Titel van de les Hoe groot ben jij?



Dovnload 17.05 Kb.
Datum04.10.2016
Grootte17.05 Kb.



Titel van de les

Hoe groot ben jij?


Leeftijdsgroep

Ongeveer 4 tot 6 jaar


Kerndoel

Deze les levert een bijdrage aan kerndoel

4: de leerlingen leren meten en wegen en leren omgaan met meetinstrumenten, gangbare maten en eenheden




Leerstofonderdeel


Meten

4.1/4.2/4.3_2 het juiste voorwerp aanwijzen bij begrippen als grote-kleine, lange-korte, hoge-lage, dikke-dunne

4.1/4.2/4.3_2 twee lengtes met een groot verschil op het oog vergelijken

4.1/4.2/4.3_3 twee lengtes naast elkaar leggen om te vergelijken

4.1/4.2/4.3_4 binnen een context aanwijzen wat bedoeld wordt met groot-groter-grootst, klein-kleiner-kleinst, lang-langer-langst, kort-korter-kortst, hoog-hoger-hoogst, dik-dikker-dikst, dun-dunner-dunst


Doel van de les


De leerlingen leren de begrippen groot/klein, groter/kleiner, grootst/kleinst benoemen in een concrete situatie

Leerlingen verkennen de mogelijkheid om lengtes indirect met elkaar te vergelijken met gebruik van stroken op de muur




Benodigdheden


- verschillende gekleurde stroken van 5 cm. breed en 50 cm. lang (genoeg stroken om van alle leerlingen de lengte aan te kunnen geven (zie voorbereiding)

- digitaal fototoestel





Korte samenvatting

Leerlingen gaan één voor één op de foto. Aan de hand van gekleurde stroken op verschillende hoogtes op de muur kunnen ze de lengtes vergelijken. Hoe kun je zien wie groot/klein is?


Organisatie

Klassikaal


Activiteiten

Voorbereiding

Plak van tevoren de gekleurde stroken horizontaal op de muur, aansluitend op elkaar. Zorg voor voldoende stroken om de lengte van zowel de kleinste als de grootste leerling te kunnen meten.


Op de foto met gekleurde stroken

Vertel dat het vandaag gaat over hoe groot (of hoe lang) de kinderen zijn. Wie denken zij dat het grootste is?


Als u het begrip ‘groot’ gebruikt, zullen alle kinderen het ‘grootst’ willen zijn. Het is voor hen op deze leeftijd een subjectief begrip! Leg uit dat het daar niet om gaat. Andere kinderen groeien ook nog en worden dus ook nog groter.
Vertel dat de kinderen op de foto gaan om te bekijken hoe groot ze zijn. Iedere leerling gaat op de plaats staan waar u de gekleurde stroken heeft opgehangen. Één voor één gaan ze op de foto.

Bespreek van iedere leerling tot welke kleur hij komt. De andere leerlingen kijken mee.
Dit kan leiden tot een gesprekje: tot hoe ver komt ieder kind? Bijvoorbeeld: Nisa komt tot aan de blauwe strook, Ahmed komt al tot aan de rode strook (is dus ietsje groter), Elise haalt de blauwe strook nog net niet (is dus ietsje kleiner).
Maak een afdruk van de foto’s en gebruik deze in de volgende activiteit.
Op een volgende dag: foto’s bekijken

Herinner leerlingen aan de foto’s die ze de vorige les gemaakt hebben. Hoe kon je zien hoe groot een kind was?



Weten ze nog dat de gekleurde stroken lieten zien hoe lang een kind ongeveer was?

Neem nu steeds twee foto’s uit de vorige activiteit, met een duidelijk verschil in lengte tussen de kinderen. Welke van de twee kinderen is het grootst? Hoe kun je dat aan de hand van de foto zien? Controleer de antwoorden door die twee kinderen naast elkaar voor de klas te zetten.


Foto’s op volgorde

Kunnen we de foto’s van de kinderen op volgorde van klein naar groot leggen? Stel voor om alle foto’s eerst naast elkaar te hangen en dan te beginnen met de kleinste kinderen. Hoe kun je aan de stroken zien wie het kleinst is?



Wijs naar de stroken op de muur en vraag tot welke stroken de kleinste kinderen komen. Laat kinderen vervolgens die foto’s als eerste opzoeken en op volgorde leggen.

Wanneer dit niet lukt, kunt u de kinderen van de foto´s vragen om weer tegen de muur voor de stroken te gaan staan. Weten we het nu?

Ga zo door tot alle foto´s op volgorde liggen. Als afsluiting controleert u het met de kinderen door ze naast elkaar op volgorde te laten staan. U kunt hier eventueel ook een foto van maken.



Aandachtspunten

De begrippen ‘groot’ en ‘klein’ zijn voor deze kinderen vaak subjectief. U kunt de begrippen lang/kort gebruiken om duidelijk te maken dat het hier om de lengte van een kind gaat.


Differentiatie

Makkelijker:

  • Laat de leerling het vooral ervaren door hem naast de andere (grotere of kleinere) leerling te laten staan (zorg dat het verschil in lengte aanzienlijk is; laat de kleinere leerling eventueel een dun boek op zijn hoofd leggen; u kunt ze ook voor een spiegel zetten).

  • Stel de leerling vragen over zichzelf: tot welke kleur kom jij? Ben je kleiner of groter dan Achmed?

Moeilijker:



  • Laat de leerling de lengtes vergelijken met gebruik van de foto’s.

  • Vraag de leerling de foto’s op volgorde te leggen en zijn redenering over hoe hij de volgorde bepaalt hardop te vertellen.




Vervolgactiviteiten

Er zijn foto’s op de grond gevallen

Haal van te voren een aantal foto’s weg en vertel dat ze ’s nachts op de grond zijn gevallen. Kunnen de leerlingen de plaats van de foto’s terug vinden? Laat ze eventueel de groepsfoto van de kinderen op een rij van kort naar lang hiervoor gebruiken.


Activiteit ‘Groot en klein’




© Rekenboog.zml, Meetbegrippen





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina