Toets Literatuur



Dovnload 299.12 Kb.
Pagina1/4
Datum25.08.2016
Grootte299.12 Kb.
  1   2   3   4
5H Module Literatuur
1. Inleiding
Toets Literatuur

Ter voorbereiding op het schoolexamen Literatuur moeten literaire werken

gelezen worden. Over deze literaire werken worden over enkele aspecten vragen gesteld. In de

literatuurlessen worden deze aspecten uitgelegd door middel van oefeningen met korte literaire teksten en fragmenten uit romans. Daarnaast zul je per boek dieper op een of meer bepaalde aspecten in moeten gaan dan je normaal gesproken bij lezing van een roman zult doen. Die verdieping bestaat er dan uit dat je in zogenaamde secundaire literatuur toelichting zoekt over bijvoorbeeld de thematiek van Harry Mulisch’ De aanslag.

Het schoolexamen in 5H gaat over een door jou samengestelde lijst van literaire boeken die je vanaf de derde klas zult hebben gelezen. In de praktijk betekent het dat je deze boeken (deels) zult moeten herlezen èn dat het van belang is dat je goede boekverslagen van deze werken in bezit hebt. Het is daarom raadzaam een “Leesdossier” te maken.

In deze syllabus staat in de paragraaf “Handleiding boekverslag” wat er in een goed boekverslag moet staan. Ook staat per aspect vermeld bij welk boek verdieping vereist is. In de paragraaf ‘verdieping’ staat de instructie ter voorbereiding van een boekenrepetitie of schoolexamen gevolgd door een nadere toelichting per boek en aspect.


Keuze van titels

Er moet gekozen worden uit een keuzelijst. Slechts bij uitzondering en met goedkeuring van de docent mag er afgeweken worden. Voorwaarde bij afwijking is, dat het werk dat gekozen wordt minstens even zwaar is als het andere werk. De totale lijst moet in in 5H minimaal 8 hele nummers bevatten.


In deze module wordt behandeld hoe je je toetsen het beste kunt voorbereiden. In de theorie wordt je geleerd hoe je de gegevens ter voorbereiding het beste kunt vastleggen in je leesdossier. Verder zijn er opdrachten waarin de verschillende invalshoeken van literatuuronderwijs aan de orde komen. Literatuur wordt namelijk op 2 manieren bekeken:


  • Literatuurtheorie (literaire begrippen: spanning, tijd, personages, thema, structuur, stijl, etc.)

  • Persoonlijke ontwikkeling (leessmaak, mening, gekoppeld aan persoonlijke en maatschappelijke ervaring)

Je zult in je leesdossier dus vanuit die tweeinvalshoeken verslag leggen. Ook in de toetsen komen genoemde aspecten aan de orde.


1.1 Leesdossier Nederlandse literatuur

Je leesdossier bevat boekverslagen/ uittreksels van de door jou gelezen boeken die je volgens de voorgeschreven regels hebt gekozen. Daarnaast bevat het de door jou gemaakte verdiepingsopdrachten en lesopdrachten.


1.1.1. Keuze van titels

Er moet gekozen worden uit een keuzelijst. Slechts bij uitzondering en met goedkeuring van de docent mag er afgeweken worden. Voorwaarde bij afwijking is dat het werk dat gekozen wordt minstens even zwaar is als het andere werk. De totale lijst moet in 5H minimaal 10 hele nummers bevatten.


1.1.2. Boekverslagen

De boekverslagen in je dossier zijn volledig als ze voldoen aan de in paragraaf II opgestelde handleiding. Controleer boekverslagen die je niet zelf hebt gemaakt, vlak nadat je het boek uit hebt. Veel boekverslagen van het internet zijn onvolledig. De docent controleert de kwaliteit van de boekverslagen niet!


1.1.3. Verdiepingsopdrachten

Over enkele boeken van je leeslijst moet een (of meer) verdiepingsopdracht(en) gemaakt worden. Als aan het einde van het schooljaar de opdrachten nog steeds niet in orde zijn, kan de docent besluiten een extra verdiepingsopdracht te geven naast de bestaande opdracht.


2. Theorie

De literatuurgeschiedenis en de literaire begrippen komen uitgebreid in de les aan de orde. Hieronder volgt een handleiding voor het maken van een boekverslag. Het is tevens een maatstaf voor een verslag dat je niet zelf maakt maar wel opneemt in je leesdossier. Houd er rekening mee dat de kwaliteit van de boekverslagen op het internet soms erg matig is!


2.1. Handleiding boekverslag

Er zijn vele manieren om een boekverslag te maken, maar voor je eigen gemak is het van belang dat je een vaste volgorde aanhoudt. Bij de voorbereiding van je toetsen en je schoolexamen is een overzichtelijk dossier een vereiste. Hieronder volgt een handleiding voor het maken van een boekverslag. Dit is een van de meest gehanteerde vormen. In de lessen en de dossieropdrachten zul je je in een bepaald aspect van de te lezen romans gaan verdiepen. Dit betekent dat je in zogenaamde ‘secundaire literatuur’ moet opzoeken wat professionele lezers over het aspect hebben geschreven.

In bijgaande theorie staan steeds verwijzingen bij welk boek welk onderdeel verdieping verplicht is. Dit staat eveneens bij de keuzelijsten aangegeven.



De volgende onderdelen moeten altijd in je boekverslag staan


  1. titel

  2. auteur

  3. literatuurgeschiedenis

  4. inhoud

- samenvatting

- personages

- tijd/tijdsvolgorde

- plaats/ruimte



  1. achtergronden

- thematiek

- motto


- taalgebruik - opdracht

- vertelperspectief

- structuur


  1. eigen mening




1. Over de titel.

In het eerste gedeelte van het verslag geef je de naam van de auteur, de titel en de eventuele ondertitel. Vergeet niet de uitgeverij te vermelden en het jaar van de eerste uitgave. Je kunt ook aangeven welke druk je zelf hebt gelezen. Geef een verklaring voor de titel en de ondertitel. Vaak wordt hier in het boek naar verwezen door een bepaalde uitspraak of een symbolische vergelijking met de gebeurtenissen.


2. Over de auteur.

In dit gedeelte vermeld je enkele feiten over de auteur. Daarbij kun je denken aan zijn/haar geboortedatum en ­plaats. In een loopbaanbeschrijving vertel je iets over andere werkzaamheden van de auteur en zijn/haar oeuvre. Als een bepaalde gebeurtenis of ervaring in het leven van de auteur zijn weerslag vindt in het oeuvre, dan geef je hier ook een beschrijving van. De informatie over de auteur wordt bij voorkeur geschreven in de tegenwoordige tijd.


3. Over de literatuurgeschiedenis.

De meeste boeken kunnen ondergebracht worden bij een literaire stroming en een bepaald genre. Het jaar van de eerste uitgave is vaak van belang voor de stijl waarin het boek geschreven is.

4H-leerlingen moeten dit onderdeel vanaf 2007_2008 ook opnemen in hun boekverslag.
4. Over de inhoud van het boek.
4.1. Samenvatting.

Geef een samenvatting van de inhoud. Wees niet te gedetailleerd, maar sla niet al te gemakkelijk passages over. BELANGRIJK: Als je niet zelf een samenvatting maakt, maar gebruik maakt van een bestaande samenvatting, controleer dan wel de volledigheid en juistheid van de gegevens.

Tip: Noteer per hoofdstuk, in steekwoorden, de belangrijkste gebeurtenissen en de betrokken verhaalfiguren.

Zet de samenvatting bij voorkeur in de tegenwoordige tijd en in chronologische volgorde.


4.2. Personages
4.2.1 Karakterbeschrijving en –ontwikkeling.

Geef een beschrijving van de karakters van de belangrijkste verhaalfiguren en de manier waarop zij zich in het verhaal ontwikkelen. Er worden drie soorten karakters onderscheiden:

Rond karakter: Een rond karakter (round character) wordt uitvoerig beschreven en de lezer heeft hierdoor een goede indruk van het karakter van deze persoon.

Vlak karakter: Een vlak karakter is een karakter waarvan weinig bekend is. Meestal gaat het hierbij om een bij-figuur.

Type: Een type wordt beschreven aan de hand van één bepaalde karaktertrek. Soms worden ook de karaktertrekken tot een karikatuur gemaakt.
4.2.2. Onderlinge relaties.

Maak een overzicht van hun onderlinge relaties. Dit kan door middel van een relatieschema of een duidelijke beschrijving van de relaties.

Tip: Maak tijdens het lezen alvast een klein schema van de belangrijkste figuren, hun karakters en hun onderlinge relaties.
4.3. Tijd en tijdvolgorde.

Vertel iets over de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Als dit niet duidelijk wordt uit de tekst, dan kun je dat waarschijnlijk uit de historische achtergrond (bijv. WO II) afleiden. Deze tijd wordt ook wel de ‘vertelde tijd’ genoemd. Als binnen een aantal tekstregels een sprong vooruit wordt gemaakt in de tijd, dan spreken we van tijdversnelling. Wordt een gebeurtenis uitvoeriger beschreven dan voorgaandegebeurtenissen, dan spreekt men van tijdvertraging. De ‘verteltijd’ is de tijd die nodig is om het verhaal te lezen. Deze is doorgaans korter dan de vertelde tijd. Geef aan hoe lang je er over hebt gedaan om het verhaal te lezen. Geef aan of er gebruik wordt gemaakt van chronologie en of er flashbacks of flashforwards zijn.


4.4. Plaats/ruimte.

Vermeld in welke plaats en/of in welke ruimte het verhaal zich afspeelt.


5. Over de achtergronden van het boek.
5.1. Thematiek

In de thematiek ga je in op de vraag: “Waar gaat het verhaal over?”. Hierin komen alle belangrijke kwesties uit het verhaal aan de orde. Vat in één of enkele zinnen de inhoud van het boek samen. Het kan ook zijn dat er geen hoofdthema is, maar dat er meerdere overkoepelende thema’s zijn. Om een duidelijke beschrijving van de thematiek te geven, kun je kijken naar de belangrijkste verhaalelementen, naar het motto en de titel.

Tip: Als je een boek leent bij de bibliotheek wordt vaak in de kaft van het boek het thema genoemd.
5.2. Motto.

Het motto wordt door de auteur vaak in een gedicht of een spreuk verwoord. Zo vind je in ‘Bezonken Rood’ van J. Brouwers zelfs twee spreuken.


5.3. Taalgebruik.

Geef aan wat je van het taalgebruik vindt. Is het formeel of wordt er veel gebruikgemaakt van spreektaal? Wat is de invloed van het taalgebruik op het leesgemak?


5.4. Opdracht.

Aan wie is het boek opgedragen?


5.5. Vertelsituatie en perspectief.

De vertelsituatie geeft aan door wiens ogen wij als lezer het verhaal beleven/waarnemen. Er zijn meerdere mogelijkheden:


Auctoriale verteller:

Er is een alwetende ‘ik’, die verslag doet van alle gebeurtenissen, maar er zelf buiten staat. De auctoriale verteller maakt vaak gebruik van woorden als ‘ik’, ‘wij’, ‘mijn’ en ‘ons’. Daarnaast weet hij hoe het verhaal afloopt, kent hij de gevoelens en emoties van de verhaalfiguren en geeft hij vaak commentaar op de situatie. Een voorbeeldzin kan zijn: “Omdat we per slot almachtig zijn …..laten we de tijd even pas op de plaats maken.”. (R. Campert - Liefdes schijnbewegingen)


Auctoriale vertelinstantie:
De auctoriale vertelinstantie is te vergelijken met de auctoriale verteller. Het grootste verschil is dat de auctoriale vertelinstantie geen gebruik maakt van ‘ik’ en ‘wij’. De auctoriale vertelinstantie is te herkennen aanhet commentaar dat níet door één van de verhaalfiguren zelf gegeven wordt en aan het hij-perspectief. Een voorbeeldzin kan zijn: “Aan toeval durfde ze nog steeds niet te geloven en evenmin dat mevrouw Pauchard daar geheel toevallig was geweest. Of dat ze voor een zaak kwam, die met Paulina niets te maken had.En dat ze dus ook niet aan notaris Corde verteld had haar vroegere au pair in de wachtkamer te hebben gezien.Dit sprak welhaast vanzelf.”.(W.F. Hermans - Au Pair)
Ik-vertelsituatie:

Het verhaal wordt verteld door de ‘ik’ die zelf een rol speelt in het verhaal. Een voorbeeldzin kan zijn: “Ja, Jacob, ik zei graag, want je weet: ik was nu eenmaal een doodgewone verklikker en moest hier wel op af.Jij zegt me dat het niet helemaal zo was, maar toen al een beetje anders. Het is mogelijk, ik hoop het maar.”.(J. Presser - De nacht der Girondijnen)



Personale vertelsituatie:

Bij deze vertelsituatie is de verteller niet nadrukkelijk aanwezig. De auteur laat het verhaal vertellen door de verhaalfiguren waarbij de vertelvorm in de derde persoon (=hij-perspectief) plaatsvindt. Daarbij zijn er twee mogelijkheden:




  • Perspectief bij één van de verhaalfiguren (=personaal medium)

  • Perspectief wisselend bij verschillende verhaalfiguren



5.6. Verhaalopbouw.

Geef aan hoe het verhaal is opgebouwd. Is er een duidelijke hoofdstukindeling, zijn de hoofdstukken genummerd, is er een epiloog (=nawoord waarin wordt verteld hoe het met de verhaalfiguren verdergaat)of proloog (=inleidend hoofdstuk waarin een situatieschets gegeven wordt of /en verteld wordt wat er aan het eigenlijke verhaal voorafgaat)?



6. Eigen mening over het boek
Als je je eigen mening over het boek geeft, dan kun je de volgende aandachtspunten hanteren:

Zijn de verwachtingen over het boek uitgekomen?

Heeft het boek je ergens over aan het denken gezet?

Hoe komen de beschreven personen op je over?

Wat vind je van de opbouw van het verhaal?

Hoe beoordeel je het taalgebruik? Je eigen mening over het boek is erg belangrijk.

Besteed dan ook zoveel mogelijk aandacht aan een goede motivering van je mening. Doe dat bij voorkeur door elke bewering te voorzien van een voorbeeld, dat je vervolgens uitlegt.


Vuistregel bij hanteren van je mening

Bewering – Voorbeeld bij je bewering – Uitleg van het voorbeeld
Voorbeeld uit boekverslag van De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans

(bron: http://huiswerk.leerlingen.com/boekverslag/36963/)
Bewering: Ik vond het een heel aardig boek, niet alleen omdat het verhaal op zich heel spannend is en je je de hele tijd afvraagt wat er nu gaat gebeuren, maar ook omdat je heel erg over het boek gaat nadenken.
Voorbeeld: Osewoudt, die toch een beetje vreemde persoon is, is de persoon door wiens ogen je het verhaal ziet. Maar je weet niet wat echt is, en wat hij verzonnen heeft.
Uitleg: Heeft Dorbeck ooit bestaan? Of is hij gewoon een door verzonnen beeld van Henri, een betere versie van zichzelf. Iemand zoals hij zou willen zijn?
Deze vraag heeft me zeker bezig gehouden. Een duidelijk antwoord komt er echter niet op. En het leuke is dus dat je er lang over kan fantaseren.




2. 2. Verdiepingsvragen

Naast algemene vragen die je bij een boekverslag altijd beantwoordt, moet je bij toetsen en het schoolexamen de volgende verdiepingsvragen kunnen beantwoorden. De antwoorden vind je door secundaire literatuur te raadplegen.


2.2.1 Verdiepingsopdrachten 4H
Boek 1 t/m 4 (mening en spanning)

Zijn de verwachtingen over het boek uitgekomen?

Heeft het boek je ergens over aan het denken gezet?

Hoe komen de beschreven personen op je over?

Wat vind je van de opbouw van het verhaal?

Als je een boek je aandacht vasthoudt doordat het telkens vragen oproept, leg dat dan uit aan je lezer. (lees de toelichting over de zogenoemde open plekken en spanning!)

Hoe beoordeel je het taalgebruik?
Je eigen mening over het boek is erg belangrijk.

Besteed dan ook zoveel mogelijk aandacht aan een goede motivering van je mening. Doe dat bij voorkeur door elke bewering te voorzien van een voorbeeld, dat je vervolgens uitlegt.



Toelichting
Open plekken

Een van de middelen die een schrijver gebruikt om zijn lezer te boeien is het creëren van open plekken. Door bepaalde informatie weg te laten, wordt de lezer nieuwsgierig gemaakt. Een boek bevat meer open plekken en niet alle open plekken worden ingevuld. Een detectiveverhaal bevat altijd één grote open plek,

bijvoorbeeld: wie heeft het gedaan? (In het Engels wordt dit genre daarom ook wel Whodunit genoemd).De schrijver speelt daarbij met het verwachtingspatroon van de lezer. De spanning wordt des te groter als het verhaal wendingen heeft die de lezer niet verwacht.

Bij een sprookje als Roodkapje zitten meer open plekken (en dus meer spanningsbogen). De kleine kinderen vragen zich af of Roodkapje naar haar moeder luistert of niet. Als Roodkapje vervolgens door het bos wandelt, is deze open plek ingevuld. Dan ontstaat de volgende open plek: komt zij de wolf tegen voor wie haar moeder haar juist waarschuwde? Enz.

Een sprookje heeft altijd een gesloten einde: ze leefden nog lang en gelukkig. Literaire werken hebben niet zelden juist een einde waarbij je als lezer zelf moet nadenken hoe het nu verder zal gaan met de hoofdperso(o)n(en). Dit heet een open einde.
Open plekken ontstaan niet alleen maar wanneer relevante informatie niet wordt medegedeeld. Ze ontstaan op verschillende manieren. Hieronder volgen schematisch enkele voorbeelden:


  • tegenstrijdige informatie: de lezer wil de betrouwbaarheid van deze

  • informatie vast stellen.

  • verwijzing: als een woord of woordgroep geen duidelijke verwijzing heeft, bijv. de naam van een onbekend persoon in het verhaal.

  • titel: het verband van de titel met de tekst kan ook een open plek zijn

  • handelen van personages: als de lezer geen informatie krijgt over motieven van personages

  • witregels: de lezer moet reconstrueren hoe de strofes of verhaal- of romanfragmenten op elkaar aansluiten


Spanning

In de literaire theorie wordt het woord spanning niet per se in de betekenis van “thrillling” gebruikt. Als de lezer verder wil doorlezen om vragen in het verhaal te beantwoorden, spreek je al van spanning.

De tijd tussen het ontstaan van vragen en het antwoord daarop noemt men spanningsboog. Een verhaal kan meerdere spanningsbogen hebben. Soms is die boog te lang en is er niet veel spanning
Schrijvers manipuleren met spanning op de volgende manieren:

- informatie achterhouden

- vooruitwijzen

- een handeling vertragen

- verhaal een andere wending geven

- overschakelen op een andere verhaallijn


Als er aan het slot nog open plekken zijn en als er na het lezen nog vragen met betrekking tot het thema zijn, spreek je van een open einde. Men spreekt van een gesloten einde als alle vragen beantwoord zijn en er geen vragen meer resteren



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina