Uitgangspunten voor een Ontwikkelingsplan van de Wageningse Eng gebaseerd op het Plan van Aanpak



Dovnload 124.79 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte124.79 Kb.
  1   2   3
Uitgangspunten voor een Ontwikkelingsplan van de Wageningse Eng gebaseerd op het Plan van Aanpak.
Stichting Vrienden van de Eng. April 1999.
De Eng vroeger en nu.

De Eng heeft tot aan de uitvinding en de invoering van de kunstmest in de tweede helft van de 19e eeuw en de daarop volgende ontwikkeling van de landbouw, de Wageningse bevolking in grote mate voorzien van voedsel. Toentertijd was de omvang van de Eng in relatie tot de stedelijke bebouwing een veelvoud van de huidige. Van oorsprong begon de Eng aan de rand van de middeleeuwse stad.

Maar niet alleen de oppervlakte is sterk teruggelopen, ook het gebruik is wezenlijk veranderd. Werden vroeger bijna uitsluitend granen, boekweit en aardappelen verbouwd, nu worden nog alleen maar op een beperkt deel van de huidige Eng landbouwgewassen geteeld, die niet meer de traditionele gewassen zijn. Deze zijn vervangen door mais, bieten en gras en bij uitzondering door rogge en gerst.

Het grootste deel van de Eng van vandaag is een stadsrandgebied geworden met een daarvoor kenmerkend gebruik, waarin recreatie en ontspanning een wezenlijke betekenis hebben.

Volkstuinen, paardenhouderij, sport, kleinveehouderij enz. De behoefte aan randstedelijk gebruik heeft de neiging te groeien door de toenemende bevolking en de daarmee gepaard gaande wens tot recreatie in de “vrije natuur”. Dat betekent een voortgaande aanpassing van het reeds sterk veranderde landschap van de Eng.

De wensen van een stedelijke bevolking t.a.v. recreatief buitenleven zijn gevarieerd en dynamisch. Van de oorspronkelijke opbouw en perceelsindeling zal bij een spontane ontwikkeling van het landgebruik niet veel overblijven. En die veranderingen van het landschapsbeeld zijn ingrijpender naarmate de afstand tot de bewoning korter is.


Doelstelling van de gemeentelijke overheid bij de ontwikkeling van de Eng.

In het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Oost” geeft het gemeentebestuur aan welk beleid zij wil voeren bij de ontwikkeling van de Eng als stadsrandgebied. Zij beschouwt de functies van een stadsrandgebied onlosmakelijk verbonden met de wensen van de stedelijke bevolking. Zij stelt ook vast, dat de bestaande landschappelijke kwaliteiten bij een autonome, dus niet gestuurde, ontwikkeling in het gedrang zullen komen. Een sturing van het gebruik van de Eng is nodig om de landschappelijke kwaliteiten zo goed mogelijk te behouden of zelfs te verbeteren. Omdat er typen van landschap zijn te onderscheiden, meent de gemeente dat een zekere zonering van activiteiten niet te vermijden is.

De gemeentelijke overheid wenst het karakter van de Eng als open landschap te handhaven met zoveel mogelijk behoud van de historische en ecologische waarden. Zij is zich daarbij bewust, dat ertussen het huidige, dynamische, gebruik van de Eng en de doelstelling van de gemeente een spanningsveld bestaat dat om een analyse en een oplossing vraagt. Zij heeft de Stichting Vrienden van de Eng in het leven geroepen om haar bij het zoeken naar die oplossing bij te staan. De doelstelling van de Stichting Vrienden van de Eng is daartoe als volgt vastgelegd in haar statuten.
Het doel van de Stichting is:


  1. het op historisch-geografisch verantwoorde wijze, binnen de huidige mogelijkheden

behouden en verbeteren van het open landschappelijke karakter van de Wageningse Eng.

  1. het behouden en bevorderen van de natuurwaarde van de Eng, dit met inachtame van de landschappelijke karakteristiek ter plaatse.

  2. het bevorderen van een bij het vorenstaand passend gebruik van de Wageningse Eng,

waaronder medebegrepen een medegebruik van recreanten als wandelaars en ruiters.
In het genoemde spanningsveld moeten twee autonome krachten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Aan de ene kant zijn dat de doelstelling van de gemeente en van de Stichting Vrienden van de Eng en de wensen van de bevolking aan gebruik van de Eng en aan de andere kant zijn dat de landschappelijke, historisch- geografische en ecologische kwaliteiten van de Eng.
Door de actuele gebruiksvormen van de Eng in detail te beschrijven is daaruit af te leiden welke eisen zij in landschappelijk, ecologisch en historisch opzicht aan de Eng stellen en welke invloed zij op de eigenschappen van het landschap uitoefenen.

Door de vertegenwoordigers van de gebruikers in de Stichting zijn deze beschrijvingen opgesteld en in de bijlagen opgenomen.

Deze eisen en invloeden worden gerelateerd aan de karateristieke landschappelijke eigenschappen van de Eng, waaruit een geschiktheidsbeoordeling voor de verschillende gebruiksvormen wordt afgeleid. Dit is opgenomen in onderstaande tabel en visueel gemaakt in een aantal kaarten. Zie de bijlagen.

Doelstelling en wensen van de Landschap en ecologie van de Eng



Gemeentelijke Overheid en de

bevolking.
Landgebruiksvormen Landschapseenheden.


Eisen aan en invloeden op Eigenschappen.



Ecologie en landschap.
Relateren aan elkaar.


Geschiktheidsbeoordeling




Planning.



Beschrijving van de landschapstypen van de Eng.

Om tot een indeling van landschapstypen te komen is een inventarisatie van het actuele gebruik, de openheid van het landschap en de ecologie uitgevoerd.

Op grond daarvan is de volgende classificatie ontstaan.
Landschapstype 1.

Open landschap, vergelijkbaar met het historische landschap van de Eng.

Het landschap is open met een grote visuele ruimte. De vegetatie is laag en overzichtelijk. Door de glooiing van het land zijn er boeiende vergezichten. Het actuele gebruik is overwegend landbouw, veeteelt, paardenhouderij en kleinveehouderij. Oude perceelsgrenzen hebben de neiging te verdwijnen en de grootschaligheid neemt toe.

Van dit type landschap zijn twee complexen te onderscheiden.

Het eerste complex is het meest omvangrijk en wordt begrensd door de Zoomweg, de Dorschkampweg ten dele, de Ritsema Bosweg, ten dele de Hollandse weg en ruwweg de volkstuinen en sportvelden in het westen. De bebouwing met de erfbeplanting in dit landschapstype en de langs de Dolderstraat liggende volkstuinen doen wel enige afbreuk aan de kwaliteit van dit complex. Zouden die niet aanwezig zijn dan neemt de landschapskwaliteit onevenredig toe. Enkele op zichzelf staande gevallen van aantasting door negatieve visuele effecten zijn:



  1. Bebouwing en rommel met enkele bomen die de openheid bedreigen en de neiging hebben zich uit te breiden.

  2. Individuele volkstuincomplex in het open deel van het complex.

  3. Groep naaldbomen, die in geen enkel opzicht in het landschap passen.

  4. Zware haagbeplanting en opgaande boomgroep rond een ingegraven paardenstal.

  5. Boomkwekerij met metalen afrastering.

  6. Door lengte en ligging visueel sterk storend volkstuincomplex

  7. Kleine, maar storende volkstuinen midden in de open ruimte.

  8. Onnatuurlijke, niet passende en storende opgaande beplanting.

  9. Verdwaalde volkstuin en rommelige situatie.

  10. Door lengte en ligging visueel storende volkstuin

  11. Ongeorganiseerde beplanting met bomen en struiken.

Door het wegnemen, ruimen of uitruilen van deze storende zaken zal de kwaliteit van dit landschappelijk, ecologisch en historisch waardevolste deel van de Eng aanzienlijk toenemen.
Een vergelijkbaar open landschapstype, kenmerkend voor de Eng is een tweede complex, gelegen ten noorden van de begraafplaats en ten zuiden van de bos van de Driest. Dit complex is nog zeer gaaf, zij het dat de zuidwest hoek ernstig heeft te lijden van bebouwing en commercie.

In dit door landbouw en veehouderij gedomineerde complex vormt de tuin van de Nieuwe Ronde een vreemd element. Door de goede opzet van de tuin, de uniforme en lage afrastering en het doelmatige onderhoud is deze tuin een bewijs, dat zoiets wel degelijk in dit open landschapstype verantwoord kan worden ingepast.


Landschapstype 2.

Een besloten landschap van bouwlanden, weilanden, boomgroepen en singels.

Dit landschap, hoewel niet kenmerkend voor de Eng, maar wel karakteristiek voor het overgangsgebied van het hogere naar het lagere land van de Veluwerand, is visueel aantrekkelijk en door de beschutting aangenaam om te verblijven.

Dit landschapstype is gelegen in de uiterste noordhoek van de Eng. Het is waardevol door het vrijwel ontbreken van landgebruik dat vreemd is in dit landschapstype. Er is echter in het zuidelijk deel een boomkwekerij gelegen die ernstig stoort.
Landschapstype 3.

Verdicht en versnipperd landschap met geringe ruimtelijke kwaliteit.

Dit landschapstype is te vinden ten westen van de Hollandse weg, ten zuidoosten van de begraafplaats en ten oosten van de Oude Diedenweg. Het bestaat uit volkstuinen, boomgaarden, boomkwekerijen, weilandjes, bouwlandjes etc. Kenmerkend voor het gebruik van dit landschap is dat elke vorm van coördinatie en organisatie van het gebruik afwezig schijnt te zijn. Het is een voorbeeld van wat er met de Eng gaat gebeuren bij een autonome ontwikkeling van het landgebruik zonder begeleiding op basis van een plan.

Het landschap is zodanig ontwikkeld, dat herstel zonder vergaande en vermoedelijk onacceptabele ingrepen niet meer mogelijk is.
Landschapstype 4.

Verdicht landschap met en bij bebouwing.

Dit landschapstype is karakteristiek voor elke stadsrand waar sturing van de ontwikkeling ontbreekt of beperkt is. De activiteiten zijn talrijk, overwegend kleinschalig en divers. Het geeft een rommelige indruk en is weinig overzichtelijk.

De landschappelijke waarde is gering.
De verschillende landgebruiken.

De eisen die de verschillende landgebruiken aan het land stellen, alsook van de effecten van het gebruik op het landschapstype, in het bijzonder de effecten op de openheid, de ecologische en de historische eigenschappen van de Eng worden als volgt gerubriceerd.

1.eisen aan de minimale landoppervlakte.


  1. > 1ha.

  2. 0,5 – 1 ha

  3. 0,1 – 0,5 ha

  4. < 0,1 ha

2.eisen aan de bodemvruchtbaarheid:

  1. Jaarlijkse bemesting

  2. Incidentele bemesting

  3. Geen bemesting.

3. eisen aan de vochthuishouding:

  1. Regelmatige beregening.

  2. Incidentele beregening

  3. Geen beregening.

4.eisen aan toegankelijkheid:

  1. Toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer.

  2. Toegankelijk voor fiets en te voet.

  3. Niet toegankelijk.

5. eisen aan infrastructuur.

  1. Aansluiting op elektriciteit en waterleiding.

  2. Aansluiting op elektriciteit.

  3. Aansluiting op waterleiding.

  4. Geen aansluiting, maar water in directe omgeving.

  5. Geen aansluiting, maar elektriciteit in directe omgeving.

  6. Geen aansluiting.

6. effecten op de ecologie:

  1. Eutrofiering van de bodem.

  2. Verarming van de bodem.

  3. Verstoring van de bodemopbouw.

  4. Geen effecten.

7. effecten op de historische kenmerken:

  1. Handhaving van de historische perceelsindeling.

  2. Partiele handhaving van deze indeling.

  3. Geen handhaving.

  1. effecten op de visuele ruimte:

  1. Visuele ruimte wordt beperkt of teniet gedaan.

  2. Visuele ruimte blijft in grote mate onaangetast.

  3. Visuele ruimte blijft onaangetast.

Als de eisen en effecten per landgebruik verder worden uitgewerkt en in relatie gebracht met de landschapseenheden, dan ontstaat het volgende overzicht.


Landbouw.

Hoewel op kleine percelen landbouw wordt uitgeoefend is er een tendens om de minimale oppervlakte te vergroten. Op minder dan 0,5 ha is eigenlijk geen zinvolle landbouw meer mogelijk. Eis: 1a en 1b.

Voor de instandhouding van de bodemvruchtbaarheid is jaarlijkse bemesting nodig. Eis: 2a.

Landbouw behoeft geen beregening. Eis: 3c.

Toegankelijkheid voor trekkers en zwaar landbouwverkeer is noodzakelijk. Eis: 4a.

Er is geen behoefte aan plaatselijke elektriciteit of water. Voor de veehouderij kan waterleiding noodzakelijk zijn als de afstand tot de bewoning te groot is. Eis: 5f en bij uitzondering 5c.

Landbouw heeft de neiging de bodem te verrijken, de veehouderij eveneens, maar in mindere mate. Effect 6a.

Door de tendens tot perceelsvergroting zal de historische perceelsindeling voor een deel verdwijnen. Opgemerkt moet worden, dat door de in de vorige eeuw gedane meting het aantal vaste punten zeer beperkt is, waardoor de huidige perceelsgrenzen vaak niet meer met de historische overeenstemmen. Effect 7b.

Omdat voor de landbouw grote percelen gewenst zijn en geen opgaande begroeiing wordt verdragen heeft landbouw een positief effect op de visuele ruimte. Effect 8c.
Paardenhouderij

Ook hier geldt, dat de minimale oppervlakte aan grenzen is gebonden. Kleine oppervlakten zullen door de afrasteringen sterk verdichtend op het landschap werken. Minimale oppervlakte 0,5 ha. Eis; 1a en 1b.

Een bemesting is in de regel niet nodig. Door het voeren en de eigen mest zal de bodemvruchtbaarheid voldoende op peil blijven. Bij teveel paarden per oppervlakte-eenheid kan er zelfs teveel mest op het land komen. Eis: 2c

Door op het land de bezetting met paarden binnen de ecologische grenzen te houden zal er geen beregening nodig zijn. Eis: 3d.

Er is voor transport van paarden, voer en eventueel mest een voor gemotoriseerd verkeer geschikte weg nodig. Eis: 4a.

Voor de paarden is drinkwater noodzakelijk. In het algemeen is daarom aansluiting op het drinkwaternet gewenst. Elektriciteit is ter plaatse niet nodig. Eis: 5c.

Bij een bezetting van maximaal 2 paarden per ha. wordt de ecologische draagkracht niet overschreden. Effect: 6d. Is de bezetting hoger dan treedt eutrofiering op. Effect: 6a.

De historische perceelsindeling behoeft niet door dit gebruik te worden verstoord. Effect: 7a.

De effecten op de visuele ruimte zijn gering en worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de afrasteringen. .

Indien echter stallen worden gebouwd of andere schuilgelegenheden dan is het effect op de visuele ruimte niet onaanzienlijk.

Overwogen zou kunnen worden voor de planvorming van de Eng een viertal ondertypen van de paardenhouderij te onderscheiden:

1.zonder schuilgelegenheid of andere bouwsels

2.met schuilgelegenheid en andere bouwsels al dan niet ingegraven.

3.met schuilgelegenheid tegen of in bestaande bosjes.

4.met centrale schuilgelegenheid bij bestaande bebouwing.

De visueel-ruimtelijke effecten zijn dan successievelijk als volgt:

Voor type 1 effect 8c

Voor type 2 effect 8a (met in uitzonderlijke gevallen overgangen naar 8b).

Voor type 3 effect 8b

Voor type 4 effect 8c


Volkstuinen. (Verhuurders).

De minimale oppervlakte is groter dan 0,1 ha. In verband met de infrastructuur zijn grotere percelen doelmatiger. Eis: 1a, 1b en 1c.

De bodemvruchtbaarheid dient hoog te zijn. Dus jaarlijkse bemesting en om het jaar of om de twee jaar stalmestbemesting. Eis: 2a.

Voor een goed gewas is op de Eng beregening aan te bevelen. Eis: 3a.

Volkstuinen dienen minimaal met de fiets goed bereikbaar te zijn. Eis: 4b.

Voor de beregening is aansluiting op het waterleidingnet in alle gevallen gewenst. Eis: 5c.

Door de vereiste hoge bodemvruchtbaarheid treedt een zekere mate van eutrofiering van de bodem op. Effect: 6a.

Het is mogelijk volkstuinen zo aan te leggen, dat deze de historische perceelsindeling in stand houden Effect: 7a

Door de vaak aanwezige bouwsels is er een negatieve invloed op de visuele kwaliteit. De historische perceelsindeling blijft echter veelal gehandhaafd. Deze kleinschaligheid kan positief beoordeeld worden. Effect: 8a (met incidenteel overgangen naar 8b).
Volkstuinen (huurders).

De maximale oppervlakte is meestal minder dan 0,1 ha. Eis: 1d.

Wat betreft de eisen en effecten genoemd onder 2 tot en met 6 zijn deze gelijk aan die van de voorgaande gebruiksvorm, evenals het effect op de visuele ruimte

De historische perceelsindeling blijft veelal bestaan. Effect: 7a..


Kleinveehouderij.

Kleinvee betekent voor de Eng vrijwel uitsluitend schapen. De eisen en effecten genoemd onder 1 tot en met 7 zijn vergelijkbaar met die van de paardenhouderij. Ten aanzien van de ecologische draagkracht is een aantal van 8 schapen per ha de limiet.

De effecten op de ruimtelijke kwaliteit zijn neutraal of in beperkte mate negatief omdat er geen of alleen een niet meer dan 1 meter hoge schuilgelegenheid nodig is.

De noodzakelijke afrasteringen werken enigermate in op de ruimtelijke kwaliteiten. Effect: 8b.


Boomkwekerij.

Voor de boomkwekerij is de minimale oppervlakte tenminste 0,1 ha. Grotere oppervlakten zijn gunstiger. Eis: 1a, 1b en 1c.

Boomkwekerijgewassen vragen minder bodemvruchtbaarheid dan land- en tuinbouwgewassen. Incidentele bemesting is evenwel nodig. Eis:2b.

Beregening is niet nodig. Eis: 3c.

In verband met aan- en afvoer is toegankelijkheid voor motorvoertuigen noodzakelijk. Eis; 4a.

Aansluiting op waterleidingnet en elektriciteitsnet is niet nodig. Eis:5f.

De effecten op de ecologie zullen vrijwel neutraal zijn. Effect: 6d.

Het is mogelijk de historische perceelsindeling te gebruiken en zo te handhaven. Effect: 7a.

Doordat de geteelde gewassen meestal hoog zijn en een aantal jaren blijven staan is het effect op de visuele ruimte groot. Effect: 8a.
Sport.

De twee relevante sporten worden afzonderlijk behandeld. Dit zijn de korfbalsport en de golfsport. Overige sporters die gebruik maken van de Eng, maar niet georganiseerd zijn, zoals de hardlopers en de trimmers worden niet nader behandeld, omdat deze gebruik kunnen maken van de aanwezige paden en wegen.



Korfbal.

Op de eng liggen twee sportvelden die reeds lang in gebruik zijn. Deze zijn gelegen aan de Diedenweg, de Dolderstraat en de Hollandse weg. De minimale oppervlakte is 1 ha. Met inbegrip van parkeerplaatsen en andere voorzieningen. Eis: 1a.

De speelvelden moeten regelmatig worden bemest en beregend om in een goede staat te blijven. Velden met kunstgras hebben deze voorzieningen niet nodig, maar het merendeel van de velden ligt op natuurgras. Eis: 2a en 3a.

De terreinen moeten toegankelijk zijn voor gemotoriseerd verkeer. Eis 4a.

Voor de clubhuizen is aansluiting nodig op het net van waterleiding, elektriciteit en op de TV kabel. Eis 5a.

Door storingen in de bodemopbouw en door eutrofiering van de bodem zijn er effecten op de ecologie. Effect: 6a en 6c.

De historische perceelsindeling verdwijnt geheel. Effect: 7c.

De kwaliteit van de visuele ruimte wordt sterk aangetast door de gebouwen en de reclame. Ook de hoogopgaande begroeiing werkt storend. Effect: 8a.



Golfsport.

De golfbaan bestaat uit afslagplaatsen van rond 100 m2 en greens met de hole van ongeveer gelijke oppervlakte. Deze zijn begroeid met fijne grassoorten, die een intensief onderhoud vragen. Er wordt gespeeld op de fairways van een of enkele tientallen meter breed en enkele honderden meters lang. Deze zijn begroeid met sportveldgras, dat met een extensief maaibeheer kort wordt gehouden. De rest van de golfbaan bestaat uit de zogenaamde roughs, die niet worden bespeeld en begroeid zijn met een lage natuurlijke vegetatie. Het clubhuis en de parkeerplaatsen zijn buiten de Eng op de sportvelden van de Zoom gelegen..

De minimale oppervlakte is 20 ha. Eis: 1a.

Alleen de afslagplaatsen en de greens worden beregend en bemest. Op de fairways wordt niet beregend en bemest net als in de roughs. Eisen: 2c, 2b, 3b en 3c.

De golfbaan moet toegankelijk zijn via een extensief net van wandelpaden. Eis: 4b.

Voor de beregening van de greens en afslagplaatsen zijn aansluitingen op het waterleidingnet aldaar nodig. Eis: 5c.

Met uitzondering van de greens is er geen grondverzet nodig en blijft de bodem ongestoord. Er is mogelijk voor de rest van het terrein sprake van verarming van de bodem. Effect:6b en 6d. Voor een zeer klein deel 6c.

De historische perceelsindeling zal slechts partieel en wel buiten de speelvelden, greens en afslagplaatsen kunnen worden gehandhaafd en zelfs mogelijk worden hersteld. Effect: 7b.

Doordat een golfbaan praktisch geheel uit gras en ruigte bestaat en wel in grote oppervlakten is de werking op de ruimtelijke kwaliteiten positief. Effect: 8c.
Geschiktheidbeoordeling van de landschapstypen.

Door de verschillende gebruiksvormen, waarvan de beschrijving in de bijlagen is opgenomen, met hun eisen en effecten te relateren aan de vier landschapstypen van de Eng ontstaat daaruit een beeld van de geschiktheid van die landschapstypen voor de betreffende gebruiksvormen. Het woord geschiktheid is niet helemaal juist, omdat daarvoor meer factoren van de gebruiksvormen moeten worden betrokken, zoals de economie, de bedrijfsvoering etc.

Het gaat er in het geval van de Eng om, welke gebruiksvormen het beste bij de genoemde landschapstypen passen.
Landschapstype 1. Open landschap.

Dit type komt geheel overeen met de doelstelling van de gemeentelijke overheid. Het is open, betrekkelijk grootschalig en bezit nog veel van de historische structuur. In dit meest waardevolle landschap dienen die gebruiksvormen te worden geweerd welke een bedreiging zijn voor deze kwaliteiten. Voor die bedreigende gebruiksvormen is het open landschapstype ongeschikt.


Landgebruik landbouw.

Uit de voorgaande beschrijving van de eisen en effecten van de diverse gebruiksvormen blijkt, dat alle eisen en effecten van het landbouwgebruik een positieve dan wel een neutrale invloed hebben op de eigenschappen van dit landschapstype. Landbouw past in dit landschapstype en is daarom als geschikt te beschouwen.



Landgebruik paardenhouderij.

Paardenhouderij zonder bouwwerken en met meer dan een minimale perceelsoppervlakte heeft om dezelfde redenen een positieve of neutrale invloed op het landschapstype. Voor deze vorm van gebruik is dit landschapstype geschikt.

Gaat de paardenhouderij vergezeld met bouwwerken in het open veld, dan is er een negatief effect op het open landschap. In dat geval is het landschapstype ongeschikt.

Met centrale bouwwerken bij bestaande bebouwing of met bouwwerken verscholen in bosjes of andere bestaande begroeiing is het landschap geschikt.



Landgebruik volkstuinen.( verhuurders en huurders).

Door de kleine schaal en de grote diversiteit, zeker wanneer ook nog bouwwerken aanwezig zijn, wordt de ruimtelijke kwaliteit van dit landschap negatief beïnvloed. Voor dit soort volkstuinen is het open landschap ongeschikt. Door aanpassing van de volkstuinen, waarbij bouwwerken afwezig zijn of aan strenge eisen voldoen, geen boomgewassen of hoog opgaande struiken worden geteeld en er een uniforme en esthetisch verantwoorde afrastering wordt toegepast kunnen volkstuinen in dit landschapstype worden getolereerd. Er is dan sprake van een redelijke geschiktheid.



Landgebruik kleinveehouderij.

Dit landgebruik kan voor wat betreft de geschiktheid worden vergeleken met de paardenhouderij. Het open landschap is geschikt met dezelfde restricties.



Landgebruik boomkwekerij.

Door het negatieve effect op de visuele ruimte door de meerjarige en vaak hoge beplanting is voor dit landgebruik het open landschapstype ongeschikt.



Landgebruik sport.

Korfbal en eventuele andere sporten op kleine velden hebben een verdichtende werking op de open ruimte. Voor deze sporten is dit landschapstype ongeschikt.

Sporten zoals hardlopen en joggen hebben een neutrale invloed. Dit landschapstype is daarvoor geschikt.

De golfsport heeft een positieve invloed op dit open landschap. Door de openheid van een golfbaan, zoals is beschreven, kan deze vorm van sport op bepaalde plaatsen de visuele kwaliteiten zelfs verbeteren. Het open landschap is geschikt voor golf.


Landschapstype 2. Besloten Landschap.

Dit overgangstype bestaat uit bouw- en weilanden met singels en boomgroepen. Het is gelegen in de noordelijke hoek van de Eng.


Landgebruik Landbouw.

Landbouw heeft geen enkel negatief effect op dit landschap. Ook de eisen die landbouw stelt kunnen hier vervuld worden. Dit landschapstype is geschikt voor landbouw.



Landgebruik paardenhouderij.

Juist door de beslotenheid en singels past de paardenhouderij zeer goed in dit landschap. Het is dus zeer geschikt voor dit landgebruik.



Landgebruik volkstuinen.

Door de kleinschaligheid zal er een negatieve invloed van dit landgebruik op het landschap uitgaan. Ook de vaak aanwezige schaduwwerking van de opgaande beplantingen zal een negatieve invloed op de kwaliteit van de volkstuinen hebben. Dus ongeschikt.



Landgebruik kleinveehouderij.

Vergelijkbaar met paardenhouderij. Dus geschikt.



Landgebruik boomkwekerij.

Door de met boomkwekerij gepaard gaande verdichting is het landschapstype voor dit landgebruik ongeschikt.



Landgebruik sport.

Ongeschikt voor korfbal en aanverwante sporten. Een golfbaan is zonder veel veranderingen in het landschap goed in te passen. Dus geschikt.


Landschapstype 3. Verdicht en versnipperd landschap met geringe visuele ruimte.

In dit type landschap overheerst kleinschalig landgebruik dat door de grote diversiteit geen ruimtelijke visuele kwaliteiten heeft.


Landgebruik landbouw.

Door de kleine percelen ongeschikt voor de landbouw.



Landgebruik paardenhouderij.

Gezien de versnippering is er vaak alleen land voor een bezetting met een of twee paarden te vinden. Gezien de bestaande verdichting zullen hier bouwsels geen schade aan het landschap toebrengen. Geschikt.



Landgebruik volkstuinen.

Een belangrijk deel van dit landschapstype wordt reeds door volkstuinen in beslag genomen. Gezien de kleinschaligheid en de geringe ruimtelijke kwaliteiten zouden hier bouwsels als schuilplaatsen, al dan niet centraal per complex, goed passen. Ook hoogopgaande gewassen als fruitbomen en struiken kunnen een plaats vinden.

Zeer geschikt voor alle typen volkstuinen.

Landgebruik kleinvee.

Op de wat grotere percelen kan goed kleinvee worden gehouden, al dan niet met bouwsels voor schuilgelegenheid. Dus geschikt.



Landgebruik boomkwekerij.

Geen negatieve invloeden op de visuele kwaliteiten, met uitzondering op aanwezige zichtlijnen van dit landschapstype. Het is dus geschikt voor boomkwekerij.



Landgebruik sport.

Door de versnippering ongeschikt voor de betreffende sporten.


Landschapstype 4. Versnipperd landschap tussen en langs woningen.

Dit landschapstype is vooral gelegen in het westen tegen of tussen de bebouwing van de Diedenweg. Het is een goed voorbeeld van de ontwikkeling van het landschap van de Eng als het gebruik ervan autonoom en onbegeleid zou gaan verlopen.


Landgebruik landbouw.

Door de sterke versnippering ongeschikt voor landbouw.



Landgebruik paardenhouderij.

Op de wat grotere percelen kunnen goed paarden worden gehouden. Er is bovendien bij de bewoning schuilgelegenheid te realiseren. Dus geschikt.



Landgebruik volkstuinen.

Wordt al voor een groot deel gebruikt voor volkstuinen. Zeer geschikt.



Landgebruik kleinveehouderij.

Als bij paardenhouderij op de wat grotere percelen geschikt.



Landgebruik boomkwekerij.

Op de wat grotere percelen is boomkwekerij goed mogelijk. Dus geschikt.



Landgebruik sport.

Door de ligging aan de stadsrand en de grotere wegen geschikt voor korfbal en andere sporten op kleine velden.

Door de versnippering ongeschikt voor golf.

Kartering
Op de in de bijlagen opgenomen kaarten is aangegeven:


  1. De vier landschapstypen.

  2. De geschiktheid voor landbouw

  3. De geschiktheid voor paardenhouderij

  4. De geschiktheid voor volkstuinen.

  5. De geschiktheid voor kleinveehouderij.

  6. De geschiktheid voor boomkwekerij

  7. De geschiktheid voor sport op kleine velden (korfbal)

  8. De geschiktheid voor sport op grote terreinen (golf).

In onderstaande tabel is de geschiktheid tabellarisch weergegeven.





Gebruikstype

landbouw

paarden

volkstuin

klein vee

boomkwekerij

sport kb

sport golf

Landschapstype














































1.

++

+/-

+/-

+

-

-

++

2.

++

++

+/-

+

-

-

+

3.

-

+

++

+

++

-

-

4.

-

+

++

+

+

+

-

++ zeer geschikt

+ geschikt

- ongeschikt



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina