar straatbendes kan als een voorloper van netwerkonderzoek bij criminele groepen worden gezien en levert belangrijke inzichten over de onderlinge relaties in (semi-) delinquente groepen. In de toonaangevende studie van Whyte (1947) naar een straatbende van Italiaanse jongeren in Chicago, wordt gedemonstreerd dat er in een bende duidelijke hiërarchieën, gedragsregels en sancties voor ongewenst gedrag zijn. De motieven om lid te worden in een bende zijn volgens Jankowski (1991) zeer divers (zoals materiële inkomsten, recreatie, bescherming, afzetten tegen het gangbare levensperspectief, bij een gemeenschap horen, maar ook aan de verwachtingen van de gemeenschap willen voldoen). Voor Nederland concludeerden Van Gemert en Wiersma (2000) dat de bende (en crimineel gedrag daarbinnen) een rol speelt bij initiatie en statusverwerving. In een recente studie onder een Marokkaanse straatbende in Amsterdam-West noemen van Gemert en Fleisher (2002) echter ook ‘verveling’ als toetredingsmotief.

Wat betreft de relaties binnen een bende maken Beke van Wijk en Ferwerda (2000) een onderscheid tussen drie verschillende groepen met o.a. verschillende onderlinge relatiepatronen: hinderlijke, overlastgevende en criminele groepen. De drie groepen verschillen vooral in de mate waarin de leden contacten buiten de groep hebben, d.i. de mate waarin de onderlinge netwerken gesloten zijn. Een hoge mate van geslotenheid en organisatie van de groep gaan samen met een zwaarder criminaliteitspatroon.

Relaties tussen leden van een bende zijn vaak niet vriendschappelijk of hecht, het imago van onderlinge solidariteit wordt empirisch niet gesteund (Suttles, 1968, Marcus 1996). Er is een duidelijk gebrek aan affectie en onderling vertrouwen. Dit verschijnsel wordt verklaard door de condities voor het ontstaan van een bende: armoede, ongelukkige gezinnen en sociaal disfunctioneren (Klein, 1971, Short en Stordtbeck, 1965). Onderzoek naar de kwaliteit van relaties van een bendelid buiten deze kring ontbreekt. Hoewel de inzichten vanuit deze onderzoekslijn zeer noemenswaardig zijn onderscheidt onderzoek naar bendes zich van netwerkonderzoek vooral door het buiten beschouwing laten van relationele alternatieven buiten de bende.

Rovers (1997) onderzocht het verband tussen buurten en jeugdcriminaliteit in Rotterdam en laat zien dat de correlatie tussen buurtkenmerken en criminaliteit na controle voor individuele kenmerken verdwijnt. In dit onderzoek is echter niet gekeken naar interactie-effecten tussen individuele en buurtkenmerken, hoewel men dergelijke effecten juist zou verwachten. Zo vonden Warner en Rountree (1997) dat het bestaan van veel locale sociale relaties in ‘witte’ buurten tot lagere criminaliteitscijfers leidt maar in etnisch gemengde buurten juist tot hogere. In ander (Amerikaans) onderzoek wordt eveneens een buurteffect gevonden (Sampson, 1997, Elliott et al. 1996, Bursik, 2001; Sampson, 2001). Een van de belangrijkste bevindingen is dat een hoge mate van informele sociale controle, ofwel cohesie op buurtniveau, bijdraagt aan een lager niveau van delinquentie in de buurt (Sampson 1997)4. Stabiele vriendschapen binnen een buurt vormen een buffer tegen delinquentie en verzwakken het effect van sociaaldemografische kenmerken en buurtkenmerken (Sampson en Groves 1989).

Over het algemeen worden bij onderzoek naar criminaliteit in buurten vooral twee aspecten benadrukt. Ten eerste de lokale oriëntatie van criminele netwerken: de buurt waarin men woont en/of is opgegroeid is van groot belang voor het ontstaan van criminele netwerken (Kleemans et al. 1998, Sciarrone 1998). Ten tweede blijken buurtnetwerken sterke sociale controle uit te kunnen oefenen (Bursik, 1999, Bursik en Grasmick 1993, Bellair, 1997). Men kan verder concluderen dat de onderzoeksresultaten met betrekking tot het effect van buurten op crimineel gedrag niet eensluidend zijn. Onomstreden is alleen dat criminele netwerken (en netwerken in het algemeen) vaak lokaal georiënteerd zijn.

Naast de buurt is de school voor jongeren een belangrijke plek om in contact met anderen te komen en een netwerk op te bouwen. In een recent onderzoek onder middelbare scholieren vindt Kassenberg (2002) dat vooral het gevoel ‘erbij te horen’ leidt tot minder (kleine) criminaliteit naast het aantal uren dat men aan huiswerk besteedt en een op autonomie gerichte opvoedingsstijl. Jenkins (1995) benadrukt dat schoolcommitment een belangrijke conditie is die het ontstaan van criminaliteit op school kan verkleinen. McCarthy en Hagan (1992) laten zien dat vooral de regelmaat waarmee men buiten de schooltijd bezig is met huiswerk of andere activiteiten voor de school of klas en de afwezigheid van conflicten met de leraren leiden tot minder crimineel gedrag. Haynie (2001) concludeert dat een dicht netwerk samengaat met een hoge associatie tussen delinquent gedrag van een jongere en dat van zijn netwerkleden binnen de klas. Is het netwerk minder dicht, dan wordt dit verband zwakker. Onderzoek dat relaties van delinquente jongeren vergelijkt met de relaties van niet-delinquente jongeren toont echter geen verschillende vriendschapspatronen (Houtzager en Baerveldt 1999, Giordano, Cernkovich en Pugh 1986).

Hoe belangrijk de school is bij de verklaring van crimineel gedrag is vooralsnog niet helemaal duidelijk. Effecten van schoolkenmerken zijn er nauwelijks, vooral de netwerken binnen een school of klas zijn van belang voor het verklaren van crimineel gedrag. In dezelfde richting wijzen ook de resultaten van Baerveldt (1990). Deze bevindingen nemen echter niet weg dat er verschillen tussen scholen zijn: met stijgend onderwijsniveau komt delinquent gedrag minder voor (Beker & Merens, 1994).



4 Resumé

Er zijn veel studies die het belang van sociale relaties voor het plegen van delicten onderstrepen. Er bestaat overeenstemming over het feit dat een tekort aan bindingen met niet-delinquenten criminaliteit bevordert en dat contacten met delinquenten de kans zelf delinquent te worden verhogen, maar over de aard van deze relaties met andere delinquenten is er minder consistentie. Enerzijds blijken er geen noemenswaardige verschillen te zijn tussen de kwaliteit van de relaties onder jongeren die zich delinquent gedragen en jongeren die dit niet doen. Maar er zijn ook bevindingen die juist de gebrekkige relaties binnen delinquente groepen benadrukken. Ook over het effect van sociale settings zoals buurt en school is er geen eenduidigheid. Soms wordt er gevonden dat deze settings de kans op crimineel gedrag beïnvloeden, soms lijkt dat niet zo te zijn.



Studies, die de relaties met ‘peers’, met andere delinquenten en met ouders onderling vergelijken zijn er tot dusverre niet. Vanuit een netwerkperspectief is het echter juist van belang om een beeld van de gehele relationele inbedding van een ‘focal actor’ te verkrijgen. Individueel gedrag hangt immers niet alleen af van de mogelijkheden die men binnen een bepaalde sociale setting heeft maar met name van de alternatieven daarbuiten. Alleen door het vergelijken van relaties in verschillende settings is het mogelijk om erachter te komen welke patronen predisponeren tot criminaliteit..

Er is tot op heden in Nederland veel etnografisch onderzoek naar netwerken en criminaliteit gedaan (Werdmölder 1986, Sansone, 1992, Rood-Pijpers, Rovers, Van Gemert & Fijnaut, 1995, Van San, 1998). Dit onderzoek is, hoewel inspirerend, moeilijk te generaliseren. Een aanzet tot generalisatie geeft Miedema (2002) in een meta-etnografische analyse die de leefwerelden en groepsstructuren van allochtone en autochtone jongeren vergelijkt. Hij vindt gemeenschappelijke kenmerken van de leefwerelden van deze jongeren zoals het zoeken naar sociale erkenning, de (problematische) relatie met traditionele maatschappelijke instituties (school arbeidsmarkt e.d.), de verschillen tussen leeftijdsgroepen in de mate van groepsgebondenheid en status en immuniteit van de groep tegenover pogingen van volwassen buitenstaanders om in te grijpen. De studie van Miedema wijst op gemeenschappelijke patronen maar biedt nog geen verklaring voor crimineel gedrag. Dit wordt ook door Miedema zelf aangegeven: volgens hem is zijn synthese van verschillende studies vooral interpretatief .

Zoals boven geschetst is er veel inconsistentie in de empirische resultaten omtrent het belang van relaties en netwerken en crimineel gedrag. Tot dusver is er door het bestuderen van de effecten van relaties op criminaliteit weinig theoretische vooruitgang geboekt en er is ook geen aansluiting op eerdere onderzoeksresultaten. Zo wordt bijvoorbeeld in de meeste studies alleen over de intensiteit van relaties gesproken, ofwel over de sterkte van een binding. Een van de belangrijke bevindingen uit het netwerkonderzoek wordt zo over het hoofd gezien, namelijk dat ook zwakke bindingen een belangrijk effect kunnen hebben, bijvoorbeeld voor het doorgeven van informatie of als inspiratiebron voor gedrag (Granovetter, 1974/1995). Het is daarom niet voldoende te inventariseren met wie men goed bevriend is. Ook kennissen en verre familieleden kunnen gedrag beïnvloeden. Ook kunnen relaties waarmee men niet direct contact heeft, vrienden van vrienden, invloed uitoefenen. Hoewel de toepassing van het netwerkperspectief binnen onderzoek naar delinquent gedrag dus verbeterd kan worden zal dit niet leiden tot nieuwe theoretische inzichten – simpelweg omdat de netwerkbenadering geen theorie is (zie hierna). Er bestaat geen twijfel over dat netwerken en relaties belangrijk zijn voor de analyse van crimineel gedrag, maar ondanks veel onderzoeksinspanningen zijn we tot op heden nog niet veel verder gekomen dan de vaststelling van dit feit. Dit komt doordat door ‘het netwerkperspectief’ relevante vragen niet beantwoord worden, namelijk hoe de toetreding tot criminele netwerken verloopt en hoe deze netwerken überhaupt ontstaan, waarom ze onderhouden worden en om welke redenen ze uit elkaar kunnen vallen. De theorie van het sociaal kapitaal kan deze vragen beantwoorden.5

5 Sociaal kapitaal theorie als integrerend kader


Hoe aantrekkelijk netwerkonderzoek van crimineel gedrag ook is, men moet constateren dat de netwerkbenadering op zich geen theorie is. Uitspraken binnen het netwerkperspectief gaan niet verder dan wie met wie een relatie heeft, hoe frequent een contact is en hoe lang een relatie reeds bestaat. De implicatie van bestaan, frequentie en duur van relaties blijft open, net zo als de inhoud of de individuele motieven voor het aangaan, onderhouden of verbreken van relaties. Daarom kan men ook over te verwachten effecten van relaties op individueel (bijvoorbeeld deviant) gedrag binnen de netwerkbenadering geen uitspraken doen.

Al door Max Weber (1921) werd onderkend dat iemands levenskansen afhangen van zijn of haar individuele hulpbronnen ofwel kapitaal. Hij onderscheidde economische, politieke en symbolische hulpbronnen. In de moderne sociologie zijn hieraan de sociale hulpbronnen (sociaal kapitaal) toegevoegd. In tegenstelling tot de andere hulpbronnen zijn sociale hulpbronnen niet het eigendom van een individu, maar zij worden als ‘second-order-resources’ beschouwd (Boissevain 1974). De eigendomsrechten van sociaal kapitaal liggen niet bij de persoon die ze gebruikt en er baat bij heeft, maar bij de persoon die de hulpbronnen ter beschikking stelt (Coleman, 1990).

De theorie van het sociaal kapitaal komt er in een notendop op neer dat netwerken de hulpbronnen vormen om individuele doelen te bereiken.6 Netwerken zijn niet alleen een bron voor emotionele steun maar instrumenten om verder te komen (Bourdieu 1981, Portes 1998, Baron, Field en Schuller 2000, Flap en Völker 2003). Individuen bouwen hun netwerk door te ‘investeren’ in anderen en men investeert in degene van wie men de meeste steun – nu of in de toekomst – verwacht. Heeft men eenmaal een relatie met elkaar, dan worden hulpbronnen aan elkaar uitgeleend en zo wordt het aantal hulpbronnen waarover men beschikt vergroot (Flap 1999). Daarom kunnen degenen met meer sociaal kapitaal hun belangen ook beter verwezenlijken. Sociaal kapitaal is gebaseerd op vertrouwen en wederkerigheid. Zonder vertrouwen dat men voor zijn inspanningen op een gegeven moment (eventueel veel later) adequaat ‘vergoed’ wordt zou niemand investeren in sociale relaties (Snijders 1999).

Of de relaties die men in zijn netwerk heeft ook sociaal kapitaal bieden hangt van verschillende condities af. Ten eerste moeten er individuen zijn waarmee men in contact kan treden (Snijders 1999). Ten tweede moeten deze netwerkleden bereid zijn om ook steun te bieden. Deze bereidheid is groter naarmate beide personen in het verleden meer in hun relatie geïnvesteerd hebben (Flap 1999). Grotere investeringen in het verleden maken ook de wederzijdse afhankelijkheden groter. Als men verwacht dat men in de toekomst nog vaak met elkaar te maken heeft, dan is men eerder bereid om elkaar te steunen. Vooral in het onderzoek van Axelrod (1984) wordt op dit belang van de ‘schaduw van de toekomst’ en van het verleden gewezen. Ten derde moeten de netwerkleden in staat zijn om hulp te verlenen (Litwak 1985). Een vierde en laatste conditie voor het bestaan van sociaal kapitaal in netwerken is door Burt (1992/2001) bestudeerd. Volgens hem is de structuur van een netwerk zelf een conditie voor sociaal kapitaal. Een netwerk dat gesloten of ‘dicht’ is, d.w.z. waarin alle netwerkleden onderling contact met elkaar hebben, biedt een ander soort sociaal kapitaal dan een netwerk dat door openheid (veel ‘structurele gaten’; Burt 2001) gekenmerkt wordt.

De waarde van sociaal kapitaal is direct gerelateerd aan de potentiële kosten die ontstaan als het doel via andere middelen zou worden bereikt. Volgens Coleman (1990:304): “Social capital facilitates the achievement of goals that could not be achieved in its absence or could be achieved only at a higher cost.”

In tegenstelling tot de opvatting van de rationele keuze theorie worden netwerken binnen de theorie van het sociaal kapitaal niet alleen als een restrictie voor individueel handelen gezien maar als middel om doelen te bereiken en als een resultaat van individueel investeringsgedrag (Flap, 1988). Merk op dat hier sprake is van sociaal kapitaal op het individuele niveau in tegenstelling tot andere theoretische noties die sociaal kapitaal eerder als een groepskenmerk opvatten, (Coleman 1990, Fukuyama 1995, Putnam 1995/2000. 7

De theorie vestigt ook de aandacht op de institutionele of externe conditionering van relaties. De waarde van sociaal kapitaal wordt namelijk niet alleen bepaald in relatie met andere hulpbronnen maar ook in relatie met externe, institutionele condities ofwel condities in de omgeving zoals schaarste. Op deze manier leidt de theorie tot verwachtingen over het ontstaan van netwerken. Onder bepaalde institutionele condities (bijvoorbeeld politieke controle) zullen mensen ondanks het feit dat ze gelegenheid tot contact hebben en op elkaar lijken wat betreft sociodemografische kenmerken die interactie vergemakkelijken, geen netwerken opbouwen, bijvoorbeeld omdat ze elkaar niet vertrouwen (Völker en Flap 1998). Een ander voorbeeld: Mensen in kleinere dorpen hebben minder keuze in hun contacten en daarom zijn hun relaties met buren talrijker, maar minder hecht (Fischer, 1982). De theorie van het sociaal kapitaal kan dus bijdragen aan een verklaring van het ontstaan van netwerken en de selectie van netwerkleden terwijl bestaande theorieën over delinquent gedrag zich vooral op socialisering richten. De bindingentheorie (een variant van de controle theorie) verklaart bijvoorbeeld crimineel gedrag uit ontbrekende of ontoereikende socialisering door de instituties die gedrag sanctioneren of sturen (Hirschi 1969). In Sutherlands’ differentiële associatie theorie wordt beargumenteerd dat crimineel gedrag in de relaties met andere personen geleerd wordt (Sutherland, Cressey and Luckenbill 1992). Volgens de bindingentheorie wordt er tijdens de socialisatie onvoldoende ‘prosociaal’ gedrag aangeleerd, terwijl volgens de theorie van de differentiële associatie antisociaal gedrag geleerd wordt (Bruinsma 1985). De ‘strain’ theorie tenslotte, verklaart criminaliteit als een ontbrekende match tussen doelen die aan jongeren als nastrevenswaardig worden voorgesteld en de middelen die de samenleving aanbiedt om deze te bereiken (Merton 1957).

In de criminologie schrijven o.a. McCarthy en Hagan (2001) over de theorie van het sociaal kapitaal (zie ook McCarthy, Hagan en Cohen 1998; Hagan, 1997). Deze auteurs nemen vooral de normatieve aspecten van Coleman’s (1990) opvattingen over en werken niet aan een theorie over de verklaring van verschillende vormen en structuren van relaties en de instrumentele waarde van relaties voor het bereiken van individuele doelen. Net zo als bij Coleman wordt vooral de dichtheid (‘embeddedness’) van het netwerk benadrukt. Bill en Hagan (1994) combineren Coleman’s perspectief op sociaal kapitaal met Sutherland’s differentiële associatie theorie en benadrukken dat sociaal kapitaal de basis biedt voor en verkrijgen van ‘crimineel kapitaal’. Criminele contacten en criminele hulpbronnen zijn een vorm van sociaal kapitaal. Deze gedachte is zeker van belang maar het theoretische nadeel van een meer normatieve, collectieve of culturele opvatting van sociaal kapitaal is dat het moeilijker wordt om te verklaren waarom sommige individuen zich anders gedragen dan anderen hoewel normen toch voor iedereen gelden.

Omdat tot op heden de meeste theorieën zich op socialisatie richten, is het vooral van belang dat de theorie van het sociaal kapitaal daarnaast de aandacht op selectie, de toetredingssituatie, vestigt. We zullen afsluitend een voorbeeld geven van de beslissingssituatie bij het toetreden tot een criminele groepering.

De keuzesituatie waarin een (allochtone) jongere zich bevindt op het moment dat hij moet kiezen tussen een criminele carrière en een ‘normaal’ bestaan is afhankelijk van de manier waarop zijn sociaal kapitaal op dat moment geïnvesteerd is. Uitgangspunt voor de toetreding tot een crimineel netwerk is dat het huidige sociale kapitaal van de jongere onvoldoende oplevert en dat hij daarom voor de keuze staat opnieuw te investeren. De redenen om te investeren kunnen verschillen. Wat dit betreft kan men zijn situatie vergelijken met de situatie van een belegger, die besloten heeft om zijn vermogen opnieuw te investeren, omdat het rendement onvoldoende is of omdat de investering verloren dreigt te gaan. De volgende alternatieven zijn mogelijk:

1) Hij kan nieuwe investeringen elders doen, omdat de bestaande investeringen onvoldoende of niet renderen.

2) Hij kan nieuwe investeringen doen, omdat de oude investeringen verloren zijn gegaan of verloren dreigen te gaan.

3) Hij kan zijn kapitaal echter ook terugtrekken en beslissen om (voorlopig) niet opnieuw te investeren, bijvoorbeeld omdat hij wil wachten op het beste moment of omdat hij geen alternatieven ziet.

4) Hij kan zijn kapitaal aan iemand toevertrouwen die de investeringen voor hem doet.

In de eerste situatie kiest de jongere voor het toetreden tot een crimineel netwerk omdat zijn bestaande relaties hem onvoldoende helpen bij het bereiken van zijn doelen. De jongere ziet dus het criminele netwerk en crimineel gedrag als een lonend alternatief. In de tweede situatie is de jongere uit zijn voormalig netwerk gezet en hij treedt tot een criminele groepering toe omdat hij binnen zijn oude relaties geen handelingsalternatief meer heeft om zijn doelen te bereiken. De derde situatie is de situatie van een geïsoleerde jongere, die óf geen relaties heeft óf te oppervlakkige relaties. Een dergelijke jongere heeft geen toegang tot hulpbronnen via zijn netwerk. Hij is teleurgesteld over zijn relaties, trekt zich terug en heeft ook geen investeringen meer te verliezen. Deze constellatie maakt hem psychisch labiel en ontvankelijk voor rekrutering door allerlei soorten groeperingen, niet alleen criminele groepen maar ook bijvoorbeeld religieuze sektes. Tenslotte kan de jongere toetreden tot een criminele groep omdat een of meer vrienden van hem dit doen. In zo'n situatie van structurele inbedding is crimineel gedrag een bijproduct van een relatie die primair een ander doel dient, namelijk vriendschap.
6 Conclusie

De boven geschetste theorie van het sociaal kapitaal kan men uitwerken in netwerkonderzoek naar crimineel gedrag dat zich expliciet richt op de ‘criminele selectie’ en niet alleen op ‘criminele socialisatie’. Naast een nieuw perspectief op crimineel gedrag leidt de theorie tot hypothesen en onderzoeksvragen waarmee tot dusver geen rekening is gehouden. De mate van crimineel gedrag zal bijvoorbeeld toenemen naarmate het netwerk uit meer criminele personen bestaat, deze vaardiger zijn in crimineel gedrag (dit zijn tweede orde hulpbronnen) en bereid zijn deze vaardigheden ook in te zetten. Wederzijdse afhankelijkheden en (ontbrekende) alternatieven spelen een rol bij het aansluiten bij een crimineel circuit. Ook wordt, uitgaande van de theorie, in dezelfde mate aandacht besteed aan sterke en zwakke bindingen. Binnen een gesloten netwerk heeft men geen alternatieven voor contact, en het vormt daarom eerder een risicofactor dan een open netwerk dat veel vertakkingen heeft en dat met andere netwerken overlapt.

De hier beschreven opvatting van de theorie zet zich af tegen een normatieve of cultureel/collectieve invulling en veronderstelt een meer actief, handelend individu, dat zijn netwerk in overeenstemming met zijn doelen opbouwt. De theorie biedt verder tal van aanknopingspunten voor onderzoek naar het functioneren van criminele organisaties, bijvoorbeeld omtrent wederzijdse afhankelijkheden, ‘damage potential’ en vertrouwensproblemen of coöperatieproblemen (Driessen et al. 2002, Kleemans, Brienen en van de Bunt 2002). Voorbeelden voor nieuwe onderzoeksvragen die vanuit de theorie van het sociaal kapitaal kunnen worden geformuleerd zijn:


  1. Welke externe condities beïnvloeden het ontstaan van criminele groeperingen? Te denken valt aan condities binnen scholen, buurten en families. Het is van belang de aandacht niet uitsluitend op één van deze condities te richten maar in theorie en onderzoek op belangrijke condities in verschillende settings in te zoomen.

  2. Welke condities die vanuit de theorie genoemd worden voor de toetreding tot criminele groeperingen zijn het belangrijkste: gebrek aan relationele alternatieven, structurele inbedding en afhankelijkheid of verlies van sociaal kapitaal?

  3. Welke toetredingsvoorwaarden hebben criminele netwerken en wat zijn relevante verschillen tussen typen groeperingen?

  4. Welke individuele doelen worden door lidmaatschap van criminele netwerken verwezenlijkt, welke rol spelen statuskwesties en de wens om erbij te horen binnen criminele netwerken?

  5. Hoe stabiel zijn criminele groeperingen, hoe worden ze onderhouden, wat is de waargenomen schaduw van de toekomst? Hoe is het verloop binnen zo een groepering?

  6. En tenslotte: welke condities binnen de socialisatie zijn er naast de condities voor een (zelf-) selectie tot criminele groeperingen aan te wijzen en wat is het relatieve belang van deze twee condities?

Terug naar de vragen van het begin: De verklaring van criminaliteit kan door de aandacht te richten op netwerken zeker verbeterd worden, omdat dit perspectief de aandacht erop vestigt dat criminele delicten vaak in groepsverband gepleegd worden. Om de versnippering van onderzoek tegen te gaan is echter een integrerende theorie nodig. De theorie van het sociaal kapitaal kan meer eenheid in het onderzoek brengen en de aandacht vestigen op het ontstaan en functioneren van criminele netwerken. De toename van eenheid en overzichtelijkheid die door het gebruik van de theorie kan ontstaan is o.i. de grootste winst die men kan boeken. Op deze manier kan in onderzoek opgedane kennis cumuleren, een onderzoeksagenda worden opgesteld en kunnen preventieve maatregelen ontwikkeld en verfijnd worden. De auteurs van deze bijdrage zijn op dit moment betrokken bij longitudinaal onderzoek onder jongeren waarin aan genoemde aspecten aandacht wordt geschonken.

Literatuur

Ambert, A.M. (1994) A Qualitative Study of Peer Abuse and Its Effects: Theoretical and Empirical Implications. Journal of Marriage and the Family 56:119-130.

Axelrod, R. (1984) The Evolution of Cooperation. New York: Basic Books.

Baerveldt, C. (1990) De school: broedplaats of broeinest? Een vergelijkend onderzoek naar de rol van de school bij de bestrijding en verspreiding van kleine criminaliteit van leerlingen. Arnhem: Gouda Quint.

Baron, S., Field, J. & Schuller, T. (2000) Social Capital. Critical Perspectives. Oxford: University Press.

Beke, B.M.W.A. & A.Ph.van Wijk & H.B. Ferwerda (2000) Jeugdcriminaliteit in groepsverband ontrafeld. Tussen rondhangen en bendevorming. Amsterdam: SWP.

Beker, M. & Merens, J.G.F. (1994) Rapportage Jeugd. Sociaal en Cultureel Planbureau. Den Haag.

Berkman, L.F. & S.L. Syme (1979) Social Networks, Host Resistance and Mortality: a Nine-Year Follow-up Study of Almeida County Residents. American Journal of Epidemiology 109:186-204.

Bellair, P.E. (1997) Social Interaction and Community Crime: Examining the Importance of Neighbor Networks. Criminology, 35:677-703.

Birkbeek, C. & La Free, G. (1993) The situational analysis of crime and deviance. American Review of Sociology 19:113-137.

Boissevain J.F. (1974 ) Friends of Friends. Blackwell: London.

Boorman, S.A. & White, H.C. (1976) Social Structure from Multiple Networks. (II). Role Structures. American Journal of Sociology 6:1384-1446.

Bott, E. (1957) Family and social network. Roles, norms and external relationships in ordinary urban families. London: Tavistock.

Bourdieu, P. (1981) Le Capital Social. Notes Provisoires. Actes de la Recherche en Sciences Sociales 31: 2-3.

Burt, R.S. (1992) Structural Holes. The social Structure of Competition. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Burt, R.S. (2001) Structural Holes versus Network Closure as Social Capital. Pp 31-56 In: N. Lin; K. Cook & R. Burt (eds) Social Capital: Theory and Research. New York: De Gruyter.

Bursik, R. (1999) The Informal Control of Crime Through Neighbor Networks. Sociological Focus 32:85-97.

Bursik, R. (2001) The Unfolding of Criminal Events within Neighborhood Contexts


In: R. F. Kennedy; W. Leslie,; V. Sacco (eds) The Process and Structure of Crime: Criminal Events and Crime Analysis. New Brunswick, New Jersey: Transaction. Advances in Criminological Theory. Vol 9:197-212.

Bursik, R. & Grasmick, H. (1993) Neighborhoods and Crime. The Dimension of Effective Community Control. New York: Lexington Books.

Blyth, D.A. & Traeger, C. (1988) Adolescent self-esteem and perceived relationships with parents and peers. Pp171-194, in S. Salzinger (et. al. eds) Social networks of children, adolescents, and college students. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Bruinsma, G. (1985) Criminaliteit als leerproces: een toetsing van de differentiële associatietheorie in de versie van K.D. Opp. Arnhem: Gouda:Quint.

Coleman, J.S. (1990) Foundations of Social Theory. Cambridge: Belknap Press.

Corsaro, W. & D. Eder (1990) Children’s Peer Cultures. Annual Review of Sociology 16:1970-220.

De Graaf, N.D. & Flap, H. (1986) “With a Little Help from My Friends”: Social Resources as an Explanation of Occupational Status and Income in West Germany, the Netherlands, and the United States. Social Forces, 2: 452-472.

Dimaggio, P. & H. Louch (1998) Socially Embedded Consumer Transactions: For What Kinds of Purchases Do People Most Often Use Networks? American Sociological Review, 63: 619-637.

Driessen, F.M.H.M.; Völker, B.G.M.; Op den Kamp, H.M.; Roest, A.M.C.; Moolenaar, R.J.M. (2002) Zeg me wie je vrienden zijn. Allochtone Jongeren en Criminaliteit. Zeist: Kerckebosch.

Elliott, D.; Wilson,W.; Huizinga,D.; Sampson,R.; Elliott,A.; Rankin, B. (1996) The Effects of Neighborhood Disadvantage on Adolescent Development. Journal of Research in Crime and Delinquency 33, 4,389-426.

Fischer, C.S. (1982) To Dwell Among Friends. Chicago: University of Chicago Press.

Flap, H.D. (1988) Conflict, Loyalty, and Violence. Frankfurt: Peter Lang.

Flap, H.D. (1999) Creation and Returns of Social Capital. A New Research Program. La Revue Toqueville/The Toqueville Review XX,1: 1-22.

Flap, H.D. & B. Völker (2003) Creation and Returns of Social Capital. London: Routledge. (verschijnt in het najaar 2003)

Fukuyama, F. (1995) Trust. The Social Virtues and the Creation of Prosperity. New York: Free Press.

Gemert, van, F.H.M. & Fleisher, M. (2002) In de greep van de groep. Regioplan Amsterdam.

Gemert, van F.H.M. & E. Wiersma (2000) Aanpak groepscriminaliteit: een inventarisatie van preventie- en interventiemaatregelen gericht op jeugdgroepen. Den Haag: Ministerie van Justitie.

Giordano, P. S. Cernkovich, & M. Pugh (1986) Friendships and Delinquency. American Journal of Sociology 91:1170-202.

Gecas, V. & M.A. Seff (1990) Families and Adolescents: A Review of the 1980s. Journal of Marriage and the Family, 52:941-958.

Granovetter, M. (1974/19952) Getting a Job. A study of contacts and careers. Chicago: University of Chicago Press.

Hagan, J. (1997) Defiance and Despair. Subcultural and Structural Linkages between Delinquency and Despair in the City life Course. Social Forces, 76: 119-134.

Haynie, D.L. (2001) Delinquent Peers Revisited: Does Network Structure Matter? American Journal of Sociology 4:1013-57.

Hazekamp, J.L. (1992) Verschuivende beelden over jongeren aan de Rand. Pp43-53. In: J.L. Hazekamp (ed): Jongeren aan de rand. Utrecht: SWP.

Heiden-Attema, N. & M.W. van der Bol (2000) Moeilijke jeugd. Risico- en protectieve factoren en de ontwikkeling van delinquent gedrag in een groep risicojongeren. Den Haag: WODC.

Hirschi, T. (1969) Causes of Delinquency. Berkely: University of California Press.

Hooghe, M. (ed, 2000) Verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur. Leuven, België: Acco.

Houtzager, B. & C. Baerveldt (1999) Just like Normal: A Social Network Study of the Relation between Petty Crime and the Intimacy of Adolescent Friendships. Social Behavior and Personality 27, 2, 177-192.

Jankowski, M.S. (1991) Islands in the Street: Gangs and American Urban Society. Berkeley: University of California Press.

Jansen, W. & Van den Wittenboer, G.L.H. (1992) Sociale Netwerken en hun invloed. Amsterdam: Boom.

Jenkins, P.H. (1995) School Delinquency and School Commitment. Sociology of Education, 68:223-239.

Kassenberg, A, (2002) Wat Scholieren bindt. Sociale Gemeenschap in Scholen. Proefschrift Universiteit Groningen.

Klein, M.W. (1971) Street gangs and street workers. Englewood Cliffs, N.J. : Prentice-Hall.

Kleemans, E.R. & E.A.I.M. van den Berg & H.G. van der Bunt & M.M.V.M. Brouwers & R.F. Kouwenberg & G. Paulides (eds., 1998) Georganiseerde Criminaliteit in Nederland. Rapportage op basis van de WODC-monitor. Onderzoek en Beleid 173. Den Haag: WODC, Ministerie voor Justitie.


Kleemans, E.R. & M.E.I. Brienen & H.G. van den Bunt (2002) Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Onderzoek en Beleid. 198 Den Haag: WODC.

Knipscheer C.P.M. & Antonucci, T.C. (eds., 1990) Social network research. Methodological questions and substantive issues. Amsterdam/Kisse: Swets & Zeitlinger.


Lin, N. (1992) Lin, N. (1992) Social Resources Theory. In E.F. Borgatta & M.L. Borgatta (eds.): Encyclopedia of Sociology. New York, Vol 4:1936-1942.


Lindenberg, S. (1996) Continuities in the theory of social production functions. Pp.169-184. In: Lindenberg, S. & H. Ganzeboom (eds) Verklarende Sociologie. Opstellen voor Reinhard Wippler. Amsterdam: Thesis Publishers.

Litwak, E. (1985) Helping the Elderly. New York:Guilford Press

Liska, A.E. & P.W. Bellair (1995) Violent-Crime Rates and Racial Composition: Convergence over Time. American Journal of Sociology 101:578-610.

Naber, P. (1985) Vriendinnen. een explorerend onderzoek naar de betekenis van vriendinnen voor meisjes van veertien tot achttien jaar. Amsterdam: VU-uitgeverij.

Nagin, D. & R. Paternoster (1991) On the relationship of past and future participation in delinquency. Criminology 29:163-190.

Nagin, D. & R. Paternoster (2000) Population Heterogeneity and State Dependence: State of the Evidence and Directions for Future Research. Journal of Quantitative Criminology 16:117-144.

Malinowski, B. (1960) Argonauts of the Western Pacific. London: Routledge & Kegan Paul.

Marcus, R.F. (1996) The Friendships of Delinquents Adolescence 31, 145-158.

Marsden, P.V. (1987) Core discussion networks of Americans. American Sociological Review 52:122-131.

McCarthy, B. & Hagan, J. (2001) When Crime Pays. Capital, Competence and Criminal Success.



Social Forces, 79:1035-1060.

McCarthy, B. & Hagan, J. (1992) Mean Streets: The Theoretical Significance of Situational Delinquency among Homeless Youth. American Journal of Sociology 3:597-627.

McCarthy, B. Hagan, J. & Cohen, L.E. (1998) Uncertainty, Cooperation, and Crime: Understanding the Decision to Co-offend. Social Forces, 77:155-184.

Meeus, W. & M. Helsen, M. & W. Vollebergh (1997) Ouders en leeftijdsgenoten in de adocescentie: vier studies, Pp118-132. In: J.R.M. Gerris (red) Jongerenproblematiek: hulpverlening en gezinsonderzoek. Assen: Van Gorcum.

Mertens, N.M. & Grapendaal, M. & Docter-Schamhardt, B.J.W. (1998) Meisjescriminaliteit in Nederland. Onderzoek en Beleid 169. Den Haag: WODC.

Merton, R.K. (1957) Social Theory and Social Structure. Glencoe: Free Press.

Miedema, S. (2003) Onderzoek nader onderzocht. een vergelijkende analyse van etnografisch onderzoek naar de relatie tussen etniciteit, groepsvorming en delinquentie bij jongens. Tijdschrift voor Criminologie, 2, 44: 150-161.

Poel, Van der, M. (1993) Personal Networks. A Rational Choice explanation of their size and composition. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Portes, A. (1998) Social Capital: Origins and Applications. Annual Review of Sociology 24:1-24.

Putnam, R.D. (1995) Bowling Alone: America’s Declining Social Capital. Journal of Democracy 6-1, 65-78.

Putnam, R.D. (2000) Bowling alone. The Collapse and Revival of American Community. Simon & Schuster: New York.

Radcliffe-Brown, A.R. (1952) Structure and function in primitive society: essays and addresses. London: Cogen and West..

Rood-Pijpers, E.; Rovers, B. van Gemert, F.; Fijnaut, C. (1995) Preventie van jeugdcriminaliteit in een grote stad. Arnhem:Gauda Quint.

Rovers, B. (1997) De buurt een broeinest? Een onderzoek naar de invloed van woonomgeving op jeugdcriminaliteit. Nijmegen : Ars Aequi Libri.

San, Van, M. (1998 ) Stelen en steken. Delinquent gedrag van Curaçaose jongens in Nederland. Amsterdam: Het Spinhuis.

Sansone L. (1992) Schitteren in de schaduw. Overlevingsstrategieën, subcultuur en etniciteit van Creoolse jongeren uit de lagere klassen 1981-1990. Amsterdam: Het Spinhuis.

Sampson, R. (2001) Crime and Public Safety: Insights from Community-Level Perspectives on Social Capital. In, Saegert, S.; Thompson, J.; Warren, M. (eds), Social capital and poor communities. New York: Russell Sage Foundation, pp 89-114.

Sampson, R. (1997) Collective Regulation of Adolescent Misbehavior: Validation Results from Eighty Chicago Neighborhoods. Journal of Adolescent Research; 12, 2:227-244.

Sampson, R. & W.B. Groves (1989) Community Structure and Crime: Testing Social-Disorganization Theory. American Journal of Sociology, 94:774-802.

Sarnecki, J. (1986) Delinquent Networks. The National Swedish Council for Crime Prevention: Stockholm.

Sciarrone, R. (1998) The Social Capital of the Mafia. External Relations and Territory Control. Quaderni di Sociologica 42:51-72.

Shaw, C. & H. McKay (1931) Report on the Causes of Crime, Vol 2 Washington D.C.: US Government Printing Office.

Short, J.F. & F.L. Strodtbeck (1965) Group Process and Gang Delinquency. Chicago: University of Chicago Press.

Snijders, T.A.B. (1999) Prologue to the Measurement of Social Capital. La Revue Toqueville/The Toqueville Revue Vol. XX,1:28-43.

Sutherland, E. (1924) Criminology. Philadelphia: Lippincott.

Sutherland, E.; D. R. Cressey & D.F. Luckenbill (1982) Principles of Criminology, 11th ed. Dix Hills, New York, General Hall.

Suttles, G.D. (1968) The social order of the slum. Chicago: University of Chicago Press.

Thijhuis, M. (1994) Social Networks and Health. Utrecht: Nivel.

Thijhuis, Flap, Foets en Groenewegen, (1992) Netwerken in Nederland. Een onderzoek naar persoonlijke netwerken van Nederlanders. In: W. Jansen & G.L.H. van den Wittenboer, (eds) Sociale netwerken en hun invloed. Amsterdam: Boom.

Völker, B. (1995) “Should Auld Acquaintance be forgot…?” Institutions of Communism, the transition to Capitalism and Personal Networks: The case of East Germany. Amsterdam: Thela Thesis.

Völker, B. & Flap, H. (1999) Getting ahead in the former GDR. Human and social capital in the status attainment process under communism. Acta Sociologica, 1:17-34.

Warner, B.D. & P.W. Rountree (1997) Local Social Ties in a Community and Crime Model: Questioning the Systemic Nature of Informal Social Control. Social Problems, 44:520-536.

Whyte, W.F. (1947) Street Corner Society. Chicago: University of Chicago Press.

Weber, M. (1921) Wirtschaft und Gesellschaft. Tübingen: Mohr.

Weerman, F. (2001) Samenplegen. Over criminele samenwerking en groepsvorming, Nijmegen:Aers Aequi Libri.

Weerman, F. (2003) Crimineel gedrag en criminele leeftijdgenoten. Over de interpretatie van een bekend verband. Tijdschrift voor Criminologie, 45, 1:2-16.

Werdmölder H. (1986) Van vriendenkring tot randgroep. Marokkaanse jongeren in een oude stadswijk. Houten/Amsterdam:Het Wereldvenster.

White, H.C.; Boorman, S.A.& R.L. Breiger (1976) Social Structure from Multiple Networks. (I) Blockmodels of Roles and Positions. American Journal of Sociology, 81:730-780.




Noten

*) De auteurs danken de redactieleden van het Tijdschrift voor Criminologie alsmede twee anonieme beoordelaars voor hun waardevolle suggesties op een eerdere versie van dit artikel. Het artikel is tevens verbeterd door het commentaar van Anton Weenink en Chris Baerveldt. De basis voor dit artikel is gelegd tijdens een onderzoek in opdracht van het Programma Politie & Wetenschap (zie Driessen, Völker e.a, 2002).


1 Soms wordt in de literatuur een onderscheid gemaakt tussen een zogenoemd egogecentreerd of persoonlijk netwerk en een sociaal netwerk. Een persoonlijk netwerk bestaat uit alle relaties die een actor, ook ‘ego’ genoemd, heeft met anderen, ‘alters’ (zie bijvoorbeeld Thijhuis, Flap, Foets en Groenewegen, 1992; Knipscheer en Antonucci, 1990, voor studies naar persoonlijke netwerken in Nederland). Bij een sociaal netwerk gaat het om de relaties tussen alle actoren binnen een bepaalde context zoals bijvoorbeeld een afdeling in een bedrijf of een schoolkas. Omdat de netwerkleden in zo een onderzoek ook zelf respondenten zijn (egos zijn dus ook alters) wordt informatie over netwerkleden (alters) niet via ‘ego’ ingehaald maar door directe ondervraging van de alters.


2 In de criminologische literatuur wordt er over het algemeen van uitgegaan dat naarmate de criminele loopbaan vroeger begint, de gepleegde delicten zwaarder zijn en er minder mogelijkheden zijn voor reïntegratie (Nagin en Paternoster 1991/2000, Van der Heiden-Attema en Bol 2000). Sampson en Laub (1992) wijzen er op dat hoewel delinquent gedrag op jonge leeftijd een van de beste voorspellers is voor delinquent gedrag op latere leeftijd, de meeste delinquente jongeren geen delinquente volwassenen worden. Sampson en Laub (1990) gingen na in hoeverre de binding aan instituties bij volwassenen, i.e. werk en familie, het verband van delinquentie op jonge leeftijd met delinquentie op oudere leeftijd beïnvloedt. Zij laten zien dat bij controle voor delinquent gedrag op jonge leeftijd condities zoals het ontbreken van regelmatig werk en van een stabiele huwelijksrelatie zeer belangrijk zijn voor de verklaring van criminaliteit op latere leeftijd. Dit neemt echter niet weg dat socialisatie van belang is voor het risico tot crimineel gedrag.


3 Niet alleen criminaliteit onder jongens neemt toe, criminaliteit onder meisjes is ook groeiende, maar de verschillen met mannelijke jongeren zijn nog zeer groot (volgens politiecijfers komen in 1996 op 10 misdrijven onder jongens 1,6 onder meisjes; zie Mertens, Grapendaal en Docter-Schamhardt, 1989).


4 In de alledaagse opinie wordt criminaliteit vaak gezien als een gevolg van bepaalde buurtkenmerken. Liska & Bellair (1995) hebben echter aangetoond dat de causaliteit vaak andersom is: criminaliteit heeft een duidelijk effect op de samenstelling van de wijk, doordat de mensen die het zich kunnen veroorloven de wijk verlaten.


5 In een recent overzicht over de stand van zaken met betrekking tot onderzoek naar het verband tussen crimineel gedrag van peers en een bepaalde actor kritiseert ook Weerman (2003) het ontbreken van een integratieve theorie. Weerman (2001) stelt voor om sociale ruilprocessen als onderliggend mechanisme voor groepscriminaliteit te zien en komt daarmee dicht bij de theorie van het sociaal kapitaal, die echter in haar centrale assumpties concreter is en verder gaat dan de ruiltheorie (zie paragraaf 5).


6 De verschillende soorten doelen die men in het leven al dan niet door relaties met anderen wil bereiken zijn nader gespecificeerd in de “Social Production Function Theory” (Lindenberg, 1996). Hier wordt ervan uitgegaan dat menselijke doelen universeel zijn; mensen streven naar sociale waardering en fysiek welzijn. Vijf middelen ofwel instrumentele doelen, zijn voor het bereiken van de twee algemene doelen van belang, nl. affectie, gedragsbevestiging, status, comfort en stimulering.


7 Robert Putnam (1995, 2000) is een van de meest prominente vertegenwoordigers in de discussie over sociaal kapitaal in gemeenschappen, zoals organisaties, verenigingen of andere grotere eenheden Volgens Putnam is sociaal kapitaal ‘a feature of social organisations, such as networks, norms and trust, that facilitates action and cooperation for mutual benefit’ (Putnam 1995:35). Putnam’s analyse richt zich op de collectieve karakter van sociaal kapitaal, terwijl wij onze discussie op meer op individuele aspecten van sociaal kapitaal betrekken. Binnen Nederland en België is vooral het onderzoek van Hooghe (2000) over het collectieve karakter van sociaal kapitaal van belang.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina