Tweede Kamer der Staten-Generaal 2



Dovnload 18.04 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte18.04 Kb.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2







Vergaderjaar 2008-2009










31 083

Corporate governance, hedgefondsen en private equity



















Nr.

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG




Vastgesteld … oktober 2008







Binnen de vaste commissie voor Financiën hebben enkele fracties de behoefte om over de brief van de minister van Justitie d.d. 16 oktober 2008 t.g.v. het ontwerpbesluit houdende wijziging omtrent de inhoud jaarverslag (Stb. 747)

(Kamerstuk 31083, nr. 25), enkele vragen en opmerkingen voor te leggen.




De vragen en opmerkingen zijn op 30 oktober 2008 aan de minister voorgelegd. Bij brief van ... zijn ze beantwoord.







De voorzitter van de commissie,


Blok






De griffier van de commissie,


Berck






I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties







Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het besluit d.d. 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 747). Genoemde leden merken op dat er een tweetal wijzigingen optreedt. De eerste wijziging betreft de vervanging van de zinsnede “toegelaten tot de officiële notering aan een markt in financiële documenten” door terminologie die aansluit bij terminologie van de Wft, zoals die luidt na inwerkingtreding van de Mifid-wetgeving en de Verordening nr. 1287/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad wat de voor beleggingsonderneming geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van de financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PbEU L 241). Hebben genoemde leden goed begrepen dat met deze aanpassing geen inhoudelijke, maar uitsluitend technische wijzingen zijn beoogd?


De tweede wijziging betreft het verruimen van het toepassingsbereik van het koninklijk besluit, zodat ook grotere Nederlandse ondernemingen (met een balanstotaal van boven de € 500 miljoen) waarvan aandelen worden verhandeld op alternatieve handelsplatformen binnen of buiten de EU de code zullen moeten toepassen. Kan de regering aangeven hoeveel ondernemingen die behoren tot de Amsterdam Midcap Index (AMX) en de Amsterdam Small Cap Index (ASCX) de code nu zullen moeten toepassen?
Met betrekking tot de administratieve lasten hebben de leden van de CDA-fractie begrepen dat er ‘in beginsel (…) een lastenverzwaring [zou] optreden omdat het toepassingsbereik wordt verruimd’. Dit wordt echter (deels) ondervangen door de vervanging van het begrip “markt in financiële instrumenten” dat niet meer voorkomt in de Wft’. Deze passage suggereert dat er toch een lastenverzwaring kan optreden. Graag een nadere toelichting. Brengt de voorliggende wijziging van het besluit wel of geen lastenverzwaring met zich mee?
De leden van de CDA fractie merken op dat recentelijk een aantal nieuwe (pseudo)staatdeelnemingen is aangegaan. Zij verzoeken de regering allereerst in algemene zin aan te geven hoe de corporate governance code zich verhoudt tot de nieuw aangegane deelnemingen. Is de regering van mening dat de code in zijn geheel van toepassing blijft op die deelnemingen, die beursgenoteerd zijn?
Het voorliggend ontwerpbesluit strekt tot wijziging van het besluit d.d. 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 747). Deze voorschriften hebben met name betrekking op de naleving van de Corporate Governance Code. Ten aanzien van de recente gang van zaken omtrent Fortis, ABN AMRO, ING en Aegon alsook ten aanzien van eventuele andere toekomstige soortgelijke operaties hebben de leden van de CDA-fractie daarom nog enkele vragen. Genoemde leden vragen zich af hoe de benoeming van commissarissen zich verhoudt tot de bepalingen uit de Corporate Governance Code omtrent de Raad van Commissarissen (III) en dan met name tot de bepalingen ten aanzien van de onafhankelijkheid (III.2) en de deskundigheid en samenstelling (III.3) van de Raad van Commissarissen? Ook vragen de leden van de CDA-fractie zich af hoe een en ander zich verhoudt tot het belang van de vennootschap (III.1)? Stellen de overheidscommissarissen het belang van de vennootschap voorop in al hun beslissingen of dienen zij terug te rapporteren aan de minister van Financiën? Graag een reactie.
Is de regering van mening dat de gang van zaken bij bovengenoemde en eventuele toekomstige operaties in lijn is met de genoemde bepalingen van de Corporate Governance Code? Zo ja, waarom? Indien de gang van zaken niet in lijn is met de genoemde bepaling van de Corporate Governance Code, kan de regering dit nader toelichten, volgens het principe “pas toe of leg uit”?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD
De leden van de VVD -fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister en het Ontwerpbesluit houdende wijziging omtrent de inhoud van het jaarverslag (Stb. 747). De aan het woord zijnde leden zijn verheugd te constateren dat de aanbevelingen van de Monitoring Commissie Corporate Governance terzake het toepassingsbereik van de code door de minister worden overgenomen. De aan het woord zijnde leden delen de conclusie van de Monitoring Commissie dat de code niet verplicht van toepassing dient te zijn voor verhandeling van aandelen op alternatieve (handels)platformen - zoals Alternext - door MKB -rechtspersonen. De aan het woord zijnde leden onderschrijven de aanbeveling van de Monitoring Commissie tot het instellen van een onderscheidend criterium om vast te (kunnen) stellen of een rechtspersoon als MKB-onderneming kan worden aangemerkt. Dit ter voorkoming dat grote rechtspersonen (multinationals) onderworpenheid aan de code ontlopen door hun aandelen ter verhandeling aan te bieden op alternatieve platformen. De aan het woord zijnde leden lezen in het Ontwerpbesluit dat gekozen is voor een grens van €500 miljoen balanstotaal, overeenkomstig de suggestie van de Monitoring Commissie. Echter, bij de ‘vrijstellingen op grond van de omvang van het bedrijf van de rechtspersoon’ (afdeling 11, Boek 2 BW) wordt bij middelgrote ondernemingen (ex 2:397 BW) bij balanstotaal uitgegaan van €17,5 miljoen. Hoewel het hier gaat om vrijstellingen ter zake ‘de jaarrekening en het jaarverslag’ is het verschil tussen €17,5 miljoen en €500 miljoen balanstotaal om niet te worden aangemerkt als ‘grote’ rechtspersoon wel een erg groot gapend gat. Daar komt nog eens bij dat de verankering van de code in dezelfde Titel plaatheeft. Deelt de minister de conclusie dat de huidige grensbedragen in artikelen 2:396 (klein) en 2:397 (middelgroot) op dit moment te laag zijn vastgesteld en dat deze naar boven toe dienen te worden aangepast? Indien neen, waarom niet en hoe verhouden de grensbedragen in voorgenoemde artikelen zich dan met de voorgestane grens van €500 miljoen? In de nota van toelichting staat dat het Adviescollege toetsing administratieve lasten het besluit niet heeft geselecteerd voor advisering. De aan het woord zijnde leden vragen de minister naar de motivering hiervan, gelet op de verruiming van het toepassingsbereik van de code. Hoeveel rechtspersonen worden naar verwachting extra onderworpen aan de code als gevolg van deze verruiming (m.a.w. ‘grote’ rechtspersonen, die hun aandelen uitsluitend op een alternatief platform aanbieden)?






II Reactie van de minister







Hier tekst invoegen.











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina