Twee geloofsgetuigen



Dovnload 99.38 Kb.
Pagina1/4
Datum25.08.2016
Grootte99.38 Kb.
  1   2   3   4





TWEE GELOOFSGETUIGEN



God in Auschwitz? - Elie WIESEL (°1928)


  1. De holocaust overleven : biografische gegevens

  2. God in Auschwitz

  3. Vertellenderwijs



Verzet en overgave – Dietrich BONHOEFFER (1906-1945)


  1. Biografische gegevens

  2. Geen stoplap-God

  3. Theologie vanuit en in het lijden

  4. Gedichten




GOD IN AUSCHWITZ ?




Elie WIESEL



(° 1928)
Ik geloof niet dat wij na Auschwitz over God kunnen spreken. We kunnen enkel nog tot God spreken. Ik probeer dit tenminste. En zelfs wanneer ik tegen Hem spreek, spreek ik tot Hem.” 1



1. DE HOLOCAUST OVERLEVEN : BIOGRAFISCHE GEGEVENS2
Elie Wiesel werd op 30 september 1928 geboren in Sighet, een stadje in Transsylvanië (Roemenië), temidden van een bloeiende joodse gemeenschap. Hij stamt uit een vrome chassidische3 familie. In 1944 worden de joden van Sighet gedeporteerd. Het gezin Wiesel komt in Auschwitz-Birkenau terecht en wordt bij de eerste selectie gescheiden. Wiesel verliest er zijn moeder en jongste zusje. Met zijn vader verblijft hij later in het concentratiekamp Buna. Vlak voor de bevrijding worden ze naar Buchenwald gedreven, een verschrikkelijke tocht waarbij Wiesels vader het leven laat. Wiesel zelf overleeft onmiddellijk na de bevrijding van het kamp een ernstige voedselvergiftiging. Dan komt hij Parijs terecht, studeert er aan de Sorbonne en wordt journalist voor een Israëlisch dagblad. In 1954 heeft hij een ontmoeting met de katholieke schrijver François Mauriac, die hem ertoe kan overhalen zijn stilzwijgen te verbreken en zijn kampervaringen neer te schrijven. Het wordt een 880 bladzijden dik boek, geschreven in het Jiddisch, dat hij achteraf condenseert en in het Frans onder de titel La Nuit publiceert4. Na deze eerste publicatie schrijft hij verschillende autobiografisch geladen romans en toneelstukken.
Wiesel verhuist naar de Verenigde Staten, huwt er met Marion Ester Rose, eveneens een overlevende van de holocaust. Hij wordt er professor in New York en in Boston en geeft colleges over de grote figuren uit de joodse traditie, wier verhalen hij tijdens zijn jeugd heeft kunnen ‘inademen’ : de joodse commentaren op de grote bijbelverhalen en vooral de rijke traditie van het Centraal- en Oost-Europese chassidisme. Van Wiesel is de uitspraak : “God schiep de mens omdat hij van verhalen houdt”.
In de Verenigde Staten wordt hij een publieke figuur. Hij neemt openlijk stelling in ten aanzien van een aantal grote internationale gebeurtenissen. President Carter stelt hem in 1978 aan tot voorzitter van de presidentiële commissie voor de Holocaust. In 1986 ontvangt hij de Nobelprijs voor de vrede. Het Pax Christi-tijdschrift Koerier schrijft naar aanleiding van de prijsuitreiking over Wiesel :
“Wiesel moet momenteel als een van de belangrijkste geestelijke leiders en gidsen worden beschouwd in een tijd waar geweld, repressie en racisme nog steeds kenmerkend zijn voor de wereld. Zijn overtuiging, dat de krachten die het kwaad in de wereld bestrijden, kunnen overwinnen, is er een die niet gemakkelijk gekomen is. De inzet van Wiesel, die zijn oorsprong vond in het lijden van het joodse volk, heeft zich uitgebreid tot alle mensen en rassen die worden onderdrukt.

Met de Nobelprijs voor de Vrede werd dit jaar een man bekroond die wanhopig blijft zoeken naar de motieven die mensen tot gruweldaden kunnen brengen en blijft waarschuwen dat oorlog niet mogelijk is zonder haat!”


Wiesel was de eerste schrijver die de Nobelprijs voor de vrede kreeg. Zijn hele oeuvre kan slechts ten volle begrepen worden in het licht van zijn eerste, autobiografische verhaal : La Nuit, zijn enige boek dat naar zijn eigen zeggen rechtstreeks over de holocaust gaat. Leo Kenis schrijft hierover5 :
“Naar mijn smaak (als ik het zo mag uitdrukken) bevat dit boek het meest ontroerende dat Wiesel over de zaak heeft geschreven. Het bezit op bepaalde bladzijden de kwaliteiten die telkens bij de ‘goede’ holocaustliteratuur opduiken. In enkele fragmenten wordt de lezer, precies door de combinatie van distantie, soberheid en indringendheid van de beschrijving, geconfronteerd met de waanzin, het onvoorstelbare dat er zich heeft voorgedaan. Aldus bijvoorbeeld bij de beschrijving van de deportatie van de gevangenen van het kamp Buna naar Buchenwald, eerst te voet in een ijzige kou, dan in open beestenwagens, een verschrikkelijke tocht, waarbij in hallucinante taferelen de agonie van de gedeporteerden wordt weergegeven.”


2. GOD IN AUSCHWITZ ?
Elie Wiesel heeft zijn eigen onvervreemdbare plaats onder de grote ‘holocaust-auteurs’ verworven door de manier waarop hij de beklemmende situatie van de gelovige jood en zijn God in Auschwitz heeft beschreven.
Voor Wiesel is de holocaust een “heilig onderwerp” : men zou moeten beven telkens men er een woord over zegt, verklaarde hij in een interview. “Auschwitz betekent de dood – de totale, absolute dood – van de mensheid en de mensen, van het verstand en van het hart, van het gevoel en van het woord.” Daarom “is een theologische beschouwing over Auschwitz zowel een lastering voor een ongelovige als voor een gelovige”. Daarom ook heeft Wiesel meer dan tien jaar het stilzwijgen bewaard, tot François Mauriac hem ertoe aanzette om te spreken. Alleen omwille van de slachtoffers schrijft hij : “De joodse kinderen : zij obsederen mij in al mijn geschriften.” 6
Er is één passage uit het boek De Nacht die als het ware een ‘klassieke tekst’ is geworden bij christelijke theologen die ‘na Auschwitz’ over het lijden hebben geschreven. Volgens Johan VANHOUTTE vind je dit verhaal terug in minstens twintig publicaties over het lijden7. Het is als het ware een “parabel” geworden die als een refrein terugkeert. In een bedrieglijk eenvoudige taal vertelt Wiesel over een ongewone terechtstelling waarvan hij als vijftienjarige ooggetuige was 8:

“Op een dag toen wij van het werk terugkwamen zagen we drie galgen op de verzamelplaats van het kamp. Appèl. De SS-ers om ons heen, de mitrailleurs op ons gericht; de gewone gang van zaken. Drie geboeide veroordeelden en onder hen een kind. Een kind met een fijn, mooi gezicht als dat van een ongelukkige engel.

De SS-ers schenen bezorgder en ongeruster te zijn dan gewoonlijk. Een kind ophangen voor duizenden toeschouwers, dat is geen kleinigheid. De kampcommandant las het vonnis voor. Bij hen waren wapens gevonden. Alle ogen waren op het kind gevestigd. Hij was doodsbleek, bijna kalm, hij beet op zijn lippen. De schaduw van de galg viel over hem heen.

De hoofdkapo weigerde ditmaal als beul op te treden. Hij werd door drie SS-ers vervangen.

De drie ter dood veroordeelden klommen tegelijk op hun stoelen. De drie nekken werden tegelijk in de stroppen gestoken.

‘Leve de vrijheid!’ riepen de volwassenen.

Maar het kind zweeg.

Waar is de Goede God, waar is Hij?’ vroeg iemand achter mij.

Op een teken van de commandant werden de stoelen weggenomen.

Er heerste een dode stilte in het kamp. Aan de horizon ging de zon onder.

‘Hoofden ontbloten!’ schreeuwde de commandant.

Zijn stem klonk schor. En wij, wij huilden.

‘Hoofden bedekken!’

Toen begon het defilé. De twee mannen leefden niet meer. Het kind, dat zo licht was, leefde nog en bleef een tijd hangen tussen leven en dood. En wij moesten passeren en hem in de ogen kijken.

Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen:

Waar is God nu?’

En binnen in mij hoorde ik een stem die antwoordde:

Waar is Hij? Hier is Hij : Hij is hier opgehangen aan deze galg.’



Die avond had de soep een vreselijke smaak.”
Jürgen MOLTMANN en Dorothee SÖLLE hebben als eersten deze tekst gebruikt in een christelijk perspectief. In haar boek Lijden geeft Sölle volgende interpretatie van dit getuigenis9. “God hangt aan de galg” betekent voor haar twee dingen. De uitspraak zegt iets over God en geeft antwoord op de vraag “Waar is God wanneer de mens lijdt?” : God is geen beul en ook geen toeschouwer (wat in feite op hetzelfde zou neerkomen), maar staat aan de kant van de slachtoffers. Maar tegelijkertijd is het ook een uitspraak over de jongen die wordt gehangen. “Hij hangt aan de galg”, moeten we leren zien zoals de belijdende uitspraak van de honderdman : “waarlijk, deze was Gods Zoon”. En Sölle besluit : “Allen – ieder van de zes miljoen afzonderlijk – zijn Gods geliefde Zoon geweest.”
Johann Baptist METZ heeft deze (al té snelle?) christelijke interpretatie en identificatie met het kruisgebeuren bekritiseerd. Deze identificatie dreigt het onverdraaglijke en onaanvaardbare lijden van de jongen al te gemakkelijk te recupereren en te verbloemen10 :
“Op deze tekst wil ik slechts één commentaar leveren. Wie mag eigenlijk het hier aangehaalde antwoord op de godsvraag – ‘Waar is God?’ – proberen te geven? Wie kan dat, als het al mogelijk is, zeggen? Ik denk dat alleen de samen met alle kinderen in Auschwitz totterdood bedreigde jood dit kan zeggen, alleen hij. (…) Hier schiet mijns inziens iedere christelijk-theologische identificatie van God tekort. Als het al mogelijk is, dan kan alleen de samen met zijn God in de afgrond gedreven jood daartoe een poging ondernemen : hij die zelf zich in die hel bevindt ‘waar God en mens elkaar met ontzetting in de ogen zien’ (Wiesel). Hij alleen, denk ik, kan hier spreken over een ‘God aan de galg’, niet wij christenen buiten Auschwitz, die de jood hoe dan ook in een dergelijke wanhoopssituatie hebben gebracht of hem tenminste daarin in de steek hebben gelaten. Wat mij betreft valt hier zonder de joden niet meer over ‘zin’ te spreken. Hier, in de hel van Auschwitz, zijn wij zonder de joden tot zinloosheid, tot god-loosheid veroordeeld.”
Wat betekent het fragment dan voor Wiesel zelf?


  • Wat de betekenis van “God aan de galg” in De Nacht betreft, kan men zeker niet zomaar in de richting van een parallel, een gelijkenis of wat dan ook tussen de galg in Auschwitz en het kruis op Golgotha gaan. De galg betekent in het kader van het verhaal van Wiesel precies het tegendeel van wat christenen doorgaans onder het kruis verstaan: zij is geen offer, geen teken van solidariteit of verzoening, maar integendeel een teken van de absolute wanhoop, van volstrekt zinloze, onbegrijpelijke vernietiging.



  • Anderzijds kent de joodse mystieke traditie de “sjechina” : de “inwonende tegenwoordigheid van God in de wereld”. Volgens deze traditie laat God de lijdende wereld niet alleen. Hij “daalt zelf af naar de wereld”, gaat als het ware in haar, “in ballingschap”, woont bij haar in, is aanwezig midden in het lijden. In zijn gestalte van overgave en vernedering deelt God het lijden van zijn volk. Elie Wiesel schreef zelf een indringende tekst over “de medelijdende God”. Daarin schrijft hij over de sjechina 11:

“God was bij de schepping aanwezig en maakt daar deel van uit. Dat is de eindconclusie van de joodse mystiek : ‘Er is geen plaats waar God niet is’. Hij is overal, ook in het lijden. De droefheid van Israël en de droefheid van de sjechina, die kant van God die openbaar is geworden – ze horen bij elkaar en verwachten samen de verlossing (…) Het gaat ook om solidariteit. Wat ons overkomt, raakt Hem; wat er met Hem gebeurt, is ook onze zaak. Wij beleven hetzelfde avontuur, en we nemen deel aan dezelfde speurtocht. Wij lijden om dezelfde reden en verlenen onze gemeenschappelijke hoop dezelfde zin.”




  • Toch moeten we het fragment in De Nacht allereerst lezen als een schakel in een groeiend proces dat door het boek De Nacht loopt : de vernietiging van het leven van een 16-jarige vrome jood, met alles wat dat leven aan vertrouwen, goedheid en geloof inhield.

Na de eerste kampnacht, zegt Wiesel 12 :
“Nooit zal ik die nacht vergeten, de eerste kampnacht,

die van mijn leven één lange, zeven maal vergrendelde nacht heeft gemaakt.

Nooit zal ik de vlammen vergeten die voor eeuwig mijn Geloof verteerden.

Nooit zal ik die nachtelijke stilte vergeten

die mij voor eeuwig van het verlangen om te leven heeft beroofd.

Nooit zal ik die ogenblikken vergeten

die mijn God en mijn ziel vermoordden en mijn dromen,

die het aanzien van de woestijn kregen.

Nooit zal ik dat vergeten,

zelfs niet wanneer ik gedoemd zou zijn even lang te leven als God zelf. Nooit.”


Wat in Wiesel door de vlammen van Auschwitz werd verteerd, is zijn geloof in God en de mens, een geloof dat heel zijn wereld, heel zijn bestaan doordrongen had. In Auschwitz, in het ‘Rijk van de Nacht’, in deze wereld van absolute vernietiging, hoort God niet thuis. De realiteit van God is voor Wiesel gewoon niet te rijmen met de realiteit van Auschwitz. Door heel het verhaal blijft die crisis van het geloof hoorbaar : zij keert voortdurend terug als een protest tegen God, als opstand en onbegrip.
Betekent dit dan dat voor Wiesel God bij wijze van spreken dood is of niet bestaat? Neen, toch niet. De vraag is zelfs naast de kwestie. Niet de vraag of God na Auschwitz nog bestaat kwelt Wiesel als overlevende jood, maar de vraag waarom God in Auschwitz heeft gezwegen. In verschillende romans van Wiesel duiken dan ook voortdurend figuren op, die de confrontatie met God aangaan. Tegen God wordt geprotesteerd, met God wordt geredetwist, Hij wordt uitgedaagd en beschuldigd. In één van zijn toneelstukken Het proces van Shamgrod wordt God zelf een proces aangedaan. Hij wordt na een pogrom (gesitueerd in de 17de eeuw) door een overlevende aangeklaagd omdat hij de vernietiging van de joden heeft toegelaten. In de inleiding tot het stuk vertelt Wiesel een gebeurtenis die hem tot dit onderwerp heeft geïnspireerd :
“In het Rijk van de Nacht was ik getuige van een vreemd proces. Drie rabbis – alle wijze en vrome mannen – beslisten op een winteravond God aan te klagen omdat Hij toeliet dat zijn kinderen werden uitgemoord. God werd schuldig bevonden en veroordeeld. Na het proces keek één van de rabbis op het horloge dat hij in het kamp had weten te bewaren, en zei: ‘O, het is tijd voor het gebed’. En alle drie de rabbis bogen zich en begonnen te bidden.”
Wat hier wordt beschreven is voor Wiesel “één van de aangrijpendste mysteries van die tijd: dat mannen en vrouwen zelfs in het rijk van de doden gebeden hebben, hun religieuze geboden hebben onderhouden”. Ondanks hun geloof kwamen deze mensen tegen God in opstand, maar ondanks hun opstand bevestigden zij voortdurend hun geloof : het is geloven temidden van lijden. Het is het pure bijbelse geloof, het geloof van Job.


  • Dat Wiesels overtuiging dat God afwezig was in Auschwitz, bij hem niet leidt tot ongeloof, heeft alles te maken met zijn joodse wortels, en meer bepaald met de chassidische traditie waarin hij is opgegroeid. De chassidische mystiek baseert het geloof niet op de zekerheid van de aanwezigheid, maar op het vurig verlangen naar de Afwezige. Zoals de Messias altijd verwacht wordt, maar nog niet gekomen is, zo kan de hedendaagse jood niet anders dan de bijbelse belofte steeds opnieuw begrijpen als een oproep en een aanklacht die nog niet vervuld is, als een belofte die steeds belofte blijft. Voor Wiesel ligt Gods toekomst uiteindelijk in een onbepaalde toekomst. Hij is nog niet, Hij blijft steeds utopie voor de mens zolang de wereld duurt. Daarom kan men maar beter blijven staan bij de laatste woorden van Christus, als hij aan het kruis hangt : ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ (ook de eerste woorden van Psalm 22). Net zomin als Christus op deze dringende smeekbede een bevrijdend antwoord ontving, hoeven wij tijdens ons leven een sluitend antwoord op onze levensvragen te verwachten13.



  • Wiesels gelovige overtuiging leidt ook tot een blijvende aanklacht. Uit zijn levenspraxis blijkt dat het uiteindelijk gaat om de stemlozen stem te geven, en midden in en vanuit het lijden zich tegen elk lijden te verzetten. Die praxis leverde hem de Nobelprijs voor de Vrede op.



3. VERTELLENDERWIJS

In de tekst van een cantate die Wiesel schreef, voert hij Abraham, Isaak en Jacob ten tonele, die in de hemel God aanklagen omdat hij zoveel onschuldig en absurd lijden laat gebeuren. Maar hun God blijft zwijgen en de aartsvaders besluiten naar de aarde terug te keren om de joden te zeggen dat ze niet meer op die harteloze God moeten rekenen. Terwijl ze zich van Gods troon terugtrekken vertellen ze elk nog één verhaal, over joden die ondanks de gruwelijkste ellende hun geloof en vertrouwen in hun God blijven uitspreken. Toen, schrijft Wiesel, werd God ontroerd door hun geloof : terwijl de aartsvaders zich verwijderden, merkten zij niet dat zij niet langer alleen waren : God vergezelde hen, huilend, lachend, fluisterend,…


Verhalen als dit geven aan in welke zin Wiesel nog over God wil spreken : door verhalen te vertellen, die geen ‘oplossing’ bieden, maar het mysterie van God en mens doen oplichten. Vandaar zijn oproep : “Let us tell tales – all the rest must wait – all the rest does not exist – commentaries will have to come later” (“Laten wij verhalen vertellen, al de rest kan wachten, al de rest moet wachten. Commentaren moeten naar later worden verschoven.”).

Wiesel blijft daarin trouw aan de joodse en in het bijzonder aan de chassidische verhalentraditie waarin hij opgroeide. Het chassidisme is volgens hem een strijd tegen de melancholie, een beweging tegen de wanhoop. Temidden van lijden en vervolging predikt het chassidisme de verbondenheid onder mensen en de vriendschap.


Wiesel besluit zijn eerder genoemde beschouwingen over ‘de medelijdende’ in het boek God heeft wel honderd namen, dan ook verhalenderwijs 14 :
“Ik herinner me een tekst uit de midrasj (= verhalende commentaren). Die heeft betrekking op de houding van God ten aanzien van het menselijk lijden. Die midrasj geeft commentaar op een vers van de profeet Jeremia. Bij het vers waar God zegt: ‘Ik zal in het verborgene tranen vergieten,’ stelt de midrasj vast : Er is een plaats die als ‘geheim’ wordt beschouwd, een plaats waarheen God zich terugtrekt als hij bedroefd is, om daar te huilen.

Het geheim van het geheim? Laten we nog naar een andere legende luisteren : Als God het lijden van zijn onder de volkeren verstrooide kinderen ziet, vergiet Hij twee tranen die in de oceaan druppelen; als ze vallen maken die tranen zo’n gedruis, dat het te horen is van het ene einde van de wereld tot aan het andere.

Ik herlees die legende graag. En ik zeg tegen mezelf: God heeft beslist meer dan twee tranen vergoten in de zee der geschiedenis. Maar de mensen zijn vermoedelijk laf. Ze doen alsof ze doof zijn.”

Didactische tip : Didier POLLEFEYT stelde een lessenreeks samen voor godsdienstleerkrachten over de holocaust : Een godsdienstdidactiek van de holocaust. Een lessenreeks over de holocaust. Leerkrachtendeel en documenten voor de leerlingen, in CATECHETISCHE SERVICE, jrg. 23, nr.2, 1994-1995, 1-92.

Zie ook : D.POLLEFEYT, De holocaust in het godsdienstonderricht, in D.POLLEFEYT en J.BULCKENS (red.), Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Acco/Leuven, 1995, 191-246.





  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina