Uiteenzettingen van de veertig hadiths van Annawawi


Zijn werken in de hadith. Zijn bijdragen in de literatuur van de hadith kan als volgt door zijn werk beoordeeld worden



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina2/20
Datum23.07.2016
Grootte0.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   20

Zijn werken in de hadith. Zijn bijdragen in de literatuur van de hadith kan als volgt door zijn werk beoordeeld worden:

1. Al-Irshād fi Usūl al-hadith.

2. At-Taqrīb wa t-Taysīr fi Ma ‘rifat as-sunna al-Bachir wa n- Nadhir.

3. Riyad as-Salihīn min Hadith Sayyid al-Mursalin.

4. Al-Adhkār al-Muntakhaba min Kalām Sayyid al-Abrār.

5. Al-Arba’in.

6. Al-Khulasa fi Ahadith al-Ahkā.

7. Al-Minhāj fi Sāhih Muslim bin al-Hajjaj.

8. Sharh Sahih al-Bukhāri.

9. Sharh Suan Abi Dā ‘ūd.

10. Al-Imla’ ‘ala hadith al-A ‘mal bin Niyyat.

11. Al-Minhāj fi Sharh Muslim bin al-Hajjaj (Sharh Muslim).


Zijn andere werken.

Aangezien het grootste deel van de basiswerken waren voltooid vóór de tijd van al-Nawawi, schreven de latere geleerden verkortingen en uiteenzettingen en konden zij door middel van goede argumenten de voorkeur vaststellen. Al-Nawawi heeft een substantiële en fundamentele bijdrage geleverd aan de studies over fiqh. Zijn werken worden beschouwd als authentieke bronnen van het Shāfi‘ite juridish denken en worden altijd geciteerd als referentie voor beslissingen. Zijn bijdragen op dit gebied kan worden beoordeeld door zijn werken die hieronder worden gegeven.



1. Ar-Rawda.2. Al-Minhāj. 3. Al-Idah fil-Manāsik. 4. Al-Majmū’ Sharh al-Muhadhdhab. 5. Daqā’ iq al-Minhāj wa r-Rawda. 6. Sharh al0-Wasīt. 7. Al-Masā’ il al-Manthura. 8. Adāb al-Mufti wa l-Mustafi. 9. Masā ‘il Takhmis al-Ghamā’im. 10. Tuhfat al-Talib an-Nabih. 11. Muhimmat al-Ahkām. 12. Al-Usūl wad-Dawābit. 13. At-Tahqīq fil fiqh. 14. Tabaqāat al-Fuqahā. Ofschoon zijn hoofdzakelijke bijdragen op het gebied liggen van hadith, fiqh en lugha, schreef hij ook werken op ander gebied. Hieronder volgen sommige van zijn werken die niet vallen onder de bovengenoemde categoriën: 1. At-Tibyān fi Adāb Hamala al-Qur ‘an. 2. Al-‘Umda fi Tashih at-Tanbih. 3. Bustān al-‘Arifīn. 4. Manāqib ash-Shāfi ‘i. 5. Mukhtasar al-Gaba. 6. Mukhtasar at-Tadhnib. 7. At-Tarkhīs f l-Ikrām wa Oiyām.

Zijn dood: Kort voor al-Nawawi’s dood keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Nawa. Niet lang daarna werd hij ziek en stierf hij. Hij overleed op dag 24 van de maand Rajab 676 A.H. op de leeftijd van 44 jaar. Moge Allah hem zegenen en vergiffenis schenken.

Inhoud:

Introduktie.....................................................................3

AL IMAM AL-NAWAWI’S BIBLIOGRAFIE..........................................................6

1. Daden worden beoordeeld op intenties.................................................................16

2. Islam, Iman, Ihsan, Qadar……………………...............................................20

3. De vijf pilaren van de Islam.......................................................................26

4. De creatie van de mens: al-Qadar......................................................................31

5. Ibadah & Bidah (innovatie)..............................................................40

6. Zuivering van het hart..........................................................................47

7. Nasihah...............................................................54

8. Het concept van Jihād........................................................................61

9. Hoe moeten verplichtingen worden vervuld?...................................................................66

10.Zuiver zijn (at-Tayyib)......................................................................69

11. Het vermijden van dubieuze handelingen.............................................................73

12.Bezig zijn met nuttige zaken........................................................................77

13.De verplichting van het liefhebben van alle moslims.....................................................................81

14. De waarde van het menselijk leven..........................................................................84

15. Goede manieren: gedrag t.o.v. buren en gasten........................................................................88

16. Hoe beheerst men woede?......................................................................92

17. Het concept van Ihsan..........................................................................96

18. Het concept van Taqwa......................................................................100

19. Allah’s bescherming............................................................103

20.Het concept van al-Haya (bescheidenheid)....................................................108

21. Het concept van Istiqāmah................................................................112

22 Daden die leiden naar het paradijs (I).............................................................................116

23. Hoe men zichzelf kan bevrijden.................................................................119

24. Verbod van onrecht en onderdrukking; op zoek naar de leiding van Allah........................................

25. Liefdadigheid (I)...............................................................................13226.Liefdadigheid(II)...................................................137

27. Het interne controlesysteem........................................................141

28. Trouw blijven aan de Sunnah......................................................................145

29. Daden die leiden naar het paradijs (II)..............................................................................151

30. Het overtreden van grenzen.....................................................................155

31. Het concept van al-Zuhd (ascese) in de Islam.........................................................................159

32. Geen schade veroorzaken.............................................................163

33. De aanklager en de gedaagde.................................................................168

34. Het concept van Al-Amr bil Ma’ruf wan-Nahiu ‘anil-Munkar (Het goede gebieden en het kwade ontmoedigen)..........................................................171

35. Slechte handelingen die het broederschap schaden.....................................................................177

36. Het belang van het voldoen aan de behoeften van een Moslim …………….................................................182

37. Hoe daden worden vastgelegd.................................................................187

38.Het concept van Wilayah (de trouwe dienaren van Allah).........................................................................192

39.Wat wordt deze Ummah vergeven?.................................................................197

40. De houding van de moslim in het wereldse leven..........................................................................201

41. De wens ondergeschikt te zijn aan de Openbaring…............................................................ 206

42. Zoeken naar Allah’s vergiffenis..................................................................210

Verklarende woordenlijst…...........................................................214

Hadith 1: Daden worden beoordeeld op intenties De leider der gelovigen Abū ‘Umar inb al-Khattāb (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zeggen: “Handelingen worden alleen bepaald door hun intentie en ieder mens zal alleen dát krijgen wat met zijn bedoeling samenhangt. Als iemand emigreert omwille van Allah en Zijn Boodschapper, dan is dat een emigratie voor Allah en Zijn boodschapper en als iemand emigreert omwille van een wereldse zaak of om een vrouw te trouwen, dan is zijn emigratie datgene waarvoor hij emigreert.” Dit werd overgeleverd door de twee meest vooraanstaande geleerden, Bukhāri en Muslim, elk in hun ‘Sahih,' dit zijn de belangrijkste verzamelingen van authentieke hadiths
Achtergrond

Deze hadith werd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) verteld in de tijd dat mannen van Mekka naar Medina emigreerden gedurende de Hijrah (pelgrimstocht), om een vrouw te trouwen. Deze hadith wordt beschouwd als één van de belangrijkste in de Islam. Volgens Imam al-Shāfi‘i bevat deze hadith de kennis van de Islam en kan het gerelateerd worden aan meer dan 70 onderwerpen van fiqh. Imam al-Ahmed (met een referentie naar Imam al-Shāfi‘i’s verklaring) zei: “De Islam is gebaseerd op drie fundamenten of principes:”

1. De handelingen van het hart; onze interne handelingen.

2. De handelingen van de ledematen; onze externe handelingen.

3. Interactie tussen mensen; onze dagelijkse omgang of ‘muāmalāt’ met mensen. Deze drie principes worden vastgelegd in de volgende drie hadiths van de collectie van al-Nawawi’s 40 hadiths, zoals overeengekomen door al-Bukhāri en Muslim:

Hadith 1: “Daden worden beoordeeld op intentie (handelingen van het hart).”

Hadith 5: “Wie aan deze zaak van ons (de Islam) iets toevoegt,wat er niet bij hoort, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.”

Hadith 6: “Het is duidelijk wat halal en haram is; daartussen bestaan twijfelachtige zaken, waarvan veel mensen niet weten wat ze ermee aan moeten.”


Deze hadiths kunnen worden gezien als de drie criteria om moslims te helpen evalueren en beoordelen wat zij doen en zeggen als ibādah (handeling van aanbidding) in hun dagelijkse leven. Intentie, of Niyyah, heeft twee betekenissen:

1. De intentie vóór het verrichten van ibādah (b.v. gebed, vasten)

2. De bereidwilligheid in het verrichten van een handeling.
Lessen

In deze hadith begint de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) met het principe (daden worden beoordeeld op intenties) en geeft daarna drie praktische voorbeelden. Dit is de methodeleer die gebruikt werd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) wanneer hij de boodschap van de Islam overbracht. De voorbeelden helpen ter illustratie van het principe, zodat het gemakkelijker is voor mensen om dit principe in andere gelijkwaardige situaties toe te passen. De drie voorbeelden bestaan uit een enkele goede intentie (migratie voor de zaak van Allah en Zijn Boodschapper) en twee inferieure intenties (migratie voor de zaak van wereldse doelen of huwelijk). Deze hadith benadrukt het belang van Ikhlās (oprechtheid, eerlijk en trouw zijn aan Allah alleen; een daad doen voor Allah s zaak, waarbij men verder geen getuigen zoekt, behalve Allah). Ikhlās is één van de voorwaarden voor de aanvaarding van goede daden. Een andere voorwaarde is dat de handelingen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de Shari’ah (Islamitische wet), zoals zal worden uitgelegd in hadith 5. De onderlinge afhankelijkheid van deze twee voorwaarden wordt duidelijk geïllustreerd in de Shahādah (verklaring van geloof):

• “Ik geloof dat er geen andere god bestaat dan Allah ,” is Ikhlās; zeker zijn dat we onze handelingen alléén voor de zaak van Allah uitvoeren.

• “Ik geloof dat Mohammed de boodschapper is van Allah,” is Sunnah (de gezegden, handelingen en instemmingen) van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, wat de manifestatie is van de Koran. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is ons voorbeeld en het beste voorbeeld wat we kunnen volgen. Het volgen van zijn Sunnah in onze ibādah, akhlāq (ethiek) en mu ‘āmalāt (handelingen), zorgt ervoor dat we handelen in overeenstemming met de Shari ‘ah. Dus de Shahādah laat ons zien wat de voorwaarden voor het uitvoeren van een handeling – en de aanvaarding van deze handelingen zijn.


a. Het moet worden gedaan omwille van Allah, Hij is de Enige die we aanbidden en

b. Het moet in overeenstemming zijn met de Sahri ‘ah.


Om Ikhlās te bereiken moeten we shirk (anderen associëren met Allah , wat resulteert in onoprechtheid) vermijden. Imam al-Harawi zegt dat er 7 vormen van menselijke verlangens zijn:

1. Het zichzelf ‘goed voordoen’ in de harten van anderen.

2. De eer zoeken bij anderen.

3. Voorkomen dat men de schuld krijgt van anderen.

4. Verheerlijking zoeken bij anderen.

5. Geld of rijkdom bij anderen zoeken.

6. Zoeken naar diensten of liefde bij anderen.

7. Hulp zoeken bij anderen voor jezelf.

Er zijn verschillende manieren waarop men Ikhlās kan bereiken:

• Meer goede daden; hoe meer goede daden we doen, hoe dichter we bij Allah komen en Insha Allah (als God het wil) hoe oprechter we zullen worden.

• Het zoeken naar kennis; vóór we een goede daad doen moeten we kennis zoeken (‘ilm). Onze handelingen en daden moeten gebaseerd zijn op kennis om er zeker van te zijn dat we ze uitvoeren in overeenstemming met de Shari’ ah.

• Het vermijden van het geven van valse impressies; we moeten anderen niet laten geloven dat een handeling goed is, wanneer dat niet zo is.

• Het controleren van de intentie; Imam Ahmed zei: “Vóór je iets doet, controleer je je intentie (niyyah); stel jezelf de vraag voor je iets doet: Is dit voor de zaak van Allah?” Ibn al-Qayyim zegt: “Elke handeling die we doen kan om drie redenen gebrekkig zijn:”

1. Het zich ervan bewust zijn dat anderen onze handelingen opmerken.

2. Een beloning zoeken voor de handeling.

3. Tevreden zijn met de handeling. Hoe kan men Ikhlās bereiken? Enkele voorbeelden:

• We moeten niet trots zijn op onszelf en denken dat we beter zijn dan anderen als we eerder bij de masjīd (moskee) aankomen voor de salāt (gebed). Zelfs als we op de eerste rij zitten of eerder aankomen dan de Imam. We moeten Allah prijzen, omdat Hij ons in staat stelt om zonder moeilijkheden naar de masjīd te gaan om te bidden.

• Na elk gebed moeten we tegen onszelf zeggen dat we het beter kunnen doen en dat we ons in het volgende gebed zullen verbeteren.

Wat, als onze intenties veranderen terwijl we een handeling uitvoeren? Ibn Rajab zei dat (volgens de ‘ulama, of geleerden) als de intenties aan het einde van de handeling overeenkomen met het begin (d.w.z. een handeling doen voor de zaak van Allah), elke verandering in het midden niet van belang is of zal worden vergeven, insha Allah. Als de niyyah (intentie) echter aan het einde niet overeenkomt met die van het begin (d.w.z. we doen de handeling niet voor de zaak van Allah), dan is het nodig berouw te tonen.
Er zijn 4 dingen die in tegenspraak zijn met Ikhlās:

1. Ma ‘siyat; zondigen, dit zal Ikhlās verzwakken.

2. Shirk; anderen associëren met Allah .

3. Riyā; het uitvoeren van een ibādah met de intentie te pronken bij anderen.

4. Nifāq; hypocrisie. Ofschoon we er ons altijd van moeten verzekeren dat onze handelingen niet afwijken van Ikhlās, zijn er handelingen die automatisch beschouwd worden als goede intenties. Bijvoorbeeld het zoeken van kennis in de Islam, helpen in de samenleving en da‘wah (het prediken en verspreiden van de boodschap van de Islam). Sommige geleerden hebben uitspraken afgeleid die gebaseerd zijn op deze hadith:

• Wanneer iemand ‘zweert’ bij Allah en ‘Wallāhi’ (in de naam van Allah) zegt, maar zijn intentie is eigenlijk om niet te zweren bij Allah, dan wordt dit als zinloos beschouwd.

• Als iemand gevraagd wordt een eed af te leggen, wordt hij beoordeeld op zijn intentie wanneer hij de eed aflegt.

• Er kan een combinatie zijn tussen het uitvoeren van ibādah en het onderwijzen van anderen; we doen een goede daad voor de zaak van Allah en we doen het met de intentie anderen te onderwijzen. Bijvoorbeeld, toen de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de Hajj deed, deed hij dat voor de zaak van Allah evenals het onderwijzen van zijn metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn).

• Een man kan het proces van de scheiding van zijn vrouw doorlopen; verbaal, in of buiten de rechtszaal. De validiteit hangt af van zijn intentie.

• Wat gezien kan worden als ghībah (roddelen, praten over iemand achter zijn rug, zelfs al zijn dit feiten), kan gewoon een grap zijn of een du‘a (smeekbede). Als iemand slecht spreekt over een ander is het de intentie wat bepaald of het ghībah (roddel) is of niet.


Conclusie

Onze handelingen worden bepaald of aangetast door onze intentie; of ze goed, of slecht zijn. Daarom moeten we altijd onze intentie in de gaten houden. We moeten er zeker van zijn dat de handeling voor Allah is, geaccepteerd zal worden door Hem en dat we ervoor beloond zullen worden.



Hadith 2 : Islam, Iman, Ihsan, Qadar

Ook van ‘Umar (Allah’s welbehagen zij met hem) die gezegd heeft: “Toen wij op een dag bij de Boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zaten, verscheen er een man voor ons in stralend witte kleren en met gitzwarte haren, aan wie niet te merken was dat hij een lange reis had afgelegd. Niemand van ons kende hem. Hij ging voor de profeet (Allah's zegen en vrede zij met hem) zitten, met zijn knieën tegen die van de profeet en met zijn handen op zijn dijen en zei: “O Mohammed vertel me wat Islam is.” De profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) antwoordde: “Islam houdt in dat je getuigd dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah is. Dat je het gebed verricht, de zakat betaald, tijdens de maand Ramadan vast en de bedevaart naar het huis verricht als je daartoe in staat bent.” Waarop hij zei: “U heeft juist gesproken.” Wij waren erg verbaasd dat hij hem eerst iets had gevraagd en daarna het antwoord bevestigde. Daarna zei hij: “Vertel mij wat Iman is.” Hij antwoordde: “Het houdt in dat je gelooft in Allah, in Zijn boeken, in Zijn profeten en in de laatste dag en dat je gelooft dat zowel het goede als het slechte voorbeschikt is.” “U heeft juist gesproken” zei hij en daarna: “Vertel mij wat Ihsan is.” De profeet antwoordde: “Het houdt in dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet en als je Hem niet ziet, beseft dat Hij jou wel ziet.” Toen zei hij: “Vertel mij over het Uur.” De profeet antwoordde: “Dat de slavin haar meester zal baren en dat je ziet dat op blote voeten lopende, naakte behoeftige schaapherders met elkaar wedijveren in het bouwen van hoge huizen.” Hierna ging hij (de vreemdeling) weg en ik bleef enige tijd zitten, totdat hij (de profeet) vroeg: “O, Omar, weet jij wie die vraagsteller was?” Ik antwoordde: “Allah en Zijn Boodschapper weten het ’t beste.” “Het was Gabriël” zei de profeet. |Hij kwam om jullie je godsdienst te leren.” (Overgeleverd door Muslim)



Achtergrond

Imām Muslim zei: “Aan het einde van het leven van Abdullah bin ‘Umar (de zoon van Umar bin al-Khattāb) vertelden twee mensen aan hem dat er een nieuwe Islamitische sekte was ontstaan vanuit Irak. Zij werden ‘al-Qadariyya’ genoemd en zij ontkenden al-qadar (het lot). Abdullah bin ‘Umar vertelde deze hadith, die het lot vermeld als een van de pilaren van Imān (geloof) om de misvattingen te weerleggen.”



Lessen

Deze hadith onderwijst de adāb (ethiek) van het zoeken naar kennis:

• We moeten zorgen dat we schoon zijn en schone kleren dragen.

• We moeten op een goede manier en dicht bij degene zitten die spreekt.

• We moeten vragen stellen om het onderwerp beter te kunnen begrijpen.

• We moeten de kennis zoeken bij een goede bron en autoriteit.


De methode van het zoeken naar kennis kan ook d.m.v. vragen stellen:

• De vragen die we stellen moeten zinvol zijn; dit zal leiden tot waardevolle kennis en goede handelingen.

• Goede vragen stellen resulteert in zowel beter leren als beter onderwijzen. Degenen die present zijn wanneer de vragen worden gesteld, zullen ook leren van de antwoorden; dus de vraagsteller onderwijst anderen.

• Toen Ibn Abbas, een van de grootste geleerden onder de metgezellen van de profeet, gevraagd werd hoe hij aan al zijn kennis kwam, zei hij: “Door een nieuwsgierige tong (d.w.z. hij stelde altijd vragen) en een overpeinzend hart.”

• In vele hadiths begint de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zelf met het stellen van vragen, vóór hij de kennis overbrengt. Door het stellen van vragen worden de geest en het hart voorbereid op de antwoorden, d.w.z. de kennis – klaar om opgevangen en geleerd te worden. In deze hadith noemt hij Gabriël ‘de vraagsteller’ wat waardering en aanmoediging in het stellen van vragen impliceert, vooral vragen die leiden tot het verkrijgen van meer kennis.

• In de Koran staan meer dan 1200 vragen. Deze vragen hebben verschillende doelen. Bijvoorbeeld om te provoceren en de lezer te laten nadenken over wat hij leest.


Geleerden zeggen dat qadar op twee verschillende manieren kan worden gezien of begrepen:

1. We geloven dat Allah met Zijn ultieme kennis wist van alle handelingen die Zijn creaties zouden gaan uitvoeren, zelfs vóór Hij ze gecreëerd had. Allah registreerde’ al deze kennis in Al-Lauh al-Mahfūz;

‘Het Welbewaarde Boek.’

2. We geloven dat het de wil van Allah is dat deze dingen gebeuren, ongeacht of ze goed of slecht zijn. Allah creëerde en gaf ons een wil (vrije keuze) en de mogelijkeid dingen te doen; we kunnen alleen iets doen als we dat willen en als we daartoe in staat zijn. Hoe dan ook zijn we verantwoordelijk voor de keuzes die we maken.


Misvattingen over Qadar

Veel Moslims geloven dat de reden van handelingen die zij zullen gaan verrichten al beschreven staat in Al-Lauh al-Mahfūz. Met dit idee verwarren zij oorzakelijkheid met associatie. Wat we hier zien is in het algemeen associatie en niet ‘oorzaak.’ Wat we doen is niet het gevolg van wat beschreven is door Allah. Allah met Zijn ultieme kennis, wist daarvóór al wat we zullen gaan doen. Hij kan gemakkelijk de goede mensen in het paradijs laten en de kwade mensen in het Hellevuur, maar Allah is rechtvaardig. Niettemin creëerde Hij ons in dit leven om te testen welk pad wij zullen gaan kiezen. Alles wat we doen in ons leven komt overeen met dat wat al beschreven is, maar het is niet een kwestie van oorzaak en gevolg; wat we doen komt vanuit onze wil en vermogen en we zijn volledig verantwoordelijk voor de keuzes die we maken.


Begeleiding en Misleiding Begeleiding (hidāyah) is een geschenk van Allah. Hij creëerde ons en gaf ons een verstand om het voor ons mogelijk te maken in het algemeen goed en kwaad te kunnen onderscheiden. Het is Allah Die ons heeft voorzien van fitrah (natuurlijke aanleg), om te houden van de waarheid en wat goed is en om een afkeer te hebben van wat verkeerd en slecht is. Het is Allah Die ons de Boodschapper heeft gestuurd met de boodschap ons te begeleiden in het leven; soms gaat dat ons begrip te boven en kunnen we ons dat niet voorstellen of begrijpen. Dus als het gaat over de begeleiding: het is een geschenk van Allah.
En toen zij afdwaalden deed Allah hun hart zich afwenden, want Allah leidt het opstandige volk niet.” (soera al-Saff:5) Niettemin zijn er mensen die de boodschap van de Islam -of welke begeleiding dan ook- niet hebben ontvangen, of de boodschap heeft hen niet in de duidelijkste vorm bereikt, d.w.z. incompleet of vervormd. Deze mensen worden Ahl al-Fatrah genoemd en zullen worden vrijgesteld en niet worden gestraft, zelfs al zijn zij misleid. Er zijn bepaalde situaties waarin we wat kunnen doen aan onze qadar (lot), bijvoorbeeld:

• Ziekte is qadar, maar we hebben de opdracht gekregen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) om te zoeken naar genezing, mochten we ziek worden. Het vinden van een remedie is ook qadar. Dus de ene qadar kan behandeld worden met de andere qadar.



• Als ons iets overkomt, bijvoorbeeld als we ons werk verliezen, moeten we niet te snel zeggen dat het qadar is en een verslagen houding aannemen en niets aan de situatie doen. We moeten de qadar optimistisch benaderen en ander werk zoeken; het gevolg van dat is een andere qadar. ‘Umar bin al-Khattāb reisde met een groep metgezellen gedurende zijn Khilāfah (leiderschap). Toen zij aankwamen bij een stad hoorden ze dat er een besmettelijke ziekte heerste: cholera. ‘Umar vroeg aan de groep of zij door wilden reizen of dat ze terug wilden gaan naar Medina. De meerderheid van de groep zei dat ze terug wilden gaan, maar sommigen zeiden dat ze verder wilden gaan. Toen zei een van de metgezellen dat hij een hadith kende waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Als je hoort, dat er een besmettelijke ziekte heerst in een land, ga daar dan niet heen.” Dus ‘Umar besloot terug te gaan. Een andere metgezel (waarschijnlijk van de tweede groep) vroeg hem of hij qadar wilde ontvluchten. ‘Umar antwoordde dat ‘zij zich verplaatsten van de ene qadar naar de andere qadar.’ Vandaar dat we élk probleem dat op ons pad komt moeten oplossen, verwijderen, beperken en overwinnen. Sommige geleerden (zoals Imam al-Jīlāni) gebruikten de term ‘qadar overwinnen’. In een hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Let goed op alles wat je ten gunste kan komen. Zoek de hulp van Allah. En wees niet roekeloos.” Deze hadith impliceert dat we ons moeten inspannen om het juiste te doen. Het juiste concept van qadar is: ‘We zijn verantwoordelijk voor alles wat we doen.’ Bijvoorbeeld: als we roekeloos rijden en het resulteert in een ongeluk waarbij iemand overlijd of gewond raakt, kunnen we niet simpel zeggen dat dit qadar is, omdat dat misbruik is van het concept van qadar, om zo onze fouten te rechtvaardigen. Hoewel het ongeluk plaatsvond als gevolg van qadar, met de permissie van Allah. Desalniettemin zijn we nog steeds verantwoordelijk voor de dood of verwonding omdat het door onze roekeloze handelingen veroorzaakt is. Daarom moeten we de consequenties dragen in de rechtbank wanneer we schuldig worden bevonden. Als we qadar zouden kunnen gebruiken als excuus, zouden er veel misdaden ongestraft blijven; een dief kan simpel beweren dat zijn diefstal qadar was. Degenen die het concept van qadar misbruiken, zijn degenen die falen in de verantwoordelijkheid. Zij misbruiken het om hun falen te rechtvaardigen. De correcte manier om qadar als excuus te gebruiken is in situaties als deze: iemand doet moeite om een verplichting te vervullen, maar vanwege een onvermijdbare omstandigheid (buiten zijn schuld) kan hij deze verplichting niet vervullen; in dit geval kan hij worden vrijgesteld. Een ander voorbeeld: een student heeft hard gestudeerd voor zijn examen, maar wordt ziek, of het is voor hem niet mogelijk de examens bij te wonen. Hij zou dan kunnen zeggen dat het qadar is en dat het de wil van Allah is. Wanneer het gaat over religieuze verplichtingen is de kwestie hetzelfde. We kunnen qadar niet de schuld geven als we misdaden begaan of falen in wājib (verplichting), zoals sommige moslims doen. We moeten weten dat we verantwoordelijk zijn. Het kan zijn dat we in een zwakke toestand van Imān geraken, wanneer we een misdaad begaan of een wājib uitstellen. De Islam is een praktische religie die ons in staat stelt om berouw te tonen, om zo onszelf terug te brengen op het rechte pad. In de hadith hierboven definieert de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ‘al-Islam’ d.w.z. de vijf pilaren, als de uiterlijke handelingen van de ledematen, Imān wordt geassocieerd met geloof; de innerlijke acties van het hart, en al-Ihsān als het hoogst bereikbare niveau. Maar de twee definities kunnen met elkaar worden uitgewisseld; soms kan Islam worden gebruikt om interne acties te beschrijven en kan Imān ‘externe acties’ betekenen. Er zijn een paar hadiths waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt dat er meer dan 70 handelingen bestaan die worden beschouwd als Imān. Als de term ‘Islam’ onafhankelijk wordt gebruikt, omvat het alle drie de componenten: Islam, Imān en Ihsān. Evenzo als Imān onafhankelijk wordt gebruikt betekent het Imān, Islam en Ihsān. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt aan het einde van de hadith dat de Dīn (Islamitische manier van leven) betaat uit deze drie dingen (Islam, Imān en Ihsān). Als de Imān zwak is, zal dat invloed hebben op al-Islam (goede daden en handelingen). Volgens Imam Abu Hanifa: zelfs al zijn al-Imān en al-Islam verschillend; al-Imām maakt handelingen (al-Islam) noodzakelijk. Sommige geleerden zeggen dat moslims worden gezien als vreemden onder de gelovigen en dat de Mu‘minūn (gelovigen) gezien worden als vreemden onder de moslims; en dat de Muhsinūn (degenen die goed doen) worden gezien als vreemden onder de Mu‘minūn. Ihsān (het hoogste niveau van Imān, waarin we Allah aanbidden alsof we Hem zien, terwijl we Hem niet zien, maar we er ons van bewust zijn dat Hij ons ziet) gaat over het vrezen van Allah. Dit zal ons leiden om te streven ons best te doen in het verrichten van onze ‘Ibādah; we zullen eerlijker zijn in onze ‘Ibādah. Dus Ihsān gaat ook over de beste handelingen van het hart. De handelingen die leiden naar Ihsān, zijn: Het meest houden van Allah; Allah het meest vrezen; hopen op Allah , dat Hij ons genade en begeleiding zal geven om ten volle ons vertrouwen bij Allah te kunnen leggen. Toen Gabriël ‘alayhissalām de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vroeg over het Uur (de Dag des Oordeels), antwoordde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat noch hij, noch Gabriël het antwoord weet. Dit is een goed voorbeeld van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) omdat zelfs hij met zijn eindeloze kennis toegeeft dat hij niet álles weet. Imam Mālik kreeg ooit 40 vragen van iemand en op de meeste antwoordde hij: “Ik weet het niet; Allah weet het beter.” De man was verrast en Imam Mālik zei hem terug te gaan naar zijn stad en dat hij tegen zijn mensen moest vertellen dat hij Imam Mālik vragen heeft gesteld waarop Imam Mālik geen antwoord had. Imam Mālik wilde niet aansprakelijk zijn voor het geven van verkeerde antwoorden. Dus als we leraar of geleerde willen worden, moeten we ook de moed hebben om toe te geven dat we iets niet weten. We moeten geen antwoord geven wat eventueel incorrecte informatie bevat. De tekens van Ākhirah genoemd in deze hadith zijn klein in tegestelling tot de voornaamste. We geloven in deze tekens maar we moeten onszelf er niet te veel zorgen over maken wanneer zij zullen verschijnen. We moeten voorzichtig zijn, omdat sommige van deze tekens slechte daden zijn waarvan we ons moeten distantiëren.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina