Tijdvak 9 – Toetsvragen



Dovnload 28.02 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte28.02 Kb.

Toetsvragen geschiedenis – toelating Pabo

Tijdvak 9 – Toetsvragen
1

De Eerste Wereldoorlog brak uit naar aanleiding van een moordaanslag in Serajewo. Maar lang daarvoor groeiden er al tegenstellingen waarbij steeds meer landen werden betrokken. Wat was een dieperliggende oorzaak van de Eerste Wereldoorlog?



A De rivaliteit tussen Engeland en Rusland vanwege de dreigende communistische revolutie

B De rivaliteit tussen Engeland en Rusland vanwege het toenemende nationalisme

C De rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland vanwege de Franse nederlaag in 1870

D De rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland vanwege het verlies van Elzas-Lotharingen waarvoor Duitsland wraak zocht
2

De Eerste Wereldoorlog verliep dramatisch voor Rusland. Er braken rellen uit die uitliepen op de Russische Revolutie.

Welke invloed had de Russische Revolutie op het verloop van de Eerste Wereldoorlog?

A Dankzij de Russische Revolutie kon Duitsland meer legers inzetten in Frankrijk.

B Dankzij de Russische Revolutie kregen de Geallieerden er een sterke bondgenoot bij.

C Door de Russische Revolutie kreeg Duitsland een sterke tegenstander bij.

D Door de Russische Revolutie verloor Duitsland een sterke bondgenoot.
3

Dat ook de VS gingen meedoen, betekende een doorbraak in de Eerste Wereldoorlog. De VS gingen niet zomaar meedoen, zoals je in hieronder kunt lezen.



De Verenigde Staten van Amerika hadden vanaf het begin diverse redenen om aan de Eerste Wereldoorlog deel te nemen. Ten eerste was Engeland betrokken in het conflict. De VS en Engeland hadden historische banden met elkaar vanwege de taal en cultuur. Bovendien hadden beide landen de traditie van een democratisch gekozen regering gemeen. De handige Britse propaganda wist veel sympathie voor Engeland in Amerika op te wekken. De voornaamste reden waarom Amerika zich in de strijd wierp was van economisch belang. Tegen 1915 waren de VS de voornaamste leverancier van oorlogsmaterieel aan de Geallieerden. Bovendien werden vele van de geleverde goederen op krediet verkocht of betaald met geld dat in Amerika geleend was.

Welke conclusie kun je trekken uit de informatie, in combinatie met wat je al weet?

A De duikbotenoorlog was wel de aanleiding voor de VS om mee te doen aan de oorlog, maar de belangrijkste oorzaak was financieel belang.

B De sympathie van de Amerikanen voor Engeland was groot, maar door de angst voor economisch nadeel duurde het nog heel lang voor de VS wilden meedoen.

C De VS wilden wel leningen verstrekken aan Engeland, maar toen terugbetaling in gevaar kwam besloten de VS toch om niet mee te vechten.

D Zonder de historische banden tussen de VS en Engeland waren de VS in 1917 niet gaan meedoen aan de oorlog.
4

Overwinnaars en overwonnenen sloten in 1919 vrede in Versailles. Maar de afspraken van Versailles zorgden voor nieuwe problemen met Duitsland.

Waardoor werd de Vrede van Versailles mede oorzaak van een volgende oorlog?

A Deze vrede maakte de democratische landen machteloos tegenover Duitsland dat de oorlog wilde voortzetten.

B Deze vrede maakte geen einde aan de discriminatie van onderdrukte bevolkingsgroepen in Duitsland.

C Deze vrede zorgde ervoor dat Duitsland weer rijk en machtig kon worden zodat het opnieuw een oorlog kon beginnen.

D Deze vrede zorgde voor armoede en wraakgevoelens in Duitsland, dit gaf Hitler een kans om de macht te grijpen.
5

Tijdens het Interbellum (de tijd tussen de twee wereldoorlogen) werden de tegenstellingen tussen politieke partijen in Duitsland steeds groter.

Welke Duitsers voelden zich aangetrokken door de boodschap van dit verkiezingsaffiche?

A Communisten en aanhangers van het voormalige keizerrijk

B Nazi's en andere tegenstanders van de sociaal-democraten

C Sociaal-democraten die voorstander waren van de Weimarrepubliek
6

De NSDAP van Hitler behaalde in 1932 een grote verkiezingsoverwinning. Wat had Hitler de kiezers beloofd?



A Harde aanpak van Joden en communisten; herstel van de economie.

B Harde aanpak van keizersgezinden en Joden; opbouw van het leger.

C Meer invloed voor 'echte' Duitsers; oorlog tegen vroegere vijanden.

D Meer invloed voor oud-soldaten; terugkeer van de keizer.
7

De regering van Hitler gaf de Joden de schuld van alle narigheid in Duitsland en de wereld.

Welke 'eindoplossing' bedacht de nazi-regering in 1941 voor het zogenaamde 'Joodse vraagstuk?'

A Het discrimineren en apart zetten van Joden in ghetto's in de steden

B Het uitroeien van alle Europese Joden in vernietigingskampen

C Het verbannen van alle Europese Joden naar gebieden buiten Europa

D Het zorgen voor 'Lebensraum' voor de Joden in de veroverde landen in het Oosten
8

In veel boeken over het Interbellum is een apart hoofdstuk gewijd aan Zwarte Donderdag en zijn gevolgen.

Wat wordt bedoeld met Zwarte Donderdag?

A De dag waarop de Tweede Wereldoorlog uitbrak in 1939 met de aanval op Polen.

B De dag waarop Hitler na gewonnen verkiezingen zijn regering begon in 1933.

C De dag waarop in 1929 de beurs in New York instortte door verlies van vertrouwen van de aandeelhouders.

D De dag waarop Mussolini in 1922 met zijn zwarthemden optrok naar Rome om te gaan regeren.
9

De economische crisis in de jaren ’30 van de twintigste eeuw hakte er ook in Nederland diep in. Veel mensen werden werkloos en arm en de regering moest daar iets mee doen. Veel werkloze Nederlanders kregen in de jaren dertig te maken met de werkverschaffing. Wat is een juist voorbeeld van werkverschaffing in Nederland tijdens de crisisjaren?



A Bedrijven betalen fors minder belasting omdat zij werklozen in dienst nemen

B De overheid zet werklozen verplicht in bij het uitvoeren van grote projecten als de aanleg van bossen en plantsoenen

C Werklozen die lid zijn van een regeringspartij worden voorgetrokken bij een vacature bij de overheid

D Werklozen mogen kiezen uit een aanbod van laagbetaalde banen bij de overheid

10

Tijdens de bezetting van Nederland maakte het Duitse bestuur veel propaganda. De poster is daarvan een voorbeeld.

Welk doel had de bezetter met deze poster?

A De Nederlanders ervan overtuigen dat ze het beste met de bezetters konden samenwerken als een broedervolk

B De Nederlanders ervan overtuigen dat de Duitsers van plan waren om Nederland zijn zelfbestuur terug te geven

C De Nederlanders ervan overtuigen dat Duitsland het sterkste land van Europa was

D De Nederlanders ervan overtuigen dat het zinloos was om zicht te verzetten tegen de Duitse bezetting.
11

Oorlog en bezetting maakten de Nederlanders vertrouwd met veel nieuwe begrippen, zoals censuur, deportaties en razzia. Welke zin beschrijft een razzia?



A Nederlanders die in het verzet zitten, worden opgepakt en zonder proces in de duinen geëxecuteerd.

B Nederlanders van een bepaalde leeftijd melden zich aan om als dwangarbeider in Duitsland te gaan werken.



C Nederlanders van Joodse afkomst worden uit hun huizen gehaald tijdens een zoekactie van de Duitse politie, en weggevoerd.

D Nederlandse ambtenaren die staken tegen de anti-Joodse maatregelen, worden op staande voet ontslagen.
12

Na D-Day hoopten de Nederlanders op een snelle bevrijding. Het liep anders - voor veel mensen moest het ergste nog komen.

Waardoor was het laatste oorlogsjaar zwaarder dan de voorgaande oorlogsjaren?

A De Duitsers begonnen toen met discriminerende maatregelen tegen Joden.

B De Duitsers begonnen toen met het deporteren van krijgsgevangenen naar Auschwitz.

C De Duitsers deden toen niets aan de hongerwinter op het platteland.

D De Duitsers verhinderden toen voedseltransporten naar het westen.
13

Communisme en nationaal-socialisme stonden op veel punten lijnrecht tegenover elkaar. Maar er waren ook overeenkomsten tussen beide ideologieën.

Welke overeenkomsten waren er tussen de beide stelsels?



A Beide geloofden in de superioriteit van het blanke ras en in een gewelddadige revolutie.

B Beide geloofden in gelijkheid en een totalitaire regering.

C Beide maakten gebruik van propaganda en geloofden in gelijkheid.

D Beide maakten gebruik van geweld en persoonsverheerlijking van de leider.
14

Veel verschrikkelijke gebeurtenissen in Duitsland en Rusland werden ook veroorzaakt door daden van personen: denkers en leiders. Een voorbeeld daarvan vind je hieronder.



Ik had een ellendige jeugd. Ik studeerde voor priester, maar kwam toen in aanraking met de partij. Door hard en bruut optreden wist ik leider te worden van mijn land. De mensen verheerlijkten mij als een vader van het vaderland, ondanks het feit dat ik honderdduizenden naar werkkampen liet verbannen, als dwangarbeiders liet werken of gewoon liet vermoorden. Zij zagen mij als de sterke leider die ervoor zorgde dat ons land als overwinnaar uit de Tweede Wereldoorlog kwam.

Welke denker of leider is in deze bron aan het woord?

A Hitler

B Lenin

C Marx

D Stalin

Tijdvak 9 – Antwoorden
1 C

2 A

3 A

4 D

5 C

6 A

7 B

8 C

9 B

10 A

11 C

12 D

13 D

14 D



Toetsvragen Tijdvak 9




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina