Udl 8-2-2007 het strijkkwartet



Dovnload 20.83 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte20.83 Kb.
UDL 8-2-2007
HET STRIJKKWARTET

Het belangrijkste genre van de kamermuziek


Mark Delaere
1. Inleiding

Het strijkkwartet als genre wordt in eerste instantie gedefinieerd door zijn bezetting: een compositie voor vier strijkers (1ste viool, 2de viool, altviool, cello).

Daarnaast zijn er sinds het ontstaan van het strijkkwartet conventies gegroeid die het genre sindsdien ook mee bepalen. Zo bestaat een typisch strijkkwartet uit vier bewegingen, elk met een specifiek tempo, tonaliteit, vorm en stemmingsgeaardheid:

- deel 1 (soms voorafgegaan door een langzame inleiding): snel, hoofdtoonaard, sonatevorm, ‘discursief’

- deel 2: langzaam, subdominant, instrumentale liedvorm, contemplatief

- deel 3 (menuet of scherzo): matig snel, hoofdtoonaard, scherzovorm (scherzo-trio-scherzo), puntige ritmes, ‘schertsend’

- deel 4 (finale): snel tot zeer snel, hoofdtoonaard, rondo- of sonatevorm, virtuoos

Sociologisch vindt een evolutie plaats van musiceren in de huiskring door liefhebbers naar openbare concerten door professionele strijkkwartetten.

Ten slotte is het strijkkwartet door de kwaliteit van het repertoire uitgegroeid tot het belangrijkste genre in de kamermuziek, en één van de belangrijkste genres in de kunstmuziek
De bezetting van het strijkkwartet is eenvoudigweg perfect. Met twee violen, een altviool en een cello heeft de componist een volmaakt homogeen klanklichaam ter beschikking, waarin sonore contrasten toch mogelijk zijn. Nagenoeg alle registers zijn voorhanden (van hoog tot laag), en wat belangrijker is, er zijn geen 'gaten' die een overgang tussen registers hachelijk maken.

De cello levert in het klassieke strijkkwartet het harmonisch fundament, maar kan in afwisseling met de (eerste) viool ook melodisch ingezet worden. Tweede viool en altviool


vullen de textuur aan, maar kunnen evenzeer melodisch uit de hoek komen.

(Tonale) harmonie wordt gedefinieerd door vierstemmige akkoorden, precies het aantal stemmen dat in het strijkkwartet voorhanden is.

Ten slotte laat deze bezetting ook op contrapuntisch vlak niets te wensen over. In reëel contrapunt heb je zelden meer dan drie of vier stemmen, die in het strijkkwartet door hun registerafbakening, klankkleurcontrast en slankheid voldoende duidelijk uit de verf kunnen komen.

De Duitse dichter J.W. von Goethe noemt het strijkkwartet ‘een gesprek op niveau tussen vier heren van stand’. R. Schumann vergelijkt het strijkkwartet met vier afzonderlijke mensen, en het strijkkwintet met een vergadering:

'Statt der vier einzelnen Menschen, glaubt man im Quintett eine Versammlung vor sich zu haben'. Tussen de regels lees je hier de bevestiging van de superioriteit van het strijkkwartet. Kamermuziek leeft nu eenmaal van de gelijkwaardigheid van de (gespreks)partners als individuen, terwijl in het orkest de collectiviteit voorop staat.
2. Enkele voorlopers in de laat-barok en pre-klassiek (1700-50)

- Frankrijk: ‘sonates en quatuor’ voor 3 violen en basso continuo (klavecimbel+cello)

- Italië: ‘sonata a quattro’ en ‘concerto a quattro’ voor strijkers en basso continuo (G.B. Sammartini, A. Scarlatti)

- Duitsland/Oostenrijk: divertimenti, serenades etc. voor 4 strijkers (Mannheimer Schule, de jonge Joseph Haydn

Deze werken behoren nog niet echt tot het strijkkwartet genre omdat

1) de cello nog niet losgekomen is van de basfunctie (basso continuo)

2) het aantal bewegingen nog niet vastligt (van 2 tot 6)

3) de werken nog niet ‘idiomatisch’ geschreven zijn. De meeste van deze kwartetten worden ook door orkest uitgevoerd. J. Haydns op. 1 nr. 5 is zelfs gewoon een symfonie met weggelaten blazers!


3. Het strijkkwartet tijdens de klassieke periode (1750-1800)

Joseph Haydn is met zijn 68 kwartetten de grondlegger van hetgenre. Door de kwaliteit van zijn oeuvre legt hij de conventies van het strijkkwartet vast.

- op. 9, 17, 20: uitproberen van verschillende mogelijkheden
MZKVB 1
- op. 33 (1778): ‘nieuwe stijl’

heldere structuur

scherzo i.p.v. menuet

gelijkberechtiging 4 instrumenten (evenwicht)

thematisch-motivische schrijfwijze

- op. 76 (1797): experimenten met de vorm (variaties, fuga, fantasia)


ILL. 1 J. Haydn, op. 76 nr. 3 ‘Keizerskwartet’ dl. 1

MZKVB 2: J. Haydn, op. 76 nr. 3 ‘Keizerskwartet’ dl. 1

MZKVB 3: J. Haydn, op. 76 nr. 3 ‘Keizerskwartet’ dl. 2 (variaties)
Wolfgang Amadeus Mozart schreef 26 kwartetten:

- vroege strijkkwartetten: heterogeen van stijl en kwaliteit.

- 6 ‘Haydn-kwartetten’ (1782-85)

In de opdracht aan Haydn schrijft Mozart dat deze strijkkwartetten de vrucht zijn van een lang en moeizaam werkproces ('frutto di una lunga, e laboriosa fatica'). Mozart wilde immers niet onderdoen voor het model dat hem voor ogen stond: de (eveneens) zes strijkkwartetten op. 33, waarmee Haydn als het ware de geboorte van het strijkkwartetgenre had ingeluid. Vooral het eerste en het laatste deel getuigen van Mozarts artistieke ambitie om het strijkkwartet een bijzonder doorwrochte structuur en compositietechnische volmaaktheid te bezorgen. In het eerste deel gebeurt de confrontatie van contrasterende motieven reeds van in het begin. Mozart wacht dus niet op de 'doorwerking' om de dialektiek aan te vatten. De finale biedt een ingenieuze vervlechting van een sonatevorm en een fuga. Het verbaast dan ook niet dat Haydn zeer enthousiast reageerde op Mozarts presentatie van de strijkkwartetten. In een brief aan diens vader lezen we: 'Ich sage ihnen vor gott, als ein ehrlicher Mann, ihr Sohn ist der grösste Componist, den ich von Person und den Nahmen nach kenne: er hat Geschmack, und über


das die grösste Compositionswissenschaft'.

Wie zal Haydn daarin tegenspreken?

ILL. 2: sonatevorm

MZKVB 4: W. A. Mozart, strijkkwartet in sol groot KV 387 (1782), dl. 4


- 3 Pruisische kwartetten (1789-90)
4. Het strijkkwartet tijdens de romantiek (19de eeuw)

De 17 strijkkwartetten van Ludwig van Beethoven staan op eenzame hoogte, en hebben menig componist na hem faalangst bezorgd. De meeste van zijn kwartetten vereisen een professioneel strijkkwartet. Typisch zijn het grotere (muzikale) gewicht, de expansie van de bewegingen, de uitbreiding van het aantal bewegingen, de invloed van andere genres (opera, symfonie) en de soms orkestrale schrijfwijze. Zoals de rest van zijn oeuvre worden ook de strijkkwartetten in 3 periodes onderverdeeld:

- de vroege periode

6 strijkkwartetten op. 18 (1798-1800): classicistisch

- de middenperiode

3 strijkkwartetten op. 59 ‘Rasumovsky’ (1806), op. 74 (1809), op. 95 (1811): romantisch

- de late periode

op. 127 (1825), op. 130 (1826), op. 131 (1826), op. 132 (1825), op. 135 (1826), op. 133 ‘Grote Fuga’ (1825): vergeestelijkt, abstract, transcendent


MZKVB 5 L. van Beethoven op. 18/3, Andante con moto

MZKVB 6 L. van Beethoven op. 132, Molto adagio


Franz Schubert schreef 13 strijkkwartetten, waarvan vooral de laatste 3 hoogtepunten van het genre zijn: op. 29 ‘Rosamunde’ (1824), ‘Der Tod und das Mädchen’ (1824) en op. posthumus 161 (1826). Men hoort de bewondering van Schubert voor Beethoven, maar anderzijds ook het verlangen om zijn persoonlijke stijl te bewaren: een grotere zangerigheid van de thema’s (invloed van het lied), herhaling van thema’s in gevarieerde gedaante, uitbreiding thema’s tot thema-complexen, plotse harmonische wendingen.
MZKVB 7 F. Schubert op. 29, dl. 1
Ook F. Mendelssohn-Bartholdy en R. Schumann schreven prachtige strijkkwartetten.
Rond het midden van de 19de eeuw treden er drie veranderingen op in het strijkkwartet:

1) Verminderde aandacht

Het voorbeeld van Beethoven werkt remmend, en daarnaast verschuift de aandacht naar extraverte muziekvormen en naar muziek met een buitenmuzikale inhoud (opera, symfonisch gedicht)

2) Integratie van volksmuziek

Onder invloed van de zgn. ‘Nationale scholen’ worden melodieën, ritmes en dansvormen uit de volksmuziek overgenomen, bijvoorbeeld in de 14 strijkkwartetten van Antonin Dvorak.
MZKVB 8 A. Dvorak op. 16, dl. 3 (mazurka)
3) Cyclische vorm

Van in het begin is het vormbewustzijn extreem ontwikkeld (Haydn, Mozart, Beethoven). De spitsvondige opbouw van elke beweging is dus een basisvereiste. Bovendien moet er samenhang gecreëerd worden tussen de verschillende delen van eenzelfde strijkkwartet. Tot ongeveer 1850 speelde de tonaliteit daar een belangrijke rol in. Na 1850 wordt de tonaliteit dusdanig verwijd dat ze nagenoeg onherkenbaar wordt. Bijgevolg werd het riskant om de vorm hier nog op te baseren, en grepen componisten naar andere middelen om samenhang te creëren. Steeds meer ging men dezelfde thema's (of varianten daarvan) laten terugkeren in de verschillende delen, zodat de luisteraar een rode draad aangeboden krijgt om het vormverloop te volgen. Mooie voorbeelden hiervan zijn het strijkkwartet van César Franck (1889) en het strijkkwartet van Claude Debussy (1893).


MZKVB 9 C. Debussy, begin van dl. 1, 3 en 4

5. Het strijkkwartet tijdens de 20ste eeuw

Er zijn vier tendensen te onderscheiden in deze periode:

1) Romantische strijkkwartet (met enkele gematigd moderne elementen)

Dmitri Schostakowitsch is met zijn 15 kwartetten de meest productieve en representatieve componist in deze categorie.

2) Moderne strijkkwartet

Arnold Schönberg (4 strijkkwartetten), Alban Berg (2) en Anton Webern (3) vertrekken van de Beethoven/Brahms-traditie. De uitwerking daarvan leidt echter tot een ander toonsysteem (atonaliteit), een rijker contrapunt, een snellere ontwikkeling van de muzikale ideeën, nieuwe vormen (zeer lang: Schönberg of zeer kort: Webern) en een meer verfijnde behandeling van klankkleur.


MZKVB 10 J. Brahms, hoofdthema op. 51/1 dl. 1, vergelijking met A. Schönberg, hoofdthema op. 7
ILL 3 A. Webern op. 9, dl. 1

MZKVB 11 A. Webern op. 9, dl. 1


Later worden nog prachtige moderne strijkkwartetten geschreven door o.m. Iannis Xenakis, Elliot Carter en Brian Ferneyhough.

3) Moderne strijkkwartet geïnspireerd door volksmuziek

Bela Bartok (6) en G. Ligeti (2) zetten dan weer de traditie van de Nationale scholen verder. Die invloed is vooral op ritmisch vlak te bespeuren. De zes kwartetten van Bartok behoren tot het beste wat ooit geschreven werd in dit genre.
ILL 4 B. Bartok, strijkkwartet nr. 5, scherzo

MZKVB 12 B. Bartok, strijkkwartet nr. 5, scherzo


ILL 5 G. Ligeti, strijkkwartet nr. 2, ‘Come un meccanismo di precisione’

MZKVB 13 G. Ligeti, strijkkwartet nr. 2, ‘Come un meccanismo di precisione’


4) Experimentele strijkkwartet

Hierin worden de conventies van het genre radicaal in vraag gesteld. Voorbeelden zijn o.m. te vinden bij John Cage, de Fluxus-beweging en Maurizio Kagel.


ILL. 6 G. Brecht, String Quartet

ILL. 2 Typische indeling van de (klassieke) sonatevorm


1. Expositie

- hoofdthema (ritmisch, tonica)

- brug

- neventhema (lyrisch, dominant)



- slotgroep (dominant)
2. Doorwerking

Motivische ontwikkeling, modulaties, voorbereiding reprise


3. Reprise

- hoofdthema (tonica)



- brug

- neventhema (tonica)



- slotgroep gevolgd door coda (tonica)




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina