Toelichting op de tekst van de bouwverordening



Dovnload 0.62 Mb.
Pagina1/15
Datum19.08.2016
Grootte0.62 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Bouwverordening Noordwijk 2004

TOELICHTING op TEKST





TOELICHTING op de tekst van de BOUWVERORDENING
Bij de toelichting op de tekst van de Bouwverordening is gebruik gemaakt van de toelichting van de Modelbouwverordening (MBV) 1992 inclusief de 9e serie wijzigingen

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Asbest

Het Asbest-verwijderingsbesluit (Stb. 1993, 290) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.


Besluit indieningsvereisten

In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning. Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen gegevens overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit.


Besluit bouwwerken

In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit. Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn.

Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5% licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).
Bouwbesluit

Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen.


Bouwtoezicht

De Woningwet bepaalt in artikel 100, eerste lid, niet meer dan dat het gemeentebestuur voorziet in het bouw- en woningtoezicht. Dit betekent, dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden.


Gebruiksoppervlakte

Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).

De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de bouwverordening.

Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de gebruiksoppervlakten.


Bouwwerk en gebouw

De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV gehandhaafd.

De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.

Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Deze jurisprudentie is hierna vermeld.

Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig, meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.
Deskundig bedrijf

Dit begrip is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening en van het Asbest-verwijderingsbesluit. Het Asbest-verwijderingsbesluit verstaat onder deskundig bedrijf: Een bedrijf dat voldoet aan de eisen ter zake van asbestverwijdering onderscheidenlijk asbestonderzoek, zoals die zijn gesteld door een door de Stichting raad voor de certificatie erkende certificatie-instelling op grond waarvan het bedrijf is gemachtigd een ingevolge artikel 11 bedoeld merkteken te voeren.

De onderdelen van artikelen uit het Asbest-verwijderingsbesluit waar wordt gesproken over een deskundig (onderzoeks)bedrijf zijn nog niet van kracht. De toelichting bij artikel 12 van het +besluit over de inwerkingtreding zegt hierover: 'Zolang de certificeringregeling voor asbestonderzoek niet gereed is, treden de artikelen niet in werking, waarin de verplichting is opgenomen een deskundig bedrijf te laten onderzoeken waar zich in een bouwwerk asbest bevindt.

Hetzelfde geldt voor de verplichting bij de aanvraag om een sloopvergunning aan burgemeester en wethouders het onderzoeksrapport over te leggen en voor de verplichting om het onderzoeksrapport aan het deskundig bedrijf dat de werkzaamheden uitvoert ter hand te stellen,...'.

Het vooralsnog niet in werking doen treden van delen van dit besluit heeft echter geen betrekking op de asbestverwijdering. Daarvoor geldt de eis dat 'de houder van een sloopvergunning het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdraagt aan een deskundig bedrijf' (artikel 3, letter a van het besluit). Met de als tijdelijk bedoelde aanvulling van de begripsomschrijving in de bouwverordening wordt het gesignaleerde hiaat opgevuld en is met het eisen van een gediplomeerd deskundig toezichthouder asbest (DTA) getracht zo dicht mogelijk bij de bedoelingen van de wetgever te blijven. Overigens is de aanwezigheid van een DTA ook vereist op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving.
Wat is vergunningvrij bouwen?

Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige bouwwerken is komen te vervallen.

De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel 43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken.
Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?

De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder de meldingplichtig vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.

Wat betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.
Hoofdlijnen van de jurisprudentie

De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen e.d. in de zin van de Modelbouwverordening en wat niet, is reeds vele malen onderworpen aan het oordeel van de rechter. Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de jurisprudentie op dit artikel gegeven worden.


Bouwwerk algemeen

- Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt beschermd, waaronder naast de belangen van veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het belang betrokken bij het uiterlijk van bouwwerken, zowel op zich zelf als in de omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de mondelinge behandeling van het desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer opgemerkt dat het begrip bouwwerk 'alles en nog wat' kan omvatten.

HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR 1978, 196.

- De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan het spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in dezen als richtsnoer dienen.

Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24 januari 1983, GS 6751.

- 'Plaats van bestemming' in de definitie van bouwwerk moet niet worden opgevat als 'plaats van voorkeur', doch veeleer als de plaats waarop de constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bij voorbeeld buiten het regime van de bouwverordening vallen veelsoortig constructiewerk op industriële terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter plaatse gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan functioneren).

Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is vervaardigd met de bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse te doen spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats van bestemming bevindt.

HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369; NJ 1972, 453; Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436.

- Een verrijdbaar of 'gemakkelijk' verplaatsbaar object moet in beginsel als bouwwerk in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het naar omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft.

HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.

- Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp, behorend bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10.
Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende 'verplaatsbare objecten':

- Een wooncaravan.

Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969, 429; OB 1969, XI.16.1, nr. 28673.

- Een stacaravan.

ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596;

ARRS 5 maart 1982, A-3.2901 (1980).

- Een friteskraam.

Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325.

- Een bloemenwagen.

ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.

- Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen.

Wnd. vz. ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172.

ARRS 21 januari 1986; GS 6842.

- Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid.

HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr 34110; NG 1974, 512.

- Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m2 en een hoogte van 4 m.

Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.

- Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum.

ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.

- Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van 139 m2.

ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.

- Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een gebogen

lichtgewichtframe dat is overspannen met plastic.

AARS 20 september 1986; RO 3.85.0135.

- Demontabele luifels aan een winkelpand.

Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.

- Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.

ARRS 9 december 1980; BR 1981, 342.

- Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen door een reclamebord in de vorm van een raket.

ARRS 19 augustus 1983, A-31.2807 (1982)/19.

- Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen fundering.

ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982).

- Een vlaggenmast van 13 m.

Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1981, 551.

- Een verplaatsbaar zwembad.

Kg. Sneek 27 april 1973; BR 1973, 436; NJ 1973, 365.

- Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als onderdak voor een c.v.-ketel.

ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.

- Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste, inklapbare delen van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die rusten op vijf in de grond verankerde staanders heeft toch een plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig bouwwerk.

Vz. ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.

- De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden karakter, nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn gemonteerd op plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is. Het verplaatsen kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan plaatsvinden. Voorts ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten staan.

ARRS, 16 augustus 1993, AB 1994, nr. 345.

- Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is door de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto kan worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.

Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS, 4 april 1995, R03.93.5862.

- Een paardencontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt een plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk.

ABRS 10 november 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.

- Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeildoek afgedekt, die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk gezien het plaatsgebonden karakter.

ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034.


Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:

- Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier tanks, leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een oppervlakte in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m.

HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062.

- Een woonboot die met de grond is verbonden.

Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748.

- Een duiker in een weg.

HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112.

- Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken.

ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984, 331.

- Een gedenkteken.

ARRS 24 januari 1983; GS 6751.

- Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed.

ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB 1980, 217.

- Een 'neerklapbaar' zomerhuisje op geheide fundering.

ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21.

- Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van elkaar staan.

ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.

- Hekwerken, afschermingen, rietmatten.

ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978, 406; ARRS 10 december 1981; BR 1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980, 704.

- Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de vloer zijn bevestigd.

ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.

- Speeltoestellen.

ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004.

- Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porta-cabin, met een afmeting van 3x3x2,75)

met een slagboom.

Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en S03.93.0112.

- Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een hoogte van zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen worden en dat deze niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn doet, in aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet af.

ARRS 11 januari 1993, R03.89.6929.

- Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een tank van 7 m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als watertank.

ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.

- Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en omvang van dit object.

Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779.

- Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel-café-restaurant, bedoeld om de terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen.

ARRS 11 maart 1988, RO 3.86.5649.

Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een bouwwerk is.

- Een verrolpoort alsmede een afrastering.

ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.

- Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene zijde op de buis.

ARRS 22 april 1988, GS 6863.

- Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.

Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.

- Een balkonhek op de uitbouw van een woning.

ARRS 20 oktober 1988.

- De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als (bouwvergunningplichtige) bouwwerken.

ARRS 25 november 1993, R03.91.0529.

- Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.

Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994\9, p. 3.

- Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m2, is gezien het plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.

Vz. ARRS 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858

- Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is.

Rb. 's-Gravenhage 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.

- De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang 7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis worden beschouwd.

ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.
Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:

- Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering.

Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.

- Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van circa 1,25 meter.

KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR 1984, 896.1.

- Een oever- en terreinverharding als trailerhelling.

KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120.

- Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.

Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.

- Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen 's winters neergelegd.

ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.

- Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet van de elektriciteitsmaatschappij.

Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.

- Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4 m.

ARRS 1 december 1980; A-3.2995 (1979).

Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.

- Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is.

Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.

- Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.

ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.

Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met betrekking tot

een waterbassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.

- Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.

Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975, 274.

- Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie. Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 - datum uitspraak) op het perceel

gestald.


ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.

NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.

- Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een caisson.

Vz. ARRS 6 augustus 1992, S03.92.2319.

- Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204.

- Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen gelet op de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is.

Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari 1994, KG 94/353G.

- Een berg aarde is geen bouwwerk.

Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.

- Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een ander oordeel.

Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355.

- Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de container, bestemd voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, en de wijze waarop hij los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar is, redenen waarom de container naar gangbare opvattingen niet als een bouwwerk in de zin van de bouwverordening kan worden aangemerkt.

Hof Amsterdam 22 december 1994, 384/94 KG.

Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt:
Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet (B-III).
Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet (B-III).


Woning

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de Woningwet (B-III).


Aan- of uitbouw

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet (B-III).


Bijgebouw

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet (B-III).


Over meldingplichtig bouwen

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet (B-III).


Over vergunningvrij bouwen

Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet (B-III).




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina