Tussen: Transport en Logistiek Nederland, gevestigd te Zoetermeer; Vereniging Verticaal Transport, gevestigd te Culemborg



Dovnload 0.78 Mb.
Pagina1/8
Datum25.08.2016
Grootte0.78 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen

Tussen:


1. Transport en Logistiek Nederland, gevestigd te Zoetermeer;

Vereniging Verticaal Transport, gevestigd te Culemborg;


hierna gezamenlijk te noemen partij ter ener zijde,

2. CNV Vakmensen, gevestigd te Utrecht;

FNV Bondgenoten, gevestigd te Amsterdam
hierna gezamenlijk te noemen partij ter andere zijde,

is de navolgende Arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode van

1 januari 2010 tot 1 januari 2012
Hoofdstuk I Algemeen




Karakter

De bepalingen in deze CAO hebben een standaardkarakter, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.






Werkingssfeer
1. Deze overeenkomst is van toepassing op:

a. Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde onderne­mingen die ver­gunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (hierna Wwg), zoals deze laatstelijk is gepubliceerd op 9 december 2008 (staatsblad 492), verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van perso­nen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.


b. Werkgevers en werknemers in het kraanverhuurbedrijf, waaronder wordt verstaan alle in Nederland werkzame ondernemingen, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van het verhuren van mobiele kranen.
2. a. De overeenkomst is niet van toepassing op ondernemingen die:


  • een eigen CAO dienen toe te passen; ofwel

  • een eigen bedrijfstak CAO dienen toe te passen; ofwel

  • over een eigen vastgelegd arbeidsvoorwaardenpakket beschikken.

Daarbij worden de volgende voorwaarden gesteld:

- Het niveau van voorvermelde regelingen dient tenminste gelijkwaardig te zijn aan het

niveau van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van

mobiele kranen en;

- De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer

over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen.
2. b. De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederen­vervoer over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen, wanneer in de regel niet meer dan 20% van de omzet met voornoemde activiteiten wordt gerealiseerd.
Maatgevend daarbij is de juridische eenheid waarvoor een vergunning beroepsgoederenvervoer is aangevraagd of toegekend, danwel waarbinnen de verhuur van mobiele kranen plaatsvindt.
2. c. Tevens zijn uitgezonderd ondernemingen, die in hoofdzaak gemeten naar de loonsom van het bedrijf bouwwerkzaamheden uitvoeren en tevens mobiele kranen exploite­ren.





Definities
In deze overeenkomst (verder te noemen “de CAO”) 1 wordt verstaan onder:
1. werkgever: iedere natuurlijke  of rechtspersoon, wiens onderne­ming

­valt onder de werkingssfeer van deze overeenkomst;


2. werknemer: ieder, die door een werkgever in dienst is genomen voor een

bepaalde of on­bepaalde tijd van 5 achtereenvolgende werkdagen of langer. Onder werknemer wordt niet begrepen de statutaire bestuurder van een rechtsper­soon tenzij deze in hoofdzaak werkzaamheden verricht welke behoren tot de functie van chauffeurs of van machinisten mobiele kranen.


3. a. oproepkracht: ieder, die door de werkgever incidenteel in dienst is genomen

voor korter dan 5 achtereenvolgende dagen.


3 b. deeltijdwerknemer: iedere werknemer met wie is overeengekomen, dat slechts een

gedeelte van het normale aantal geldende arbeidsuren, als bedoeld in artikel 26, lid 1 onder a, arbeid wordt verricht.


4. werkgeversorganisatie: Transport en Logistiek Nederland of Vereniging Verticaal

Transport


5. werknemersorganisatie : CNV Vakmensen of FNV Bondgenoten
6. logistieke dienstverlening: dat deel van het “supply chain proces”, inclusief de front- en backoffice functies, dat zorgdraagt voor de planning, implementatie, productie en controle van een efficiënte stroom van opslag en bewerking van goederen, diensten en gerelateerde informatie van het punt van oorsprong naar het punt van consumptie ten einde tegemoet te komen aan de behoeften van de klant.
7. standplaats: het terrein waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid uitoe­fent of het terrein waar de garage der onderneming is gelegen, dan wel waar deze zijn vervoermiddelen stalt of behoort te stallen;
8. loonschaal: tabel waarin het loon, behorend bij de desbetreffende functie is vastgelegd;
9. brutoloon: het loon per vier weken dan wel per maand, verhoogd met de persoonlijke toeslagen als bedoeld in artikel 23;
10. functieloon: het loon, behorend bij de trede van de loonschaal, die op de betreffende werknemer van toepassing is;
11. week: de dagen van maandag tot en met zondag;
12. werkdag: iedere dag van de week met uitzondering van zondagen, alge­meen erkende christelijke en nationale feestdagen;
13. vrije dag: een vrije dag die wordt genoten ingevolge artikel 30, artikel 31, artikel 32, artikel 64, artikel 65, artikel 67 en artikel 68 betekent dat men na een rustpauze van 8 uur tenminste 24 uur aaneengesloten vrij is.
14. roostervrije dagen: die dagen, gedurende welke op grond van het dienstrooster geen werkzaamheden hoeven te worden verricht.
15. dienstrooster: het op een tijdvak van een of meer weken betrekking hebbende schema, waarop wordt aangegeven in welke diensten en op welke dagen en uren de werknemer zijn functie dient te vervullen dan wel roostervrije tijd wordt genoten.
16. echtgenoot: hij of zij met wie de werknemer is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan dan wel met wie hij of zij blijkens een bij de werkgever gedeponeerd samenlevingscontract een duurzaam samenlevingsverband vormt.

Hoofdstuk II Begin arbeidsovereenkomst/einde arbeidsovereenkomst






Aangaan arbeidsovereenkomst
1. De arbeidsovereenkomst dient schriftelijk te worden aangegaan en dient tenminste de navolgende punten te omvatten:

    1. naam en woonplaats van partijen;

b. de standplaats;

  1. de functie van de werknemer of de aard van zijn arbeid;

  2. het tijdstip van indiensttreding;

  3. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, de duur van de

overeenkomst;

  1. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen;

g. het loon en de termijn van uitbetaling;

  1. de gebruikelijke arbeidsduur;

i. of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling;

  1. indien de werknemer voor een langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn

buiten Nederland, mede de duur van die werkzaamheid, de huisvesting, de

toepasselijkheid van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden, de vergoedingen waarop de werknemer recht heeft en de wijze waarop de terugkeer geregeld is;

k. de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Indien bij de aanstelling van de werknemer een proeftijd wordt bedongen, dient zulks op straffe van nietigheid schrif­te­lijk vóór de indiensttreding aan de betrokken werknemer te worden meegedeeld. De proeftijd bedraagt ten hoogste twee maanden. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor korter dan twee jaren bedraagt de proeftijd ten hoogste een maand.

3. Een dienstbetrekking, aangegaan voor onbepaalde tijd, eindigt, bij het bereiken van de

65 jarige leeftijd van de werknemer van rechtswege. Het is echter mogelijk met een

65 jarige of oudere een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan, voor bepaalde of

onbepaal­de tijd. Op een dergelijke overeenkomst is deze CAO van toepassing.
Met uitsluiting van het gestelde in artikel 7:667, 7:668 en 7:668a van het Burgerlijk Wetboek, wordt na het bereiken van de 65 jarige leeftijd de nieuwe dienstbetrekking gezien als een afzonderlijke, van de voorafgaande dienst­be­trekking losstaande, arbeidsovereenkomst. Daarbij ontstaan tussen partijen nieuwe rechten en plichten onder andere met betrekking tot anciënniteit en afvloeiingsregelingen.




Einde arbeidsovereenkomst
1. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst gelden de wettelijke bepalingen zoals opgenomen in afdeling 9 Boek 7 titel 10 BW. Ten aanzien van de werknemer die op 1 januari 1999 de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt is voor de opzegtermijn een overgangsregeling opgenomen in Bijlage V.
2. Bij het einde van het dienstverband dient de werkgever aan de werknemer een

getuigschrift te verstrekken. Dit getuigschrift dient tenminste de navolgende gegevens te bevatten:

- de laatst beklede functie;

- de loonschaal waarin, alsmede de trede waarop, de werknemer

laatstelijk was ingedeeld;

- het totaal aantal ervaringsjaren van de werknemer;

- de datum van indiensttreding;

- de datum van uitdiensttreding;

- het in het lopende kalenderjaar genoten aantal vakantiedagen.

Hoofdstuk III Verplichtingen werkgever/werknemer






Verplichtingen van de werkgever
1.a. Het is de werkgever niet toegestaan personeel in dienst te nemen, dat reeds elders een volledige dienstbetrekking heeft.
1.b. Het is de werkgever niet toegestaan personeel voor meer dan 50 diensturen per 2 weken in dienst te nemen, indien dat personeel deelneemt aan de VUT-regeling voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen. Hierbij dienen de van toepassing zijnde bepalingen uit de VUT-CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen in acht te worden genomen.
2.a. In het kader van de Arbozorg kan de werkge­ver de werknemer bij het aangaan van de dienstbetrekking alleen medisch laten keuren indien het gaat om een functie waaraan voor de vervulling ervan bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid zijn gesteld. Daarbij dient het bepaalde bij en krachtens de Wet op de medische keuringen te worden nageleefd. Deze bepaling geldt in ieder geval niet voor administratief- en leidinggevend personeel. De verplichting om een aanstellingskeuring te ondergaan vervalt indien uit een schrifte­lijk keuringsbewijs van de werknemer blijkt dat de werknemer recentelijk een soortgelijke medische keuring heeft ondergaan. De datum van het keuringsbewijs mag maximaal een jaar voor het aangaan van het dienstverband liggen.
2.b. Bij voortduring van het dienstverband dient de werkgever de werkne­mer iedere 5 jaar te laten keuren (de PMO-keuring) door een daartoe bevoegde arts. Deze verplichting geldt voor het administratieve en leidinggevende personeel vanaf 40 jaar. De zwaarte van de keuring is afhankelijk van de risico's verbonden aan de functie.

De rijbewijskeuring dient voor chauffeurs te worden gecombineerd met de PMO-keuring.


2.c. In afwijking van lid 2b dienen werknemers vanaf 50 jaar, indien zij daarom verzoeken, ieder jaar gekeurd te worden.
2.d. De kosten van de PMO-keuringen en van eventuele op grond daarvan te treffen maatrege­len en de kosten van de gecombineerde rijbewijs/PMO-keuring zijn voor rekening van de werkgever, tenzij daarin wettelijk op andere wijze wordt voorzien. Ten aanzien van de loonbetaling wordt in dit verband verwezen naar artikel 65 lid 1 sub l.
3. De werkgever verstrekt aan de werknemer kosteloos tegen ontvangstbewijs een exemplaar van de CAO en wijzigingen daarop.

4. Bij elke loonbetaling (per 4 weken, per maand) is de werkgever ver­plicht aan de werknemer een specificatie te verstrekken. Deze specificatie dient tenminste de navolgende gegevens te bevatten:

- naam werknemer;

- periode waarover loon wordt betaald;

- functieloon;

- toeslagen;

- overuren;

- bruto loon;

- inhoudingen;

- netto loon;

- verblijfkostenvergoeding;

- vakantiedagen;

- ATV dagen;

- saldo tijd voor tijduren.


5. De kosten van de aanschaf door werknemer van de chauffeurskaart ten behoeve van de digitale tachograaf (1 x per 5 jaar) komen voor rekening van de werkgever.
6. De zogenaamde rentehobbel (in 2010: 0,12% en in 2011 0,09%) van de WGA-premie is voor rekening van de werkgever. Het overige deel van de WGA- premie komt voor 50% voor rekening van de werknemer en voor 50% voor rekening van de werkgever.





Verplichtingen van de werknemer
1.a. De werknemer is krachtens de met hem gesloten arbeidsovereenkomst verplicht tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.
1.b. De werknemer is verplicht op verzoek van de werkgever alle voorkomende werkzaamheden te verrichten voor zover deze redelijkerwijze van de werknemer kunnen worden ver­langd.
1.c. Het stelselmatig overstapelen door de chauffeur van complete wagenla­din­gen van pallets op pallets wordt niet geacht te behoren tot werkzaamheden, die redelijkerwijze van de werknemer kunnen worden verlangd, tenzij in de individuele arbeidsovereen­komst anders is overeengekomen.
2.a. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hem omtrent het bedrijf van de werkgever bekend is geworden en waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs had moeten kennen. Deze geheimhoudingsverplichting geldt niet ten aanzien van mededelingen welke krachtens wettelijk, reglementair, of ander voorschrift verlangd worden.
2.b. De werknemer is echter met inachtneming van het bovenstaande bevoegd mededelingen, die wensen en bezwaren inhouden, aan zijn werknemersorganisatie mede te delen en toe te lichten.

3. De werknemer stelt zich beschikbaar voor de medische keuringen, die door de werkgever redelijkerwij­ze nodig geacht worden in verband met het vervullen van de functie (tenzij hiertegen dwingen­de medische bezwaren bestaan). Onder “medische keuring” worden mede begrepen keuringen in het kader van de Arbozorg.

De werknemer kan hierover vooraf overleg plegen met zijn huisarts.

De werknemer volgt alle maatregelen op, die op grond van het uit de keuring voortvloeiende medische advies worden aanbevolen. Indien een werknemer bezwaar heeft tegen de uitslag van een keuring, kan deze werknemer herkeuring aanvragen.


4.a. Ten aanzien van door de werkgever aan de werknemer in bruikleen gegeven zaken zoals voertuigen, werktuigen en/of gereedschappen is hij verplicht:
- zich naar vermogen ervan te overtuigen dat deze zich bij de in ontvangstneming in goede staat bevinden;

- op een door de werkgever aan te geven wijze de ontvangst ervan te beves­tigen, indien dit door of vanwege de werkgever wordt verlangd;

- deze zorgvuldig te gebruiken en te bewaren;

- vermissing of beschadiging ervan onmiddellijk aan zijn directe chef te melden;



- deze terug te geven wanneer hij deze voor zijn dienst niet meer nodig heeft dan wel wanneer hij door of vanwege de werkgever om terugga­ve wordt verzocht.
Hetgeen in dit lid onder het tweede gedachtenstreepje staat vermeldt, is eveneens van toepassing ten aanzien van aan de werknemer door de werkgever toevertrouwde of door derden afgedragen gelden, waarbij op de werknemer de verplichting rust te verifiëren of de aan hem overhandigde bedragen overeenkomen met het door werkgever of derden aangegeven danwel verschuldigde bedrag.
4.b. De werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de betreffende overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald. De schadevergoeding zal niet meer bedragen dan de kostprijs voor herstel of vervanging.
4.c. De werkgever dient binnen een maand nadat hij van de gebeurtenis kennis heeft genomen schriftelijk aan de werknemer te melden, dat hij schadevergoeding zal eisen. De werkgever zal het bedrag van de schadever­goe­ding zo snel mogelijk - doch uiterlijk binnen een jaar nadat hij van de gebeurtenis heeft kennis genomen - vaststellen.
4.d. Inhouding van de schadevergoeding op het loon is niet mogelijk, tenzij tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de verplichting tot schadevergoe­ding.
5.a. De werknemer gebruikt tijdens de dienst geen alco­hol­houdende dranken en/of middelen, die zijn functioneren en/of de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden. De werknemer vangt de dienst aan zonder onder invloed van bovengenoemde middelen te zijn.
5.b. De werknemer zal in voorkomende gevallen met zijn behandelende arts de consequenties bespreken van het gebruik van de rijvaardigheid beïnvloe­dende geneesmiddelen en de werkgever van de conclusies van deze arts in kennis stellen.
6.a. Het is de werknemer niet toegestaan nevenwerkzaamheden te verrichten behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever. Onder neven-werkzaamheden worden mede verstaan:

  • het bekleden van een betaalde of onbetaalde functie anders dan in dienst van de

werkgever;

  • het uitoefenen van enig beroep of bedrijf dan wel het drijven van handel;

  • het ontwerpen, het leiden, het uitvoeren van en houden van toezicht op ander werk

dan dat van de werkgever.
6.b. Werkgever zal zijn toestemming verlenen indien de nevenwerkzaamheden werknemer niet belemmeren in een goede uitoefening van zijn functie, het belang van de onderneming daardoor niet wordt geschaad alsmede er door de combinatie van neven- en hoofdwerkzaamheden geen strijd ontstaat met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen (ondermeer Arbeidstijdenbesluit Vervoer).

7. Indien de werknemer de onderne­ming naar buiten toe representeert, dient de werknemer uiterlijk verzorgd op het werk te verschij­nen.

Hoofdstuk IV Bijzondere Groepen Werknemers




Deeltijdwerknemers
1. De bepalingen van de CAO zijn op deeltijdwerknemers van toepassing, met inachtneming van de volgende leden van dit artikel.
2.a. Voorzover de bepalingen van de CAO zich daarvoor lenen, worden zij op de deeltijdwerker naar evenredigheid toegepast.
2.b. Overuren zijn uren, niet liggend op zaterdag en/of zondag, waarmee de diensttijd van 40 uur in de week wordt overschreden. Voor rijdend perso­neel op dubbelbemande voertuigen zijn overuren, uren niet liggend op zaterdag na 7.00 uur en/of zondag, waarmee de diensttijd van 40 uur per week wordt overschreden.
3.a. De vakantie aanspraken en vakantiebijslag ontstaan naar rato van het aantal verrichte diensturen, doch niet meer dan het voor betrokke­nen geldende maximum genoemd in artikel 67, artikel 68 resp. artikel 69.
3.b. Voor het vaststellen van de onder 3a. genoemde vakantie aanspraken en vakantie-bijslag geldt als basis voor de berekening, het minimum aantal overeengekomen uren.
3.c. Voor het berekenen van de vakantie aanspraken en vakantiebijslag in een bepaald jaar, dient het totaal aantal verrichte diensturen, met een minimum van het aantal overeengekomen uren, in het voorafgaande kalen­derjaar te worden genomen.




Uitzendkrachten
Bij de inleen van uitzendkrachten van in Nederland gevestigde uitzendbureaus, mag alleen gebruik worden gemaakt van NEN gecertificeerde uitzendbureaus.

Negen maanden na de totstandkoming van een vergelijkbare certificeringsregeling voor buitenlandse uitzendbureaus, zal deze afspraak ook gelden met betrekking tot deze buitenlandse uitzendbureaus.







Oproepkrachten
1. Voor oproepkrachten gelden in beginsel alle artikelen van deze CAO, met uitzondering van:

artikel 4

artikel 6 lid 2

artikel 13

artikel 14

artikel 30

artikel 31

artikel 36

artikel 37

artikel 51

artikel 64 t/m 69

2. In afwijking van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek, leden 1 tot en met 6, kan in oproepovereenkomsten de loondoorbetalingsverplichting ook voor een periode van langer dan 6 maanden uitgesloten worden.


3. Voor de berekening van het dag  en uurloon moet voor de oproepkracht worden uitgegaan van het functieloon vermeerderd met 8% vakantiebijslag.
4. De oproepkracht wordt per uur beloond.
5. Overuren zijn de uren, waarmee de diensttijd van gemiddeld 8 uur per dag wordt overschreden.
6. In afwijking van artikel 6 lid 3 wordt door de werkgever aan de oproepkracht een exemplaar van de CAO verstrekt indien hij dit aan de werkgever verzoekt.




Leerlingen
1. In afwijking van het in artikel 67 lid 2 en 3 ten aanzien van de vakantieregeling bepaalde geldt voor leerlin­gen van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) het volgende:
1.a. Het vakantiejaar loopt van 16 augustus tot en met 15 augustus van het daarop volgende jaar.
1.b. In het jaar van indiensttreding en beëindiging van het dienstverband wordt de duur van de vakantie bepaald in verhouding tot het verstreken deel van het jaar; daarbij worden gedeelten van dagen van minder dan een half naar beneden en van meer dan een half naar boven afgerond.
1.c. De vakantierechten bedragen voor een partieel leerplichtige leerling 17 werkdagen en voor een niet partieel leerplichtige leerling 21 werkda­gen, met dien verstande:
- dat de leerling van de genoemde dagen tenminste 9 respectievelijk 12 in drie

aaneengesloten weken gedurende de zomervakantie dient op te nemen;

- snipperdagen kunnen worden opgenomen indien de leerling hiertoe van te voren

toestemming heeft verkregen van het stageverlenende bedrijf en van de collectieve werkgever.




  1. De verblijfkostenvergoeding geregeld in artikel 40 leden 1 en 2 en artikel 41 geldt ook voor leer­lingen van de beroepsbegeleidende leerweg, die buiten standplaats werkzaamheden verrichten.




  1. De functielonen voor jeugdige werknemers in opleiding in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg bedragen bij een dagonderwijs per week 4/5 en bij twee dagen onderwijs per week 3/5 van het naar hun leeftijd vastgestelde jeugdloon.




  1. De leerlingen ontvangen in de eerste periode van hun dienstverband een voorschot van één bruto functieloon. In de perioden daarna wordt aan de hand van de ingeleverde urenverantwoordingsstaten het juiste salaris uitbetaald. Bij uitdiensttreding wordt het voorschot verrekend met de laatste salarisbetaling.

Hoofdstuk V Lonen: Algemene bepalingen




Berekening dag  en uurloon.
Het dag  en uurloon wordt berekend door het functieloon per 4 weken te delen door 20

respectievelijk 160 en het functieloon per maand te delen door 21,75 respectievelijk 174.






Loonbetaling
1. De in artikel 25 genoemde functielonen worden per 4 weken of per maand betaald.
2. Het omrekeningsgetal voor de herleiding van vierweken- naar maandloon is 1,087.
3. De uitbetaling van de overuren dient uiterlijk in de beta­lingsperiode volgend op de betalingsperiode waarin de overuren zijn ontstaan te ge­schie­den.




Loon bij vorst en wateroverlast
1. De werkgever is verplicht bij onderbreking van de werkzaamheden veroorzaakt door vorst of de daaruit voortvloeiende gevolgen, dan wel door wateroverlast (hoog water, laag water, drassigheid van de terreinen e.d.) in afwijking van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek het loon door te betalen met inachtneming van het volgende:
a. Gedurende de periode van 1 december tot 1 mei eindigt de verplichting tot doorbetaling na iedere aaneengesloten doorbetalingstermijn van veer­tien kalenderdagen; onderbrekingen wegens vorst of waterover­last worden niet als afzonderlijke oorzaken beschouwd.
b. Gedurende de periode van 1 mei tot 1 december worden werkonderbrekingen veroorzaakt door vorst en werkonderbrekingen veroorzaakt door wateroverlast als afzonderlij­ke oorzaken beschouwd.
c. Gedurende de periode van 1 oktober tot 1 juni behoeft in totaal over ten hoogste

eenentwintig werkdagen het loon te worden doorbetaald ongeacht het aantal

doorbetalingstermijnen, maar met inachtneming van het gestelde onder b.
2.a. Bij het bepalen van de dagen waarover het loon (dat verschuldigd zou zijn geweest

indien wel zou zijn gewerkt) moet worden doorbetaald, worden in de

onderbrekingsperiode vallende zaterdagen en feestdagen als werkdagen beschouwd.
2.b. Dagen waarop wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet kon worden gewerkt, dienen voor het bepalen van de 14 dagentermijn (genoemd in lid 1a) en voor de 21 da­gen­termijn (genoemd in lid 1c) als werkdagen te worden aangemerkt.
2.c. Het gedurende een paar dagen verrichten van plotseling opgekomen werkzaam­he­den (anders dan de gebruikelijke) doet, mits de oorzaak van de onderbre­king voortduurt, niet een nieuwe betalingstermijn ontstaan.
3. Indien de kerstdagen en/of nieuwjaarsdag in een onderbrekingsperiode vallen, en reeds over de verplichte periode het loon is doorbetaald, dient de werkgever ook over die dagen het loon door te betalen indien in het algemeen in die dienstbetrekking op die feestdagen niet wordt gewerkt en dienaangaande geen bijzonder afwijkend beding van toepassing is.
4. Indien de werknemer, na afloop van de periode waarover de werkgever inge­vol­ge het voorgaande verplicht is tot doorbetaling van het loon, aan­spraak heeft op het volledige wachtgeld of de volledige werkloosheidsuitkering ingevolge de werkloosheidswet, is de werkgever verplicht op deze uitkering een aanvul­ling te verstrekken van 10 % van het dagloon waarnaar die uitkering is berekend. 2




Tegemoetkoming zorgverzekering
Met ingang van 1 januari 2009 wordt een tegemoetkoming verstrekt in de kosten van de zorgverzekering van 0,6% van het loon ingevolge de Wfsv. Per 1 januari 2011 komt deze regeling te vervallen.

Hoofdstuk VI Loon bij arbeidsongeschiktheid





  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina