Udll lezing 15 december 2009 Jeugd in de knel Van slachtoffer tot dader Prof. Peter Adriaenssens



Dovnload 68.77 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte68.77 Kb.


UDLL Lezing 15 december 2009

Jeugd in de knel

Van slachtoffer tot dader

Prof. Peter Adriaenssens

*

Opvoeden van jongeren heeft iedere generatie bezig gehouden. Vandaag staan de uitersten in de kijker: jongeren als slachtoffers van huiselijk geweld, maar ook jongeren met antisociaal gedrag, een groeiende groep. De kosten die beide veroorzaken zijn enorm. Politie, bijzondere jeugdzorg, jeugdpsychiatrie, geestelijke gezondheidszorg, onderwijs, justitie… allen hebben er werk aan. Recent onderzoek in ons land bevestigt dat één op tien kinderen voor de leeftijd van 18 slachtoffer is van geweld. De helft van criminele incidenten wordt gepleegd door een erg klein groepje jongens, ongeveer 4% van de tieners. Bij hen liggen de recidief cijfers erg hoog.



Iedere reflectie over jeugd moet steunen op kennis over normale ontwikkeling van tieners en de mechanismen die de ontwikkeling verstoren. Beleid moet voortbouwen op onderzoek naar de meest effectieve behandeling, dit is essentieel om de meest kostenbesparende beslissingen te nemen, en het risico op recidief te beheersen.

De belangrijke opdrachten die iedere tiener moet realiseren in de adolescentie.

Adolescentie verwijst naar de mentale ontwikkeling die de voorbereiding vormt tot volwassenheid. Met echt volwassen zijn wordt bedoeld dat iemand zelfstandig is, in een heel ruime betekenis. Dit omvat zowel in staat te zijn eigen keuzes te maken in het leven, als je leven niet alleen te laten bepalen door wat er vandaag aan de hand is, maar te steunen op wat je allemaal al geleerd en ervaren hebt en je te richten op de toekomst. Verder moet de jongere zelfstandig relaties kunnen aangaan, ook een intieme relatie die de nodige kwaliteiten heeft om in geval van kinderwens tot goed ouderschap te leiden.

Er zijn drie domeinen waarin iedere jongere werk moet leveren om tot deze echte volwassenheid te komen.

De eerste opdracht is eigen keuzes leren maken.

Kinderen vragen hun ouders of ze dit en dat kunnen krijgen en als het antwoord negatief is vragen ze: en waarom niet? De tiener wil gelukkig leven en plezier hebben. Uiteraard zijn dat twee belangrijke waarden in het leven. De tiener weet dat dit niet op eender welke manier kan. Maar de wijze waarop de tiener selectie maakt loopt nog helemaal niet goed. Zeker bij temperamentvolle jongeren komt op deze leeftijd het conflict tussen alles willen hebben en keuzes maken met volle kracht naar voor. "Ik heb liever de laatste nieuwe gsm dan met jullie op vakantie te gaan". Ouders moeten hierbij grenzen kunnen aanbrengen die redelijk zijn, maar tegelijk duidelijkheid hebben. Deze leerfase is cruciaal. Stapsgewijs zal de jongere leren dat je het recht hebt op je dromen en wensen, maar dat je ook altijd rekening moet houden met de realiteit en dat er ook vreugde en voldoening kan geput worden uit jezelf een beperking op te leggen.



Het tweede spoor is dat de adolescent moet leren zich minder te laten leiden door wat er nu op dit moment gebeurt.

Tieners worden opgezogen door de kracht van het onmiddellijke. Ze zien de reclamebrochure en beginnen meteen te rekenen of ze nog voldoende spaargeld hebben om iets nieuws te kopen. Ouders denken aan de toekomst van hun kind en kiezen voor weloverwogen beslissingen. Hun tiener meent dat alles nog veranderd kan worden en dat dus de geschiedenis geen rol speelt. Tegelijkertijd levert net deze ontwikkelingsfase ook schitterende verrassingen op. Jongeren waarvan ouders overtuigd waren dat ze niet muzikaal waren, vinden door deze impulsiviteit hun weg naar instrumenten, maken een bandje en zijn ineens vertrokken. Doordat de adolescent nog volop leeft in de gedachte dat alles vandaag mogelijk is, gedraagt hij zich bij momenten ook gevaarlijk. Hij durft meerijden met een jongere zonder te vragen of die wel rijervaring heeft. Hij durft 's nachts met een fiets zonder lichten door de gietende regen de baan op. Hij vindt een keertje spijbelen ongevaarlijk. Bij de meeste jongeren, ruim tachtig procent, levert de adolescentie uiteindelijk goed werk af. Na een periode van het doorlopen van allerlei zijstraatjes, komt er plots meer rust. Geest en lichaam maken samen de synthese. Tegen de jongvolwassenheid zal deze tiener verleden, heden en toekomst in een denkproces kunnen samenbrengen.



Het derde traject is het leren aangaan van een relatie met verantwoordelijkheid.

Het lichaam van de tiener kan reeds een kind maken, van een kind bevallen. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat datzelfde lichaam al in staat is om op een goede manier een ouder te zijn voor dat kind. We noemen iemand klaar voor een volwassen relatie en ouderschap als die zich bewust is dat een kind maken en hebben te maken heeft met een gemotiveerde partnerkeuze en de bereidheid samen projecten te realiseren. Bovendien moet iemand kwetsbaarheid plaats geven in het leven, daar zin aan geven, omdat het realiseren van volwassenheid ook veel realisme veronderstelt. De theorie is al te vaak mooier dan de realiteit, wat iemands flexibiliteit op proef zal stellen, diens vaardigheid om samen met de partner creatief te zijn.

Een volwassene is iemand die voor ieder van deze drie opdrachten inziet dat er twee richtingen zijn. Je kan vooruit, maar je moet soms ook eens achteruit om terug verder vooruit te springen. Dat is heel anders in de adolescente. In die leeftijdsfase gaat het verkeer maar in één richting. De adolescent wordt geleid door wat er nu gebeurt en straks. Maar niet veel verder dan dat. Als volwassenen samen zitten en vertellen over problemen of vragen die ze ontmoeten met hun kinderen, verzuchten ze wel eens "ik weet het ook niet hoor, ik ben ook niet perfect". Eigenlijk is die zin een hele mooie samenvatting van gezond volwassen en ouder zijn. Het is de tiener die gelooft in de uitersten. Hij is niks waard, niemand ziet hem graag of hij voelt zich perfect. Hij weet het, hij is er zeker van, "ge zult wel zien". Volwassen worden betekent in dat opzicht vaststellen dat de perfectie niet haalbaar is, dat je altijd wel ergens tekort schiet, dat je kwetsbaar bent. En dat is een zinvolle evolutie.

De vaak miskende pijler: De hersenen van de tiener

Rijping volgens eigen tijdschema

Tiener en ouder worden geconfronteerd met de moeizame weg om lichaam en geest samen te laten ontwikkelen tot één geheel. De hersenen vormen daarbij de onderbouw die dit proces moet mogelijk maken. We maken al een fout door over "de hersenen" te spreken, alsof het een orgaan is dat in zijn geheel tot rijping komt. De hersenen bestaan uit vele gebieden die elk volgens een eigen tijdschema. De benen, armen, de neus en uiteindelijk de vorming van een "volwassen gezicht", het volgt bij iedere jongere een eigen tijdsverloop en uiteindelijk komt het allemaal goed terecht. Het is als een puzzel die aan het einde goed in elkaar past. Dat verschil in snelheid in lichamelijke rijping die we aan de buitenkant zien, vertolkt de verschillende activiteiten die de hersenen ontwikkelen. Dat geldt niet alleen voor de lichaamsbouw maar ook voor alle andere domeinen waar de hersenen vat op hebben: de emotionele ontwikkeling, vaardigheden om te studeren, de werking van het geheugen, …

Uit het beeldmateriaal dat neurowetenschapper Giedd verzamelde over de activiteit in de hersenen van kinderen en tieners, leerden we dat de hersenen van 12 – 13 jarigen letterlijk nog zeer dicht liggen bij de ontwikkeling van een 8 – 9 jarige. Het is een leeftijd waarop we pubertair gedrag zien, maar waar ouders in het algemeen nog behoorlijk de touwtjes in handen kunnen nemen. Vanaf de leeftijd van 16 – 17 jaar komt de ontwikkeling erg dicht bij die van de volwassen leeftijd. De tussenzone, 14 tot 16 jaar, vertoont uiteenlopende verschillen tussen jongeren. Het is een periode van grote ‘werken’ in de hersenen, met meer risico op instabiliteit, (al dan niet tijdelijke) gedragsproblemen, emotionele moeilijkheden, sociale conflicten, het start vaak in deze leeftijdscategorie. Het is de periode waarin ouders terecht het meest bevreesd zijn als een jongere heel andere wegen opgaat dan wat veilig en gezond lijkt. Ze zijn erg vatbaar voor wat hun vrienden zeggen, kijken op naar voorbeelden uit de wereld van de muziek, film, televisie. Die ontwikkeling heeft niet alleen slecht nieuws te bieden voor ouders. Want het is ook de periode waarin men interesses ontwikkelt, zijn verantwoordelijkheid leert uit te oefenen, impulsiviteit leert

Zo is een van de laatste zones in de hersenen die tot rijping komen de prefrontale cortex, verantwoordelijk voor het nemen van wijze, evenwichtige beslissingen. De tiener is dan al 16 jaar of ouder. De zones in de hersenen die instaan voor impulsieve reacties, voeren dus redelijk lang het hoge woord in de hersenen. De ongelijke snelheid waarmee de verschillende vaardigheden van een tiener tot ontwikkeling komen, verklaren waarom ouders geconfronteerd worden met zulke grote tegenstellingen. De dochter kan schitterend babysitten èn ook met half geopend bloesje de jongens op de dansvloer afdweilen. De zoon is een schitterend jeugdleider in het week-end èn moet door politie uit een vechtpartij gesleept worden op een fuif. Je kan dus moeilijk zeggen dat de hersenen de opvoeder erg ter hulp komen.



Zien en handelen

Naarmate we meer weten over de hersenen van jongeren, wordt het duidelijk dat die helemaal niet werken zoals die van volwassenen. De neurowetenschapper Giedd begon in 1991 de hersenen van honderden gezonde kinderen van drie tot achttien jaar in beeld te brengen. Hij bestudeerde de ontwikkeling en de activiteit. Hij stelde vast dat de hersenen nog lange tijd, en zeker tijdens de puberteit, mogen beschouwd worden als een bedrijf in opbouw. Hij toonde aan dat je veel kan leren als tiener, maar enkel als je de nodige bouwstenen en draden in je hoofd hebt.

Om verschillende taken tegelijkertijd uit te voeren, moeten de hersenen een goede coördinatie, planning en geheugen kunnen combineren. De hersenen van jonge tieners staan niet zover. Zij zijn nog volop de vertakkingen daarvoor aan het opbouwen, de neurale netwerken. Vele tieners zijn dus nog geen goede organisatoren van de vele taken die op hen afkomen. De meeste werken taak per taak af. Als de kamer opgeruimd is, dan beginnen ze aan de teksten voor het blad van de voetbalclub, nadien iets voor school, dan de winterbroek gaan kopen die er al lang had moeten zijn, enzovoorts.

Van zien, handelen en denken naar zien, denken en handelen

Een verzameling van cellen gelegen binnen in het voorste deel van de hersenen, die vanwege haar amandelvorm de naam amygdala heeft gekregen speelt hier een belangrijke rol. De amygdala zijn een kern in de hersenen die ons alert maakt bij gevaarlijke, nieuwe en opwindende situaties, en daarvoor snel een gepast antwoord uitwerkt. Ze vormen een soort alarmcentrum. In actie zetten ze een stressreactie op gang of stoppen die als het ‘gevaar’ voorbij is. Terwijl de ‘wijze hersenen’ langzaam tot rijping komen, zijn het de amygdala die het ruwe werk doen en bij de tiener overactief zijn. In de hersenen van volwassenen krijgen ze minder kans, daar worden hun reacties getemperd door de wijsheid, de prefrontale cortex. Dit is wat we beschaving noemen, gedrag dat ons toelaat met z'n allen samen te leven.

Bij tieners is er nog geen sprake daarvan. Er is al veel aanwezig, maar er dient nog heel wat geleerd te worden in het samenspel. Ze leven vanuit hun buikgevoel. Ze zien en reageren. Wat nog in ontwikkeling is, is het woordje dat er tussenin moet komen: zien, denken en reageren.

Emotionele processen

De hersenen van jongeren volgen in hun rijping niet het klassieke schema van een schoolcarrière. Er zijn zones die sneller rijpen, er zijn er waar het met fasen verloopt. Het totaalresultaat is dat je eerder een afwisseling krijgt van groei en stilstand.

Ongeveer rond de leeftijd van 11 jaar starten grote reorganisatiewerken in de hersenen in zones die te maken hebben met de controle van impulsiviteit, sociale vaardigheden en risicotaxatie. Dat is een van de redenen waarom het bijvoorbeeld belangrijk is op een school niet alleen aandacht te hebben voor eindtermen wiskunde, taal en wetenschappen, maar evenveel te investeren in sociale vaardigheden. De hersenen maken namelijk niet hetzelfde onderscheid als onderwijs doet. Voor de hersenen is het bijregelen van de emotionele zones even belangrijk werk als de ontwikkeling van abstract denken. De frontale zones zullen maar helemaal tot ontwikkeling komen tegen het einde van de adolescentie of de vroege volwassenheid. Ze spelen een belangrijke rol in de regulering van emoties.

MRI-onderzoek toont dat de puberteit heel belangrijk is voor de uitbouw van neurale netwerken in de prefrontale cortex. Deze zone draagt bij tot wat we de executieve functies noemen (inschatten van risico, dempen van impulsiviteit, interpreteren van sociale situaties). Dit wordt heel mooi geïllustreerd door het onderzoek van Yurgelen Todd. Men toonde jongeren foto's van gezichten van personen die gevraagd waren om bepaalde emoties te tonen zoals woede, verdriet, vreugde, angst. Men vroeg de jongeren aan te geven over welke emotie het volgens hen ging. De meeste jongeren maken daar grove fouten in. Vaak verwarren zij woede en vreugde, verdriet en angst. Het onderzoek toonde aan dat de hersenen nog onvoldoende ervaring hebben met sociale vaardigheden, en dus nog heel wat bij te leren hadden over interpretaties van emoties. De rijping van deze zones komt dus maar naar het einde van de adolescentie. Dit onderzoek geeft een beter inzicht in een situatie die zich in het dagelijkse leven zo vaak voordoet. Ouders en leerkrachten denken dat "een gezicht boekdelen spreekt" en de jongere dus al lang "had kunnen zien dat hij te ver aan het gaan was". Vele jongeren blijken lange tijd interpretatiefouten daarin te maken, en dus "dom" te handelen in sociale situaties.

Emoties bepalen heel sterk onze opening voor een gesprek, onze aandacht voor de andere, de mate waarin we echt luisteren en zaken onthouden. Ze bepalen of er achteraf nog eens over nagedacht wordt en of het invloed zal hebben op het handelen. Hieruit volgt ook hoe belangrijk het is dat ouders hun contact met hun kind opbouwen vanaf de geboorte. Aanleg speelt voor ieder kind een grote rol. Maar wat het kind kan doen met de aanleg doet, daar spelen opvoeding en omgeving de belangrijkste rol. Een warm en veilig nest waar men gelukkig is met het kind dat men heeft, waar men speelt en praat met het kind, dat samen met andere kinderen naar school gaat, het is een belangrijk cadeau aan de ontwikkeling van een kind. Het geeft diens hersenen de optimale kansen om binnen hun mogelijkheden rijk en stevig te vertakken. Praten met de tiener is daar het verlengstuk van. Door betrokken op te voeden, en zich dus zorgen te maken als dat nodig is, te sakkeren als iets niet correct loopt, boos te zijn als de grenzen overschreden worden: dat schaaft de opbouw van kennis bij in het hoofd van de tiener

Opvoeden heeft een heel belangrijke invloed op de ontwikkeling van jongeren, maar het is geen wondermiddel. Zolang we dachten dat jongeren de nodige hersenen hadden op dertien en dat deze klaar waren om door te stoten naar volwassenheid, kon men opvoeden beschouwen als een soort softwareprogramma dat op de goede manier geïnstalleerd moest worden om de computer, de hersenen, dat gedrag te laten leveren dat we wensen. Als we de vergelijking met de computer even willen doortrekken, dan betekent dit dat onze kennis vandaag zegt dat de harde schijf, de neurale netwerken, pas volledig geïnstalleerd zijn in het begin van de twintiger jaren.

De opdracht voor een ouder is dus niet gemakkelijk. Communicatie met tieners loopt beter als je een beter inzicht hebt in de wijze waarop lichaam en geest bij een jongere samenspelen. Daar is wel een gevaar aan verbonden. Namelijk dat ouders opnieuw zouden gaan denken dat een kind een gesloten doos is, die geboren wordt met een pakket waarin de persoonlijkheid vastligt, de intelligentie, het karakter. Zulke visie leidt tot fatalisme, wat ook zou willen zeggen dat goed opvoeden of er een knoeiboel van maken er eigenlijk niet veel toe doet: “het eindresultaat ligt toch al vast”. Dat besluit is absoluut fout. Wij beschouwen vandaag de kennis over neurobiologie als een verrijking, omdat we nu zaken zoals aandacht, concentratie, impulsiviteit, geheugen kunnen beschrijven vanuit verschillende invalshoeken. We begrijpen beter de bijzondere kwetsbaarheid van jongeren in die leeftijdscategorie, wat zich ook vertaalt in het domein van de kinderpsychiatrie. Jongeren zijn erg vatbaar voor depressie, voor zelfmoordgedachten, eetproblemen, of delinquent gedrag. En het is niet omdat ze jonger zijn dat de behandeling gemakkelijker is. De ontwikkelingsfase waarin ze zitten is complex en dat heeft invloed op hun behandelbaarheid.

OPVOEDEN MET WARME DUIDELIJKHEID: VEILIG LOSKOMEN VERGT BLIJVEND VASTHOUDEN

Hierbij overlopen we een communicatieprogramma dat we ontwikkelden om ouders en leerkrachten een beter zicht te geven op wat zich afspeelt bij succesvol opvoeden met tieners. De kennis hoe hersenen bij jongeren functioneren, helpt ons een beter zicht te krijgen waarom bepaalde strategieën beter werken dan andere. Het programma wordt dan ook beschouwd als een methodiek om de hersenen van jongeren te verleiden om mee te doen.

Eerder dan een autoritaire opvoeding te verwerpen en te vervangen door verwennend opvoeden, staat dit programma voor opvoeden met duidelijke spelregels waarbij de jongere kiest om mee te doen. Hoe beter ouders hun visie met betrokkenheid aanpassen aan hun specifieke kind, hoe beter het lukt om de jongere de gezonde keuzes te laten maken. Maar nogmaals betekent dit dat opvoeden start bij het jonge kind en niet pas in de puberteit. Wie dat doet heeft een hele onderbouw verwaarloosd, met een kostprijs op termijn.

Stap 1: Wat is mijn probleem?



Dit speelt zich af in je hoofd. Hieronder valt de vraag naar duidelijkheid, het formuleren voor jezelf van een realistisch doel, waarbij je stapsgewijs te werk gaat: 1 probleem per keer!

  • Om tot onderhandeling te komen is het belangrijk dat je uitklaart wat je precies als probleem ervaart. Geen grote slogantaal, zoals ‘je gedrag hangt je mijn keel uit’, maar wel een heel concrete precieze benoeming, ‘je verzorgt je tegenwoordig niet meer, je ruikt’. Je denkt na hoe je heel concreet wil formuleren wat anders moet. Dus niet "je rustig houden", maar wel "we willen nog kunnen praten als je muziek draait".

  • Wat je anders wil, moet natuurlijk realistisch zijn. Dat iemand de boel aan de kant houdt, op tijd thuis is, geen drugs neemt dat zijn haalbare doelstellingen, het gaat over gedrag. Maar je kan van niemand vragen een totaal ander mens te worden. Een jongere die geniet van thuis zitten, daar maak je geen wild uitgaansbeest van. En van een tiener die geniet van leven met vrienden maak je geen huisje-tuintje kind.

  • Grijp een gesprek ook niet aan om een jongere te bestoken met al je verlangens: meer studeren + bezoekers goede dag komen zeggen + kamer op orde houden + stoppen de zus te negeren. Je neemt één probleem per keer. Als dat lukt zullen beide partijen daar een goede herinnering aanhebben, en vergrootde kans dat ook een tweede afspraak in goede sfeer start. Hoe kies je dan dat ene probleem dat je als eerste aanpakken wil? Simpel, maak in je hoofd je top tien van gewenste, gedroomde veranderingen. En neem daarvan alleen het eerste, datgene waarvan je zegt: moest dat nu tussen mij en die tiener van ons beter lopen, dat zou al geweldig aanvoelen. Met dat ene punt ga je aan het werk.

Stap 2: Hoe voel ik er mij bij?

    • Wat doet die tiener nu eigenlijk dat je irriteert, dat je kwaad of verdrietig dreigt te maken, of dat je zo graag zou meedelen maar niet durft. We proberen dus de invloed van het probleemgedrag van de jongere ook emotioneel in zicht te krijgen.



    • Begin geen discussie wanneer de gevoelens nog volop door je lijf razen. Of het nu om verdriet, woede, angst gaat. Voel je je geschokt om wat je gezien, gehoord of bedacht hebt? Wacht dan even. Ontlaadt dat bij je partner, vrienden waarmee je er even over bellen kan, maar start het gesprek met de jongere niet. Enige afstand is nodig voor een goed gesprek, zodat je ten volle de creatieve ideeën in je hersenen kan benutten.



  • Om beter te communiceren moet je niet in de eerste plaats over een handboek vol spreektechnieken beschikken. Ze veranderen niet meteen iets aan de persoon die je bent. Het fundamentele werk dat je moet leveren is voldoende zelfvertrouwen opbouwen en daar kracht uit te putten om te zeggen wat je denkt te moeten zeggen. Vanuit eigen kracht zal je met rust en respect naar je gesprekspartner kunnen gaan. Denk niet in termen van een tegenstander, laat je niet verleiden tot simplistische slogans als dat zij van Mars zouden zijn en jij van Jupiter. Wees jezelf!



  • En nu naar stap 3: eraan beginnen! Ben je zeker, is dit wel het goeie moment? Blijf je dat niet afvragen. In plaats van te wachten neem je beter het initiatief. Je hebt de goede ideeën bijeen hoe je het gesprek gaat aanvatten, dat is het moment waarop je ook het meeste kracht voelt. Nu moet je ervoor gaan!

Stap 3: Maak de synthese van het voorgaande: Formuleer je probleem en je bijhorende gevoelens aan de jongere.

  • Kies een moment uit om je tiener aan te spreken. Je doet het niet in reactie op een ander probleem, maar ook niet à propos in de gang, op de trap, omdat je mekaar nu toevallig tegenkomt. Moet je nu letterlijk ergens gaan samenzitten? Soms is dat nodig, maar vaak geeft het een heel artificieel gevoel. Dus een gesprek beginnen tijdens de afwas, of terwijl je samen in de wagen zit onderweg naar de supermarkt, of nadat je mee gekeken hebt naar de digitale foto's van de laatste klasuitstap, dat zijn momenten waarop er een sfeer is waarop je kan voortbouwen.

Het omgekeerde gebeurt natuurlijk evenveel. Denk niet dat je de enige bent die nadenkt over een communicatiestrategie. Vele jongeren gebruiken diezelfde momenten om hun ouders aan te spreken. En dat is verstandig gezien. Als de jongere spontaan een handje helpt verzacht het gemoed van de ouder en verhogen diens kansen om een akkoord uit de brand te slepen…

Als dochter zegt: “ik wil je eens spreken, maar niet hier, niet waar mijn broer zo dadelijk misschien zal binnenlopen. Wil je seffens eens langs mijn kamer komen?” Dat klinkt al heel serieus, zo voel je het meteen aan. En het is uiteraard belangrijk om erop in te gaan. Het is een hele eer als je in gesprek gevraagd wordt door je tiener.



  • Zeg in één keer wat je probleem is en hoe je je daarbij voelt. Ik zet nog eens twee praatstijlen naast elkaar: eerst geeft vader de opdracht eerder vanuit bevel, in het tweede voorbeeld geeft hij dezelfde opdracht en blijft hij bij zijn gevoelens en formuleert op positieve manier dezelfde opdracht. Je voelt zo hoe dit verschillend toekomt.



  • Als je je tiener aanspreekt, hou dan voeling met wat je weet over diens communicatiestijl, wat verband houdt met diens persoonlijkheid en temperament.




  • Respecteer de persoon: Kleef geen etiket op je kind.

Herinner je dat een negatief etiket onze eigen hersenen opjaagt. Dus het is ook beter dat we geen negatieve etiketten op andere personen kleven, want dat heeft het zelfde effect bij hen.

Als je je zoon een niksnut noemt, je dochter een luie doos, je ze rond de oren slaat met termen als toerist, bloedzuiger, dictator of klein kind, je mag het vergeten dat de kern van de boodschap ook maar gehoord zal worden. Het zijn etiketten die als een rode lap werken, waarbij de amygdala in de hersenen van uw zoon of dochter onmiddellijk het hoogste alarm oproepen, wat tot vechtreacties leidt en dus een tiener die probeert nog gemener te zijn en je een grof etiket opkleeft (tiran! Een nul voor opvoeden, dat ben jij!), of het lokt een vluchtreactie uit, een dochter die met slaande deuren vertrekt en uitroept "ik ben naar mijn vriendinnen, dat zijn tenminste mensen waarmee te praten valt", ofwel heeft de vluchtweg van jouw tiener voorkeur voor het mechanisme van bevriezen, waarbij je voor een zoon zit die er aangeslagen uitziet, die bewegingsloos in de stoel hangt, zodat heel je tirade zonder antwoord in de lucht blijft hangen en je het gevoel hebt dat er in de muren meer leven zit dan in je zoon.

Discussies die pijnlijk verlopen zijn, belemmeren de kansen op een goed gesprek in de toekomst, omdat in onze hersenen het etiket ‘Ongewenst!’ gekoppeld werd aan het onderwerp ‘Discussie met de tiener’, waardoor bij de beide partijen het mechanisme van vermijden van gesprek versterkt wordt.


  • Respecteer het temperament van je tiener.

Dat is in belangrijke mate een genetisch bepaalde factor. Kenmerken zoals een vlotte prater zijn, dan wel eerder beschaamd en introvert, zijn redelijk stabiel. Je maakt er op bevel geen open jongere van.

  • Respecteer de opdrachten van de adolescentie: oefenen met verwerven van zelfstandigheid.

ls je denkt dat je zoon zich best kan gedragen maar niet wil, dan zal je dit ook uitstralen en zal je zoon niet het gevoel hebben dat jij gelooft dat het mogelijk is dat jullie met elkaar op een andere manier zouden omgaan. De meeste ouders vertalen dit soort houding door in een discussie alleen over ‘jij’ te spreken.

  • Respecteer de gevoelens van de tiener, en benoem dus in de eerste plaats je eigen standpunt en gevoelens: Ik vind en voel.

Het is belangrijk om te zeggen wat je denkt bij een discussie, maar meer nog hoe je je daarbij voelt. Dat blijkt voor vele mensen een onverwachte boodschap te zijn. Vaak wordt gedacht dat de kansen om in een discussie je gelijk te halen afhangen van de kwaliteit van je argumenten en dus van je denkwerk.

De realiteit is dat er teveel waarde toegekend wordt aan dit denkwerk en te weinig aan de gevoelens die daarmee gepaard gaan. Gevoelens is het meest menselijke dat we hebben en is het dus behoorlijk rampzalig ze buiten de dialoog te houden. Net door in het gesprek in te brengen hoe ik mij voel, maak ik het gesprek menselijk. We vinden het trouwens niet zo gemakkelijk om te zeggen hoe we ons voelen.

Door de gevoelens toe te voegen aan het gedrag dat we gewijzigd willen zien, versterken we de boodschap. Onze communicatie wordt krachtiger, zonder de deur toe te gooien. Het is een uitnodiging aan de jongere om ook iets te gaan vertellen over diens gevoelens en om iets te leren van de manier waarop de ouder er nu mee omgaat.

Stap 4: Luister naar de reactie van de jongere

Door zo duidelijk samen te vatten wat ik wil dat er gebeurt, nodig ik de andere uit om even duidelijk te zijn in het antwoord. Belangrijk is dus nu te luisteren naar wat de jongere zegt en voort te bouwen op wat deze aanbrengt.


  • Trefwoorden bij luisteren naar jongeren zijn aandacht hebben voor de inhoud, het antwoord respecteren en niet belachelijk maken, non-verbale interesse tonen. De tiener moet voelen dat we graag beroep doen op diens eigen vermogen om problemen op te lossen.

Stap 5: Komt de jongere met een eigen voorstel om het op te lossen?

Vraag welk idee hij heeft opdat het beter zou kunnen lopen. Gebruik daarbij geen woorden die kwetsend, beledigend zijn en laat je niet meelokken in een uitdaging. Zeg: ik weet wel dat ik mij erg opwind over je dreadlocks, maar dat is in de eerste plaats omdat ik fier over je ben. Je bent verdorie een mooi kind, een toffe gast en dan doet het mij pijn als ik mensen zo naar je zie kijken met opgetrokken neus. Ik zou er mij gelukkiger bij voelen als je je wat meer verzorgde. Hij: maar dat doe ik. Ik zie wel wanneer ik een douche neem en mijn haren verzorg. Vader: oké. Stel me dan iets concreets voor, anders voel ik me verplicht zelf iets te bedenken. Zoon: Je zal zaterdag wel zien, ik was van plan speciale shampoo te halen. Vader: Laten we het dan nog eens bekijken in het weekend. Dan weet jij me te zeggen of het je gelukt is om in de douche te geraken. Akkoord? De zoon: we zien wel. En daarop sluit vader af.

Geef wat tijd opdat deze jongere het antwoord verwerkt. Zoek geen grote triomfen waar hij luidop te kennen moet geven dat je gelijk hebt.

Stap 6: Formuleer zelf je voorstel voor verandering


  • Geef één opdracht per keer

Hou rekening met die hersenen, en dus: overstelp een jongere niet met opdrachten en verwachtingen. Dat versterkt het gevoel van chaos dat zo al heerst in dat hoofd. Dus ga je beter per stuk tewerk. Eén opdracht per keer.

  • Gebruik duidelijke, concrete taal.

Hoe concreter je invult wat verwacht wordt, hoe meer kans dat het resultaat er zal zijn. Bijvoorbeeld: ‘laten we deze discussie stoppen’. ‘Ruim de tafel af’. ‘Ik verwacht je thuis om 2 uur’.’ Ik wil dat je de volgende keer de situatie eerst met mij bespreekt, voor je al afspraken met je vrienden maakt’

Stap 7: Gelukt? Feest!

Vergeet niet aan te moedigen, te belonen. Iedere winst is belangrijk. Dat erkennen door je tiener te zeggen dat je zo fier bent dat die de laatste paper voor school helemaal zelf maakte en ook nog eens tijdig inleverde, creëert heel wat krediet voor een volgend moment waarop iets bijgesteld moet worden.

Stap 8: Niet gelukt? Aanmoedigen combineren met een negatief gevolg

ls dit met gewoon vragen niet echt gelukt dan kan de toepassing van een negatief gevolg een goed hulpmiddel zijn, maar het moet zodanig geformuleerd worden dat noch de jongere noch de ouder zelf er een kater aan overhoudt

Stap 9: Evalueer!

Het is de kunst om te starten, het is ook een kunst te stoppen. Je moet niet alleen een grens kunnen stellen aan gedrag, maar ook aan de opmerkingen die je daarover maakt. Eens je duidelijk gezegd hebt wat je verwacht let je erop niet in herhaling te vallen. Wat vaak gebeurt is dat dan het gezeur (her)begint. De volwassene begint dan allerlei voorgaande incidenten aan te halen, die gelijkaardig zijn aan hetgeen waarvoor de discussie gestart was. Een discussie die een goed begin kende, kan op die manier verloren lopen en uiteindelijk toch in een ruzie en rotsfeer uitmonden. Heb wat geduld en hou rekening met de eigen weg die denkprocessen bij jongeren volgen.

------------------------------------------------

Meer hierover lezen, op zoek naar voorbeelden die deze processen illustreren?

Praten met tieners. Peter Adriaenssens, 2006. Lannoo, Tielt.

Van hieraf mag je gaan. Peter Adriaenssens, 2000. Lannoo, Tielt.

Over de link tussen jongeren met probleemgedrag, opvoeding en samenleving verschijnt een boek medio 2010 bij Lannoo.



Kind in de knel: huiselijk geweld en kindermishandeling. Twee begrippen, twee vormen van geweld

Peter Adriaenssens

Huiselijk geweld is een term die soms gebruikt wordt voor partnergeweld, echtelijk geweld, vrouwenmishandeling, interpersoonlijk geweld. De woordkeuze heeft op zich al voor een hele discussie tussen onderzoekers gezorgd. De term huiselijk geweld wordt steeds vaker gebruikt omdat hij een bredere invalshoek heeft. Het verwijst naar een patroon van agressief gedrag van een volwassene tegen een gezinspartner.

De stelling van deze bijdrage is dat het misleidend is te denken dat de aanpak van het geweld tussen de volwassenen ook voldoende tegemoet komt aan de noden van de kinderen. Kinderen zijn bij huiselijk geweld niet steeds betrokken partij. Er kan geweld bestaan tussen ouders waar kinderen niet mee geconfronteerd worden of weet van hebben. Dit is echter de minderheid. Vaak worden kinderen er wel aan blootgesteld, op directe of indirecte wijze. Dat moet beschouwd worden als een vorm van kindermishandeling. Huiselijk geweld is een vorm van geweld die al dan niet gepaard kan gaan met kindermishandeling. Het is belangrijk beide vormen van geweld uitdrukkelijk te benoemen. Het beleid bij partnergeweld start vanuit de positie van de volwassenen, bij kindermishandeling is de positie van het kind het beginpunt. Komen beide vormen gelijktijdig voor, en we zullen in deze bijdrage beklemtonen dat zulks veel vaker het geval is dan aangenomen wordt, zullen behandelvormen moeten gecombineerd worden.

Kinderen zijn geen ‘getuigen van geweld’, ze worden eraan blootgesteld

De term ‘blootstelling’ wijst meer op de vele manieren waarop kinderen betrokken kunnen zijn: ze kunnen geweld horen, aanvoelen, zien, aan de lijve meemaken. Dat begrip benadert veel beter de complexiteit waarin kinderen gevat zitten, dan het begrip ‘kinderen als getuigen van geweld’. Een getuige is iemand die iets ziet. Vanuit die logica groeit de overtuiging dat men voor kinderen bij huiselijk geweld vooral iets moet doen als ze aanwezig waren bij het delict. De Amerikaanse onderzoeker Holden wees er op dat het woord ‘getuige’ suggereert dat het vooral om het belang van visuele informatie gaat. En dat vinden we terug in het recente succes van de term ‘huiselijk geweld’, met als risico dat men wat de kinderen meemaken ondergeschikt maakt aan het partnergeweld. Of dat men verwacht dat het herstel van kinderen automatisch komt als geweld tussen ouders opgelost werd.

De vraag of het mogelijk is dat een kind blootgesteld werd aan de geweldsituatie thuis, is vanuit jeugdhulpverlening een voorzichtiger vertrekpunt dan de vraag of het kind getuige was van de feiten. Onderzoek toont aan hoe moeilijk het is een juiste inschatting te maken. Antwoorden kunnen erg verschillend zijn al naargelang de invalshoek die men neemt. Vraagt men aan de moeder of de kinderen iets gezien of gehoord te hebben, of vraagt men het rechtstreeks aan de kinderen? Als men de verschillende partijen ondervraagt over wat er zich voorgedaan heeft bij een gewelddelict, blijkt er verbazend weinig overeenstemming terug te vinden te zijn. In 75% van de gevallen van vrouwenmishandeling zijn kinderen in huis. In slechts 18% van de gezinnen waren de kinderen, de ouders en de politie die erbij geroepen werd, het helemaal met mekaar eens over het gewelddadige gedrag van de ouders. Hoe ernstiger het geweld, hoe meer kans dat hun versies dicht bij elkaar liggen. Maar in de overgrote meerderheid van de situaties spreken de partijen elkaar helemaal tegen: de ene ouder beschouwt het geweld achteraf gezien als minder dramatisch terwijl diens kind het wel zeer ernstig vond, of omgekeerd. Hoe zal de hulpverlener hier bepalen of de kinderen apart in zorg moeten genomen worden?

Ook de aard van de feiten helpt ons weinig op weg. Als een kind erbij staat als een ouder bewusteloos geschopt wordt, is het vrij duidelijk. Maar dit is niet de meerderheid van situaties. Vaak is het geweld minder zichtbaar. We overlopen het spectrum van blootstellingen aan geweld:



  • We starten met de vorm van kindermishandeling die bij huiselijk geweld waarschijnlijk nog het meest miskend wordt, die van het prenatale kind. Van zwangerschap is gekend dat het een periode is met een verhoogd risico op partnermishandeling. Daarbij is de zwangere buik niet zelden het doel van de mishandeling (bijvoorbeeld het geven van een trap in de buik; slagen of stompen op de buik) of wordt deze onbedoeld meegeraakt (als de vrouw van de trap wordt geduwd). De foetus wordt niet alleen op deze manier geraakt, maar ook nog eens de psychische en lichamelijke toestand van de moeder. Naast de letsels die ze rechtstreeks kan oplopen, veroorzaakt de stress van dreiging en terreur fysiologische effecten die de baby ook kunnen aantasten. Verder heeft het geweld ook een psychologisch effect. Sommige mishandelde vrouwen denken dat het kind reeds prenataal zich ongewenst moet voelen, hebben schuldgevoelens omdat het kind moet ervaren hebben dat de moeder het betreurde een kind te dragen van deze gewelddadige partner, en geloven dat het temperament van hun kind negatief beïnvloed is door de prenatale mishandeling.

  • Het kan gaan om meer passieve vormen waarbij het kind alleen ooggetuige is. De helft van de mishandelde vrouwen geeft aan dat hun kinderen directe ooggetuigen waren. Reacties van kinderen lopen erg uiteen. Er zijn jonge kinderen die ‘iets’ observeren waarvan ze zich nog niet meteen bewust zijn dat het gewelddadig is maar waarbij ze wel emotioneel voelen dat er ‘iets niet goed is’ (wat ze zich jaren later zich wel realiseren, met vragen naar schuld). Er zijn de kinderen die uit angst proberen weg te vluchten en naar hun kamer rennen. Er zijn de kinderen waar de vluchtreacties net anders zijn: ze willen in de buurt blijven, ze blijven kijken, mede in de hoop daarmee invloed uit te oefenen en het geweld helpen te beperken. Er zijn de kinderen die ter plekke bevriezen, ze lijken gefascineerd te staren naar wat er gebeurt. Zelfs als ze naar hun kamer gezonden worden om geen getuigen te zijn, blijven ze op de trap staan om te kijken.

  • Het kind kan het geweld ook horen. Het ligt in bed, het zit ergens huiswerk te maken, het hoort wat er gebeurt. Dat kan van een beperkt geluid gaan tot geroep en geschreeuw. Soms denkt men dat horen minder erg is dan zien. Anderen denken net het omgekeerde.

  • Een andere indirecte vorm van blootstelling is het vernemen van het verhaal. Het kind dat nooit iets gezien of gehoord heeft, en plots van een huilende moeder een heel verhaal verneemt van al wat al jaren gaande is. Het kan de positie van het kind in het gezin helemaal omgooien. Sommige kinderen zullen besluiten om zelf in een ouderrol te stappen, om zo de moeder beter te beschermen. Moeder zal de troost en steun dankbaar aanvaarden, en gaat het geweld geregeld met het kind bespreken.

  • Het gaat ook om kinderen die het geweld nooit meemaakten maar lijden door de gevolgen van geweld op hun moeder te zien of te ondergaan (bv hoofdwonde, depressie van moeder).

  • Kinderen kunnen op een meer actieve manier in het echtelijk geweld interveniëren door trachten te bemiddelen, zich tussen het geweld te gooien om te trachten een ouder te stoppen, of zich bovenop de gewonde moeder te gooien om te trachten het slachtoffer te beschermen tegen nog meer dramatische gebeurtenissen. Billet ondervroeg kinderen die deze situatie gekend hadden, ze waren zich goed bewust dat hun inspanningen gevaarlijk waren, en slecht zouden kunnen aflopen voor henzelf. 30% van de mishandelde vrouwen zeggen dat er op z’n minst een kind is dat getracht heeft verbaal of fysiek op te komen.

  • Kinderen kunnen gedwongen of misleid worden om passief deel te nemen aan het geweld (vader schakelt de zoon in als spion om te helpen moeder te betrappen),

  • Ten slotte kan het kind zelf slachtoffer worden. Het kan onbedoeld het geval zijn, waarbij ze in het conflict onopzettelijk geraakt worden (bijvoorbeeld door een voorwerp dat naar moeder gegooid werd), maar ook opzettelijk waarbij ze doelgericht mee in het geweld betrokken worden en evenzeer fysiek geweld ondergaan. Dit kan gebeuren samen met een volwassene (moeder en zoon worden getroffen), maar men onderschat ook het mechanisme waarbij een kind wordt getroffen als manier om de moeder te terroriseren of te beschadigen. Mac Closkey vond dat 65% van de mannen die vrouwen mishandelen minstens gedreigd had om ook een kind te treffen.

  • Een enkele keer vallen oudermishandeling en partnergeweld samen. Vader slaat vrouw, en ook zoon doet dit naar moeder toe. Beiden kunnen onafhankelijk van mekaar handelen, uitzonderlijk kan het ook dat vader de zoon daarbij aanmoedigt.

  • Onderzoekers als Holden plaatsen onder huiselijk geweld niet alleen wat er in huis gebeurt, maar ook wat er nadien op de rechtbank en in de hulpverlening met de kinderen gebeurt. Dan gaat het over de vraag hoe kinderen het verhoor kunnen ervaren, de beslissing om ter bescherming meteen opgenomen te worden in een ziekenhuis, het overbrengen naar een opvangcentrum, het verblijf in een vluchthuis, de gewelddadige partner die nog maar net het huis uit is en meteen opgevolgd wordt door een nieuwe partner die de opvoedingsstijl weer helemaal door elkaar haalt…

Dit geheel aan mogelijkheden illustreert dat het redelijk ingewikkeld is om kinderen waarvan de (groot)ouders in huiselijk geweld betrokken zijn, in te delen in groepen gaande van ‘zij die er mogelijks niet zoveel onder lijden’ tot ‘wat daar gebeurt is eigenlijk kindermishandeling’. Kinderen indelen in een categorie is vaak problematisch. Ouders weten niet altijd wat hun kinderen weten. 78% van de mishandelde vrouwen menen dat hun kinderen zich bewust zijn van het geweld. Andere studies schatten dat op 30 tot 50%. Later, als volwassenen vertellen de kinderen: “We wisten het, we wisten het altijd, en dan zaten we allemaal samen op ons bed met de broers en zussen te wachten tot het over was”. Volwassenen denken te gemakkelijk dat kinderen die slapen niets horen, zien, en geen lijden zullen hebben. Hoe zal de zorgverlener die geconfronteerd wordt met een gezin waar huiselijk geweld voorkomt weten tot welke groep de kinderen behoren?

Waarom blootstelling aan huiselijk geweld kindermishandeling is

Heel wat onderzoeksliteratuur levert argumenten dat kinderen blootstellen aan huiselijk geweld een vorm is van psychische mishandeling. Het omvat blootstelling aan pathologische stress, belemmeren van aangepaste sociale en emotionele ervaringen, beschadigen van geborgenheid, vernedering en uitsluiting wat leidt tot verhoogde kwetsbaarheid voor posttraumatische en/of emotionele- en gedragsstoornissen. Ten slotte verwaarlozen deze gezinnen preventie, gaan minder in op hulpaanbod, en negeren zij signalen van hun kind. Pas als er lange termijn gevolgen zijn die zich vertalen als ernstige gedragsproblemen bij de jongere wordt hulp gestart. Eens te meer zal de jongere de prijs betalen.

Jongeren die leven in een omgeving met geweld tussen de opvoeders worden geterroriseerd. Daarmee wordt bedoeld: “gedrag van de opvoeder dat bedreigend is of waarbij de kans bestaat dat het kind lichamelijk wordt pijn gedaan, wordt gedood, wordt verlaten, of waarbij een geliefde persoon van het kind of objecten waar het erg aan gehecht is in gevaar worden gebracht”. Bij psychische kindermishandeling gaat het om een herhaald patroon, waardoor kinderen wordt duidelijk gemaakt dat ze alleen waarde hebben voor zover zij de behoefte van anderen kunnen vervullen.

Dit basismechanisme leidt tot een spectrum van gevolgen met impact op de gezonde ontwikkeling van de betrokken kinderen.

Het eerste is het aantasten van het veiligheidsgevoel. De ervaringen die kinderen opdoen met hun verzorgers tijdens de ene periode van hun ontwikkeling hebben invloed op de aanpassing aan latere ontwikkelingstaken. Kinderen die geen vertrouwen in andere mensen ontwikkelen omdat dit beschadigd werd door geweldervaringen, omdat ze heel wisselend liefde ontvangen hebben, omdat ze opgroeien in autoritaire opvoedingsprocessen, zulke kinderen missen heel wat belangrijke emotionele en sociale ervaringen. Ze slagen er vaak niet in de hechtingsstrategieën te ontwikkelen die hun helpen zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden, en dat leidt op tot zijn beurt tot een grotere kans op emotionele en gedragsproblemen en een postraumatische stressstoornis. Het gaat dus niet enkel om het partnergeweld dat ze meemaken. Ze worden vaak geïntimideerd door de pleger van het geweld, en krijgen verbod tegen iemand iets zeggen, laat staan er beklag over doen. Heel wat kinderen worden afgedreigd met mishandeling van hun huisdier of knuffel. Of er wordt gezegd dat men het gezin zal verlaten waardoor het financieel in moeilijkheden zal raken wat voor een kind ook weer beangstigend is. Mishandelde moeders beschrijven dat hun kinderen van streek zijn na het geweld, gaande van heel erg bang tot hysterische reacties. Janoff schrijft: ‘de meest verwoestende, negatieve levenservaringen die kinderen kunnen meemaken zijn waarschijnlijk die waarbij diegene slachtoffer wordt die zij nodig hebben om hen beschermend op te voeden en om zich veilig bij te voelen’.

Een tweede kernproces dat getroffen wordt is dat van de regulatie van emoties en gedrag. In een veilige opvoeding leren kinderen deze te beheersen en redelijk aan te sturen door wat ze leren van de vrij stabiele reacties van hun ouders op de emoties die ze uiten en het gedrag dat ze tonen. Kinderen die leven in een gezin waar geweld plaats vindt, waar ouders impulsief reageren, maken emotioneel moeilijke omstandigheden mee die erg verwarrend zijn, waardoor het begrijpen, benoemen en reguleren van hun eigen gevoelens bemoeilijkt wordt. In die zin kan je zeggen dat de emotionele – en de gedragsproblemen van mishandelde kinderen een weerspiegeling zijn van het falen van hun inspanningen om sterke emoties te reguleren. Op het ogenblik dat partnergeweld plaatsheeft is er meestal weinig ouderschap aanwezig. De mishandelde moeder kan op dat ogenblik meestal niet ingaan op wat het kind nodig heeft. Hoe het zit met de vaderkwaliteiten van mannen die huiselijk geweld plegen, is niet zoveel geweten. Maar het is waarschijnlijk dat er in de fase van geweldpleging van weinig vaderschap kan gesproken worden.

Het derde effect van deze psychologische mishandeling vloeit daaruit voort, het is de belemmering van gepaste sociale ontwikkeling. Door geweld te plegen geeft een ouder een voorbeeld van een model waarin geweld wordt voorgesteld als een manier om met anderen om te gaan, en vooral als deze niet doen wat je verwacht. Daardoor krijgen kinderen boodschappen ingeprent als “de man/vader neemt de beslissingen” en “geweld is een effectieve manier om conflicten op te lossen”. Bovendien staan deze gezinnen veel minder open voor bezoekers, en moedigen zij hun kinderen minder aan om vriendschappen aan te gaan. Zelf ontvangen de kinderen ook minder vrienden thuis, uit angst dat zij iets van de toestand zouden meemaken. Ze zitten gemakkelijker op hun kamer, om geen aanleiding te geven tot een incident, en om er geen getuige van te zijn. En met de vrienden kan niet gepraat worden over met wat er in het leven allemaal gebeurt. Sociale isolatie en uitsluiting dreigen hier het gevolg te zijn, waarvan gekend is dat ze vooral in de tienertijd bijdragen tot psychopathologie.

Huiselijk geweld is nog het best ter sprake te brengen als het om fysiek geweld gaat. Maar in de meerderheid gaat het om vernedering. Als dergelijk geweld gebruikt wordt tegen de partner, wordt het ook naar de kinderen gehanteerd. Sullivan documenteerde dat kinderen vaak belachelijk worden gemaakt, vernederd met persoonlijke kenmerken op het ogenblik dat er geweld is tegenover een partner.

Naast deze verschillende vormen van psychische mishandeling is ook voldoende gedocumenteerd dat deze kinderen een risicogroep vormen voor fysieke mishandeling. Ze kunnen gewond raken tijdens het incident op een toevallige manier, als doelwit of om de moeder te terroriseren. Onderzoekers vonden een grote overlap tussen huiselijk geweld en fysieke kindermishandeling. Vanuit een analyse van meer dan 30 studies kwam naar voor dat 30% tot 60% van de kinderen van mishandelde vrouwen ook zelf mishandeld wordt. Of er ook een overlap is met seksueel misbruik is nog onvoldoende onderzocht. Mac Closkey vond dat 10% van de mishandelde moeders aangaf dat hun kind seksueel misbruikt was door hun partner. Het is in ieder geval duidelijk dat kinderen die blootgesteld worden aan huiselijk geweld risico lopen. Alle kinderen in het gezin zijn slachtoffer van psychologische mishandeling, daarnaast worden de kinderen in wisselende mate ook fysiek mishandeld en is een risico op seksueel misbruik niet uitgesloten. In ieder geval is blootstelling aan huiselijk geweld één van de beste risico indicatoren voor fysieke kindermishandeling.

Tot slot verwaarlozen koppels waarin geweld voorkomt vaak de geestelijke gezondheid van hun kind. Ze zijn erg bezig met wat zich tussen hen afspeelt en weinig gevoelig voor de behoefte van hun kinderen. Signaalgedrag wordt niet opgemerkt. Druk en moeilijk gedrag op jonge leeftijd, signalen van depressie en zelfmoordgedachten worden toegeschreven aan ‘het zit in de familie’, aan aandacht zoeken, manipulatie, of hysterie. Ze blijven vaak overtuigd dat het allemaal nog wel meevalt, dat de kinderen gelukkig nog klein zijn en zullen vergeten wat gebeurde, dat er nog voldoende goede momenten zijn die een tegengewicht vormen. “Bij ons is het nog niet zo erg dat het bloed van de muur afdruipt”. Daardoor wordt hulp meestal enkel in het crisismoment aanvaard, waarna deze afgeschud wordt. Op aanbod van vrijwillige hulpverlening voor de kinderen wordt vaak niet ingegaan. Daardoor wordt het kind met grote kwetsbaarheid voor emotionele-, sociale en gedragsproblemen richting adolescentie gestuurd. Eens daar psychopathologie manifest wordt, vraagt het gezin wel hulp, en verwacht het dat de samenleving ‘het probleem’ zal overnemen.



Huiselijk geweld en kindermishandeling, twee thema’s en waar nodig twee teams.

Bij huiselijk geweld is er meestal alleen informatie over de incidenten tussen de partners. Of de kinderen betrokken waren of ‘iets gehoord hebben’ wordt dikwijls niets gemeld in politierapporten of door spoedgevallendiensten die ter plaatse waren. Maar een vermoeden dat de kinderen blootgesteld werden moet volstaan om dit aspect op te nemen. Störenberg en collega’s laten zien dat de kans groot is dat wie alleen afgaat op het vermoeden van moeders of leerkrachten dat er signalen van mishandeling zijn, veel meer kinderen vindt voor wie interventie nodig is dan zij die zich enkel richten op hulpvragen van de kinderen zelf. Baseert zich men enkel op hen, is het waarschijnlijk dat er heel wat kinderen en gezinnen over het hoofd gezien worden waarvoor wel hulp nodig is. Het betekent dat sensitief zijn voor het vermoeden, inhoudt dat men informatie moet willen werven uit meerdere bronnen. Na 30 jaar onderzoek over kindermishandeling is er niet één patroon van reageren op mishandeling gevonden dat als standaard beschouwd kan worden, er is niet één risicofactor gevonden waarvan kan gesteld worden dat die in alle situaties dominant meespeelt, en kunnen we nog steeds veel van de variatie in uitkomst van kinderen niet verklaren. Vele kinderen ondervinden een negatieve invloed, voor sommigen is deze destructief, maar andere kinderen lijken uiterst veerkrachtig. Dit werd vaak aangegrepen om te zeggen dat het uiteindelijk misschien allemaal nog wel best meevalt. Maar het is geen reden om ons te snel gerust te laten stellen. Er is nog veel longitudinaal onderzoek nodig om beter te weten hoe de balans zit tussen vroeg en laattijdige effecten.

De visie die op het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling steeds voorop gesteld wordt is deze: er mag geen kind uit de boot van hulpverlening vallen omwille van een definitie, noch omwille van het zoeken van ‘zekerheid van feiten’. Een vermoeden moet volstaan. Voor ons is het daarom duidelijk dat bij huiselijk geweld de ouders moeten bevraagd worden of ze zich kunnen inbeelden dat hun geweld ook een vorm van kindermishandeling is, dat gepeild wordt naar hun vermogen zich in te leven in de perceptie van de kinderen, hen te helpen nadenken hoe ze hun kinderen zullen helpen bij het herstel van wat gebeurde. Indien de ouders hier niet de mogelijkheden toe hebben, is confrontatie nodig. Er dient duidelijk benoemd te worden dat het om een combinatie gaat van partner- en kindermishandeling. In die situaties is het beter dat de zorg voor de kinderen door een kinderteam opgenomen wordt, zo nodig door een VK.

Prof. Peter Adriaenssens

Vertrouwenscentum Kindermishandeling UZ-KULeuven

Justus Lipsiusstraat 71

3000 Leuven

Afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie UZ Leuven



Herestraat 49

3000 Leuven



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina