Toerekening van schuld aan de verzekerde



Dovnload 27.3 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte27.3 Kb.

VAN TRAA

ADVOCATEN

- -


TOEREKENING VAN SCHULD AAN DE VERZEKERDE
Recent heeft de Hoge Raad twee interessante arresten gewezen over toerekening van (eigen) schuld aan de verzekeringnemer in twee verschillende situaties.

Zoals bekent bepaalt art. 276 Wetboek van Koophandel dat de verzekeraar niet gehouden is tot schadevergoeding ingeval de schade veroorzaakt is door eigen schuld van de verzekerde. De verzekeraar mag bij de beoordeling van (de ingang van) het risico ervan uitgaan dat de verzekerde niet tekort schiet in zijn zorgvuldigheidsverplichting.

Het eerste te bespreken arrest (Hoge Raad 26 april 2002, S&S 2002, 96 Áll-ways') gaat over de vraag wanneer sprake is van eigen schuld van de verzekerde. Het tweede te bespreken arrest (Hoge Raad 19 oktober 2001) gaat over de vraag wanneer eigen schuld van een medeverzekerde kan worden toegerekend aan de (claimende) verzekeringnemer. Bij het tweede arrest zal ik overigens wat langer stilstaan, gelet op het belang voor de praktijk.
Hoge Raad 26 april 2002 (‘All-Ways’)

Op 20 april 1994 vertrok de duwcombinatie All-ways/Ruyttrans 3, geladen met kolen, van Weurt bij Nijmegen naar Born. Eerder die dag was de kapitein van de All-Ways van boord gegaan zonder instructies achter te laten. Eigenaar van de duwboot All-Ways is ABS B.V. Na overleg tussen de dienstdoende (21-jarige) matroos en de heer J.H. van de Graaf, directeur van ABS, is de stiefvader van de matroos verzocht aan boord te komen. Hoewel beiden niet beschikten over het vereiste groot vaarbewijs, kwam de combinatie veilig aan in Born. De All-Ways en de lege duwbak Euroduw 12 moesten hierop worden teruggevaren naar Amsterdam. De matroos en zijn stiefvader “zagen die reis niet zitten”. De matroos stond op dat moment naar eigen zeggen al zo’n 30 uur op zijn benen, en vond het onverantwoord om, gezien hun gebrek aan ervaring in verband met de afmetingen van de duwcombinatie, verder te varen. Na contact met van de Graaf zijn de mannen toch met de duwcombinatie naar Maasbracht vertrokken waar een afloskapitein aan boord zou komen. Tijdens een uitwijkmanoeuvre in het Julianakanaal raakte de duwbak het talud van het kanaal. Bij een poging om de combinatie weer op koers te krijgen, raakte vervolgens ook de All-Ways het talud. De schade bedraagt bijna f 300.000,-.

De All-Ways was ten tijde van de schadevaring op een beurs-cascopolis voor de binnenvaart verzekerd. Beursverzekeraars weigeren de schade uit te keren omdat er naar hun mening sprake was van eigen schuld van de verzekerde in de zin van art. 276 WvK (op grond van het roekeloze gedrag van de directeur van ABS), waarvoor de polis geen dekking verleent.
Het hof en de Hoge Raad

Het Hof Den Haag d.d. 28 maart 2000, S&S 2001, 36 (de Beursbengel) wijst de vordering van ABS tegen verzekeraars tot betaling onder de polis af. Hiertoe stelt het hof dat het feit dat de matroos en zijn stiefvader met de All-Ways vertrokken zijn uit Born voor verantwoordelijkheid van ABS, als verzekerde, dient te komen, en dat het verwijtbaar optreden van de directeur als oorzaak van de schadevaring moet worden aangemerkt.

ABS gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt onder meer dat het hof tot het oordeel mocht komen “dat het verwijtbaar optreden van de bestuurder als rechtens relevante oorzaak van de schadevaring moet worden aangemerkt.” De Hoge Raad overweegt echter ook dat het hof zijn feitelijke vaststelling kennelijk heeft doen steunen op datgene wat door verzekeraars gesteld is, en verder geen aandacht heeft besteed aan de door ABS gegeven lezing van de feitelijke gang van zaken. Volgens deze lezing had Van de Graaf niet aangedrongen op de doorvaart naar Maasbracht, maar is de matroos door zijn stiefvader overgehaald om door te varen. De beslissing van het hof, ABS niet tot tegenbewijs toe te laten, is niet voldoende gemotiveerd aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad casseert en verwijst terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
COMMENTAAR

De vraag wanneer eigen schuld aan een rechtspersoon kan worden toegerekend werd altijd beantwoord aan de hand van de orgaantheorie. Volgens deze theorie kan alleen eigen schuld van een orgaan van de rechtspersoon als schuld van de rechtspersoon gelden. Als orgaan geldt in ieder geval het bestuur van een rechtspersoon. Sinds het arrest ‘Kleuterschool Babbel’ (HR 6 april 1979, NJ 1980, 34) geldt echter - naast de orgaantheorie - een nieuw criterium voor toerekening van eigen schuld aan de rechtspersoon. Er is sprake van eigen schuld van een rechtspersoon indien de gedragingen van een natuurlijk persoon in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als gedragingen van de rechtspersoon. In de onderhavige uitspraak ging het om een gedraging van een bestuurder van de verzekerde. Het stond daarmee vast dat de gedraging aan de rechtspersoon kon worden toegerekend. Hiervoor hoefde het Babbel-criterium niet van stal te worden gehaald. Verder wordt de regel bevestigd dat eventuele onzorgvuldigheden van ondergeschikten niet snel als eigen schuld van de rechtspersoon mogen worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft immers de ontsnapping toegelaten van tegenbewijs dat niet de bestuurder van ABS maar de stiefvader aandrong op doorvaren. In dat geval zou er dan geen eigen schuld van ABS zijn als oorzaak van de schade.

Overigens wordt in artikel 7.17.2.9 NBW de positie van de verzekerde met betrekking tot zijn schuld aanzienlijk versoepeld. Volgens dit NBW-artikel hoeft de verzekeraar slechts in het geval van opzet of grove schuld van de verzekerde niet uit te keren.
Over de mate van die eigen schuld (opzet; roekeloosheid; merkelijke schuld; ernstige onzorgvuldigheid; normale onzorgvuldigheid) laat de Hoge Raad zich in deze zaak niet uit. In de literatuur en jurisprudentie is uitgemaakt dat daarvoor een min of meer ernstig verwijt de verzekerde moet kunnen worden gemaakt (zie bijvoorbeeld Hoge Raad, 11 januari 1991, S&S 1991, 96; de Beursbengel; in toilet achtergelaten sieraden). In de onderhavige zaak accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het door het hof beschreven feitencomplex op zich eigen schuld van Van de Graaf ,d.w.z. de verzekerde ABS, kon opleveren.
Hoge Raad 19 oktober 2001(Vitesse/UAP c.s.)

Het arrest in zake de 'All-Ways' raakt de vraag wanneer handelingen/

gedragingen kwalificeren als eigen schuld van de verzekerde. Wat nu indien sprake is van meer verzekerden? Wanneer onder een polis twee of meerd belanghebbenden zijn verzekerd en één van die verzekerden vervolgens eigen schuld treft, komt de vraag op of de door de ene verzekerde gemaakte fout ook aan de overige verzekerden kan worden tegengeworpen. Een belangrijke uitspraak daarover was het zogenaamde MCB/Fatum II-arrest van de Hoge Raad d.d. 19 juni 1992, NJ 1993, 555. Dit ging over een opstalverzekering in een onverdeelde nalatenschap ten behoeve van een aantal erfgenamen. Een van deze erfgenamen stak de verzekerde boerderij in brand.

De Hoge Raad besliste - kort gezegd - dat de verzekeraar niet tot vergoeding van de schade gehouden is aan de andere verzekerden als de brand door merkelijke schuld van een der verzekerden veroorzaakt is. Tot deze uitspraak werd derhalve aangenomen dat volgens de Hoge Raad eigen schuld (art. 276 K) en merkelijke schuld (art. 294 K) van een der verzekerden, de verzekeraar ook jegens de overige verzekerden van iedere betalingsverplichting bevrijdt.


In 'Vitesse/UAP' geeft de Hoge Raad een meer genuanceerdere regel.

De feiten zijn als volgt. Vitesse is een bedrijfsmatig verhuurder van vorkheftrucks. In december 1998 heeft zij als verzekeringnemer met verzekeraars een verzekeringsovereenkomst gesloten waarop van toepassing zijn de Algemene Voorwaarden Nederlandse Beurspolis voor Landmateriaal 1985 (“de Beursvoorwaarden”). Volgens de aanhef van de polis heeft als verzekerde te gelden: Vitesse en/of huurders en/of wie het ingeval van schade moge aangaan. De Beursvoorwaarden bepalen over de dekking:

Art. 3 lid 1.2:

De verzekeraars vergoeden de schade door verlies of beschadiging van het verzekerde object of een deel daarvan als gevolg van:



  • een van buiten komend onheil

  • enig gebrek, eigen bederf of uit de aard en de natuur van het verzekerde object zelf onmiddellijk voortspruitende’

Art. 4 lid 2:

Van de omschreven dekking is uitgesloten schade:



a. veroorzaakt door grove schuld van verzekeringnemer;
b. die een gevolg is van verzekeringnemer te verwijten onvoldoende onderhoud van en/of


onvoldoende zorg voor het verzekerde object.’
Vitesse heeft diverse aan haar toebehorende vorkheftrucks bij haar zelfstandige tussenpersoon Vandenbroeck geplaatst voor verhuur aan derden. In januari 1990 heeft Vandenbroeck een nieuwe vorkheftruck verhuurd en afgeleverd aan Bisschop. Deze heeft de vorkheftruck verduisterd door haar te verkopen en te leveren aan een zekere Goossens. Revindicatie door Vitesse van de vorkheftruck faalt. Vitesse claimt dan van haar Werkmateriaalverzekeraars de ten gevolge van het verlies ontstane schade.
Hof en Hoge Raad

Verzekeraars stellen zich onder meer op het standpunt dat gelet op het feit dat de schade is veroorzaakt door een van de medeverzekerden onder de polis, namelijk de huurder Bisschop, niet kan worden gesproken van een van buiten aankomend onheil als bepaald in de Beursvoorwaarden.

Het Hof Amsterdam bij arrest d.d. 9 september 1999 wijst, in navolging van de rechtbank, polisdekking af. Het hof baseert die beslissing met name op twee argumenten:


  1. Mede gelet op de wijze waarop Vitesse haar vorkheftrucks aan derden verhuurde (namelijk: via de tussenpersoon Vandenbroeck) kan niet gezegd worden dat de verduistering door de medeverzekerde Bisschop als een van buiten komend onheil is aan te merken. De schade behoort volgens het hof veeleer tot het bedrijfsrisico dat Vitesse loopt bij de verhuur van de vorkheftrucks.

  2. Het feit dat Bisschop (als huurder) in de kring van de verzekerden is getrokken levert - mede naast de overige omstandigheden - geen van buiten komend onheil op.

Uiteindelijk vindt Vitesse bij de Hoge Raad wel begrip. De Hoge Raad is van oordeel dat zonder nadere toelichting niet duidelijk is waarom de door Vitesse gehanteerde wijze van verhuur tot gevolg zou hebben dat de verduistering tot het bedrijfsrisico van Vitesse behoorde. Ik meen ook dat het begrip bedrijfsrisico in beginsel geen onderscheidend vermogen heeft ten opzichte van het begrip van buiten komend onheil/onzeker voorval¹. Tegen bedrijfsrisico’s pleegt men zich nu juist te verzekeren.


Vervolgens komt de belangrijkste klacht tegen het arrest van het Hof aan de orde, dat geen sprake is van een van buiten aankomend onheil daar Bisschop behoort tot de kring der medeverzekerden onder de polis. In feite kan dit punt niet worden onderscheiden van de vraag wanneer de eigen schuld van de ene verzekerde aan een andere verzekerde moet worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelt dat schuld van een medeverzekerde niet zonder meer kan worden aangemerkt als schuld van de verzekerde:
(…) dat indien door één verzekering de belangen zijn gedekt van een aantal verzekerden, niet als algemene regel geldt dat opzet of eigen schuld in de zin van art. 276 K., van een der verzekerden de verzekeraar ook jegens de andere verzekerde(n) bevrijdt. De omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de omstandigheid dat tussen de verzekerden een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het
_______________________________

¹Vgl. ook A. Blom, AV&S 2002, nr. 2, p. 47.


verzekerde belang als een gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt, kunnen meebrengen dat zulks wel het geval is. De vaststelling door het Hof dat de belangen van Vitesse als eigenares en van Bisschop als huurder, uiteen lopen, kan echter slechts tot de gevolgtrekking leiden dat in het onderhavige geval van een zodanig gemeenschappelijk belang geen sprake is.’
Het feit dat het hof had overwogen dat de belangen van Vitesse als eigenaar en Bisschop als huurder uiteen liepen, brengt de Hoge Raad derhalve tot de conclusie dat van een gemeenschappelijk belang in het onderhavige geval geen sprake kan zijn. Derhalve geen toerekening.
COMMENTAAR

Er geldt mitsdien geen algemene regel dat opzet of eigen schuld van een der verzekerden de verzekeraar ook jegens de andere verzekerden bevrijdt. De omstandigheden van het geval kunnen anders meebrengen en in het bijzonder de omstandigheid dat tussen de verzekerden een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het verzekerde belang als een gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt. Mitsdien: mogelijk wel toerekening ingeval van gelijksoortige belangen.

Wanneer is dan sprake van zulke gelijksoortige belangen?

Voor toerekening kan mijns inziens met name plaats zijn binnen een gemeenschap zoals een huwelijksgemeenschap, een maatschap of vennootschap onder firma. Ook daarbuiten kan ruimte zijn voor toerekening namelijk ingeval van gelijksoortige belangen als gevolg van een rechtsband. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan de relatie economisch eigenaar/juridisch eigenaar en huurkoper (financial lessor)/eigenaar. Maar het belang van een eigenaar/verhuur en dat van een huurder loopt meestal niet parallel zodat dan de eigen schuld van de huurder niet gelijk gesteld kan worden met eigen schuld van de verhuurder; voor de verhuurder is er wel verzekeringsdekking.


Het nieuw BW gaat in het eerdergenoemde art. 7.17.2.9 verder dan de Hoge Raad door als algemene regel te introduceren dat “indien er meer verzekerden zijn, opzet of roekeloosheid van een van de verzekerden niet ook aan de anderen kan worden tegengeworpen”. Het wetsontwerp regelt overigens wel de mogelijkheid voor de verzekeraar om regres te nemen op de tekortschietende verzekerde.

De materie is overigens van regelend recht. Het staat verzekeraars vrij om in hun polisvoorwaarden te regelen of, en, zo ja, in hoeverre schuld van één verzekerde aan de overige verzekerden onder de polis wordt toegerekend.



CONCLUSIE

Het eerste arrest bevestigt de regel dat eventuele onzorgvuldigheden van ondergeschikten niet snel als eigen schuld van de rechtspersoon/verzekerde mogen worden aangemerkt. In beginsel zijn slechts relevant de handelingen/gedragingen van de bestuurder van de verzekerde bij de beoordeling van eigen schuld van de verzekerde. De eigen schuld dient wel relevant te zijn als oorzaak van de schade.

Het tweede arrest bepaalt dat ingeval van meer verzekerden schuld van de ene verzekerde slechts ingeval van gelijksoortige belangen kan worden toegerekend aan de claimende verzekerde. Alleen dan zal de verzekeraar bevrijd zijn van betaling onder de polis. De Hoge Raad gaat met 'Vitesse/UAP' zitten tussen 'MCB/Fatum II' en het NBW: andere omstandigheden kan de eigen schuld van de ene verzekerde niet aan de andere verzekerde worden toegerekend.
Het NBW versterkt de positie van de verzekerden. Slechts ingeval van opzet of eigen grove schuld is de verzekeraar bevrijd (art. 7.17.2.9). Het NBW introduceert verder als algemene regel in hetzelfde artikel dat opzet of roekeloosheid van één van de verzekerden niet ook aan de anderen kan worden tegengeworpen. De eigen schuld dient wel relevant te zijn als oorzaak van de schade.

In beide gevallen bestaat derhalve eerder dekking. Het staat verzekeraars echter vrij ter zake beperkingen en uitsluitingen in de polis op te nemen.


Mr Marc van Maanen

Mr Marc van Maanen is advocaat te Rotterdam en werkzaam bij Van Traa Advocaten.



P1235/conceptbeursbengel20020807/ite





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina