Uiteenzettingen van de veertig hadiths van Annawawi


De verantwoordelijkheid van de handelingen



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina4/20
Datum23.07.2016
Grootte0.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   20

5. De verantwoordelijkheid van de handelingen.

We zijn verantwoordelijk voor wat we kiezen en doen. Het laatste gedeelte van deze hadith refereert naar ‘waar het definitieve lot van een persoon veranderd op het laatste moment’. Wat dit betreft horen we verhalen van mensen die zich op het laatste moment bij de Islam aansluiten. Er is een hadith van de sirah, die verteld over een metgezel die zich aansluit bij de Islam en daarna in een strijd terecht kwam en gemarteld werd. Sommigen van hen hebben niet één goede daad gedaan. Er zijn tegenwoordig zoveel voorbeelden van niet-practiserende moslims of van degenen die slechte dingen hebben gedaan en in die de laatste fasen van hun leven aankomen (de leeftijd van 50-60 jaar), berouw tonen en uiteindelijk veranderen in een goede moslim. Hetzelfde gebeurd elk jaar met duizenden ‘nieuwe’ moslims.⁴ Deze mensen zullen verontschuldigd worden volgens de wil van Allah en zullen het Paradijs binnengaan. Er zijn ook andere scenario’s waarin iemand zijn hele leven goede daden doet en aan het einde van zijn leven slechte daden doet, wat leidt tot het binnengaan van de Hel (zoals vermeld wordt in de hadith). Zo’n situatie heeft effect op een beperkt aantal mensen, in vergelijking tot het eerste voorbeeld. Dit gebeurd door de persoon zelf, zoals in het geval van de hypocrieten. ⁴ De verzen van de Koran vermelden: “Elk kind wordt als Moslim geboren, het zijn de ouders die hen tot Moslim, Christen of Jood maken.” Dus als iemand besluit om terug te keren naar de Islam, wordt dit beschouwd als ‘terugkeer’.




1. De Goddelijkheid van de Koran en de Hadith.
Om het correcte concept van qadar te kunnen begrijpen, hebben we meer kennis nodig over de creatie van de mensheid. Wat in de hadith genoemd wordt is eigenlijk een wonder. Het beschrijft de fasen van de foetus en de schepping van de mens, 1.400 jaar vóór de wetenschap en de technologie het als een feit bevestigd. (Deze beschrijving van de fasen van de foetus kunnen we ook vinden in de Koran, maar zonder het vermelden van de perioden van tijd) M.a.w. de wetenschappers waren alleen in staat dit fenomeen waar te nemen, terwijl het honderden jaren geleden al in de Koran en hadith besproken werd. Dit laat de goddelijkheid zien van de Koran en de Hadith. Enige jaren geleden werd er in Europa een conferentie gehouden over de schepping van de mens en sommige moslimgeleerden waren uitgenodigd om dit bij te wonen. Toen deze geleerden vertelden over het Islamitische perspectief aangaande de fasen van de foetus –om te laten zien dat dit gedocumenteerd was in de Koran en de Hadith- sloten sommigen van de aanwezigen zich aan bij de Islam, omdat zij ervan overtuigd waren dat dit een goddelijke openbaring is.
7. De spirituele samenstelling van de mens

Om ons te helpen qadar op een positieve manier te bekijken, is het nodig dat we de spirituele samenstelling van de mens begrijpen. De mens bestaat uit de volgende vijf componenten:

• Het intellect (‘aql): tot op bepaalde hoogte stelt dit ons in staat om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Het intellect is een deel van onszelf, een gedeelte van de creatie van Allah. Om deze reden wordt een persoon beschouwd als mukallaf, d.w.z. iemand voor wie de verplichtingen van de Islam verplicht zijn n.l. iemand die de puberteit heeft bereikt, gezond is en de boodschap van de Islam heeft ontvangen. Iemand die geestelijk gestoord is of ongezond is, is geen mukallaf.

• De natuurlijke aard of het aangeboren natuurlijke instinct (al-fitrah): we zijn geboren met een natuurlijke aanleg wat ons in staat stelt het goede lief te hebben en het kwade te haten. Het bestaat uit liefde en haat. Ofschoon dat we geschapen zijn met deze fitrah, is deze onderhevig aan externe invloeden zoals het geloof van onze ouders, onze opvoeding etc. Daarom bestaan er mensen die houden van het kwade, vanwege hun beschadigde of aangetaste fitrah. De geleerden zijn van mening dat de fitrah nog steeds in deze mensen zit; als we proberen de fitrah te ontwaken, dan zullen deze mensen weer gaan houden van het goede en zullen ze het kwade weer gaan haten.

• Onze belofte aan Allah (alleen Hem te aanbidden) vóór onze geboorte terwijl we nog in onze spirituele vorm waren. Dit is gerelateerd aan de fitrah. Dit zorgt ervoor dat we een natuurlijke aanleg hebben om het goede lief te hebben en het kwade te haten.

• De bereidwilligheid (‘Irādah) en de kracht (Qudrah):

Allah heeft ons voorzien van bereidwilligheid, kracht en bekwaamheid. Een handeling zal niet plaatsvinden zonder deze bereidwilligheid en kracht; we doen alleen iets als we dat willen en als we er de kracht voor hebben. Toch is bereidwilligheid en kracht neutraal en kan dit gemanipuleerd worden, of op een goede of slechte manier gebruikt worden.

• Verlangens (Shahawāt): we zijn ook gecreëerd met verlangens en de aanwezigheid van die verlangens in ons, kan onze bereidwilligheid of kracht naar het goede of kwade manipuleren.


Verlangens zijn een deel van wat we ‘interne uitdagingen’ noemen; de dingen die onze bereidwilligheid en bekwaamheid beīnvloeden. De innerlijke uitdagingen bestaan uit: Shahawāt of Hawa (menselijke verlangens) Al-Nafs (de ego), waarvan er drie verschillende aspecten zijn:

1. Al-Nafs al-Ammārah Bissū; dit moedigt ons aan slechte daden te doen.

2. Al- Nafs al-Lawwāmah; dit verwijt ons onze slechte daden of gedachten over slechte daden (als we Imān en kennis hebben) bijvoorbeeld: onze nafs zegt: “Schaam je jezelf niet dat je alcohol drinkt?”

3. Al-Nafs al-Mutma ‘innah; dit is de nafs in vrede; kalm en rustig.
We kunnen met deze drie aspecten van de nafs op dezelfde tijd te maken hebben, bijvoorbeeld: 1. We beginnen te denken dat we een slechte daad gaan doen, wat wordt veroorzaakt door Al-Nafs al-Ammārah Bissū, wat het eerste aspect van onze nafs is, maar 2. vanwege ons geloof voorkomt ons geweten dat we dit doen, wat leidt tot 3. het aspect van de vredige ‘eigen ik.’ Er zijn ook externe uitdagingen (die invloed hebben op de interne uitdagingen).

• De bestaande Muharramāt (verboden); b.v. het eerste aspect van nafs zal de hawa activeren en de hawa zal ons aanzetten tot denken aan -en doen van slechte daden.

• De insinuatie, of het fluisteren (waswasah) van Satan; al wat Satan kan doen is insinueren. Hij zal proberen ons te overtuigen slechte daden te doen, door het kwade aan te moedigen en het verleidelijk en acceptabel te maken. Bijvoorbeeld: als we goede moslims zijn, zal Satan proberen ons het uitvoeren van het gebed te laten uitstellen, of ons doen stoppen in sadaqah, door sadaqah voor ons te laten lijken op een financiele last. Zoals we kunnen zien is in beide gevallen onze perceptie van wat goed en kwaad is vervaagd. We kunnen zien dat sommige elementen van de mens ons helpen, terwijl andere ons zullen uitdagen. De fitrah en aql zijn sterke elementen die ons aanmoedigen goede dingen te doen. Niettemin heeft ons intellect haar grenzen en om deze reden heeft Allah boodschappers gezonden met de openbaringen om ons te begeleiden. Allah’s begeleiding helpt ons door te vertellen wat goed en slecht is en ons bewust te maken van de invloeden van Satan. Wanneer we de Koran met volle aandacht reciteren komen we tot inzicht (basīrah), wat het geweten en de nafs al-mutma ‘innah zal doen gloeien.

Het leven is een Test

De Koran verteld ons dat we zijn geschapen om door Allah getest te worden: (Allah) “Die de dood en het leven heeft ingesteld, opdat Hij u moge beproeven wie onder u zich het beste gedraagt.” (soera al-Mulk:2)


De Koran verteld ons waar we op worden getest en de hierboven genoemde scenario’s beschrijven de aard van de test. Dit is de barmhartigheid van Allah; Hij geeft ons de kracht, de wil, de fitrah, de aql, de Boodschap, de begeleiding etc. Maar Hij waarschuwt ons dat wij intern en extern getest zullen worden. De kracht en bereidwilligheid zijn neutraal, maar dit kan beïnvloed worden tot goed of slecht. Als we inzicht (basīrah) hebben, als we de Koran reciteren, als we dicht bij Allah zijn, als we de wijsheid (hikmah) bezitten, dan zal de gezonde geest worden geactiveerd en zal de shahawāt onder controle zijn en worden we er niet door misleid. Satan zal dan niet dicht bij ons komen omdat hij weet dat hij ons niet kan beïnvloeden. Als we het op deze manier bekijken is ons leven een uitdaging, het is een echte test die we moeten doorstaan.


Tawfīq

Zelfs met al deze componenten waarmee Allah ons heeft uitgerust, hebben we nog steeds tawfiq (zegeningen) nodig van Allah. Zonder tawfiq zullen we door onze verlangens worden misleid of worden beïnvloed door Satan. Dus we moeten dichter tot Allah komen. We moeten du‘a maken naar Allah (Hem aanroepen) op alle tijden en ons hart aan Hem geven zodat we voortdurend Zijn hulp, toevlucht en begeleiding zoeken. Dit is voor ons de reden om 17 keer per dag tijdens ons gebed te zeggen: “Leidt ons op het rechte pad.” Er zijn twee vormen van begeleiding: 1. Begeleiding binnen het pad d.w.z. moslim worden en 2. Vasthouden aan het pad en niet afwijken of zwerven. De geleerden zeggen dat we elke seconde van de dag begeleiding op het pad nodig hebben; we hebben Allah’s begeleiding meer nodig dan de lucht die we inademen.


De Genade van Allah

De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)verteld in een hadith dat Allah een man creëerde op een eiland waar niemand anders woonde. Allah voorzag hem met rizq d.m.v. fruit, wat hem in leven hield. De man leefde 70 jaar en aanbad alleen Allah, omdat er voor hem geen uitdagingen waren. Toen hij op sterven lag, gaf Allah de engelen de opdracht zijn ziel bij Hem te brengen. Allah vroeg de man: “O Mijn dienaar, is het vanwege Mijn Genade of vanwege je ‘amal’ (goede daden)?” De man antwoordde: “O Allah, het is vanwege mijn amal (daden). Ik heb U veertig jaar aanbeden. Ik heb geen slechte dingen gedaan, maar alleen goede door U te aanbidden.” Toen droeg Allah de engelen op om de ‘gave van het zicht’ (het kunnen zien) te nemen en het op een van de schalen te leggen. Toen droeg Hij de engelen op om de waarde van de 70 jaren van goede daden op een andere schaal te leggen. De ‘gave van het zicht’ woog zwaarder dan die van 70 jaar goede daden.


Dus als we 70 jaar Allah, aanbidden, goede daden doen en afzien van slechte daden, is het nog steeds onmogelijk om Allah, te vergoeden voor een van Zijn gunsten. De geleerden zeggen, dat als je wilt weten wat Allah’s gunsten voor jou zijn, je gewoon je ogen moet sluiten en jezelf moet voorstellen dat je niet langer kunt zien, en dat je moet proberen uit te vinden hoe je leven zal zijn zonder zicht. Alleen dan kan iemand de Genade waarderen van Allah.
Conclusie

De hadiths zijn de bronnen van onze Imān (geloof), kennis en begeleiding zoals we zijn onderwezen door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Het bestuderen en begrijpen van de hadiths zal ons inzicht (basīrah) activeren, onze harten verlichten en onze zielen verheffen. Met de hulp van Allah zal dit ons op het rechte pad leiden en houden, tot aan het einde.




Hadith 5: Ibadah & Bidah. (innovatie)

De moeder der gelovigen Umm ‘Abdullah ‘Aishah (Allah’s welbehagen zij met haar) heeft gezegd: “De boodschapper van Allah (sallallāhu ‘alayhi wasallam) heeft gezegd: “Wie aan deze zaak van ons (de Islam) iets toevoegt, wat er niet bij hoort, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim) In een versie van Muslim kunnen we lezen: ‘Wie iets doet wat niet in overeenstemming is met onze zaak, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.'


Achtergrond

Zoals hadith nr1 is deze hadith een van de meest belangrijke in de Islam. Volgens Imam al-Nawawi moet deze hadith door elke moslim worden gememoriseerd.

Deze hadith wordt als maatstaf of standaard voor het beoordelen van externe handelingen of daden van aanbidding (‘ibādah) gebruikt. Het volgende is gebaseerd op de tekst van deze hadith: ‘als een handeling niet wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah van de profeet vzmh zal deze niet worden geaccepteerd door Allah. Deze hadith is een aanvulling op hadith nr1, wat een maatstaf is voor het beoordelen van de intenties of innerlijke acties van het hart. De geleerden zeggen dat de acceptatie van de handelingen van ‘ibādah op basis van 2 voorwaarden beoordeeld zullen worden:

1. De intentie: de handelingen moeten oprecht worden uitgevoerd, omwille van Allah.

2. In overeenstemming met de Sunnah; in overeenstemming met de lessen en voor beelden van de profeet vzmh afgezien van hadith 1 en 5, kunnen acceptaties van handelingen ook gevonden worden in Soera al-Kahf:110 : “.....Laat daarom degene, die op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen.” Het evenaren en volgen van de voorbeelden van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is een Koranische verplichting. Allah zegt: “Voorwaar, gij hebt in de profeet van Allah een prachtig voorbeeld voor ieder die Allah en de Laatste Dag vreest, en die Allah vaak herdenkt.” (soera al-Ahzab:21) “Zeg: Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal u liefhebben en uw zonden vergeven.” (soera Ali-Imrān:31)
Lessen

Deze hadith bespreekt een belangrijke basis in de Islam: het belang van het volgen van de Sunnah en: tegengestelde handelingen (van dit geloof) zullen leiden tot bid’ah of afdwaling (wat in hadith 28 in detail besproken zal worden).



1. De Sunnah

Geleerden classificeren de handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) in twee:

1. Handelingen ten behoeve van ibādah (het aanbidden van Allah).

2. Handelingen met een ander doel dan ibādah; culturele of gebruikelijke handelingen, spontane handelingen etc. verschil kan worden gemaakt om deze twee vormen van handelingen te onderscheiden, d.w.z. bevelen om iets te doen of niet te doen etc. Men verwacht van moslims dat zij alleen het eerste type van de Sunnah volgen.


1.1. Handelingen uitgevoerd ten behoeve van ‘Ibādah.
Handelingen (vormen van ‘Ibādah) moeten uitgevoerd worden in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Bij het uitvoeren van een daad van ‘Ibādah zijn vijf elementen waar we ons bewust van moeten zijn, om zo onze handelingen onder controle te houden en er zeker van te zijn dat ze gedaan worden in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah.

1. De tijd van de handeling. Veel vormen van ‘Ibādah moeten worden uitgevoerd op een aangeduide of specifieke tijd of periode. Bijvoorbeeld, de tijden van de vijf gebeden staan vast; het vasten is verplicht in de Ramadanmaand en alleen tussen zonsopgang en zonsondergang. Evenzo is er een specifieke tijd in het jaar voor de Hajj, dat is van 8 tot 12 Dhul-Hijjah.

2. De plaats waar de ‘Ibādah wordt uitgevoerd. De Shari’ah specificeert dat bepaalde ‘Ibādah op bepaalde aangewezen plaatsen uitgevoerd moeten worden. Bijvoorbeeld: de plaatsen om de Hajj en I’tikāf uit te voeren worden bepaald door de Shari’ah. De plaatsen om in de staat van Ihrām te komen worden ook gespecificeerd door de Shari’ah. Soms overtreden moslims dit, wanneer zij in de Ihrām komen (beginnen met talbiyah en niyyah voor de Hajj) in Jedda en niet op de daarvoor bestemde plaatsen. Dit is fout.

3. De hoeveelheid van Ibādah, of het aantal keren dat Ibādah is uitgevoerd. Voor de meeste ‘Ibādah heeft de Shari’ah een bepaald aantal tijden gespecificeerd waarin de ‘Ibādah of haar componenten moeten worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld de gebeden; zij hebben een bepaald aantal raka’as en sujūd, en voor Tawāf (rondgang) is er een vastgesteld aantal rondes etc. We moeten deze regels niet opzettelijk schenden. Het opzettelijk schenden kan leiden tot de afwijzing van de ‘Ibādah.

4. De wijze waarop we de ‘Ibādah uitvoeren. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is het beste voorbeeld dat we kunnen volgen en evenaren. Elke vorm van aanbidding (‘Ibādah) is door hem beschreven of vertoond. Dit moet niet geschonden worden door het tegenovergestelde te doen. Er zijn bijvoorbeeld verschillende manieren om verschillende gebeden uit te voeren; salāt al-Janāzah heeft geen ruku of sujūd. Zelfs de maat van de kiezelstenen die worden gebruikt om te gooien naar de Jamrāt (pilaren) tijdens de Hajj is gespecificeerd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam; de maat van deze kiezelstenen mag niet groot zijn. Vóór we de ‘Ibādah uitvoeren moeten we de juiste manier leren, zoals de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) deze uitvoerde. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Bidt zoals je mij hebt zien bidden.” Veel Moslims schenden deze manier van ‘Ibādah tegenwoordig vanwege onwetendheid, of ze doen geen moeite dit te leren en uiteindelijk voeren ze de Ibādah op de verkeerde manier uit.

5. De vorm of het type van het object dat gebruikt wordt voor Ibādah. De Shari’ah associeert sommige ‘Ibādah met bepaalde soorten objecten. Bijvoorbeeld het soort dier dat gebruikt wordt voor udhiyyah (offeren) is gespecificeerd in de Shari’ah en dit mag niet overtreden worden. Onlangs heeft iemand in een van de moslimlanden een fatwa uitgesproken n.l. dat moslims kippen kunnen gebruiken om te offeren; dit is een duidelijke schending van de ‘Ibādah; als een moslim het zich niet kan veroorloven een ram te offeren moet hij daar vanaf zien, omdat het geen wājib (verplichting) is. Gedurende verschillende jaren werd er door sommige metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) opzettelijk niet geofferd, zodat de mensen niet konden denken dat het wājib was. Men moet onderscheid maken in de handelingen van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: of ze nu en dan, of van tijd tot tijd uitgevoerd worden, of continu op een regelmatige basis. Bijvoorbeeld, sommige van de nawāfil zijn extra handelingen die hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) van tijd tot tijd uitvoerde. Dit moeten we in acht nemen. Een voorbeeld is de recitatie van bepaalde sūrat op bepaalde dagen: er is verklaard dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) soms soera al-Sajdah en soera al-Insān reciteerde in de fajr gebeden op de vrijdagen. Maar tegenwoordig zien we dat moslims deze twee soera’s élke vrijdag reciteren tijdens de fajr gebeden. Dit is een klassiek geval van regularisatie van af en toe plaatsvindende handelingen. We moeten ons daarvan bewust zijn omdat -als we het regelmatig doen- we andere mensen misleiden en laten denken dat het wājib is, zelfs als dat niet zo is. Als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) iets af en toe deed, dan moeten wij dat ook af en toe doen, vooral in congregatie.


1.2 Handelingen die ‘Ibādah niet als doel hebben.

Dit zijn handelingen die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) spontaan, of zo maar uitvoerde. Er waren ook dingen die hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) deed omdat dat gebruikelijk was in die tijd. Dit soort handelingen hebben ‘Ibādah niet als doel. Daarom moeten wij ze ook niet uitvoeren als ‘Ibādah. Als we ze uitvoeren, moet onze intentie hetzelfde zijn als van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Hieronder volgen wat voorbeelden:

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) had de gewoonte zijn haren op schouderlengte te hebben omdat men in zijn tijd de haren lang liet groeien; dit werd niet gedaan met het ‘Ibādah als doel. Dus als iemand vandaag zijn haren laat groeien moet dat niet met de intentie van ‘Ibādah zijn.

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) liet altijd een of meerdere knopen van zijn gewaad open, vanwege de hitte en niet met ‘Ibādah als doel.

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) droeg een tulband omdat het de gewoonte was voor mannen om een tulband te dragen.

• Sommige hadiths verklaren dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een (wandel) stok gebruikte. Dit gebeurde niet ten behoeve van ‘Ibādah. Willen we de handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) uitvoeren, dan moeten we ze niet ten behoeve van ‘Ibādah uitvoeren, maar in plaats daarvan zouden we ze moeten uitvoeren uit liefde voor hem.



2. Onderscheid maken tussen ‘Ibādah en non-‘Ibādah

Hoe kunnen we de handelingen onderscheiden die gedaan worden ten behoeve van ‘Ibādah en de handelingen die dit niet als doel hebben? Volgens de geleerden wordt een handeling als ‘Ibādah beschouwd als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) heeft:

• opgedragen de handeling uit te voeren, of

• verboden heeft deze uit te voeren, of

• gezegd dat deze handeling wordt beloond, of

• gezegd dat wanneer wij deze handeling uitvoeren, we daarvoor gestraft zullen worden.



3. De volmaaktheid van de Islam

De kwestie van het invoeren van iets wat niet in de Shari’ah thuishoort, versterkt het feit dat de Islam een volmaakte religie is, zonder gebreken of behoefte aan toevoegingen: “Nu heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en de Islam voor u als godsdienst gekozen.” (soera al-Mā’idah:3)



4. Gebrek aan respect voor de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam

Vanwege het feit dat de Islam volmaakt is, is het niet nodig iets toe te voegen of te verwijderen. Daarom is het beledigend als men iets nieuws toevoegd of iets verwijderd; het is een gebrek aan respect voor Allah en de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.



5. Het vermijden van Bid’ah

Imam al-Shātibi zegt dat als er bepaalde zaken gezien worden als ‘Ibādah, terwijl ze dat niet zijn, dit zal leiden tot Bid’ah. Er is een hadith die verteld over drie mannen die continu goede daden wilden doen. De eerste man zei dat hij nooit zou gaan trouwen, de tweede man zei dat hij de hele nacht zou bidden en niet zou slapen en de derde zei dat hij elke dag zou gaan vasten. Toen de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit hoorde zei hij dat hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de meest vrome en rechtvaardige onder de mensen is, maar niet doet wat de andere drie mannen trachten te doen. Dit laat zien dat de handelingen waarvan de mannen dachten dat het ‘Ibādah was, resulteert in Bid’ah omdat zij niet werden gepractiseerd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.



6. Het kiezen van de gemakkelijke manier van ‘Ibādah.

Al-Shātibi zegt ook dat men zich niet moet onthouden van bepaalde soorten voedsel ten behoeve van ‘Ibādah. We kunnen dit doen voor de gezondheid maar niet ten behoeve van ‘Ibādah. Verder zegt hij, dat als er meer dan één manier bestaat om een verplichting na te komen, we de gemakkelijkste manier moeten kiezen om deze uit te voeren. Bijvoorbeeld, als het buiten koud is en we de keuze hebben tussen koud en warm water voor de (rituele) wassing (wudū), dat we dan warm water moeten gebruiken. We moeten niet het koude water gebruiken en het onszelf ongemakkelijk maken, om te laten zien dat we sterke moslims zijn en denken dat we door dit ongemak een extra beloning krijgen.


Een ander voorbeeld: als er een keuze is om naar twee masjīd (moskeëen) te gaan met verschillende afstanden, zouden we naar de dichtstbijzijnde moskee moeten gaan. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) passeerde een plaats en zag iemand in het midden van de straat in de zon staan. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vroeg aan zijn metgezellen wat deze man aan het doen was. Zij vertelden hem dat de man de belofte had gedaan om te vasten terwijl hij in de zon staat. De man werd verteld dat hij het vasten af moest maken, maar uit de zon moest gaan. Er werd hem verteld dat hij het vasten moest voltooien omdat dit een goede handeling is; het nakomen van een belofte is een verplichting, terwijl het minder schadelijk en gemakkelijker is om uit de zon te gaan om de ‘Ibādah uit te voeren.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   20


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina