Tijdvak 8 – Toetsvragen



Dovnload 33.46 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte33.46 Kb.

Toetsvragen geschiedenis – toelating Pabo

Tijdvak 8 – Toetsvragen
1

In Nederland was de eerste belangrijke politieke stroming het liberalisme.

Welke politieke doelen wilden liberalen bereiken?

A Zij wilden een eenheidsstaat met een grondwet en vrijheid voor de handel.

B Zij wilden een monarchie met eenheid van godsdienst en economische vrijheid.

C Zij wilden een republiek met vrije verkiezingen en een geleide economie.

D Zij wilden een veelvolkerenstaat met een sterke vorst en hoge invoerrechten.
2

De belangrijkste Nederlandse politicus in de 19e eeuw was Johan Rudolph Thorbecke. Wat klopt over Thorbecke?



A Hij gaf leiding aan de liberalen in de Tweede Kamer en zorgde ervoor dat koning Willem II moest aftreden.

B Hij gaf leiding aan het verzet tegen de koning en richtte de eerste politieke partij op.

C Hij maakte een nieuwe, conservatieve grondwet en werd minister.

D Hij maakte een nieuwe, liberale grondwet en werd regeringsleider.
3

De nieuwe grondwet van 1848 gaf de Tweede Kamer meer macht.

Welke nieuwe rechten kregen de Tweede Kamerleden?

A Zij moesten elke begroting goedkeuren en mochten ministers benoemen.

B Zij moesten elke begroting goedkeuren en mochten veranderingen in een wet voorstellen.

C Zij moesten elke wet ondertekenen en mochten de Koning laten aftreden.

D Zij moesten elke wet ondertekenen en mochten zelf nieuwe wetten voorstellen.
4

Bij invoering van de nieuwe grondwet van 1848 kreeg Nederland censuskiesrecht.

Wat was een gevolg van het censuskiesrecht?

A Ongeveer 10% van de bevolking kreeg directe invloed op de samenstelling van de Tweede Kamer.

B Ongeveer 10% van de bevolking kreeg indirect invloed op de samenstelling van de Tweede Kamer.

C Alleen wie genoeg belasting betaalde, kon lid van de Eerste Kamer worden.

D Alleen wie genoeg belasting betaalde, kon zijn stem uitbrengen bij de verkiezingen voor de Eerste Kamer.
5

In de negentiende eeuw gingen mensen zich organiseren om invloed te krijgen op de politiek.

Door welke organisatie werd Abraham Kuyper bekend?

A Hij organiseerde de eerste katholieke politieke partij, de RKSP.

B Hij organiseerde de eerste landelijke staking tegen het regeringsbeleid.

C Hij organiseerde de eerste protestantse politieke partij, de ARP.

D Hij organiseerde de eerste vakbond voor arbeiders in Nederland.
6

De priester Schaepman deed rond 1880 veel om de katholieken meer invloed te geven in politiek en maatschappij.

Waarom was dat lange tijd niet goed mogelijk?

A Arbeiders hadden lange tijd geen gelijke rechten, totdat vrijheid van godsdienst en organisatie werden ingevoerd.

B Gelovigen hadden lange tijd geen gelijke rechten, totdat vrijheid van godsdienst en organisatie werden ingevoerd.

C Katholieken hadden lange tijd geen gelijke rechten, totdat vrijheid van godsdienst en organisatie werden ingevoerd.

D Priesters hadden lange tijd geen gelijke rechten, totdat vrijheid van godsdienst en organisatie werden ingevoerd.
7

Tussen 1750 en 1850 kwamen er in Groot-Brittannië allerlei vernieuwingen in de landbouw, zoals enclosures en machines.

Welke voor- en nadelen had dit voor de bevolking?

A Voordeel: betere werkomstandigheden, nadeel: lagere lonen in de landbouw.

B Voordeel: bevolkingsgroei, nadeel: prijsstijgingen.

C Voordeel: grotere voedselproductie, nadeel: minder werk in de landbouw.

D Voordeel: nieuwe banen in de techniek, nadeel: voedsel werd duurder.
8

Er werd rond 1800 veel geld geïnvesteerd in de bouw van gloednieuwe fabrieken met dure stoommachines.

Waarom gebeurde dat het eerst in Groot-Brittannië?

A Daar woonden handige uitvinders die de stoommachine geschikt maakten voor allerlei toepassingen.

B De stijgende voedselproductie in Groot-Brittannië bracht daar veel geld op dat geïnvesteerd kon worden.

C Hier werd veel geld verdiend met het veroveren van koloniale gebieden met grondstoffen en afzetmarkten.

D In Groot-Brittannië had de regering veel geld over voor het versterken van de economie.
9

In de nieuwe fabrieken waren de werkomstandigheden slecht.

Welke bewering over deze werkomstandigheden is juist?

A De fabriekseigenaren deden hun best om de arbeiders te lokken met goed salaris en prima huisvesting.

B De stadsbevolking was niet gewend aan het harde langdurige werk en daarom vluchtten velen van hen naar het platteland.

C Voor de nieuwe arbeiders, die vaak van het platteland kwamen, was het een enorme schok dat ze zulke lange dagen moesten maken.

D Voor veel mannen, vrouwen en kinderen was het normaal dat ze allemaal moesten meewerken voor een laag loon.
10

In de negentiende-eeuwse fabrieken was ook veel werk voor kinderen.

Welke zin over kinderarbeid is juist?

A In de fabrieken moesten kinderen werk doen waar ze niet geschikt voor waren.

B In de fabrieken werden kinderen ingezet om het gezinsinkomen aan te vullen, maar dit ging ten koste van hun toekomst.

C Kinderen konden in de fabrieken weinig verdienen, maar net genoeg om schoolgeld te betalen.

D Kinderen konden in de fabrieken weinig verdienen, maar wel een vak leren.
11

In de Tijd van Ontdekkers en Hervormers waren vanuit Europa al veel gebieden gekoloniseerd.

Waarom gingen Europese landen in de loop van de negentiende eeuw opnieuw gebieden koloniseren?

A Door de bevolkingsgroei was er behoefte aan gebiedsuitbreiding voor emigranten uit Europa.

B Door de bevolkingsgroei was er een tekort aan voedsel; daarom waren meer plantages nodig.

C Door de industriële revolutie ontstonden conflicten die in de kolonies werden uitgevochten.

D Door de industriële revolutie was er een groeiende behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten.
12

Bekijk de afbeelding. De persoon op de afbeelding is aan zijn helm en snor te herkennen als Wilhelm II, keizer van Duitsland van 1888 tot 1918

Met welk doel kan deze prent zijn gebruikt in de media?

A Als kritiek op de agressieve politiek van Duitsland om heel Afrika in bezit te nemen.

B Als kritiek op de agressieve politiek van Groot-Brittannië om Duitsland te verhinderen kolonies te veroveren.

C Als regeringspropaganda in landen die in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) tegen Duitsland vochten.

D Als regeringspropaganda van Duitsland voor het recht van Duitsland om meer koloniale gebieden op te eisen.
13

Imperialisme noemen we de pogingen van Europese landen om een koloniaal wereldrijk te stichten. Wat is een voorbeeld van cultureel imperialisme?



A Pogingen van België om de inwoners verplicht te laten werken op de rubberplantages.

B Pogingen van Duitsland om volken uit te roeien die zich verzetten tegen het koloniale bestuur.

C Pogingen van Groot-Brittannië om in de kolonies het Engels als taal verplicht te stellen voor de inwoners.

D Pogingen van Portugal om inwoners in te schakelen bij het plaatselijke bestuur.
14

De belangrijkste politieke partij voor arbeiders was de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij) die in 1894 werd opgericht. In de negentiende eeuw stemden maar weinig arbeiders op de SDAP.

Welke reden is hiervoor aan te geven?



A De SDAP had nog grote concurrentie van de liberalen die veel sociale wetten tot stand brachten.

B De SDAP kreeg nog weinig stemmen omdat nog maar weinig arbeiders mochten stemmen.

C De SDAP moest nog bewijzen dat de partij het werkelijk voor de arbeiders opnam.

D De SDAP was nog niet populair omdat de meeste arbeiders op een christelijke partij stemden.
15

Welke invloedrijke Nederlandse politicus is hier aan het woord?



"Ik heb een groot deel van mijn leven gestreden voor een beter lot voor de arbeiders, eerst als advocaat, later als partijleider. Vaak heb ik arbeiders enthousiast gemaakt voor de internationale strijd voor een betere wereld. Eénmaal dacht ik dat ook Nederland rijp was voor de revolutie. Helaas heb ik me daarin vergist. Maar het algemeen kiesrecht brengt ons ideaal toch dichterbij."

A Ferdinand Domela Nieuwenhuis van de ARP

B Ferdinand Domela Nieuwenhuis van de SDAP

C Pieter Jelles Troelstra van de ARP

D Pieter Jelles Troelstra van de SDAP
16

In de negentiende eeuw organiseerden de christelijke kiezers zich in confessionele partijen ARP en RKSP. Waarom werkten deze partijen samen bij de Schoolstrijd?



A Beide partijen vonden dat op school meer aandacht moest zijn voor het Rooms-Katholieke geloof.

B Beide partijen wilden dat ook niet-openbare scholen door de overheid moesten worden betaald.

C In beide partijen vonden veel leden dat de openbare school een christelijk karakter moest hebben.

D In beide partijen waren veel aanhangers van het openbaar onderwijs te vinden.
17

In de Tijd van Burgers en Stoommachines kwamen ook vrouwen op voor hun rechten. Maar daarbij was wel verschil tussen arbeidersvrouwen en vrouwen uit de betere kringen. Voor welke rechten kwamen de dames uit betere kringen vooral op?



A Zij wilden dat er een verbod kwam op vrouwenarbeid voor dames uit de betere kringen.

B Zij wilden dat er meer typische vrouwenberoepen werden gecreëerd om meisjes een beter inkomen te kunnen geven.

C Zij wilden dat meisjes ook stemrecht kregen en kans op een opleiding voor een echt beroep.

D Zij wilden vrouwenkiesrecht en dat er evenveel vrouwen als mannen lid zouden kunnen worden van de Tweede Kamer.
18

Aletta Jacobs was een bekende feministe.



Waarvoor heeft zij een groot deel van haar leven gestreden?

A Voor het recht van vrouwen om deel te nemen aan de politiek.

B Voor het recht van vrouwen om een universitaire opleiding te volgen.

C Voor het recht van vrouwen om huisarts te worden.

D Voor het recht van vrouwen om zelf een beroep te kiezen.



Tijdvak 8 – Antwoorden
1 A

2 D

3 B

4 A

5 C

6 C

7 C

8 B

9 D

10 B

11 D

12 C

13 C

14 B

15 D

16 B

17 C

18 A


Toetsvragen Tijdvak 8




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina