Toegang tot het gerecht juridische en rechtsbijstand



Dovnload 115.72 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte115.72 Kb.


TOEGANG TOT HET GERECHT -
JURIDISCHE EN RECHTSBIJSTAND

Henri Funck


Voorzitter Arbeidsrechtbank Brussel

Inhoud

Inleiding

Afdeling I. Instellingen naast het gerecht
§ 1. Justitiehuizen

§ 2. Federale of regionale ombudsmannen

§ 3. De Hoge Raad voor de Justitie
Afdeling II. Juridische en Rechtsbijstand
§ 1. Juridische bijstand


  1. Rechtsgeschiedenis

  2. De wet van 23 november 1998

  3. Commissie voor juridische bijstand

  4. Bureau voor rechtsbijstand

  5. Doorslaggevende rol van de advocaten

  6. Bijdrage van de betrokkene

  7. Beroep bij de arbeidsrechtbank

§ 2. Rechtsbijstand




  1. Rechtsgeschiedenis

  2. Begrip

  3. Bureau voor rechtsbijstand

  4. Procedure

  5. Hoger beroep en voorziening in cassatie

  6. Intrekking en terugvordering van de rechtsbijstand

§ 3. Juridische bijstand en rechtsbijstand : gemeenschappelijke voorwaarden en twistpunten




  1. Nationaliteit en verblijf

  2. Gezamenlijke inkomensvoorwaarden

  3. Het rechtmatig karakter van de aanspraak

  4. De oproeping van de tegenpartij


Afdeling III. Gerechtskosten
§ 1. Gerechtskosten

§ 2. Borgstelling van de eisende vreemdeling



Inleiding.
1. Nooit zoveel als heden wordt het vertrouwen in Justitie zo in vraag gesteld en wordt gevraagd om dit vertrouwen te herstellen. Nooit zoveel als heden doen de mensen een beroep op Justitie om hun geschillen op te lossen.
Een contradictie dus : door het aantal zaken (misschien meer op strafrechtelijk dan op burgerrechtelijk gebied) is een gerechtelijke achterstand ontstaan die door de burger niet meer wordt getolereerd; en de vraag om de drempel om naar Justitie te stappen zo laag mogelijk te brengen blijft alsmaar aanwezig, met als gevolg een te verwachten vermeerdering van het aantal zaken.
Toegang tot het gerecht wordt in België momenteel vergemakkelijkt vooral door de rechtsbijstand (“assistance judiciaire”) en de juridische bijstand (“aide juridique”), en meer in het bijzonder bij de arbeidsrechtbank, inzake socialezekerheidsgeschillen, ook door het verzoekschrift zonder bijzondere vormvereiste, bedoeld door artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, en door de tenlasteneming van de gerechtskosten.



Afdeling I. Instellingen naast het gerecht



§ 1. Justitiehuizen.
2. Justitiehuizen zijn afdelingen van een dienst van de Federale Overheidsdienst Justitie, gedecentraliseerd in elk gerechtelijk arrondissement, en die opgericht worden om de parajustitiële dienstverlening te verbeteren. Zij werden bij koninklijk besluit van 13 juni 1999 1 ingericht. Hun taak werd hierbij als volgt omschreven :
De oprichting van de justitiehuizen kadert in één van de initiatieven om de gerechtelijke instellingen beter te doen aansluiten bij maatschappelijke en persoonlijke verwachtingen en behoeften. Het doel dat hiermee wordt beoogd, bestaat erin een meer toegankelijke, efficiënte en humane justitie tot stand te brengen.

3. Centrale doelstellingen van het justitiehuis :
- Binnen een verplicht en wettelijk kader advies uitbrengen inzake te nemen beslissingen en personen begeleiden, teneinde de uitvoering van genomen beslissingen ten aanzien van deze personen op een maatschappelijk verantwoorde manier te realiseren.
- Verder wil het justitiehuis ten dienste staan van elke burger in zijn contacten met justitie, welke ook de positie van deze burger is (dader, slachtoffer, eiser, benadeelde of onrechtstreeks betrokkene in een justitiële actie).
- Het justitiehuis wil de toegepaste menswetenschappelijke benadering in het justitiële landschap stimuleren en versterken. Hiervoor wordt betracht de interne werking te optimaliseren en meer systematisch te gaan samenwerken met de belangrijkste partners : magistratuur, advocatuur, strafinrichtingen en welzijnsinstellingen.
- Ook sensibilisering wordt een belangrijke doelstelling van het justitiehuis : het zoeken naar andere oplossingen dan de traditionele gerechtelijke aanpak kan de justitie meer humaan maken. Centraal staat de zorg voor de justitiecliënt, d.w.z. de burger, de dader of het slachtoffer die verplicht of vrijwillig met justitie in aanraking komen.
4. De algemene opdrachten van de Justitiehuizen hebben aldus vooral te maken met de burgerlijke (i.h.b. familiale) en strafrechtelijke bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg en de vrederechter, en niet zozeer met de bevoegdheden van de arbeidsrechtbank. Bij deze rechtbank vervullen eigelijk al de vakbonden, ziekenfondsen, gezins-, gepensioneerden- of gehandicaptenbonden een raadgevende taak naar de burger, mogelijke rechtzoekende, toe.
Niettemin is het niet ondenkbaar dat verdere contacten met de Justitiehuizen aanleiding geven tot samenwerking met de arbeidsrechtbank, bvb. inzake gerechtelijke of buitengerechtelijke bemiddeling, hervorming en bespoediging van het deskundig onderzoek, collectieve schuldenregeling, enz..

§ 2. Federale of regionale ombudsmannen.


  1. Federale ombudsmannen


5. De federale ombudsmannen werden bij wet van 22 maart 1995 2 ingesteld.
Zij hebben tot taak klachten te onderzoeken over de werking van de federale administratieve overheden ; op verzoek van de Kamer van volksvertegenwoordigers onderzoek in te stellen naar de werking van de federale administratieve diensten die ze aanwijst ; en op basis van de bevindingen gedaan bij de uitvoering van hun opdrachten aanbevelingen te doen en verslag uit te brengen. Zij oefenen hun taken uit ten aanzien van de federale administratieve overheden zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met uitzondering van de administratieve overheden die door een bijzondere wettelijke bepaling met een eigen ombudsman zijn begiftigd (art. 1).

Zij zijn ook bevoegd voor de socialezekerheidsinstellingen.


6. Iedere belanghebbende kan schriftelijk of mondeling bij de ombudsmannen een klacht indienen met betrekking tot de handelingen of de werking van de administratieve overheden. De belanghebbende moet vooraf contact zoeken met die overheden teneinde genoegdoening te verkrijgen (art. 8).
De ombudsmannen kunnen weigeren een klacht te behandelen wanneer de identiteit van de klager niet gekend is, de klacht betrekking heeft op feiten die zich meer dan een jaar vóór het indienen van de klacht hebben voorgedaan. Zij weigeren ambtshalve een klacht te behandelen wanneer de klacht kennelijk ongegrond is; de klager kennelijk ten aanzien van de betrokken administratieve overheid geen enkele poging ondernam om genoegdoening te verkrijgen ; de klacht in wezen dezelfde is als een eerder door de ombudsmannen afgewezen klacht en ze geen nieuwe feiten bevatten (art. 9).

De ombudsmannen kunnen ambtenaren of diensten waaraan zij in het kader van hun opdracht vragen richten, een dwingende termijn opleggen voor het beantwoorden van deze vragen. Zij mogen tevens ter plaatse alle vaststellingen doen en zich alle bescheiden of inlichtingen doen meedelen die zij nodig achten en alle betrokken personen horen. De ombudsmannen kunnen zich door deskundigen laten bijstaan (art. 11).




7. Indien de ombudsmannen in de uitoefening van hun ambt een feit vaststellen dat een misdaad of een wanbedrijf kan opleveren, stellen zij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de procureur des Konings ervan in kennis. Indien zij in de uitoefening van hun ambt een feit vaststellen dat een tuchtvergrijp kan opleveren, verwittigen zij daarvan de bevoegde administratieve overheid (art. 12).

Het onderzoek van een klacht wordt opgeschort wanneer omtrent de feiten een beroep bij de rechtbank of een georganiseerd administratief beroep wordt ingesteld. De administratieve overheid stelt de ombudsmannen in kennis van het ingestelde beroep (art. 13). Dit is betreurenswaardig omdat het geschil ondanks het rechtsgeding nog in der minne zou kunnen geregeld worden. Deze wetsbepaling zou dan o.i. moeten worden afgeschaft.


De indiening en het onderzoek van een klacht schorsen noch stuiten bovendien de termijnen voor het instellen van beroepen bij de rechtbank of van georganiseerde administratieve beroepen (art. 13).
8. De klager wordt geregeld geïnformeerd over het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven. De ombudsmannen trachten de standpunten van de klager en de betrokken diensten te verzoenen. Zij kunnen elke aanbeveling die zij nuttig achten richten tot de administratieve overheid. In dat geval brengen zij de verantwoordelijke minister ervan op de hoogte (art. 14).

De ombudsmannen richten jaarlijks een verslag over hun activiteiten tot de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dit verslag bevat de aanbevelingen die de ombudsmannen nodig achten en vermelden de eventuele moeilijkheden die zij ondervinden bij de uitoefening van hun ambt (art. 15).




  1. Ombudsmannen inzake pensioenen


9. Bij wet van 26 juli 1996 en koninklijk besluit van 27 april 1997 3 werd ook een Dienst ombudsmannen ingericht inzake pensioenen. Hun opdrachten en werking is gelijklopend als die van de federale ombudsmannen.


  1. Schorsing van de tussenkomst ingeval van rechtsvordering


10. De bepaling volgens welke de ombudsmannen hun tussenkomst moeten schorsen wanneer een rechtsvordering is ingesteld, is betreurenswaardig. Voor bepaalde aangelegenheden kan een willige tussenkomst een betere oplossing geven aan de rechtzoekende dan een strikt juridische beslissing.


  1. Regionale ombudsmannen


11. Ook in bepaalde openbare ondernemingen en in de gewest- en gemeenschapsinstellingen werden dergelijke ombudsmannen ingesteld.


§ 3. De Hoge Raad voor de Justitie
12. De Hoge Raad voor de Justitie werd door een wijziging aan de Grondwet op 20 november 1998 en bij wet van 22 december 1998 4 ingericht. De Hoge Raad heeft onder meer als opdracht het ontvangen en opvolgen van klachten, vooral van de burgers, inzake de werking van de rechterlijke orde alsmede het instellen van onderzoeken naar de werking ervan (art. 151, § 3, 8e, Grondwet).


Afdeling 2. Juridische bijstand en rechtsbijstand.




                § 1. Juridische bijstand

A. Rechtsgeschiedenis


13. Sinds oudsher is juridische bijstand één van de plichten van de advocaten.
Het Keizerlijk decreet van 14 december 1810 van Napoleon verplichtte de Tuchtraad van de balie om voor de verdediging van de behoeftigen in burgerlijke zaken te zorgen door de inrichting van een Kosteloos Consultatiebureau. De Conferenties van de Jonge Balie hebben ook de verdediging van behoeftigen in strafzaken waargenomen. Kosteloosheid van de aanvrager vertaalde zich in de uitdrukking van “pro deo” advocaat.
Het Gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 1967 bevestigde in artikel 455 deze aloude traditie door de Raad van de Orde van Advocaten met de inrichting van een Bureau voor Consultatie en Verdediging. Advocaten-stagiairs waren hiermee gelast. Het bureau kon een bijdrage bepalen volgens de inkomsten van de persoon die een beroep deed op een advocaat.


  1. De wet van 23 november 1998


14. De wet van 23 november 1998 bracht een belangrijke verandering in de materie. Zij maakte een duidelijk onderscheid tussen :


  • juridische eerstelijnsbijstand : nl. de juridische bijstand die verleend wordt in de vorm van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie ;




  • juridische tweedelijnsbijstand : nl. de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728

(Ger. W., art. 508/1, 1° en 2°)




  1. Commissie voor juridische bijstand


15. De wet richtte een commissie op voor juridische bijstand, samengesteld uit advocaten en juristen of maatschappelijk werkers van O.C.M.W’s en erkende verenigingen die de belangen van minst bedeelden behartigen (artikel 508/2).
De commissie voor juridische bijstand heeft tot taak (art. 508/3) :
  1° de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand van advocaten te organiseren en ervoor te zorgen dat die diensten indien nodig worden gedecentraliseerd;
  2° het overleg en de coördinatie te bevorderen tussen de organisaties voor juridische bijstand, en de doorverwijzing naar gespecialiseerde organisaties te vergemakkelijken, zulks onder meer door het sluiten van overeenkomsten in de hand te werken;
  3° te zorgen voor de verspreiding van informatie over het bestaan van en de toegangsvoorwaarden tot de juridische bijstand, in het bijzonder bij de sociaal meest kwetsbare groepen.

Die verspreiding geschiedt op de plaatsen waar de juridische bijstand wordt verleend evenals onder meer in de griffies, bij de parketten, de gerechtsdeurwaarders, in de gemeentebesturen en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gerechtelijk arrondissement;


  4° de aanbevelingen te doen die zij nodig acht en die aanbevelingen en verslagen over te zenden aan de Minister van Justitie.


  1. Bureau voor juridische bijstand


16. Dit bureau wordt binnen elke balie ingesteld om voor de juridische tweedelijnsbijstand te zorgen (art. 508/7).


  1. Doorslaggevende rol van de advocaten


17. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische eerstelijnsbijstand worden de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand gehouden door advocaten (art. 508/5, § 1, eerste lid). Bij elke balie wordt bovendien door de Raad van de Orde van Advocaten een bureau voor juridische bijstand ingesteld, die de wachtdienst voor de juridische tweedelijnsbijstand organiseert (art. 508/7, eerste lid).
Hiermee werd de doorslaggevende rol van de advocatuur bij het verlenen van juridische bijstand bevestigd : in principe wordt de juridische eerstelijnsbijstand door advocaten verzekerd; en voor de juridische tweedelijnsbijstand behouden ze een monopolie.
18. De deelname aan de juridische bijstand wordt niet langer voorbehouden aan advocaten-stagiairs ; iedere advocaat kan zich inschrijven en ook zijn voorkeursmateries aanduiden (artikels 508/5 en 508/7).
De Orde van Advocaten stelt jaarlijks een lijst op met de advocaten die prestaties wensen te verrichten voor de ene of de andere juridische bijstand. De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen. Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld (art. 508/5, § 1, 2de t/m 4de lid ; art. 508/7, 3de t/m 5de lid).
Advocaten kunnen ook ambtshalve door de stafhouder of door het bureau worden toegevoegd (art. 508/21 en volg.)
Behalve in spoedeisende gevallen of wanneer het bureau er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd, is het de advocaten verboden juridische tweedelijnsbijstand te verlenen voor de zaken waarin ze zijn opgetreden in het raam van de in artikel 508/4 bedoelde juridische eerstelijnsbijstand (art. 508/12).

19. Dat de juridische eerstelijnsbijstand in principe door advocaten en de juridische tweedelijnsbijstand enkel door advocaten wordt verleend brengt garanties mee voor de rechtzoekende. De Orde van Advocaten ziet immers toe op de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt ; in geval van tekortkoming kan de Raad van de Orde een advocaat schrappen van de lijst (art. 508/5, § 4 ; art. 508/8).


  1. Bijdrage van de betrokkene


20. Een ander voordeel voor de betrokkene bestaat er in dat bij juridische eerstelijnsbijstand de advocaten geen kosten of erelonen aan de rechthebbende mogen aanrekenen. Om de juridische bijstand te dekken, kunnen zij wel aan de aanvrager die over voldoende inkomsten beschikt een vaste bijdrage vragen (art. 508/5, § 2, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003).
21. Voor de juridische tweedelijnsbijstand kan het bureau voor juridische bijstand de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid toekennen. Een belangrijke wijziging in vergelijking met het verleden bestaat er in dat die beoordeling niet langer globaal doch op grond van duidelijk in het koninklijk besluit van 18 december 2003 bepaalde criteria moet geschieden. Kosteloosheid is volledig of gedeeltelijk naargelang de inkomsten van de belanghebbende persoon, volgens een strikt barema bepaald bij dit koninklijk besluit (art. 508/5 en 508/13).
Het bureau kan een einde maken aan de juridische tweedelijnsbijstand wanneer de begunstigde niet langer voldoet aan deze voorwaarden of wanneer hij kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen; de advocaat dient daartoe een gemotiveerd verzoek in bij het bureau (art. 508/17).

22. Onverminderd strafrechtelijke sancties kan de vergoeding verleend voor de juridische tweedelijnsbijstand door de Schatkist bovendien van de bijgestane persoon worden teruggevorderd (art. 508/20, § 1) :
  1° indien blijkt dat zich een wijziging heeft voorgedaan in zijn vermogen, inkomsten of lasten en hij derhalve in staat is te betalen ;
  2° wanneer de rechtzoekende voordeel heeft gehaald uit het optreden van de advocaat, zodanig dat, mocht dat voordeel hebben bestaan op de dag van de aanvraag, die bijstand hem niet zou zijn toegekend ;
  3° indien de bijstand is verleend op grond van valse verklaringen of door andere bedrieglijke middelen is verkregen.
In dat geval bepaalt het bureau de staat van kosten en honoraria die de advocaat nog kan vorderen van de begunstigde. De terugvordering verjaart na vijf jaar te rekenen van de beslissing tot verlening van de juridische bijstand, zonder dat de verjaringstermijn korter kan zijn dan één jaar, te rekenen van de ontvangst van de vergoeding door de advocaat. (art. 508/20, § 3).

Ingeval de begunstigde recht heeft op een tegemoetkoming krachtens een rechts-bijstandsverzekering, stelt de aangewezen advocaat het bureau hiervan in kennis en treedt de Schatkist in de rechten van de begunstigde ten beloop van het door haar gedragen bedrag van de verleende juridische bijstand. Ingeval de begunstigde voornoemde tegemoetkoming heeft ontvangen, vordert de Schatkist van hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug. Ingeval de advocaat van de begunstigde voornoemde tegemoetkoming heeft ontvangen, vordert de Schatkist op hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug (art. 508/20, § 2).




  1. Beroep bij de arbeidsrechtbank


23. Dat de betrokkene een beroep kan instellen bij een rechtsinstantie is ook iets nieuws in de wetgeving. Dit volgt uit het erkennen van een grondrecht op een dergelijke bijstand. Er werd gekozen voor de arbeidsrechtbank nu deze instantie reeds bevoegd was inzake maatschappelijke dienstverlening. De beroepstermijn bedraagt één maand na de kennisgeving van de beslissing van het bureau (art. 508/16).
Het beroep kan worden ingesteld bij gedeformaliseerd verzoekschrift zoals bedoeld door artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek 5.
De tegenpartij is niet de stafhouder noch het bureau voor juridische bijstand, doch de Orde van Advokaten van elk gerechtelijk arrondissement ; enkel die heeft immers rechtspersoonlijkheid krachtens artikel 431 van het Gerechtelijk Wetboek.
Sinds de wijziging van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek vallen de gerechtskosten niet meer ten laste van de Raad van de Ordes zoals ze inzake sociale zerkerheid ten laste van de instellingen zijn, maar volgens de gewone regel, nl. ten laste van de partij 6.


§ 2. Rechtsbijstand


  1. Rechtsgeschiedenis



24. De wet van 29 juni 1929 was de eerste organieke wet over de rechtsbijstand.

Voordien was deze materie nauwelijks georganiseerd en ontbraken er duidelijke regels 7. Een innovatie van deze wet bestond in de instelling van een bijzondere jurisdictie om de aanvragen te beslechten, het bureau voor rechtsbijstand. Het Gerechtelijk wetboek nam deze wet bijna letterlijk over 8.


Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschouwde in zijn arrest van 9 oktober 1979 9 dat de Staten maatregelen moeten nemen opdat de toegang tot de rechter niet te zwaar wordt belemmerd door materiële omstandigheden zoals de staat van behoefte ; dit werd afgeleid uit artikel 6 E.V.R.M..
Artikel 23 van de Grondwet bevestigde in 1994 het grondrecht op juridische bijstand, met dit ook verstaande de rechtsbijstand.


  1. Begrip


25. Rechtsbijstand bestaat erin krachtens artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek “degenen die niet over de nodige inkomsten beschikken om de kosten van rechtspleging, zelfs van een buitengerechtelijke rechtspleging, te bestrijden, geheel of ten dele te ontslaan van de betaling van de zegel-, registratie-, griffie- en uitgifterechten en van de andere kosten welke deze rechtspleging meebrengt. Hij verschaft aan de betrokkene ook kosteloos de tussenkomst van openbare en ministeriële ambtenaren”.
26. Rechtsbijstand wordt verleend aan de personen van Belgische nationaliteit, ook rechts-personen, indien hun aanspraak rechtmatig lijkt en indien zij aantonen dat hun inkomsten ontoereikend zijn (art. 667 Ger. W.). Rechtsbijstand kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen, onderdanen van een Lid-Staat van de Raad van Europa, enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft en aan alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (art. 668 Ger. W.). Men zou kunnen twijfelen of dit ook toepasselijk is op onwettig verblijvende vreemdelingen in geschillen tegen een OCMW of tegen de Belgische Staat omtrent de maatschappelijke dienstverlening ; men zou echter kunnen voorhouden dat die geschillen nauw verbonden zijn met deze over hun administratief statuut in België.
27. Rechtsbijstand kan zowel aan de eisende partij als aan de verwerende partij (art. 674) worden verleend.


  1. Bureau voor rechtsbijstand



28. In elke rechtsmacht, ook in graad van hoger beroep en bij het Hof van Cassatie wordt een Bureau voor rechtsbijstand ingericht, samengesteld uit één magistraat (bij de arbeidsrechtbank een beroepsrechter) ; de politie- of vrederechter oordeelt zelf over dergelijke aanvragen.

In graad van eerste aanleg moet het verzoek om rechtsbijstand telkens voor de rechtsmacht worden gebracht waarvoor het geschil aanhangig moet worden gemaakt of, naar gelang van het geval, van de plaats waar de handeling moet worden verricht (art. 670).


29. In de rechtbanken en hoven is evenwel niet het Bureau voor rechtsbijstand bevoegd doch :

  • in spoedeisende gevallen de voorzitter van de rechtbank of van het hof ;

  • gedurende het geding, de rechter voor wie de zaak aanhangig is,

en hij mag op een zelfs mondeling verzoek rechtsbijstand verlenen voor de handelingen die hij bepaalt (art. 673).
30. Rechtsbijstand is ook toepasselijk op de middelen tot tenuitvoerlegging van vonnissen. Er werd dan geoordeeld dat hoewel in dat geval de vordering onder de bevoegdheid van de beslagrechter valt, het verzoek om rechtsbijstand met het oog op de uitvoering van een vonnis van de Arbeidsrechtbank bij de Voorzitter van deze rechtbank kan worden ingediend, nu uit de artikelen 670, 671 en 673 volgt dat de wetgever de rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering ten gronde, ook de bevoegdheid heeft willen verlenen om kennis te nemen van de vraag om rechtsbijstand. 10


  1. Procedure


31. Het Gerechtelijk Wetboek bevat twee bepalingen waaruit een uitgesproken sociale bekommernis blijkt :


  • wat de inleiding van de vordering betreft : voor de arbeidsrechtbank richt de verzoeker aan het bureau een verzoekschrift in tweevoud, ondertekend door hem of door zijn advocaat ; hij kan ook mondeling aan het bureau zijn verzoek doen ; in dat geval stelt de griffier een beknopte nota op waarin het onderwerp van het verzoek wordt uiteengezet (art. 675);

  • wat het taalgebruik betreft : “Indien een van de partijen de taal niet verstaat, die wordt gebruikt voor het bureau in eerste aanleg of in hoger beroep, is in alle delen van het land de tussenkomst van een tolk verplicht. Deze kosten komen ten laste van het Rijk” (art. 691).


32. De indiening van een aanvraag om rechtsbijstand schorst de verjaring niet omdat die de grond van de zaak niet raakt.
33. De wetgever heeft de verzoening bij het bureau voor rechtsbijstand willen aanmoedigen. Daarom is ook voorzien in de oproeping van de tegenpartij. “Na de partijen te hebben gehoord, tracht het bureau hen te verzoenen en handelt het in voorkomend geval zoals bepaald is in artikel 733” (art.678).


34. De behandeling geschiedt met gesloten deuren (art. 681). Behalve bij de vrederechter, de beslagrechter en in kort geding moet het openbaar ministerie worden gehoord (art. 678).


35. De beslissingen zijn uitvoerbaar van rechtswege en op de minuut, niettegenstaande voorziening. Belanghebbenden kunnen er kosteloos de uitgifte van verkrijgen.
Van de beslissing waarbij rechtsbijstand wordt verleend, geeft de griffier kennis aan het kantoor van de ontvanger der registratie, die op zijn beurt de griffier verwittigt zodra de consignatie heeft plaatsgehad (art. 684).


  1. Hoger beroep en voorziening in cassatie


36. De verzoeker en de procureur-generaal wanneer het gaat om een beslissing in eerste aanleg 11 gewezen door een bureau voor rechtsbijstand van een arbeidsrechtbank kunnen, op straffe van verval, binnen een maand na de uitspraak, tegen deze beslissing hoger beroep aantekenen bij een met redenen omkleed verzoekschrift (art. 689).
Enkel de procureur-generaal bij het hof van beroep kan echter de beslissingen van het bureau in hoger beroep naar het Hof van Cassatie verwijzen, en nog uitsluitend wegens overtreding van de wet (art. 688).


  1. Terugvordering en intrekking van de rechtsbijstand


37. De emolumenten en het ereloon van de openbare en ministeriële ambtenaren, met uitzondering van een vierde van het loon van de gerechtsdeurwaarders, de in debet vereffende rechten en geldboeten en de door het bestuur van registratie en domeinen gedane voorschotten kunnen in alle gevallen worden verhaald op hem die rechtsbijstand heeft genoten, indien uitgemaakt wordt dat zich in zijn vermogen, inkomsten of lasten een wijziging heeft voorgedaan sedert de beslissing waarbij hem rechtsbijstand is verleend, en hij derhalve in staat is te betalen.

Dat verhaal kan bovendien hoofdelijk op de tegenpartij worden uitgeoefend, indien deze in de kosten veroordeeld is of indien in de loop van het geding een dading is aangegaan (art. 693).


38. De rechtsvordering tot verhaal van de aan de schatkist verschuldigde sommen verjaart door verloop van dertig jaren, te rekenen van de dag der registratie wanneer het in debet vereffende rechten betreft, en te rekenen van de dag waarop het bestuur der registratie de betaling heeft gedaan, wanneer het voorschotten van dit bestuur betreft (art. 697).
39. Zolang de zaak niet ten einde is, kan, onverminderd strafrechtelijke sancties, de rechtsbijstand worden ingetrokken, indien hij alleen verkregen is op grond van onjuiste verklaringen of indien het gevorderde bij de akte van rechtsingang verschilt van wat in het verzoekschrift om rechtsbijstand is gevraagd.
  

De vordering tot intrekking kan uitgaan van elke partij in het geding en van het openbaar ministerie. Zij wordt ingesteld bij een met redenen omkleed verzoekschrift en betekend met dagvaarding om te verschijnen voor de rechtbank waarvoor het geschil aanhangig is geweest. De partijen dienen in persoon te verschijnen indien de rechter het beveelt. Deze kan, indien hij het geraden acht, de vordering voor nadere inlichtingen zenden aan het bureau dat de bijstand heeft verleend. Hij gelast zodanige onderzoeksmaatregelen als hij dienstig oordeelt, en doet in laatste aanleg uitspraak over de vordering tot intrekking.


  

De door de Staat voorgeschoten kosten, de voorlopig niet-geïnde rechten, de emolumenten en het ereloon van de openbare en ministeriële ambtenaren kunnen onmiddellijk worden geëist van de partij aan wie de rechtsbijstand ontnomen is (art. 698).




§ 3. Juridische bijstand en rechtsbijstand : Gemeenschappelijke voorwaarden en twistpunten



40. In navolging van de wet van 22 november 1998 die de juridische bijstand herschikte stelden ook de Koninklijke Besluiten van 10 juli 2001 en 18 december 2003 dezelfde voorwaarden inzake bestaansmiddelen in zowel voor juridische bijstand als voor rechtsbijstand.
Twee vraagstukken zijn bovendien gemeen aan de juridische bijstand en de rechtsbijstand :

  • moet het bureau voor juridische bijstand respectievelijk rechtsbijstand het rechtmatig karakter van de aanspraken nazien ?

  • moet de tegenpartij opgeroepen worden ?

Achter deze vraagstelling schuilen twee bekommernissen, namelijk om de tussenkomst van de gemeenschap enerzijds te beperken tot de gevallen waarin een rechtsgeding redelijk lijkt, zowel wat de aanspraak betreft als wat de mogelijkheden tot verzoening betreft, en anderzijds te beperken tot de gevallen waarin de aanvrager werkelijk over ontoereikende bestaansmiddelen beschikt. Met de oproeping van de tegenpartij beoogt de wetgever dat partijen de kans krijgen om zich te verzoenen en dat de tegenpartij desnoods ook inlichtingen verschaft omtrent de werkelijke bestaansmiddelen van de aanvrager.




  1. Nationaliteit en verblijf



41. Rechtsbijstand wordt krachtens artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek in principe enkel verleend aan de personen van Belgische nationaliteit, indien hun aanspraak rechtmatig lijkt en indien zij aantonen dat hun inkomsten ontoereikend zijn. Rechtsbijstand kan echter wel onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan :
  a) vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen;
  b) onderdanen van een Lid-Staat van de Raad van Europa;
  c) enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft;
  d) alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijft, de vesting en de verwijdering van vreemdelingen

(art. 668, gewijzigd bij de wet van 15 december 1980).



Verschillende verdragen garanderen aan vreemdelingen onderdaan van een contracterende Staat de rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden als aan de Belgen : zo o.m. het Internationaal Verdrag betreffende de burgerlijke rechtspleging, gesloten in Den Haag op 1 maart 1954, art. 20 12; het Europees Akkoord betreffende het overmaken van aanvragen tot rechtsbijstand, gesloten te Straatsburg op 27 januari 1977.



Voor de juridische bijstand wordt integendeel geen enkele voorwaarde gesteld inzake nationaliteit of verblijf op het grondgebied van het Rijk.

De koninklijke besluiten van 10 juli 2001 en 18 december 2003 bepalen dan ook dat zelfs de vreemdelingen die het statuut van vluchteling of van ontheemde persoon aanvragen recht hebben op volledig kosteloze bijstand. Die besluiten zijn wel conform met de wet betreffende de juridische bijstand maar de vraag ken gesteld worden of ze ook conform zijn met deze betreffende de rechtsbijstand, vermits ze ruimer zijn opgesteld.




  1. Gezamenlijke inkomensvoorwaarden



42. Het koninklijk besluit van 10 juli 2001 heeft gezamenlijke voorwaarden ingesteld in verband met de staat van behoeftigheid.
Vooreerst krijgen bepaalde categorieën mensen automatisch recht op juridische eerstelijns- en tweedelijnsbijstand alsmede op rechtsbijstand, namelijk degenen die genieten van het leefloon of van de maatschappelijke dienstverlening ten laste van een O.C.M.W., van gewaarborgde uitkeringen zoals GRAPA (voor bejaarden), tegemoetkomingen aan gehandicapten of gewaarborgde gezinsbijslag, of van een sociale woning, de minderjarigen, de vreemdelingen voor aanvragen betreffende hun statuut in België, de asielzoekers of de personen die een aanvraag indient van het statuut van ontheemde ; de gedetineerden, de beklaagde ingeval van onmiddellijke verschijning of de geesteszieken worden tot bewijs van het tegendeel als onvermogend beschouwd.
Vervolgens regelt het koninklijk besluit van 18 december 2003 voor de personen die niet onder één dezer categorieën vallen, vanaf 1 januari 2004 niet meer de eerstelijnsbijstand enkel de tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand.
43. Het koninklijk besluit van 18 december 2003 maakt het verschil tussen volledige en gedeeltelijk kosteloosheid met de volgende grensbedragen :





volledige kosteloosheid

gedeeltelijke kosteloosheid

  • alleenstaande

  • samenwonende

< 750 EUR

< 965 EUR

tussen 750 en 965 EUR

tussen 965 en 1177 EUR



Deze bedragen worden ook gekoppeld aan het indexcijfer vanaf 1 januari 2004.


44. Onderhoudsgelden voor kinderen worden niet in rekening gebracht als bestaansmiddelen voor de ouders 13.
Voor de vaststelling van het maandelijks netto inkomen wordt rekening gehouden met lasten voortvloeiend uit bovenmatige schuldenlast. Hieronder dient men niet alleen schulden te verstaan die uitzonderlijk hoog zijn maar eveneens een schuldenlast waaraan men het hoofd moet bieden ingevolge buitengewone omstandigheden. 14
Samenwoonst moet inzake juridische bijstand worden verstaan in de gebruikelijke betekenis van het woord in de werkloosheidsverzekering of in het stelsel van het bestaansminimum of van het leefloon 15.



  1. Het rechtmatig karakter van de aanspraak


45. Volgens de bewoordingen van artikel 508/14 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 23 november 1998, worden voor de juridische tweedelijnsbijstand “de kennelijk ongegronde aanvragen geweigerd”. Inzake rechtsbijstand bepaalde artikel 667 van dit Wetboek reeds dat het voordeel ervan slechts toegekend wordt wanneer de “aanspraak rechtmatig lijkt”. Deze laatste omschrijving veronderstelt een bijkomende vereiste : het volstaat niet dat de aanspraak bij een eerste onderzoek niet kennelijk ongegrond blijkt – vereiste waardoor al te zonderlinge aanspraken kunnen geweerd worden – de aanvraag dient bovendien ‘rechtmatig’ te blijken.
46. De rechtspraak bevestigt dat ook al is het bewezen dat betrokkene over ontoereikende bestaansmiddelen beschikt, het voordeel van de rechtsbijstand krachtens artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek enkel wordt toegekend als de aanspraak rechtmatig lijkt ; het bureau voor rechtsbijstand moet het verzoek niet-ontvankelijk verklaren als het middel of de middelen die volgens verzoeker grond tot cassatie kunnen opleveren, daarin niet worden uiteengezet. 16 De partij die om rechtsbijstand verzoekt moet, desnoods beknopt en zonder de rechtsgrond van het verzoek nader te moeten omschrijven, melding maken van haar grieven tegen de te bestrijden beslissing 17.
47. Bij arrest van 30 juli 1998, betreffende een strafzaak, sprak het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich uit over dit rechtmatig karakter van de aanspraak vereist om rechtsbijstand te bekomen. Het oordeelde dat wanneer het bureau voor rechtsbijstand de eis verwerpt omdat de aanspraak van betrokkene om zijn vrijheidsberoving en ook zijn overplaatsing van de ene strafinrichting naar de andere te betwisten kennelijk niet rechtmatig bleek, hij dan “afbreuk doet aan het recht zelf van betrokkene om zich tot een rechtbank te wenden” 18.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat echter ver daar waar het oordeelt dat “het bureau voor rechtsbijstand niet te oordelen had over de slaagkansen van het ingestelde cassatieberoep” 19, daar het bureau enkel diende na te gaan of aan de voorwaarde opgelegd door artikel 667 voldaan werd en of die voorwaarde enkel ingegeven is door de eisen gangbaar in een democratische samenleving die niet kan dulden dat met het geld van de gemeenschap persoonlijke fantasieën gefinancierd worden.
48. Tot op heden heeft de Belgische rechtspraak het Europees Hof niet gevolgd in zijn gedurfde stellingnamen betreffende dit onderwerp20.
Zo had het Arbitragehof bij arrest van 19 december 1991 nog gesteld, onder de overweging B6, dat “ het redelijk en verantwoord was om het toekennen van rechtsbijstand afhankelijk te stellen van een bondig onderzoek naar de schijn van gegrondheid van het geding waarvoor de verzoeker om rechtsbijstand vraagt” 21.
Ook het Hof van Cassatie schreef in zijn verslag van 1999 dat de rechtspraak van het Europees Hof “vermoedelijk op een misverstand berust (…) Het Europees Hof heeft vermoedelijk niet willen (vooropstellen) dat (elke rechtzoekende) een onvoorwaardelijk recht heeft om kosteloos een cassatieberoep in te stellen als hij onvermogend is” 22.
Het bureau voor rechtsbijstand van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel weigerde eveneens om de rechtspraak van het Europees Hof toe te passen zich daarbij baserend op de verschillen die er bestaan inzake het beroep op een advocaat tussen een procedure in eerste aanleg en een voorziening in cassatie 23.
49. De beoordeling in concreto wordt toch door de rechtspraak zeer ruim opgevat. Zo stond de kortgedingrechter van de Arbeidsrechtbank Brussel 24 een ruime interpretatie voor van het wettelijk voorschrift, echter met betrekking tot de juridische bijstand ; de rechter kan zich zoals reeds gezegd terzake beperken tot een onderzoek dat uitmaakt of de eis al dan niet “kennelijk ongegrond is”. Op een vraag die het bureau had afgewezen omdat de slaagkansen op 25 % geraamd waren wat de ontvankelijkheid betreft van de vordering, op 20 % wat de grond van de zaak betreft en omdat, ook al was de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, de schadevergoeding dan nog met 95 % kansen op 1 frank provisioneel zou worden bepaald, oordeelde de kortgedingrechter :

“De kans, hoe gering ook, om zijn moreel leed erkent te zien, de enkele mogelijkheid om dit leed te uiten en nader uit te leggen, kunnen de aanwijzing van een advocaat in de juridische tweedelijnsbijstand verantwoorden.” 25.


De rechter kent aldus prioriteit toe aan artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag Rechten van de Mens, op basis waarvan “bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering, eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak (…) door een onafhankelijke rechterlijke instantie (…)”
50. Toch lijkt het onverantwoord om de artikelen 508/14 en 667 van het Gerechtelijk Wetboek zomaar overboord te gooien : de gemeenschap dient werkelijk nutteloze uitgaven te kunnen weigeren; ook de rechter staat garant voor de redelijke aanwending van de openbare financiën.
Het is genoegzaam bekend dat elke rechtbank een bijzonder cliënteel aantrekt dat onredelijk hardnekkig en wraakzuchtig de proceduremiddelen uitput. Grillige eisen dienen afgewezen te kunnen worden.
51. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich rekenschap gegeven van dit probleem en is bij een arrest van 19 september 2000 26, twee arresten van 26 februari 2002 27 en bij beslissing van 9 juli 2002 28 op zijn vorige rechtspraak in de zaak Aerts teruggekomen. Het Hof oordeelde dat het Franse stelsel van jurisdictionele bijstand voldoende garanties bood omdat de aanvraag door een onpartijdige en onafhankelijke commissie wordt beoordeeld en een hoger beroep mogelijk is, en betrokkene in casu beide mogelijkheden daadwerkelijk had benut, zodat zijn rechten niet werden gekrenkt.
Het Hof treedt uitdrukkelijk de stelling bij van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, volgens welke geen stelsel van rechtsbijstand kan werken zonder dat een selectie wordt gemaakt van de zaken die voor Staatstoelagen in aanmerking komen 29.

D. De oproeping van de tegenpartij


52. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet niet in de verschijning van de tegenpartij voor de juridische tweedelijnsbijstand terwijl het dat wel doet voor de rechtsbijstand.
Bedoeling is inzake rechtsbijstand dat de rechter tracht voorafgaandelijk een verzoening te bewerkstellingen, met het oog op het bereiken van een wederzijds akkoord teneinde procedurekosten te vermijden. Het verplicht stellen van de oproeping van de tegenpartij heeft nog een andere bedoeling. Men wil zonder twijfel het tegensprekelijk debat omtrent de bestaansmiddelen van de verzoekende partij aanmoedigen.
53. Men mag zich toch de vraag stellen waarom een rechtzoekende, louter omwille van zijn beweerde mindere inkomsten, zou moeten verplicht worden eerst een beroep te doen op een voorafgaande procedure die meebrengt dat de te dagvaarden tegenpartij verwittigd wordt omtrent zijn intenties wat deze laatste toelaat om reeds haar verdediging op te bouwen en bewijsmiddelen te vergaren, daar waar een bemiddeld persoon vrijgesteld wordt van een dergelijke procedure, op elk ogenblik kan dagvaarden en kan verzoeken dat zijn zaak behandeld wordt op de inleidingszitting (art. 735 Ger.W.) of de vaststelling van zijn zaak kan vragen binnen de door artikelen 747, 750, 751 en 803 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijnen.
Vermits de aanwezigheid van de tegenpartij niet meer vereist is om de staat van behoeftigheid voor de toekenning van rechtsbijstand vast te stellen en vermits de criteria voor de toekenning van juridische bijstand en rechtsbijstand tegenwoordig dezelfde zijn, zou men geneigd kunnen zijn om inzake rechtsbijstand de tegenpartij niet meer op te roepen.
De praktijk leert trouwens dat de tegenpartij in de meeste gevallen niet komt opdagen.
54. In het hierboven vermeld arrest van 19 december 1991 30 overwoog het Arbitragehof dat :

“Artikel 675, derde en vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de verweerder wordt verzocht te verschijnen en verschijnt zoals in artikel 728 is bepaald, schendt de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de vordering van een rechtzoekende die op rechtsbijstand aanspraak maakt om overspel te doen vaststellen zoals bedoeld in artikel 1016bis van het Gerechtelijk Wetboek”.


Het Hof beperkte zich aldus tot een uitspraak over de hem voorgelegde zaak maar in zijn overwegingen, punt B 6 en 7 van het arrest, reikten zijn overwegingen verder door over de oproeping van de tegenpartij te stellen dat :
“Al is het redelijk en verantwoord het toekennen van rechtsbijstand afhankelijk te stellen van een onderzoek naar de stand van inkomsten en van een bondig onderzoek naar de schijn van gegrondheid van het geding waarvoor de verzoeker om rechtsbijstand vraagt, dan is er, daarentegen, voor het tegensprekelijk karakter van de debatten en de poging tot verzoening, en dus de aanwezigheid van de tegenpartij in de procedure om rechtsbijstand te verkrijgen, geen redelijk verband van evenredigheid met het beoogde doel”.
Sommige rechtbanken hebben reeds sinds dit arrest deze oproeping achterwege gelaten.
55. De twee bekommernissen van de wetgever in 1967, nl. om verzoening tussen partijen en tegenspraak omtrent de bestaansmiddelen van de aanvrager te bevorderen, blijven echter actueel omdat zij erop neerkomen de kosten ten laste van de gemeenschap zoveel mogelijk te drukken.
De oproeping van de tegenpartij zou echter bij uitzondering moeten vermeden worden bij eenzijdige procedures en wanneer de eiser rechtmatig een verassingseffekt wil bewerkstelligen.


Afdeling 3. Gerechtskosten







                § 1. Gerechtskosten


56. Verwijzen we naar de bijdrage van Jan HERMAN hieronder. 31

§ 2. Borgstelling van de eisende vreemdeling

57. De borgstelling van de eisende vreemdeling (cautio judicatum solvi) op grond van artikel 635 van het Gerechtelijk Wetboek dient niet te worden opgelegd wanneer meteen blijkt dat de vordering al op verschillende punten gegrond is 32. Verschillende verdragen ontlasten de vreemdeling van zo’n borgstelling33 : zo o.m. het Internationaal Verdrag betreffende de burgerlijke rechtspleging, gesloten in Den Haag op 1 maart 1954, art. 17.

Zij kan enkel worden opgelegd aan een eisende of tussenkomende vreemdeling en niet aan een verwerende vreemdeling die een tegenvordering instelt 34. Zij kan ook niet worden opgelegd aan een asielzoeker die wettelijk op het grondgebied verblijft omdat dit strijdig zou zijn met het door artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht van eenieder om een menswaardig leven te leiden, hetgeen de mogelijkheid inhoudt om dit recht voor de rechter te laten afdwingen overeenkomstig artikel 6 E.V.R.M.35.



1 B.S., 29 juni 1999

2 B.S., 7 april 1995

3 B.S., 1 augustus 1996 en 16 mei 1997

4 B.S., 24 november 1998 en 2 februari 1999

5 Arbrb. Doornik, 25 april 2000, Soc. Kron., 2000, 549 en 551; Arbrb. Charleroi, 12 mei 2000, Soc. Kron., 2000, 552

6 zie voor de wetswijziging : zelfde vonnissen als onder noot 5

7 Voorbereidende werken van de wet, p. 522

8 Verslag VAN REEPINGHEN, p. 272

9 inzake Airey t/ Ierland

10  Arbrb. Charleroi, 9 april 1998, Soc. Kron., 1999, 272

1111 Sommigen leiden hieruit af dat er geen hoger beroep is tegen de rechtsbijstand toegekend door de voorzitter van de rechtbank (Luik, 26 december 1997, J.M.L.B., 1998, 446). De rechtbankvoorzitter velt o.i. echter ook “beslissingen in eerste aanleg” in de zin van artikel 689.

1212 Arbrb. Brussel, voorz., 14 mei 2004,

1312 Arbh. Antwerpen, 3 juli 2001, J.T.T., 2002, 252

1413 Arbh. Luik, afd. Namen, 2 april 2001, Soc.Kron., 2002, 352 (zelfs een hoge huurprijs mag niet in acht worden genomen); Arbrb. Doornik, 25 april 2000, Soc.Kron., 2000, 549 en 551

1514 Arbh. Bergen, 5 december 2000, J.T.T., 2001, 66; Arbrb. Charleroi, 12 mei 2000, Soc. Kron., 2000, 552

16 Cass., 9 juni 1988, Arr. Cass., 1987-88, 1301; in dezelfde zin : Cass., 21 november 1938, Pas., 1938, I, 358 ; 6 oktober 1961, Pas., 1962, I, 151

17 Cass., 7 december 1998, Arr. Cass., 1998, 507

18 zie J.L.M.B., 1998, p 1720, in het bijzonder p. 1733, n° 60; vrij vertaald : “ Het Hof oordeelt dat het er in deze zaak niet om ging om ‘de gegrondheid van een strafrechtelijke beschuldiging’ te beoordelen. De afloop van deze zaak was echter wel bepalend voor rechten van burgerrechtelijke aard, in de zin van artikel 6, eerste paragraaf. Het geschil gevoerd voor de Belgische gerechtsinstanties beperkte zich niet tot de betwisting betreffende de overplaatsing van verzoeker naar Paifve maar had in wezen betrekking op de legaliteit van de vrijheidsberoving. Het recht op invrijheidsstelling dat hier aan de orde was is immers van burgerrechtelijke aard. Door aan het Hof van Cassatie te vragen dat het zou bevestigen dat de gerechtelijke instanties bevoegd zijn om na te gaan of zijn internering te Lantin gebeurde in overeenstemming met de interne wet en met het Verdrag, trachtte de heer Aerts niet alleen voor recht te doen zeggen dat deze rechtbanken bevoegd waren om de overplaatsing naar een instelling van sociale bewaring te bevelen, welke probleemstelling toen niet meer actueel was, maar dat ze vooral ook bevoegd waren om een vergoeding toe te kennen voor wederrechtelijke hechtenis.” (ibid., nr 59);

G. Canivet, « Économie de la justice et procès équitable », J.C.P., Étude, I 361, n° 46, 14 november 2001, p. 2089.



19 ibid., n°60

20 zie E CHEVALIER, in “Aide juridique et assistance judiciaire”, Guide social permanent, 2002, 97-98 ; zie Cass., 7 december 1998, hierboven aangehaald.

21 B.S., 25 januari 1992; J.L.M.B., 1992, 110, met kritische noot van C. PANIER

22 verslag 1999, p.76

23 Brussel, 2 juni 1999, J.T., 2000, p.205.

24 Arbrb. Brussel, kortg., 26 maart 2001, Soc.Kron., 2002, 357, obs.

25 ibidem

26 Gnahoré t/ Frankrijk, nr 40.031/98

27 in de zaken Essaadi t/ Frankrijk en Del Sol t/ Frankrijk, nrs 49384/99 en 46800/99

28 beslissing over de ontvankelijkheid, nr 64612/01, Debeffe t/ België (in dit arrest neemt het Hof ervan akte dat het stelsel van rechtsbijstand bij het Hof van Cassatie sinds het arrest Aerts werd gewijzigd en het nieuwe meer garanties biedt voor de rechtzoekende) ; zie ook : F. TULKENS en S. VAN DROOGHENBROECK, “La Cour de cassation et la Cour européenne des droits de l’homme, in Lex imperat. Liber amicorum Pierre Marchal, 2003, p. 140.

29 10 juli 1980, X. t/ Verenigd Koninkrijk, nr 8158/78, DR 21, p. 95, en 10 januari 1991, Ange Garcia t/ Frankrijk, nr 14119/98, aangehaald in de arresten van 26 februari 2002.

30 B.S., 25 januari 1992; J.L.M.B., 1992, 110.

31 zie Hoofdstuk X. Uitgaven en kosten.

32 Arbrb. Brussel, 5 januari 1989, Soc. Kron., 1989, 306, noot P. PALSTERMAN

33 P. PALSTERMAN, ibidem.

34 Arbh. Luik, 3 maart 1994, Soc. Kron., 1996, 516.

35 Arbh. Antwerpen, 28 november 1995, Soc. Kron., 1996, 536.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina