Uit de grijze oudheid van de bataven



Dovnload 31.75 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte31.75 Kb.
UIT DE GRIJZE OUDHEID VAN DE BATAVEN

Voorwoord:

Als mij wordt gevraagd om eens een paar stukjes te schrijven uit het prille bestaan van DE BATAVEN, dan zeg ik: “ja, daar vraag je me wat”; maar dan komen gebeurtenissen en feiten weer helder als een film voor de geest en met enige aarzeling zal ik trachten die gebeurtenissen voor u op papier te zetten.
Bert Brusche, 5 januari 1975 Bert in actie (1909-1996)
Uit het verloop van mijn verhaal zult u ervaren dat de mentaliteit en gewoonten wel een stukje veranderd zijn: Wij oude Bataven hadden het wel een stukje moeilijker, ook in de sport. Denk maar eens aan de accommodatie van het sportterrein.

Maar weinige verenigingen, alleen de hele grote, konden beschikken over een sintelbaan. Het overgrote deel van de toen bestaande atletiekverenigingen moesten het doen met een voetbalveld, waar het gras soms centimeters hoog stond.

Als je dan een wedstrijd organiseerde, moest je daags tevoren met man en macht het veld in orde brengen. Dat bestond uit: gras maaien, krijtlijnen aanbrengen en materiaal aanslepen. Soms was je ene uur voor de wedstrijd nog druk bezig en dan was je al enigszins vermoeid voor je je eigen nummers kon afwerken. Als je dan de service ziet waar de dames en heren atleten nu van profiteren, denk je wel eens: “dat hadden wij ook eens moeten beleven, dan hadden de prestaties wel hoger gelegen”. Dan kan je gerust nog trots zijn op de resultaten van toen.

Met de sportkleding was het niet veel beter. De voorgeschreven lengte van je sportbroekje reikte even boven de knieën, spikes waren voor velen een weelde. Ik herinner mijn een lid van D.E.M. uit Beverwijk, Flipse, smid van beroep, die met veel trots zijn eigengemaakte spikes liet zien. Deze bestonden uit oude schoenen, waaronder hij metalen platen op had aangebracht. Op die platen had hij vier punten gelast. Het geheel woog wel een paar kilo. Hij heeft er niet lang op gelopen.

Mijn eerste spikes kostten fl. 4.80. van boven linnen met een lederen zool en vier punten. Ik heb er ruim drie jaar op gelopen en heel wat prijzen mee behaald.

Een trainingspak was die eerste jaren ook een weelde, met de gevolgen van dien. Tijdens wedstrijden in Amsterdam bijvoorbeeld, had ik mijn serie en de halve finale met groot gemak gewonnen. De finale was een uur later. Er stond een koude wind op het veld. Daar ik nog meer nummers moest afwerken, liep ik al die tijd in mijn korte broek. Gevolg: in de finale was ik niet vooruit te branden en gaf halverwege op.


Een trainer was voor ons een luxe, die wij niet konden betalen. De ouderen gaven onderling hun ervaringen aan elkaar door en gaven de junioren les.

Als u dit enigszins somber beeld voorgespiegeld krijgt, zult u wel denken: “wat hadden jullie eigenlijk wel?”. Dan kan ik u antwoorden: “een groot enthousiasme voor de atletieksport en fijne onderlinge verstandhoudingen”. Het laatste heb ik tot mijn groot genoegen ook nu nog bij DE BATAVEN geconstateerd.

Voordat ik bij de oprichting van DE BATAVEN ben aangeland, moet ik nog even verder teruggaan en u een beeld geven hoe de sport in Leiden bedreven werd.

Die bestond uit de neutrale- en de R.-K. sportverenigingen. De R.-K. vereniging bestond uit de voetbalvereniging Leiden en de gemengde gymnastiek vereniging Jeanne d’Arc. Later kwam daar nog de voetbalvereniging ROOD-WIT bij. Schrijver dezes was lid van de neutrale voetbalvereniging U.V.S. bij welke vereniging ik voor het eerst met de atletieksport kennis maakte.

Mijn eerste wedstrijd was in 1926, waarin ik de 80 m. junioren won. Een van mijn tegenstanders, F. Jutte, werd later voorzitter van de K.N.A.U. Ik kreeg als 1e prijs een kleine zilveren medaille, hij als 2e prijs een mondorgel.

Bekend was in die tijd de wedstrijd ‘Dwars door Leiden’, een estafette 10 x 400 meter, waarin U.V.S. de toon aangaf. Het is misschien wel leuk om een gebeurtenis uit zo’n wedstrijd aan te halen: Tijdens een wedstrijd waarin het verkeer tijdelijk werd stopgezet, stond ik bij de voorlaatste wissel met spanning te kijken of mijn clubgenoot nog niet verscheen. Eindelijk zag ik de eerste lopen aankomen, maar tot mijn teleurstelling was het geen U.V.S-er. Eindelijk kon ik als zesde het stokje overnemen. De achterstand was toen al zo groot dat er niets meer aan te veranderen viel. Wat was er gebeurd? Onze loper, die zijn route over de Breestraat had, was bij de Gijzelaarsbank waar een agent het verkeer stop zette, ook braaf blijven wachten. Eerst toen bijna al zijn tegenstanders gepasseerd waren, was hij ook maar doorgelopen.

In die dagen was men nogal principieel aangelegd. Men was beslist niet goed katholiek als je lid was van een neutrale vereniging. Toen ik dan ook kennis kreeg met een katholiek meisje en later bij haar in huis kwam, werd ik al gauw door haar ouders op de vingers getikt: ‘een katholieke jongen hoorde in een R.-K. vereniging en daarmee basta’. Daar de liefde voor het meisje groter was dan voor U.V.S., werd ik lid van de R.-K. voetbalvereniging Leiden.

Tot mijn genoegen, constateerde ik bij enkele leden van die vereniging belangstelling voor de atletieksport, zoadat al spoedig een afdeling atletiek werd opgericht onder de naam Leiden.

Zonder enige wedstrijdervaring schreven wij in voor een veldloop in Amsterdam, en nu moet er een oude foto aan te pas komen om de namen van de deelnemers aan die wedstrijd voor u bekend te maken, namen die in de latere “Bataven” veelvuldig voorkomen.

Het waren T. van Tol, F. Hakkaart, B. Goddijn, B. Alberts, Jac. Janson, Jo Schagen en P. Reizevoort.



Door een verkoudheid kon ik zelf niet deelnemen. Het resultaat was nihil, voornamelijk door het reeds gememoreerde gebrek aan wedstrijdervaring. Maar het eerste optreden buiten was een feit en met voldoening keerden wij die dag naar huis terug, vastbesloten om bij de volgende wedstrijd meer succes te boeken.

Al spoedig gingen er stemmen op om een eigen atletiekvereniging op te richten. Daartoe werden de verenigingen Meerburg uit Zoeterwoude en de gymvereniging Jeanne dÁrc uitgenodigd.

Op de vergadering bleek al spoedig dat wij van de vereniging Meerburg niets te verwachten hadden. De heer Bergers, voorzitter van die vereniging, noemde het een doodgeboren kindje. Daar ook Jeanne d’Arc liever in eigen clubverband de atletieksport wilde bedrijven, bleven alleen de leden van voetbalvereniging Leiden over.

Deze belegden een aparte vergadering en daar werd een voorlopig bestuur gevormd. Jac. Janson werd voorzitter en nam tevens het penningmeesterschap op zich. P. van Dam werd secretaris. Verder waren aanwezig: B. Goddijn, J. Hensing, Th. Van Tol, P. Reizevoort, B. Albers, schrijver dezes en niet te vergeten de geestelijke adviseur, rector de Groot, door de RK kerk aangewezen toezichthouder.

Het kindje was dus geboren, niet dood, maar blakend van levenslust. Alleen moest het nog ene naam hebben. De geestelijke adviseur opperde de naam Lugdunum Batavorum, maar daar er al een voetbalvereniging met die naam bestond, werd het tenslotte ‘De Bataven’.

Schrijver dezes herinnerde zich een oud schoolliedje dat over de echte Bataven ging; Hij zong de melodie en een journalist van de Leidsche Courant maakte er de woorden op. Zo hadden wij al gauw een clublied (zie onderaan dit verhaal) , alleen zou de tekst nu niet meer in deze tijd passen.

Alzo was het op de 15e mei 1931 dat de atletiekvereniging De Bataven werd opgericht.

Al spoedig konden wij ons verheugen op een toeloop van nieuwe leden en drie maande na de oprichting bestond ons ledental uit zo’n zeventig leden.

Onder die leden zat veelt talent, vooral voor de lange afstand. Namen als P. van Dam, J. van Bakel, Arie Slingerland (werd later 4e op het ned. Kampioenschap marathon in Amsterdam), Jan van Rooden (de vader van Clemens en Jeroen), Joop Dubbelaar, toen nog junior en D. Tuithof om maar enkele te noemen.

Onze eerste wedstrijd onder de naam De Bataven was in Beverwijk bij D.E.M. Deelnemers waren J. van Bakel, Piet van Dam, Joop Dubbelaar, J. van Dam, B. Goddijn, J. Hendriks, P. Reizevoort en ondergetekende. Alhoewel sommige van ons dicht bij de prijzen zaten, was het alleen D. Tuithof die de eerste medaille, een derde prijs op de 1500 m. junioren, in de wacht sleepte.

Maar al spoedig kregen De Bataven bekendheid en kwamen de successen los. Zo wisten wij bij elke wedstrijd een groot aantal prijzen in de wacht te slepen, vooral op de lange afstand. Ons ledental steeg gestadig en bereikte spoedig het aantal van 120.

Met het stijgen van het ledental kwamen ook de moeilijkheden voor het bestuur. We beseften dat we niet langer zonder trainer konden voortgaan en namen contact op met dhr. Van Oerle. Deze gaf de senioren les op het veld.

De indoortrainingen, die in een zaal op de Pieterskerkhof plaats vond, werd voorlopig door eigen leden geleid. De junioren kregen op de dinsdagen en de senioren op donderdagen training. Het ging De Bataven goed.

Jammer genoeg kwam daar plotseling een einde aan. De inmiddels opgerichte A.V. Holland trok een groot aantal van onze beste leden aan. Deze vonden het prettiger aan neutrale wedstrijden deel te nemen. Immers De Bataven was een R.-K. vereniging waarvan de leden alleen maar aan wedstrijden deel konden nemen georganiseerd door Rooms Katholieke verenigingen, aangesloten bij de Diocesane Haarlemse Atletiek Kring, de D.H.A.K., dus mochten we niet aan neutrale wedstrijden deelnemen.

De inmiddels ingetreden crisisjaren maakten vele leden werkloos. Dientengevolge kwam De Bataven ook financieel in moeilijkheden en moesten wij onze trainer laten gaan daar wij hem niet langer konden betalen. Er werd een spoedvergadering belegd om te trachten de uitgetreden leden tot andere gedachte te brengen. Toen dit niet lukte, gaf ook voorzitter Janson er de brui aan waarna geestelijk adviseur rector de Groot voorstelde de vereniging maar op te heffen. Toen sloeg ondergetekende vol verontwaardiging met de vuist op tafel en zij: “dat nooit, al blijven we met 10 leden over, wij gaan door”. Van het bestuur was het P. van Dam die mij zijn steun gaf. Daarna richtte ik mij tot de aanwezige leden en vroeg ook hun met ons door te gaan en zo de vereniging De Bataven te redden. Tot mijn grote vreugde bleven velen ons trouw en met hernieuwde ijver gingen wij aan het werk.

Toen de uitgetreden leden en het bestuur vertrokken waren werd een voorlopig bestuur gevormd. Zo werd ondergetekende tot voorzitter gekozen, welke functie ik tijdelijk waarnam, om toen de vereniging weer redelijk draaide, deze over te dragen aan L. van Teilingen.

Eigenlijk was dit het begin van een grote bloei van De Bataven.

Voor ik verder ga met het wel en wee van De Bataven te beschrijven, moet ik u nog enkele bijkomstigheden vertellen. Zoals ik reeds heb geschreven, was De Bataven aangesloten bij de D.H.A.C, een bond van R.-K. sportverenigingen. Buiten deze bond was er ook nog een plaatselijke sportraad, waarin enige prominente figuren zitting hadden, zoals dhr. Leesberg, chirurg. Dhr. Hermans, directeur van een koffie- en theefabriek enz. enz. Ook de voorzitters van de R.-K. verenigingen hadden daar zitting. Deze sportraad had tot taak de R.-K. sportverenigingen met raad en daad bij te staan.

Nu raad hadden wij niet nodig, daar waren wij zelf wel mans genoeg voor en wat de daad betreft….., daar merkten wij maar weinig van. Wij moesten onze eigen boontjes doppen. Hoe we dat deden, vertel ik u straks wel, maar eerst moet ik u met een andere organisatie kennis laten maken, n.l. De Graal. Dit was een meisjesvereniging over het hele land verspreid. Wat deze beweging eigenlijk inhield, weet ik niet. Er waren veel onderdelen in die beweging. Zo werd er veel aan wandelsport gedaan en ook wel zaalsport, maar er werd ook openlijk gedemonstreerd. Dan liepen ze in optocht door de stad, met gevouwen handen, biddend en zingend, vooral in witte gewaden. Dat er veel de spot mee werd bedreven, kunt u wel begrijpen.

Op last van de bisschop van Haarlem, moest de gemengde gymnastiek vereniging Jeanne dÁrc haar damesleden afstaan aan de Graal, wat prompt geweigerd werd.

Als straf werden ze als R.-K. vereniging geschrapt. Zo werd een mooie vereniging kapot gemaakt. Enige jaren ging deze vereniging nog buiten R.-K. verband nog door, maar veel ouders van damesleden gaven gehoor aan het bevel van de bisschop en gelastten hun dochters over te gaan naar de Graal. Dat kon toen nog.

Als ik de strijd moest beschrijven die wij in die jaren tegen de besluiten van de kerkelijke overheid hebben gevoerd, had ik genoeg stof over om ons clubblad De Klaroen een jaar lang van artikelen te voorzien, maar dat zal u niet zo interesseren. Daarom ga ik maar gauw naar het wel en wee van De Bataven terug.

Er werd in die jaren veel aan wandelsport gedaan. Ook De Bataven deden in clubverband veel aan wandeltochten. Om aan de nodige financiën te komen, besloot het bestuur om ook een wandeltocht te organiseren. Wij zagen daar wel brood in.

Als men zo’n 40 km tocht had volbracht, kreeg men een speldje. Deze speldjes kostten als men er 100 bestelde, 25 cent per stuk. Het inschrijfgeld was 50 cent, dus als men 100 deelnemers had, waren de verdiensten 25 gulden.

Wij maakten veel propaganda voor die tocht en schreven diverse verenigingen aan. Ook de Graal kreeg van ons een uitnodiging om deel te nemen. Deze stelde echter de eis dat de dames apart moesten lopen en dat meisjes, die geen lid waren van de Graal, van deelname moesten worden uitgesloten. Op die eisen gingen wij natuurlijk niet in. Ondanks het niet deelnemen van de Graal waren er toch nog zo’n 120 deelnemers, wat ons een winst van 30 gulden opleverde. Ook de feestavonden, die wij organiseerden waren een groot succes. Zo’n avond werd geheel door eigen leden verzorgd, met toneel, muziek en sportdemonstraties. Maanden van te voren werd er door ons aangepoot en het zaaltje op de Steenstraat, Concordia heette het, was meestal geheel bezet. Dit wil zeggen dat er zo’n 600 mensen aanwezig waren. Probeer dat nu maar eens.

Samen met P. van Dam gingen wij de winkels af met de vraag of ze wat prijzen wilden afstaan voor de tombola en meestal met succes zodat die avond flink wat prijzen op de tafel konden zetten. Vanzelfsprekend leverde dat een aardig centje op. Ook de zaal kregen wij voor niets, op voorwaarde dat de eigenaar de consumpties met 5 cent mocht verhogen.

Na zo’n avond waren wij weer een tijdje uit de financiële zorgen.

Toen de vereniging steeds groter werd, vond ik de tijd gekomen om als voorzitter af te treden, daar het vervullen van die functie mij te veel tijd vergde. Ik was inmiddels getrouwd en als je dan 4 avonden per week van huis bent, krijg je moeilijkheden. L. van Teilingen werd in mijn plaats tot voorzitter gekozen, verder werd het bestuur met twee nieuw leden aangevuld. Het waren P. Huibers en Henny Averdieck.

Vooral de laatste was een grote aanwinst op organisatorisch gebied. Als zoon van een zakenman wist hij voordelig aan een partij knalrode keperflanel te komen. Daar werden de trainingspakken van gemaakt. Omdat de kleur van een trainingspak meestal donkerblauw was, hadden we veel bekijks en menigeen vroeg hoe wij aan die pakken waren gekomen.

Ook zorgde Averdieck voor keurige witte wandelkostuums en een muts. Als wij dan massaal aan de taptoe deelnamen, kregen we veel applaus. De kleinste leden voorop, zo oplopend tot de grootste. Het was een fantastisch schouwspel.

Veel voetbalverenigingen uit de omtrek gingen er toe over een afdeling atletiek op te richten zoals Teijlingen Sassenheim, Esto Bodegraven en SC Zoeterwoude om er maar enkele te noemen.

Vanzelfsprekend werden wij verzocht medewerking te verlenen aan wedstrijden, die de ze verenigingen organiseerden. Zo kregen wij een uitnodiging van Esto Bodegraven om deel te nemen aan wedstrijden, die zij organiseerde. Toen wij er arriveerden, toonden zij ons vol trots het materiaal dat zij zich hadden aangeschaft en de wedstrijdbanen die zij hadden aangelegd. Ze hadden hun uiterste best gedaan, maar ik had al gauw in de gaten dat dit hobbelige voetbalveld, waar het gras veel te hoog stond, allerminst geschikt was voor atletiek-wedstrijden.

Al spoedig bleek hoe weinig ze nog van de atletieksport af wisten. Nadat ik de 100 meter had gelopen, kon ik mijn oren niet geloven toen ik mijn tijd hoorde: 13.2. Ik was toch altijd nog goed voor zo’n 11.8. Toen we later de baan gingen nameten, bleek zij 109 meter te zijn. We maakten het bestuur daarop attent, maar ons werd geantwoord: “ach, wat geven die paar meter nou”. Maar de prijzen die zij gaven waren prachtig. Zo kreeg ik, als winnaar van de 100 meter een grote massief zilveren medaille, aangeboden door een hereboer.



Ook kregen wij uitnodigingen om atletiekdemonstraties te geven, o.a. op koninginnendag op het sportveld aan de Zoeterwoudse Singel. Zo wierpen wij met vijf man tegelijk een speer onder veel applaus van het talrijke publiek. Toen werd bekendgemaakt dat een van de werpers zou trachten een afstand van 50 meter te bereiken en er werd op die plaats een vlaggetje neergezet. Ik pakte een juniorenspeer, nam een aanloop en kwam er een halve meter voorbij. Veel applaus.

Ook gaven we demonstraties van het polsstokhoogspringen. Alleen Anton Gieske was daar bedreven in en was altijd nog goed voor zo’n 3.30 meter. De rest kwam amper over de twee meter, maar dat was voor de toenmalige trainer Duindam geen bezwaar: Hij zei: “neem je aanloop maar en trek je aan de stok op, de rest doe ik wel”. Als een van ons een sprong maakte, gaf hij de stok een flinke duw. Op die manier bereikten enkelen de drie meter, wat weer veel applaus oogstte. Zo werd deze demonstratie ene succes.

Met groot genoegen denk ik nog terug aan al die wedstrijden waar De Bataven aan deelnamen. Ook aan al die evenementen in Leiden zelf, zoals de Singelloop, een wedstrijd over zes kilometer, die vaak door een Bataaf werd gewonnen, de al eerder genoemde estafetteloop dwars door Leiden, een uitdagingwedstrijd 10 x 800 meter, door de verenigingen Rood-Wit, Meerburg en De Bataven.

Deze laatste wedstrijd wil ik graag nog eens uit mijn herinnering ophalen. Daar de vereniging Meerburg beweerde dat zij meer en betere middenafstandlopers had dan De Bataven, daagde men ons uit samen met de vereniging Rood-Wit een wedstrijd te houden over 10 x 800 meter.

Deze wedstrijd vond plaats op het sportveld Maaldrift. Enkele namen kan ik me nog herinneren, zoals Dik Tuithof, Joop Dubbelaar, J.Brakel, J. van Rooden, P. van Dam. Schrijver dezes zat op de tribune tussen de leden van Rood-Wit. Toen de wedstrijd begon ging Dik Tuithof onder hoongelach van het rood-witse en meerburgse publiek er razendsnel vandoor. Opmerkingen van : “kijk die idioot eens lopen; straks zakt hij in elkaar”. Ook ik durfde haast niet te meer te kijken., maar tot ieders grote verbazing hield Dik het tempo vol en met een halve baan voorsprong gaf hij het stokje aan Joop Dubbelaar over. De Bataven won deze wedstrijd dan ook glansrijk.

Dan was er die ster-estafette voor voetbalverenigingen. Daar mocht De Bataven niet aan deelnemen. Deze wedstrijd, die bestond uit tien keer tweehonderd meter, werd georganiseerd door A.S.C. en ging verschillende richtingen uit. Een klein kanon, dat op de Lammenschans was geplaatst, gaf het startschot.

Daar veel leden van De Bataven tevens lid waren van de voetbalvereniging Leiden schreven we in met twee ploegen.. Leiden 1 bestond uit atleten van De Bataven, leiden 2 uit voetballers. Na de taptoe, waaraan wij hadden deelgenomen, bespraken wij de komende wedstrijd en de loting. De route voor elke vereniging was n.l. door loting bepaald. De organiserende vereniging A.S.C. moest lopen tegen Leiden 2 en had de beste route geloot, n.l. de rechte stukken. Hennie Averdieck kwam toen tot de conclusie dat de meesten van ons, die bij het eerste tiental waren ingedeeld, maar slechte voetballers waren, dus werden de rollen omgedraaid en werd het eerste team op de plaats van het tweede ingedeeld. Zo konden wij de rechte stukken lopen tegen A.S.C.

De wedstrijd zelf zal ik nooit vergeten. Schrijver dezes had route Witte Singel en Lammenschans. Toen ik daar stond te wachten, hoorde ik het startschot. Snel ontdeed ik mij van mijn trainingspak en keek met spanning naar de komst van de lopers. Toen ze in zicht kwamen, lag de loper van A.S.C. een meter of vijf voor op onze loper Joop Dubbelaar., maar door een slechte wissel van de tegenpartij was die achterstand al gauw teniet gedaan en wist ik op de Lammenschans met zes meter voorspong het stokje aan Aad Paardekoper te geven.

Deze voorsprong wisten de andere lopers te handhaven en zo werd het tweede team winnaar van deze sterestafette, terwijl het eerste team als zesde eindigde. De verenigingen A.S.C. en Rood-Wit protesteerden na de wedstrijd, maar Averdieck kon aantonen dat de meeste lopers van ons in lagere elftallen voetbalden. Het protest werd dus afgewezen.

Gearmd over de hele breedte van de Doezastraat begaven ons zingend naar café-restaurant Royal, waar de prijsuitreiking was. Zo begon voor ons een onvergetelijk 3-oktober feest waar nog lang over werd gesproken.

Nog een estafetteloop wil ik memoreren, n.l. de 10 x 100 meter. De vereniging Holland Haarlem had het record over die afstand. Bij wedstrijden in Haarlem, waar dit nummer was ingelast, besloten we een poging te doen ook dit record op onze naam te brengen.

Na van tevoren flink op de overgave van de stok getraind te hebben, gingen we naar Haarlem, waar we door loting tegen Holland Haarlem moesten lopen. Na een enerverende wedstrijd wisten we met anderhalve meter voorsprong te winnen; en later bleek dat we ook nog het record verbeterd hadden.

Ik zou u nog vel kunnen vertellen over wedstrijden en gebeurtenissen, maar dat zou te veel worden.

Daarom besluit ik dit verhaal uit de grijze oudheid van De Bataven met de wens dat het bestuur en de leden, waaruit De Bataven thans bestaan, dezelfde opofferingen en hetzelfde enthousiasme als toen kunnen opbrengen op De Bataven steeds groter te maken.

Bert Brusche, 5 januari 1975

Batavenlied

Wij zijn athleten van de velden,

Van de spieren en de sport,

Wij zijn fris als jonge helden,

Met de levensdurf omgord.

Aan het leven zich te laven,

In het bos, het veld of de hei.

Dat doen enkel DE BATAVEN,

DE BATAVEN, dat zijn wij.

Dat doen enkel DE BATAVEN, BATAVEN,

DE BATAVEN, dat zijn wij
En wij trekken uit de steden,

Naar de frisheid der natuur.

Daar zijn wij het best tevreden,

En wij trainen uur na uur.

Daar zijn wij het best tevreden,

En wij trainen uur na uur

In een flinke sprint te draven,

Fris en monter zij aan zij,

Dat doen enkel DE BATAVEN,

DE BATAVEN, dat zijn wij

Dat doen enkel DE BATAVEN, BATAVEN,

DE BATAVEN, dat zijn wij



(Frans Sneiders)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina