Tussen oud en nieuw



Dovnload 187.17 Kb.
Pagina5/10
Datum20.08.2016
Grootte187.17 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

3.3 Rolverdeling overheden

3.3.1 Het Rijk

Tot de kerntaken van het Rijk in het huidige archeologiebestel behoren, naast uiteraard beleidsontwikkeling en de uitvoering van de wet- en regelgeving op nationaal niveau, vooral kennisoverdracht, advisering en kwaliteitsbewaking. De Directie Cultureel Erfgoed (DCE) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), beiden onderdeel van het Ministerie van OCW, hebben hierin een centrale en sturende rol. De Rijksdienst adviseert bij het behoud, de duurzame ontwikkeling en het toegankelijk maken van belangrijke archeologische vindplaatsen. Namens de Minister kan de Rijksdienst waardevolle archeologische terreinen aanwijzen tot archeologisch rijksmonument, opgravingsvergunningen verlenen en beslissen over monumentenvergunningen voor archeologische rijksmonumenten. Bij overtredingen van de Monumentenwet kan de Rijksdienst bestuursrechtelijk handhaven. Om haar taken te kunnen vervullen voert de Rijksdienst zelf ook onderzoek uit, bijvoorbeeld naar de uitgangspunten van de archeologische monumentenzorg, methoden en technieken van archeologisch onderzoek, en naar terreinen die mogelijk in aanmerking komen voor bescherming. Verder beheert de Rijksdienst het centraal ARCHeologische InformatieSysteem ARCHIS, waarin alle archeologische vondstmeldingen en archeologische onderzoeken in Nederland worden bijgehouden.


Namens het Ministerie van OCW ziet een landelijke Erfgoedinspectie toe op de naleving van de wet- en regelgeving en op de kwaliteit van de archeologische onderzoeken.

3.3.2 De provincie

Veel van de taken die tot voor kort bij de provincie lagen, zoals het beoordelen van archeologische onderzoeksrapporten en Programma’s van Eisen voor archeologisch onderzoek, zijn in het huidige archeologiebestel overgenomen door de gemeenten. Bij ontgrondingsvergunningen, die nog steeds door de provincies worden verleend, beslist de provincie echter nog wel over het uit te voeren en uitgevoerde archeologische onderzoek, en bij gemeentegrenzen-overschrijdende projecten en grotere bestemmingsplannen als ook sommige bodemsaneringen kan de provincie optreden als adviseur of bevoegd gezag. Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Monumentenwet hebben provincies de mogelijkheid gekregen om archeologisch waardevolle terreinen, die niet of niet voldoende worden beschermd door geldende bestemmingsplannen, te benoemen tot attentiegebied (art. 44 Monumentenwet). Zodoende kan bij gemeenten worden afgedwongen dat binnen een door de provincie te stellen termijn een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin wel rekening gehouden wordt met archeologie.

De provincie Zuid-Holland beheert de Cultuurhistorische Hoofd Structuur (CHS) van de provincie, die een overzicht geeft van alle cultuurhistorische en archeologische kenmerken en waarden in de provincie Zuid-Holland. Tevens beheert zij de provinciale Archeologische Monumenten Kaart (AMK), waarop alle archeologische monumenten in de provincie staan aangegeven. Ook beschikt de provincie over het provinciale depot voor bodemvondsten, gevestigd in Alphen aan den Rijn, waar archeologische vondsten en documentatie van gemeenten die zelf geen depot hebben, verplicht worden opgeslagen.
Een depot vloeit voort uit de vereiste dat archeologische vondsten niet mogen worden vernietigd. Zij moeten beschikbaar blijven vanwege het wetenschappelijke belang en educatieve doeleinden. Daarnaast vormen de bodemvondsten met de opgravingsdocumentatie en opgestelde rapportages een belangrijke bron van informatie voor toekomstig onderzoek. Een aantal gemeenten als Rijswijk beschikken over een eigen depot voor de opslag van bodemvondsten. Dit depot is door de provincie erkend.
Om de samenhang tussen afzonderlijk uitgevoerde archeologische onderzoeken in de provincie te vergroten, heeft de provincie een archeologische onderzoeksagenda voor Zuid-Holland opgesteld (in aanvulling op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie NOaA). Deze is bedoeld als leidraad voor inhoudelijke vraagstellingen aan archeologische onderzoeken. Daarnaast zet de provincie zich op vele fronten actief in voor het promoten van archeologie als inspiratiebron in ruimtelijke ontwikkelingen.
Voor gemeenten die zelf nog niet over (voldoende) archeologische deskundigheid beschikken, zijn provinciale steunpunten ingericht, waar gemeenten tegen betaling terecht kunnen voor advies, ondersteuning, informatiebijeenkomsten, cursussen, enz. Het Provinciaal Steunpunt Monumentenzorg en Archeologie (PSMA) van de provincie Zuid-Holland is gehuisvest in het Erfgoedhuis Zuid-Holland in Delft.

3.3.3 De gemeente

De doelstellingen en taken van de gemeente op het gebied van archeologie zullen in het hoofdstuk 3.4 worden toegelicht.



3.4 DOELSTELLINGEN GEMEENTELIJK BELEID

Als uitgangspunt voor het archeologiebeleid van de gemeente Rijswijk worden de principes van het Verdrag van Malta en de bepalingen van de Monumentenwet 1988 gehanteerd. Behoud en beheer van de in de bodem aanwezige archeologische waarden en behoud van unieke informatie over het verleden staan daarbij centraal.


Door de archeologische monumentenzorg een volwaardige plaats in het gemeentelijke beleid te geven wordt het archeologische belang in ruimtelijke besluitvormingsprocessen meegewogen. Hierdoor kan gezocht worden naar mogelijkheden voor beheer, inpassing, inrichting en eventueel ontsluiting van archeologische waarden. Door archeologie aan de voorkant van het planvormingsproces te plaatsen, kan zij bij nieuwbouwprojecten beter ingepast worden en worden vertragingen in de uitvoering voorkomen door onverwachte archeologische bodemvondsten.

Doelen gemeentelijk archeologiebeleid:



  • Het beschikken over een beleid dat voldoet aan de wettelijke eisen over de integratie van archeologische en cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening;

  • Afstemmen met het provinciale, het landelijke en het internationale beleid;

  • Vergroten van de kennis van de archeologische waarden in Rijswijk;

  • Het zichtbaar en beleefbaar maken van het cultureel erfgoed.



3.4.1 Inbedding in ruimtelijke ordening en gemeentelijke organisatie door archeologische waardenkaart.

De gemeente wil archeologie aan de voorkant zetten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit doet ze door het maken van een archeologische waardenkaart en deze te verankeren in ruimtelijke instrumenten zoals het bestemmingsplan of structuurvisie. In de archeologische waardenkaart heeft de gemeente aangegeven welke archeologische waarden binnen een bepaald gebied te verwachten zijn en de daaraangekoppelde beleidsregels voor het bestemmingsplan. De kaart met toelichting is terug te vinden in de bijlage.


3.4.2 Archeologisch onderzoek in de gemeente Rijswijk

Alle archeologische onderzoeken die in Nederland worden uitgevoerd, moeten voldoen aan de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Op het moment van vaststelling van deze Nota is dat de KNA versie 3.2. Het beleid van de gemeente Rijswijk is als volgt:




  • Archeologische bureauonderzoeken; het is aan te raden deze onderzoeken te laten verrichten door het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Rijswijk. Een reden hiervoor is dat de medewerkers van dit Bureau als geen ander beschikken over parate en zeer gedetailleerde kennis van het gemeentelijke grondgebied en hierdoor dus kosten (van controles van onderzoeken uitgevoerd door externe partijen) kunnen worden uitgespaard. Een andere reden is dat al het eventueel vervolgonderzoek en de PvE’s (zie hieronder) hun basis vinden in een goed uitgevoerd bureauonderzoek. De regie voor het vervolgonderzoek en het schrijven van PvE’s dan wel het goedkeuren van PvE’s, opgesteld door derden, moet door de gemeente Rijswijk gebeuren. In een Programma van Eisen staan onder meer de relevante gegevens als ligging van de onderzoekslocatie, de onderzoeksvragen, de aard van het onderzoek en hoe het onderzoek uitgevoerd gaat worden als ook mogelijke eisen die aan het onderzoek ten grondslag liggen. Tijdens de uitvoering van het onderzoek en bij de beoordeling van het onderzoeksrapport wordt onder meer het PvE gebruikt als toetsingskader.

In het Programma van Eisen, Plannen van Aanpak en andere onderzoeken moeten daarom rekening worden gehouden met de onderzoeksvragen die in de Lokale Onderzoeks Agenda Rijswijk zijn opgenomen. Het staat uiteraard de uitvoerende partijen vrij er andere onderzoeksvragen aan toe te voegen.

  • Plannen van Aanpak (PvA). Volgens de KNA 3.2 kan een PvA in plaats van een Programma van Eisen indien sprake is van een Archeologische Begeleiding of een booronderzoek. Het Plan van Aanpak bevat net als een Programma van Eisen gegevens als de ligging van het onderzoeksterrein en onderzoeksvragen maar legt de nadruk op de wijze van uitvoering van het onderzoek. Een Plan van Aanpak voor veldonderzoeken die door externe partijen worden uitgevoerd, dienen vooraf ter beoordeling te worden voorgelegd aan het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Rijswijk.

  • Programma’s van Eisen (PvE) voor archeologische proefsleuvenonderzoeken, begeleidingen en opgravingen worden in principe door het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Rijswijk opgesteld. Hierdoor kunnen archeologische onderzoeken in de gemeente beter worden gestuurd en worden ingepast binnen de gemeentelijke onderzoeksagenda. Het staat externe partijen overigens vrij zelf een PvE te laten opstellen. In die situatie zal het PvE door de gemeente Rijswijk moeten worden beoordeeld. Zonder een goedgekeurd PvE kan een archeologisch veldonderzoek niet plaatsvinden (KNA 3.2).

  • Elk archeologisch veldonderzoek in de gemeente Rijswijk vindt plaats in overleg met en onder supervisie van de gemeentelijk archeoloog.





Archeologische vondsten van de opgraving in het Rijswijkse Bos in 2009 (Huis ter Nieuburg).
Opgravingsbevoegdheid

De gemeente Rijswijk beschikt over een opgravingsvergunning. Deze is verstrekt door het Ministerie van OCW. Rijswijk mag daarom zelf alle vormen van archeologisch veldwerk uitvoeren op Rijswijks grondgebied. De voordelen van deze opgravingsbevoegdheid zijn evident:



  • De gemeente is de grootste veroorzaker van bodemverstorende activiteiten en de grootste projectontwikkelaar. Door de eigen opgravingsbevoegdheid zijn communicatielijnen tussen verstoorders en archeologen kort, en kunnen archeologische onderzoeken flexibeler en sneller worden uitgevoerd dan wanneer deze worden uitbesteed aan externe partijen.

  • Vooral kleine veldonderzoeken kunnen sneller en goedkoper worden uitgevoerd dan wanneer deze worden uitbesteed aan een externe partij.

  • De inhoudelijke kwaliteit van onderzoeken die door de gemeente zelf worden uitgevoerd is hoog vanwege de gebiedsspecifieke expertise en kennis van de archeologische medewerkers.

  • Toevalsvondsten kunnen direct onderzocht en geregistreerd worden.

  • Kosten worden bespaard, omdat sprake is van parate en gedetailleerde archeologische kennis, directe communicatielijnen en snelle en op maat gemaakte adviezen.


Selectiebesluit

Bij de voorbereiding van bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden moet in een aantal situaties archeologisch (voor)onderzoek worden verricht. Het archeologisch onderzoek wordt in fasen uitgevoerd. De eerste fase is een bureauonderzoek waarin wordt nagegaan welke gegevens van een gebied al bekend zijn en een verwachtingsmodel wordt opgesteld. Doorgaans zijn er te weinig gegevens voorhanden zodat ook een verkennend veldonderzoek moet plaatsvinden. Dat verkennend onderzoek kan bestaan uit een boor- en/of proefsleuvenonderzoek waarbij het verwachtingsmodel van het bureauonderzoek wordt getoetst. Op basis van het vooronderzoek wordt besloten of vindplaatsen behoudenswaardig zijn, ingepast moet worden in het voorgenomen planontwerp dan wel opgegraven moet worden.


Ook kan worden besloten dat het plan doorgang kan vinden omdat er geen archeologische resten zijn, de archeologische resten van onvoldoende waarde zijn of de resten geen schade zullen ondervinden door de uitvoering van het ontwerp. Dergelijke beslismomenten worden selectiebesluiten genoemd. Formeel neemt het College van Burgemeester en Wethouders het besluit op basis van een door de archeologen van de gemeente opgesteld advies. Om praktische redenen is het nemen van selectiebesluiten gemandateerd aan de ambtelijke organisatie.

A
Amateurarcheologen aan het werk op de Gemeentewerf.
mateurarcheologen

De gemeente Rijswijk beschikt over een zeer actieve vereniging van amateurarcheologen, de Archeologische Werkgroep Rijswijk (AWR), die deel uit maakt van de grote, landelijke vereniging van amateurarcheologen, de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN). De AWR is al decennia lang actief op het Rijswijkse grondgebied en beschikt daarom over zeer veel lokale archeologische kennis. Tot op heden levert de Werkgroep een belangrijke bijdrage aan het archeologische onderzoek in de gemeente.


Vanwege de eisen die in het kader van de wet- en regelgeving aan (de uitvoerders van) archeologisch onderzoek worden gesteld zijn de mogelijkheden voor het zelfstandig uitvoeren van veldwerk door amateurarcheologen beperkt. Gezien de kennis en ervaring van de lokale amateurarcheologen streeft de gemeente Rijswijk echter doelbewust naar een actieve rol van de amateurarcheologen bij archeologisch onderzoek, zowel bij veldwerk als bij het uitwerken van onderzoeken van de gemeente.
De gemeente Rijswijk heeft een eigen opgravingsvergunning. De Archeologische Werkgroep Rijswijk kan daardoor onder supervisie van de gemeente en voor zover de landelijke richtlijnen daarvoor ruimte bieden, onderzoek binnen Rijswijk verrichten.

3.4.3 Kennis.



Verspreiden van kennis

Archeologisch onderzoek levert veel kennis en informatie op. Een van de uitgangspunten van het al eerder genoemde Europees Verdrag van Malta is het verspreiden van informatie. Daarom bestaat de wettelijke verplichting de resultaten van het archeologisch veldonderzoek te publiceren in de vorm van rapporten. In Rijswijk worden de onderzoeksresultaten van de eigen projecten opgenomen in de reeks Rijswijkse Archeologische Rapporten. Onderzoek door commerciële bedrijven en universiteiten verschijnen in eigen rapportreeksen. In digitale vorm worden onderzoeksrapporten digitaal aangeleverd aan het landelijke ARCHISsysteem.


Een aantal onderzoeken zijn zo belangwekkend of interessant dat deze een grotere verspreiding vragen. Voor dergelijke onderzoeken zal in de toekomst een publicatiereeks worden opgezet. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de middelen die deels via sponsoring of subsidies verkregen moeten worden.
De afgelopen jaren zijn enkele publieksvriendelijke boeken verschenen als In Kannen en Kruiken (1994) en Opgegraven! (2008). De afgelopen jaren zijn zoveel nieuwe ontdekkingen gedaan dat een nieuwe publieksvriendelijke uitgave op zijn plaats is. Door de bezuinigingen zijn de mogelijkheden echter beperkt en zullen subsidiebronnen gevonden moeten worden.
Op beperkte schaal zijn onderzoeksgegevens ook op de website van de gemeente Rijswijk te plaatsen. Het streven is om veel meer gegevens in digitale vorm op de website beschikbaar te stellen.
Naast de rapporten wordt over Rijswijks onderzoek gepubliceerd in tijdschriften, jaarboeken, etc. Dat zal ook de komende jaren blijven gebeuren. De publicaties dragen bij aan de vergroting van de naamsbekendheid van Rijswijk. In hoofdstuk 5 wordt dieper ingegaan op andere manieren om de onderzoeksresultaten uit te dragen.
Het gemeentelijk depot.

Rijswijk heeft een eigen depot voor de opslag bodemvondsten dat voldoet en is erkend door de provincie Zuid-Holland. Voor het aanleveren van vondsten zijn depoteisen opgesteld. Het depot moet worden gezien als een archief vol documenten maar dan vooral in de vorm van bodemvondsten en documentatie. De vondsten uit opgravingen blijven bewaard om verschillende redenen. Onderzoeksrapporten zijn geschreven op basis van de bodemvondsten en documentatie. Door het bewaren van deze gegevens kan ook later eerder uitgevoerd onderzoek worden geverifieerd. Door de ontwikkeling van onderzoeksmethoden komt het ook geregeld voor, dat bij het opnieuw bekijken van de oude onderzoeksgegevens nieuwe conclusies kunnen worden getrokken. Daarnaast worden de gegevens benut voor toekomstig onderzoek, educatie, studiedoeleinden en –een selectie- voor expositiedoeleinden in musea.


Omdat de gemeente Rijswijk over een eigen opgravingsvergunning en een depot beschikt, is zij eigenaar van alle bodemvondsten die binnen haar grenzen bij archeologisch onderzoek worden gedaan. Het depot is ondergebracht in een ruimte op de werf aan de Steenplaetsstraat. Het depot is voorzien van de benodigde basisfaciliteiten als een installatie voor het constant houden van de temperatuur, beveiliging en een metaalcabine.
Onderzoeksagenda

Rijswijk is rijk aan archeologische resten. In Rijswijk zijn vooral vindplaatsen bekend uit het midden van de Nieuwe Steentijd (ca. 3800-2500 voor Chr.), de Romeinse tijd (eerste-derde eeuw na Chr.), de Late Middeleeuwen (elfde-zestiende eeuw) en de Nieuwe tijd (vanaf eind zestiende eeuw). Van de andere tijdvakken zijn niet of nauwelijks vindplaatsen bekend. Niet al deze overblijfselen zijn even belangrijk en niet alles kan worden onderzocht. Daarom vindt het onderzoek plaats op basis van vooraf opgestelde onderzoeksvragen.


De onderzoeksvragen die voor Rijswijk als leidraad gelden, zijn opgenomen in een aparte Lokale Onderzoeks Agenda Rijswijk (LOAR). Hierin staat de stand van de kennis, de onderzoeksthema’s en daarbinnen welke onderzoeksvragen van belang zijn. Bij het opstellen van de LOAR is rekening gehouden met de Nationale Onderzoeksagenda en de Provinciale Onderzoeksagenda. Ook is gekeken naar onderzoeksvragen die binnen de regio zijn geformuleerd.
De Lokale Onderzoeks Agenda Rijswijk is ook van belang voor het opstellen van Programma’s van Eisen. Een belangrijk onderdeel van een Programma van Eisen zijn immers de onderzoeksvragen. De in de onderzoeksagenda opgenomen vragen zullen ook door andere partijen die in Rijswijk veldonderzoek willen doen, moeten worden gehanteerd.
De LOAR mag geen starre lijst van vragen zijn. Archeologisch onderzoek is immers dynamisch: bestaande vragen worden beantwoord terwijl weer nieuwe vragen ontstaan. De LOAR moet met enige regelmaat worden geactualiseerd, bijvoorbeeld om de vier jaar. Uiteraard mogen naast de LOAR andere al dan niet aanvullende onderzoeksvragen worden gehanteerd.
Oud onderzoek

In de afgelopen decennia vonden tal van waarnemingen en opgravingen plaats binnen de gemeentegrenzen van Rijswijk. Tot aan de herziening van de Monumentenwet in 2007 als gevolg van de invoering van het Europese Verdrag van Malta vond nauwelijks uitwerking van veldonderzoek plaats waardoor gegevens niet gerapporteerd zijn en onbenut in depots bleven liggen. Veel onderzoeksgegevens zijn hierdoor niet ontsloten of zelfs verloren gegaan. Ook in Rijswijk is dit het geval. Van diverse waarnemingen en opgravingen uit de periode 1950-1970 zijn zelfs in het geheel geen gegevens en/of bodemvondsten te traceren. Soms is er niet meer dan een bericht in de krant bewaard gebleven waarin verslag van een opgraving wordt gedaan zoals van het onderzoek van het kasteel Steenvoorde (1963 en 1964) en van Den Burch (1964). De resultaten van die onderzoeken zijn dan nu als verloren te beschouwen. Enkele oudere onderzoeken zijn gelukkig wel uitgewerkt en één heeft zelfs geleid tot een dissertatie (Rijswijk-De Bult).


De informatie van de oudere onderzoeken zijn nodig voor de Ruimtelijke Ordening, onder meer voor het waarderen van terreinen waar in het verleden archeologische vondsten zijn gedaan. Het opstellen van Programma’s van Eisen maar ook voor nieuw onderzoek zijn die gegevens nodig.


Opgraving aan de Laan te Blotinghe met de fundering van het middeleeuwse kasteel te Blotinghe.
Ook in de uitwerking van eigen onderzoek is in het verleden een achterstand ontstaan. Dit is vooral veroorzaakt door het gebrek aan middelen (onvoldoende budget of in het geheel geen budget) en ondercapaciteit. De achterstand van de zogeheten oude projecten is groot, zelfs indien er een keuze wordt gemaakt tussen uitwerken tot het niveau van een basisverslag (waar ligt de vindplaats, wat is er gevonden en wat zijn conclusies op hoofdlijnen) en degelijke uitwerking tot een onderzoeksrapport dat naast de gegevens van een basis verslag ook een beschrijving van het vondstmateriaal, analyses en een synthese bevat. Tot de laatstgenoemde projecten behoren onder meer Rijksweg 4 en De Schilp (beide Nieuwe Steentijd), Hoornwijck (Romeinse tijd en late Middeleeuwen/Nieuwe tijd), Te Werve en Te Blotinghe (beide Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd) en Kerklaan-Van Koppen (Nieuwe tijd).
De ambitie is dan ook het ‘oud’ onderzoek zoveel mogelijk uit te werken en de informatie te publiceren zodat zoveel mogelijk gegevens toch voor iedereen beschikbaar komen. Voor de uitwerking van ‘oud’ onderzoek is de beschikking over een bescheiden budget. Er wordt elk jaar iets gedaan aan het wegwerken van oud onderzoek waardoor langzaam steeds meer gegevens ontsloten worden. Daarbij moet de aantekening worden gemaakt, dat de gegevens zonder uitzondering analoog zijn. Er moet dus ook digitalisering van de oude gegevens plaatsvinden.

Binnen het wegwerken van de achterstand van het oud onderzoek vindt prioritering plaats. De gegevens die nodig zijn voor de Ruimtelijke Ordening zoals voor het vernieuwen van bestemmingsplannen hebben de prioriteit. Daarnaast krijgen projecten van groot wetenschappelijk belang voorrang (zie bovenvermelde projecten).


In de rapportage van opgravingen die onder het regime van de nieuwe monumentenwet (2007) vallen, is een lichte achterstand ontstaan die in de loop van 2013 wordt weggewerkt. De kosten van deze projecten maken deel uit van vastgestelde werkbudgetten.


Samenwerking Universiteit van Leiden

Aan de opleiding tot archeoloog worden hoge eisen gesteld. Het is een universitaire studie. Aan verschillende Nederlandse universiteiten wordt dit vak onderwezen. Een van de grootste en breedste opleidingen is ondergebracht bij de Universiteit van Leiden. In de afgelopen jaren heeft de Universiteit van Leiden met verschillende Zuid-Hollandse gemeenten die beschikken over eigen archeologen een bilaterale samenwerkingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de inzet van studenten bij gemeentelijk onderzoek. Dat kan bij opgravingen zijn maar ook bij de uitwerking van onderzoek. Archeologen van de gemeenten kunnen gebruik maken van onderwijsfaciliteiten van de universiteit. Met Rijswijk is deze overeenkomst in november 2010 gesloten. Verschillende studenten hebben sindsdien meegewerkt op ‘Rijswijkse’ opgravingen. De samenwerking wordt in de komende jaren voortgezet.


Samenwerking met andere partijen en overheden

Rijswijk is geen eiland. Er wordt samengewerkt met andere gemeenten die beschikken over een archeologische dienst, de provincie Zuid-Holland, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Universiteit van Leiden (zie voorgaande paragraaf).


De gemeente Rijswijk is aangesloten bij het convent van Gemeentelijk Archeologen. Deze organisatie behartigt de ‘archeologische’ belangen van de Nederlandse gemeenten.
In de toekomst willen de gemeenten Delft en Rijswijk nauwer met elkaar samenwerken, zo ook op het terrein van de archeologie. In het voorjaar van 2013 is een bestuursopdracht geformuleerd met de opdracht aan de archeologische taakvelden van beide gemeenten om vormen van samenwerking te onderzoeken. Dit onderzoek vindt in de loop van 2013 plaats.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina