Uiteenzettingen van de veertig hadiths van Annawawi



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina14/20
Datum23.07.2016
Grootte0.77 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   20

Conclusie

Zonder een volledig functionerend intern controlerend systeem, zullen moslims verschillende opstellingen hebben die tot problemen zoals extremisme kunnen leiden. Het aantal extremisten in de moslimgemeenschap zal verhogen als de problemen -die hierboven worden genoemd- niet worden opgelost. Moslims kunnen dan uiteindelijk meerdere persoonlijkheden hebben. Ze zijn moslims, maar ze plegen harām (verboden handelingen) en doen vele andere andere negatieve dingen. Ze zijn er zich niet van bewust dat ze iets verkeerds doen. Deze mensen zijn het slachtoffer van het nieuwe systeem van globalisering. Onze strategie -om deze uitdagingen aan te pakken- is het activeren en verbeteren van ons intern controlerend systeem. Pas daarna zullen moslims in staat zijn een rustig leven te leiden, zonder verwarring. Andere oplossingen zullen alleen maar van korte duur zijn, omdat er geen rust is.



Hadith 28: Trouw blijven aan de Sunnah.

Abū Najīh al-‘Irbād ibn Sāriyah (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: 'De Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) preekte eens op een zodanige manier, dat onze harten van vrees trilden en de tranen ons in de ogen sprongen. Wij zeiden: 'O Boodschapper van Allah! Dit lijkt veel op een afscheidstoespraak. Geef ons daarom raad'. Hij zei: “Ik geef jullie het advies om vrees voor Allah, de Almachtige, de Verhevene, te koesteren. Gehoorzaam en luister naar jullie leider, zelfs wanneer een slaaf jullie leider wordt. Waarlijk, degene van jullie die lang zal leven, zal veel meningsverschillen zien. Je moet je dus aan mijn sunnah houden en aan de sunnah van de rechtgeleide kaliefen; klamp je daar stevig aan vast. Pas op voor nieuwe toevoegingen, want iedere toevoeging is een innovatie en iedere innovatie is een dwaling en iedere dwaling leidt naar het hellevuur.”

(Overgeleverd door Abū Dāwūd en Tirmidhī, die gezegd heeft dat het een goede en betrouwbare hadith is)
Achtergrond

In een van de overleveringen van deze hadith werd opgemerkt dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn preek ná het Fajr gebed gaf. Op basis van andere hadiths kunnen we zien dat het de gewoonte was van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) om van tijd tot tijd zijn metgezellen te waarschuwen en dit werd gedaan zonder overbelasting en zonder hen een vervelend gevoel te geven. Ibn Rajab beschreef de kenmerken van zijn preken en waarschuwingen: kort, beknopt en op een mooie, begrijpelijke manier.


De preek bestond uit drie hoofdpunten:

1. Allah’s advies naar de mensheid om taqwa te hebben voor Allah.

2. Luisteren en gehoorzamen naar de aangewezen leiders als de zaken van de gemeenschap op een goede moeten worden verbeterd en vrede en eenheid het resultaat hiervan zal zijn. Deze hadith verteld echter het feit, dat het concept van het rechtgeleide gezag het eerste Islamitische begrip zal zijn wat zal worden geschonden.

3. De hadith anticipeert op een toekomstige gebeurtenis en feit, d.w.z. de verdeeldheid en splitsing van moslims in groepen en sekten, te wijten aan ketterijen en afwijking. Bij de aanpak van een dergelijke situatie worden we geadviseerd om ons te houden aan het belangrijkste principe d.w.z: het naleven van de Sunnah. In de hadith wordt extra nadruk gelegd op het naleven van de Sunnah en het vermijden van bid’ah (ketterij).



Lessen

I. Inleidende verklaringen w.b. het naleven van de Sunnah.

De handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) kunnen als volgt worden ingedeeld:

1. Handelingen die specifiek voor de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn, zoals het continu- voor meer dan een dag vasten (wisāl).

2. Handelingen gerelateerd aan de cultuur van zijn tijd, zoals het dragen van een tulband, de bovenste knoopjes van de kleding openlaten, lange haardracht en het gebruik van een (wandel) stok.

3. Handelingen die volgen uit spontane of niet-geplande acties. Bijvoorbeeld: tijdens een reis stopte de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) op bepaalde plaatsen, of nam hij een bepaalde route.

4. Handelingen die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) bewust ten behoeve van Ibādah uitvoerde. De geleerden zeggen dat de moslims verplicht zijn het laatste type van handelingen te volgen. Een handeling wordt beschouwd als een Ibādah, als er een authentieke hadith is die deze actie als een Ibādah ondersteunt zodat deze wordt beloond, of als degene die dit uitvoert wordt geprezen, of dat degene die het vermijd de schuld krijgt, vervloekt wordt of gestraft zal worden. Geleerden stellen dat vóór een actie moet worden beschouwd als Sunnah er aan twee voorwaarden moet worden voldaan: de uiterlijke handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn nagebootst én de intentie van de handeling moet hetzelfde zijn. Bijvoorbeeld: het dragen van een tulband moet niet worden gedaan met de intentie van het uitvoeren van een Ibādah, omdat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit droeg vanwege zijn cultuur. Als men dit slechts doet met de intentie de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)te volgen, dan zal hij alleen worden beloond voor de intentie. (niet voor de handeling), Imam al-Shātibi stelt een principe dat, als er twee manieren zijn om een Ibādah uit te voeren -de ene gemakkelijker dan de andere- het verplicht is de gemakkelijkste weg te nemen. Bijvoorbeeld: als er op een koude winteravond de keuze is tussen koud en warm water om de wudhū uit te voeren, men dan de gemakkelijke keuze moet nemen d.w.z. warm water moet gebruiken. Dit principe is ontleend aan de Koran, soera al-Baqarah:185. Een ander principe dat Imam al-Shātibi stelt is dat wanneer men een aanbevolen handeling (mustahāb) verricht, men zich niet moet verplichten dit op een vaste wijze of met een vaste routine te doen. Bijvoorbeeld: men moet niet zeggen dat men twee juzu per dag zal lezen, of op elke maandag en/of donderdag zal vasten op continue basis, zonder van tijd tot tijd te stoppen.


De reden dit te vermijden is vanwege het volgende:

1. Het wordt niet verplicht gesteld door de Shari’ah.

2. Het is in strijd met de algemene principes van de Shari’ah. (al-Baqarah:185)

3. Als men zich verbindt aan een onverplichte Ibādah op regelmatige basis, komt het dicht bij een gelofte (nadhr), wat géén aanbevolen handeling (makrūh) is.

4. Als iemand een verbintenis aangaat en zich daaraan probeert vast te houden, kan men zich op de lange termijn verveeld gaan voelen en later misschien helemaal stoppen met het uitvoeren van de handeling.

Dus is het beter goede daden te doen die gebaseerd zijn op capaciteit en vermogen i.p.v. zichzelf een continue handeling op te leggen.


Imam al-Shātibi stelt dat er in de Ibādah twee vormen van overtredingen zijn:

1. Echte overtredingen; elke vorm van Ibādah, waar geen ondersteunend bewijs voor is van de Koran of de Sunnah.

2. ‘Relatieve’ overtredingen; elke vorm van Ibādah, waarvan het algemene bewijs uit de Koran of Sunnah komt, maar wat geen expliciet/specifiek bewijsmateriaal heeft als aanwijzing. Een voorbeeld is het zeggen van du’ā in congregatie. Er zijn algemene aanwijzingen voor het maken van du’ā, maar er zijn geen expliciete/specifieke aanwijzingen die de actie van het uitvoeren in congregatie op continue basis ondersteunen. Imam Ahmed Zarūq (899 H) voegt een derde categorie toe: bid’ah khilāfiyyah (het oneens zijn over, of discutabele ketterij). Volgens geleerden is dit een acceptabele vorm van Ibādah en volgens andere geleerden is het bid’ah in overeenstemming met het hierboven vermelde bewijs.
2. Algemene regels en principes om onderscheid te maken tussen schendingen van Ibādah, en Sunnah (afgeleid van Imam al-Shātibi’s works).

Imam al-Shātibi geeft ons wat algemene regels en pricipes die we kunnen gebruiken om onderscheid te kunnen maken tussen wat Sunnah is en wat een schending van Ibādah is.

1. Een ‘Ibādah (ritueel van aanbidding) mag niet worden uitgevoerd ténzij er bewijs van wahi (openbaring) is. Een andere manier om dit te zeggen is, dat alle vormen van Ibādah door de Shari’ah worden beperkt. Het bewijs hiervoor is de hadith van Aisha, die vermeld dat de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam heeft gezegd: “Wie een handeling uitvoert die niet overeenstemt met onze weg, zal worden afgewezen.” (al- Bukhāri) (zie hadith 5)

2. Als er een handeling is die in de periode van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gunstig lijkt te zijn, maar hij deze niet uitvoerde als een daad van ‘Ibādah, dan is de uitspraak zodanig dat het voor ons harām (verboden) is om dit als een daad van Ibādah uit te voeren.

3. Een handeling van ‘Ibādah mag vanwege een aantal redenen uitgevoerd worden:

• Als een handeling wordt beschouwd als noodzaak om lakse en nalatige mensen te motiveren, dan is de handeling een schending. Imam al-Shātibi heeft ons de algemene regels en principes gegeven die we kunnen gebruiken om onder- scheid te kunnen maken tussen wat Sunnah is en wat een schending van Ibādah is en dus niet kan worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld: Abdul Malik bin Marwan deed de Eid Khutbah vóór de gebeden, omdat de mensen na het gebed weggingen en hij er voor wilde zorgen dat de mensen luisterden naar de Khutbah voor ze weggingen.

• Indien de desbetreffende handeling wordt beschouwd als een noodzakelijk gevolg van de natuurlijke omstandigheden van de mensen én er geen behoefte aan was in de tijd van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. In zo’n situatie wordt het beschouwd als maslahah mursalāh (algemeen belang). Bijvoorbeeld: de samenstelling van de Koran, het gebruik van de mihrāb (de indicator voor de richting van de qiblah), het huidige schoolsysteem, het gebruik van luidsprekers tijdens de Adhān etc.

4. Als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een handeling uitvoerde en om een specifieke reden stopte, kunnen we de handeling uitvoeren op voorwaarde dat de specifieke reden voor beëindiging van de handeling niet meer bestaat. Bijvoorbeeld de Tarāwīh gebeden; de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) beëindigde deze na een tijd omdat hij bang was dat het verplicht zou worden gemaakt. Na zijn dood is het niet mogelijk dat de Tarāwih gebeden alsnog verplicht worden omdat de periode van wahi (openbaring) is verstreken.

5. Het vermijden van handelingen van aanbidding die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) niet uitvoerde, wordt beschouwd als Sunnah. (Sunnah tarkiyyah)

6. Het uitvoeren van een handeling die ‘Ibādah gemaakt is door:

• Het generaliseren van een specifiek bewijs om een handeling te vermeerderen. Deze vorm van schending in ‘Ibādah treedt op wanneer een specifiek bewijs dat betrekking heeft op een specifieke ‘Ibādah, in de toepassing gegenerealiseerd word. M.a.w. het verwijderen van de grenzen van een handeling die door de Shari’ah bepaald is. Een voorbeeld hiervan is dat er bepaalde adhkār zijn, waarvan het aantal herhalingen beperkt is door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)b.v. de adhkār na de gebeden. Het verwijderen van deze grenzen d.w.z. toename van het specifieke aantal handelingen, is een overtreding van ‘Ibādah.

• Het beperken van een onberperkte handeling in de



Shari’ah, b.v: specifiek op vrijdag vasten en speciale gebeden uitvoeren op de vrijdagavond. Andere voorbeelden zijn de adhān oproep voor het Eid gebed (met behulp van de algemene hadith voor de adhān) en het uitvoeren van een bepaalde set van dhikr voor een bepaalde dag/tijd. Deze handelingen worden beschouwd als schendingen van de ‘Ibādah.

7. Het koppelen van een handeling van ‘Ibādah aan een onverwante actie (ofwel een natuurlijke actie of een andere handeling van ‘Ibādah) waardoor ze worden weergegeven als een continue handeling, kan een overtreding zijn of het kan leiden tot een overtreding afhankelijk van de situatie:

• Het wordt beschouwd als overtreding indien het met opzet wordt gedaan.

• Als het per ongeluk gebeurd, maar als de verbinding of opeenvolging herhaaldelijk wordt gedaan -vooral in het openbaar- dan kan dit leiden tot een overtreding in de ‘Ibādah (omdat analfabeten kunnen denken dat de

handelingen gerelateerd zijn). Een voorbeeld hiervan is: in de tijd van Imam Mālik werd gemeld dat de muadhdhin (de man die de gebeden aankondigd in de moskee) opzettelijk zijn keel schraapte voor hij met de adhān begon. Toen Imam Mālik hem vroeg daarmee te stoppen, tikte hij opzettelijk met een stok tegen de minaret voor hij met de adhān begon. Imam Mālik hield hem tegen om dit te doen en zei: “Doe niet iets wat niet door de profeet, noch door zijn metgezellen werd beoefend.” Een ander voorbeeld: het onmiddellijk opstaan na de uitvoering van de fard (verplichte) gebeden met als doel de Sunnah (aanbevolen) gebeden te gaan doen; mensen zonder kennis kunnen hier van in de war raken. Een derde voorbeeld is het starten met vasten voor de zes dagen van Shawwāl, vanaf de tweede dag van de Eid.

8. Als een onverplichte handeling, geoorloofd door de Shari’ah, herhaaldelijk in het openbaar wordt uitgevoerd zodat het op een fard lijkt, dan moet de handeling af en toe worden gestopt. Bijvoorbeeld de recitatie van soera as-Sajdah en soera al-Insān tijdens het Fajr gebed op vrijdag. Deze handeling, ofschoon ook uitgevoerd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)mag niet regelmatig worden uitgevoerd omdat mensen kunnen gaan denken dat het een verplichte handeling is. Een ander voorbeeld is, dat de metgezellen (Abū Bakr en ‘Umar) doelbewust bepaalde jaren het ‘udhiyah slachten in Eid-al-Adha niet hebben uitgevoerd uit angst dat de mensen zouden gaan denken dat deze handeling wājib is.

9. Niet iedereen die een overtreding in ‘Ibādah begaat zal worden beschouwd als mubtadi (overtreder). Sommigen van hen zullen worden vrijgesteld. Dit principe geld ook voor iemand die handelingen van kufr (ongeloof) uitvoert, d.w.z. niet iedereen die kufr uitvoert is een kāfir (ongelovige). De excuses voor iemand in dit geval zijn:

• Als iemand ergens woont waar geen geleerden zijn om het bewijsmateriaal vast te stellen, of om misverstanden weg te nemen en goede begeleiding te geven.

• Als iemand een ‘nieuwe’ moslim is, wordt hij vrijgesteld totdat hij de desbetreffende kwesties kent.

• Als er misverstanden zijn m.b.t. de situatie, dan wordt dit persoon vrijgesteld totdat de misverstanden verwijderd zijn.

• Als de handelingen door de geleerden nog niet overeengekomen zijn.

10. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen een overtreding in ‘Ibādah, wat kufr is, of dat wat leidt tot kufr of dat, wat er niet toe leidt. Elke schending in ‘Ibādah die niet kufr is, of niet leidt tot kufr is erger dan een ma’siyat (zonde), maar met betrekking tot het hiernamaals valt het onder dezelfde categorie als ma’siyat d.w.z. de dader kan gestraft worden óf hij kan vergeven worden en niet worden gestraft. Er wordt opgemerkt dat volgens Imam al-Tahawi en andere geleerden, er tien redenen zijn waarom een dader niet gestraft wordt; we noemen er hier een paar:

• De goede daden van iemand wegen zwaarder dan zijn zonden.

• De persoon onderging veel beproevingen en ontberingen in deze wereld.

• De persoon ontvangt bemiddeling van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

• De persoon ontvangt bemiddeling van een goede moslim.

• De persoon onderging een straf in het graf.

11. Er zijn twee opvattingen w.b. iemand die bid’ah pleegt:

• Alleen acties die in combinatie met bid’ah worden gepleegd, worden niet geaccepteerd.

• Er zullen geen daden worden geaccepteerd van de aanbidder,tenzij hij is vrijgesteld of berouw heeft getoond. Ter verduidelijking van de tweede opvatting stelt Imam al Shātibi dat men niemand zal vinden die een overtreding pleegt van ‘Ibādah in slechts één enkele handeling, d.w.z. als iemand een overtreding begaat in de gebeden, is het waarschijnlijk dat hij overtredingen begaat in de zakāt, Hajj etc. Volgens Imam al-Shātibi kan deze visie op drie manieren worden geïnterpreteerd:

• De verklaring wordt genomen van de eerste indruk d.w.z. alle andere daden, verplicht (fard) of aanbevolen (sunnah) zullen niet worden geaccepteerd.

• Dat de schending in ‘Ibādah een fundamentele overtuiging is die alle acties van iemand kan ontkrachten. Bijvoorbeeld de schending van een afwijkende sekte die de metgezellen afwezen, wat resulteerde in het niet aanvaarden van hadith en beweringen over de onvolledigheid van de Koran.

• De manifestatie van schendingen in ‘Ibādah is een teken van gebrek aan degelijke kennis van de Shari’ah, gebrek aan respect voor de Shari’ah of het plaatsen van de intellectuele redenering voorafgaand aan de Shari’ah. Op basis van hadith 5 van Imam al-Nawawi’s collectie gaat de inclinatie naar het eerste advies, in het geval van degenen die de Sunnah in het algemeen volgen.

Conclusie

Om zich te kunnen houden aan de Sunnah en om in staat te zijn en om de ‘Ibādah niet te schenden, moeten moslims deze principes -aangegeven door onze grote geleerden- volledig begrijpen en toepassen. Door dit te doen, kunnen geschillen en ruzies tussen de moslims over vele onderwerpen bespreekbaar worden en verminderen.



Hadith 29: Daden die leiden naar het Paradijs (II) Mu'ādh ibn Jabal (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: 'Ik zei: 'O, boodschapper van Allah! Noem me eens een handeling waardoor ik in de hemel terecht zal komen en die me weg zal houden van het vuur van de hel'. Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “Je hebt me iets belangrijks gevraagd en toch is het zo dat het voor iedereen een eenvoudig te realiseren zaak kan zijn als Allah het je maar gemakkelijk maakt. Je moet Allah aanbidden en niemand en niets anders dan Hem. Je moet de gebeden verrichten. Je moet de zakat betalen. Je moet in de maand Ramadan vasten en je moet de bedevaart naar het Huis maken.” Toen zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je de deuren naar het goede eens laten zien? Vasten is een schild. Liefdadigheid blust de zondcn, zoals vuur door water wordt uitgedoofd. En dan is er iemands gebed in het holst van de nacht.” Hierna reciteerde hij (Allah's welbehagen zij met hem) dit: “Zij mijden hun bed en roepen hun Heer vol vrees en hoop aan. En zij geven weg wat Wij aan hen gegeven hebben. Niemand weet welke vreugde voor hun ogen verborgen is als beloning voor wat zij hebben gedaan.”(Soera al-Sadjdah:16-17) Vervolgens zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je over de hoofdzaak, de steunpilaar en het hoogtepunt van dit alles vertellen?” Ik zei: 'Ja, graag, o Boodschapper van Allah'. Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “De hoofdzaak is de Islam, de steunpilaar is het gebed en het hoogtepunt van alles is de jihād.” Verder zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je vertellen hoe je dit alles kunt beheersen?” Ik zei: 'O ja, boodschapper van Allah' en toen pakte hij (Allah's welbehagen zij met hem) bij zijn tong beet en zei: “Beheers dit!” Ik zei: 'O, Profeet van Allah, zullen we beoordeeld worden in verband met wat we zeggen?' Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “Had je moeder je maar verloren Mu'ādh! Waardoor zouden de mensen anders met hun gezicht (of hij zei: op hun neus) in het hellevuur tuimelen als het niet de oogst was van wat ze met hun tongen hebben gezaaid?” (Overgeleverd door Tirmidhī die gezegd heeft dat het een goede en betrouwbare hadith is)


Achtergrond

Vele andere metgezellen hebben vragen gesteld, zoals de vragen in deze hadith. In het algemeen gaf de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dezelfde antwoorden. Ibn Rajab accentueert een andere overlevering van de hadith, opgetekend door Imam Ahmed, waarin staat dat Mu’adh naar de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) kwam en zei: “O boodschapper van Allah, ik wil u vragen over een kwestie wat mij ziek en brandend van binnen heeft gemaakt.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)zei: “Vraag wat je wilt.” Hij zei: “Noem me een handeling waardoor ik in het paradijs terecht zal komen.” Ibn Rajab zegt verder dat dit de gretigheid van Mu’adh toont, om te weten over goede daden.



Lessen

Deze hadith bewijst dat wanneer men goede daden doet, dit het binnengaan van het paradijs vergemakkelijkt, zoals vermeld wordt in de Koran: “Dit is de tuin, die u is gegeven (als beloning) voor hetgeen gij deed.” (soera al-Zuhkruf:72) De goede daden van iemand zijn echter maar een gedeelte van Allah’s Genade en Barmhartigheid. Allah zegt: “......maar Allah heeft in uw hart het geloof dierbaar en schoon gemaakt, en ongeloof, buitensporigheid en ongehoorzaamheid afkeurenswaardig.” (soera al-Hujurāt:7) Dus de betekenis van dit vers wordt door deze hadith benadrukt. Het verrichten van goede daden is een reden om het paradijs binnen te mogen gaan, maar zelf zijn ze een geschenk van Allah. Er zijn discussies tussen sommige geleerden of we het binnengaan van het paradijs verdienen met het verrichten van goede daden, of door Allah’s Genade. Zij kwamen met vragen: Is het als een contract of overeenkomst? Of is het eigenlijk alleen maar een oorzaak, omdat men het paradijs binnengaat door Allah’s Barmhartigheid? Als we het zouden beschouwen als een overeenkomst of als een contract, dan zouden we niet in staat zijn om zelfs voor één van Allah’s barmhartigheden te kunnen betalen. De daden die in deze hadith worden genoemd zijn benadrukt in vorige hadiths, verzameld door Imam al-Nawawi. In voornamelijk hadith 2, 3, 15 en 23. Er worden echter nóg twee goede daden vermeld in deze hadith:

1. Het gebed midden in de nacht uitvoeren; volgens Ibn Rajab zijn er drie soorten mensen die dit doen:

• Degenen die opstaan tijdens de nacht voor dhikr, du’ā of voor het bidden van tahajjud.

• Degenen die wachten op het Isha gebed en gaan slapen na het Isha gebed.

• Degenen die opstaan voor het Fajr gebed.



Deze drie soorten worden genoemd in de Koran. Mensen die ’s nachts wakker blijven en druk bezig zijn met zichzelf te vermaken, missen deze gezegende daden. De drie soorten mensen zijn gegarandeerd met de zegen van Allah in het hiernamaals, waar de beloningen onvoorstelbaar zijn.

2. Jihād; waar en wanneer het een verplichting wordt d.w.z. het land te verdedigen. Deze daad wordt in andere hadiths niet duidelijk verklaard. Het uitvoeren van de Jihād is een grote zegen die de moslims dichter bij Allah brengt. Geleerden zeggen dat Jihād de grootste handeling van aanbidding is en de belangrijkste na de verplichte handelingen. Door de Jihād wordt de Islam beschermd en behouden en werd hierdoor de dominante religie, waarin andere volkeren vreedzaam onder haar heerschappij leefden en hun rechten behielden. In hadith 15 besprak de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) het belang van goede woorden en het zwijgen. In deze hadith zegt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat als mensen in het Hellevuur worden gegooid, de ‘tong’ hier de oorzaak van is. Dit betekent dat de tong zowel op een goede als slechte manier kan worden gebruikt. De meeste mensen hebben de neiging te mild te zijn over dit onderwerp. Hoewel moslims weten dat het gebruik van slechte woorden verboden is, zeggen ze nog steeds dingen die Allah mishagen, zoals roddel, laster en het verspreiden van geruchten. We zijn allemaal verantwoordelijk voor wat we zeggen. Er zullen beloningen zijn voor het zeggen van goede dingen en er zullen straffen zijn voor het zeggen van slechte dingen. Cynisch gedrag naar anderen en dingen gewoon ‘voor de lol’ zeggen, is iets waarvoor iemand verantwoordelijk zal worden gesteld. Zelfs als een moslim dingen op een cynische manier zegt of cynische du’ā maakt (b.v: ‘moge Allah hem begeleiden’) of grappen maakt over moslims, of hen vernederd: hij zal voor de handeling verantwoordelijk worden gehouden. Zelfs het op een cynische manier gebruik maken van gebaren of attributen, wat kan worden geïnterpreteerd als het kleineren van een ander persoon, wordt beschouwd als een zondige handeling die Allah mishaagt. Een moslim moet controle hebben over zijn tong; anders kan zijn tong voor veel problemen zorgen in de gemeenschap. In de fitna (beproeving) gedurende het kalifaat van Otman radiyallāhu ‘anhu, beschouwden de metgezellen het zeggen van slechte dingen -in die cruciale situatie- als een manier om degenen te helpen die hem (Otman) hebben gedood. Dus, de moslim is altijd een goed persoon, die alleen goede dingen zegt en datgene doet wat ten voordele is van zijn gemeenschap. Hij moet geen dingen zeggen die in de gemeenschap tot conflicten kunnen leiden tussen de moslims. Iets anders wat hieraan gereleateerd is en door de geleerden genoemd wordt, is het verhaal van een man (van de stam van de mensen van Bani Israël) waarover de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelde: “Er waren twee familieleden, of broers. Een van hen was vroom en rechtvaardig en de andere beging zonden. De vrome probeerde altijd de zondaar hierop te wijzen, maar hij deed dat niet op de juiste manier met het maken van da’wah. Op een dag passerde hij de zondaar en zei: ‘ik zweer bij Allah dat Hij je niet zal vergeven!’ Toen zei Allah: “Wie zet zichzelf hoger dan Mijn autoriteit?” Dus Allah hield de vrome man verantwoordelijk voor wat hij zei, ook al was hij rechtvaardig.” Dit leert ons dat we op moeten letten met wat we zeggen, vooral wanneer we boos zijn. Dat is waarom de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de du’ā maakte: “Ik vraag Allah om mij in staat te stellen de waarheid te zeggen, of ik nu boos of blij ben.” Zelfbeheersing kost training en inspanning. Dat is waarom we tarbiyyah en tazkiyyah nodig hebben. Dit zal moeilijk zijn in het begin. Maar wanneer we Allah laten zien dat we het écht willen, dan zal Allah ons hulp en tawfiq (begeleiding) geven naar het rechte pad. Moslims moeten oprecht streven om een hoge graad van tarbiyyah en tazkiyyah te bereiken. Dit zal dan een gedeelte zijn van hun aklāq. Moslims hebben ilm (kennis) nodig, want als zij zich hiervan niet bewust zijn, kunnen zij dingen misinterpreteren en zonden begaan. Imam ibn Rajab zegt, dat als de moslim zijn tong beheerst, hij andere zaken ook kan beheersen. Dat is de wijsheid die moslims uit deze hadith kunnen halen. Met betrekking tot de methodeleer van onderwijzen en leren, beschrijft deze hadith een goed voorbeeld voor moslims. Mu’ādh begint met het stellen van een vraag en zegt dat hij iets wil vragen over een kwestie die ‘hem van binnen laat branden’. Als resultaat van deze vraag krijgt hij het antwoord. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Vraag wat je wilt.” Hij stond open voor alle vrag en. Als iemand een bepaalde vraag heeft, moet hij de vraag stellen en de persoon die geraadpleegd wordt moet openhartig zijn. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) begeleid Mu’ādh later in deze hadith in de vorm van vragen: “Zal ik je vertellen........?” Het stellen van vragen aan beide kanten (voor Mu’ādh als leermiddel en voor de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een middel om te onderwijzen) is één van de effectieve manieren in de methodeleer van onderwijzen en leren. Als we willen leren, moeten we vragen stellen. Als we willen onderwijzen, moeten we op deze manier communiceren en ook vragen stellen. Het stellen van vragen trekt de aandacht van de luisteraars en laat hen nadenken over hetgeen er is gezegd.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina