Toelichting artikelsgewijs Monumentenverordening Oud-Zuid 2008 Artikel 1 Begripsbepalingen



Dovnload 37.87 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte37.87 Kb.
Toelichting artikelsgewijs Monumentenverordening Oud-Zuid 2008
Artikel 1 Begripsbepalingen
Sub d.
Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. De aanwijzing en de plaatsing op de lijst zijn daarom uit elkaar getrokken. Zie ook artikel 3, lid 1, en artikel 6.
Sub f.
De inschakeling van een commissie die het Dagelijks Bestuur adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988, is verplicht op grond van artikel 15 van de Monumentenwet 1988. In Amsterdam is dit de Adviescommissie monumentenzorg. Deze commissie adviseert over aanvragen om ver-gunning als bedoeld in artikel 11 en 37 van de Monumentenwet 1988, en art. 10 van deze verordening.
Sub g.

De Adviescommissie monumentenzorg is een commissie die gevraagd en ongevraagd adviseert aan het Dagelijks Bestuur en de Stadsdeelraad.


De taak van de Adviescommissie monumentenzorg is het Dagelijks Bestuur te adviseren over de aanwijzing (of intrekking) van een zaak of een terrein als gemeentelijk monument, de toepassing van de Monumentenwet 1988, de monumentenverordening en het monu-mentenbeleid met uitzondering van aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11 en 37 van de Monumentenwet 1988 en als bedoeld in artikel 10 van deze verordening.
Daarnaast is de taak van de Adviescommissie monumentenzorg de stadsdeelraad te adviseren over de aanwijzing (of intrekking) van een object als rijksmonument of een gebied als een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, de toepassing van de Monumentenwet 1988, de monumentenverordening en het monumentenbeleid, met uitzondering van aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11 en 37 van de Monumentenwet 1988 en als bedoeld in artikel 10 van deze verordening.


Artikel 3 lid 2
Voor een goede besluitvorming is het wenselijk dat de eigenaar, evenals de (beperkt) zakelijk gerechtigde in ieder geval de mogelijkheid krijgen hun zienswijze over plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst kenbaar te maken. In spoedeisende gevallen kan het Dagelijks Bestuur daarvan afwijken. Het Dagelijks Bestuur kan dan afzien van de hoorplicht.
De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de Monumentenwet 1988 dat doet. Wel bestaat er de mogelijkheid om gebruik te maken van de spoedprocedure.
De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde redenen tot aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken. Ook bij een dergelijke procedure is een des-kundig advies vereist.
Door aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief al zijn bestanddelen op grond van artikel van artikel 3:4 Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen interieuronderdelen die fysiek verbonden zijn met de onroerende zaak en die losse onderdelen die volgens verkeersopvatting bij de onroerende zaak behoren onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is een vergunning nodig.
Artikel 3 lid 5
Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen. Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument. Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een gemeentelijk monument op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3 lid 6

Dit lid geeft de Stadsdeelraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing voor een gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de Stadsdeelraad haar controlerende functie gemakkelijker uitvoeren.


Artikel 4
Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn.
Op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan het Dagelijks Bestuur zijn besluit opschorten, wanneer dit voor een zorgvuldige afhandeling nodig is, bijvoor-beeld omdat de noodzakelijke gegevens later beschikbaar zijn. Het Dagelijks Bestuur moet de aanvrager op de hoogte stellen van de opschorting.
Artikel 5
Is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast (het horen van aanvrager en van derde belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling van het besluit te ontvangen.
Artikel 6
Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand onder de werking van deze verordening geplaatst, inclusief al zijn bestanddelen op grond van artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen interieuronderdelen die fysiek verbonden zijn met de onroerende zaak en die losse onderdelen die volgens verkeersopvatting bij de onroerende zaak behoren. Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning nodig.
Andere zaken die zich op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van deze verordening vallen. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kada-strale vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht.
Het Dagelijks Bestuur wijst het gemeentelijke monument aan en registreert dit. De afwikkeling geschiedt bij en door het Bureau Monumenten & Archeologie dat een mo-numentennummer toekent en het pand op de gemeentelijke monumentenlijst plaatst.
Het Dagelijks Bestuur kan besluiten de gemeentelijke monumentenlijst alleen digitaal ter inzage aan te bieden, op verzoek kan hiervan een afdruk worden gemaakt.
Artikel 7 lid 3
Er kunnen zich situaties voordoen waarin het mogelijk moet zijn ambtshalve in de aan-wijzing wijzigingen aan te brengen zonder dat de gehele aanwijzingsprocedure behoeft te worden gevolgd. Het gaat daarbij om wijzigingen van ondergeschikte aard en hierbij wordt gedacht aan het wijzigingen van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
Artikel 8 lid 4
Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie aan te leggen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds worden het gebouw en de bouwplaats voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd, onder meer met behulp van een archeologische waardestelling.
De eigenaar of aanvrager is verplicht mee te werken aan het documenteren van het betreffende gebouw.

Artikel 10
Dit artikel geldt ook voor archeologische monumenten die zijn aangewezen als ge-meentelijk monument. Over opgravingen en vondsten is niets in deze verordening geregeld, omdat deze aspecten in de Monumentenwet 1988 zijn geregeld.
Artikel 11 lid 2
Art. 4:5 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan een bepaalde termijn stelt binnen welke termijn de aanvrager de gelegenheid krijgt de aanvraag aan te vullen. De in artikel 11 lid 2 genoemde termijn van vier weken corre-spondeert met de bepaling in de Woningwet.
Het vragen van ontbrekende gegevens in het kader van de afhandeling van de bouw-aanvraag en de monumentenaanvraag kan dan met dezelfde brief worden afgehandeld.
Art. 4:5 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht regelt dat het Dagelijks Bestuur de aanvraag binnen vier weken na de dag waarop de gegevens zijn overlegd, dan wel de gestelde termijn ongebruikt is verstreken, buiten behandeling kan laten.

Artikel 11 lid 3
Nader bouwhistorisch onderzoek: indien de eigenaar of gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan het Dagelijks Bestuur hieraan eisen verbinden dat de aanvrager een bouwhistorisch onderzoek laat verrichten, dan wel aan een bouwhistorisch onderzoek meewerkt.

Indien de monumentenbeschrijving van het beschermde monument erg summier is, moet bij de aanvraag tot wijziging van het desbetreffende monument alsnog de beschrijving worden aangevuld.


Artikel 11 lid 4
Degenen, die hun zienswijze naar voren hebben gebracht, wordt onmiddellijk een afschrift van het besluit van het Dagelijks Bestuur gestuurd op grond van artikel 3:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 12 lid 2
De acht weken adviestermijn van de Adviescommissie monumentenzorg stemt overeen met de adviestermijn van de Adviescommissie monumentenzorg over een monumentenvergunning voor rijksmonumenten.
Artikel 12 lid 3
Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager en andere be-langhebbenden beter waar ze aan toe zijn. Dit is analoog aan de fatale termijn voor de verlening van een rijksmonumentenvergunning (artikel. 16.4 van de Monumentenwet 1988).
De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de bouwvergunning. Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de bouwvergunning (artikel 44 sub e Woningwet).
Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig geweigerd moeten worden. In de Woningwet is namelijk alleen een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (artikel 54 Woningwet).
Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later indienen.
Laat het Dagelijks Bestuur de termijn voor de verlening van de bouwvergunning verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend (artikel 46 lid 4 Woningwet). Er mag echter pas gebruik gemaakt worden van de bouwvergunning als ook de monumenten-vergunning is verleend.
De aanvrager en degenen die hun zienswijzen naar voren hebben gebracht, wordt onmiddellijk een afschrift van het definitieve besluit van het Dagelijks Bestuur gestuurd op grond van artikel 3:41 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht. Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 12 lid 6
Het voordeel van schorsende werking is dat geen onomkeerbare acties kunnen worden ondernomen, voordat het besluit onherroepelijk is geworden.
Artikel 13
Bij de verlening van de (sloop)vergunning kan het Dagelijks Bestuur in de vergunning-voorschriften de verplichting opleggen om - bijvoorbeeld bouwhistorisch - onderzoek uit te voeren en documentatie te verstrekken tijdens de bouwwerkzaamheden, of om afkomende bouwhistorische elementen veilig te stellen.
Artikel 14 lid 1 sub d
De zesentwintig weken komen overeen met de termijn voor de bouwvergunning (Bouw-verordening Amsterdam 2003, artikel 4.1). Voor het ingaan van de zesentwintig weken-termijn is rekening gehouden met de schorsende werking (termijn van zes weken) die vermeld wordt in artikel 12, vijfde lid. Het Dagelijks Bestuur kan de vergunning hierna intrekken, maar is daartoe niet verplicht.

Artikel 14 lid 2
De Adviescommissie monumentenzorg kan gevraagd en ongevraagd adviseren.

Artikel 4:7 of artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht kan van toepassing zijn.


Over het voornemen de beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten onder voorwaarden de aanvrager en de belanghebbenden worden ge-hoord.
Artikel 15 lid 1
De procedure voor het verlenen door het Dagelijks Bestuur van de vergunning voor rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zie toelichting op art. 12 van deze verordening).
De Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (RACM) en, buiten de bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten (GS) moeten binnen twee maanden na verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel16.2).
Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen van RACM en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3) en bovendien altijd binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag (artikel 3:18 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht).
Tegen het definitieve besluit is alleen beroep mogelijk door de RACM, GS, de aanvrager, en door belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht (artikel 8:1 juncto 7:1 lid 1 sub d van de Algemene wet bestuursrecht) en belanghebbenden die een goede reden hebben geen zienswijzen te hebben ingebracht (artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 15 lid 2
Artikel 15 Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de gemeenteraad een verordening vaststelt waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die Burgemeester en Wethouders adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet.
Wanneer de Adviescommissie monumentenzorg niet tijdig adviseert, kan het Dagelijks Bestuur de volgende keuze maken: zonder advies een beslissing nemen of besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in zijn overwegingen te betrekken. Dit vanwege de fatale termijn voor de vergunningverlening voor rijksmonumenten. De twee maanden adviestermijn stemt overeen met de adviestermijn van de Minister van Onderwijs, Cultuur, en Wetenschappen (OCW), en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (artikel 16.2 van de Monumentenwet 1988).

Artikel 17
Artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet laat aan de wetgever de keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen van de tweede of de eerste categorie.
In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen.
Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van de dit vergrijp, de hoogte van de straf-maat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de hogere geldboete van de tweede categorie voor de hand liggend. De hechtenis is opgenomen om de verordening met meer kracht te handhaven.
Artikel 18
In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor decentrale regelgeving (Adr).
Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is ( artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht).
Op grond van artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. ‘Plaats’ is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen en woningen.
Artikel 19
Omdat aanvragen om vergunning en aanwijzing die zijn ingediend vóór de inwerking-treding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel

18 derde lid, ingetrokken verordening, worden ook bezwaar- en beroepschriften die hierop betrekking hebben, afgehandeld op grond van de ingetrokken verordening.


Artikel 20
Voor stadsdeeloverschrijdende potentiële monumenten zijn de Dagelijks Besturen van de betreffende stadsdelen en/of, als het monument zich in centraal stedelijk gebied bevindt, het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd. Artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht regelt de doorzendplicht.

De bevoegdhedenverdeling tussen de centrale stad en het betreffende stadsdeel bij centraal stedelijke projecten wordt geregeld in het betreffende aanwijzingsbesluit behorend bij het centraal stedelijke project.


De grootstedelijke aanwijzing moet duidelijk zijn over de vraag of de centraal stedelijke monumentenverordening geldt, als de bevoegdheden op het gebied van de monumentenzorg centraal stedelijk worden.

.

----------------------------------------------------



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina