Uitwerking tentamen Biochemie, 3-10-2008



Dovnload 10.18 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte10.18 Kb.
Uitwerking tentamen Biochemie, 3-10-2008
1.a. Teken de correcte chemische structuur met correcte stereochemie, N naar C volgorde, beide zuren gedeprotoneerd en beide basen geprotoneerd.
b. Waterstofbruggen tussen de CO en de NH van de peptidebindingen bij beide. Bij -helix zijgroepen allemaal naar buiten, rechtshandig, H-bruggen van CO(i) naar NH(i+4). Bij -sheet zijgroepen om en om aan andere kant, strengen parallel.
c. Bespreek tertiaire en evt. primaire/secundaire structuur van een amfifiel eiwit. Deel (module) met hydrofobe buitenkant voor hechting (door hydrofobe interacties, evt. uitleggen) aan apolaire binnenkant membraan. Kan via apolaire aminozuren of lipiden aan het eiwit. Andere module met hydrofiele buitenkant voor werking in water, en hydrofobe binnenkant. Noem een hydrofoob en een hydrofiel aminozuur.
d. Histonen zijn positief geladen om het negatief geladen DNA te binden, dus een techniek gebaseerd op lading: bijv. ion-chromatografie of iso-electric focussing. Evt. via een antilichaam.
2.a. Invullen in de Michaelis-Menten vergelijking en oplossen: KM = 2,78 mM, Vmax = 4,92 mM/min.
b. Turnover number = kcat = Vmax/[E]T = 2,46 x 106 min–1.
c. Met inhibitor: KM’ = 2,78 mM, Vmax’ = 2,96 mM/min, dus alleen verlagend effect op Vmax. Dit is een niet-competitieve inhibitor, zonder effect op de binding van het substraat (zelfde KM). Door binding van de inhibitor verandert de conformatie van het enzym, zodat geen reactie plaatsvindt.
3.a. Laat zien hoe de reactie verloopt, en leg uit wat het enzym bij elke stap kan helpen. Binden van DNA en water (bijv. via waterstofbruggen) . Meer nucleofiel maken van water (basisch aminozuur). Stabiliseren van de TS (5-coordinatie) met extra O door postieve site. Protoneren van de vertekkende groep. Voldoende ruimte voor 5-gecoordineerde TS.
b. De beste inhibitor lijkt op de TS, dus bij esterhydrolyse een tetraedrische stof met een minlading, bijv. een fosforverbinding. Evt. een competitieve inhibitor die lijkt op de ester, maar niet reageert, of een niet-reversibele inhibitor.
c. Er moeten meerdere active sites zijn op het enzym. Binding van eerste substraat verandert de conformatie van het eiwit, waardoor het tweede substraat anders bindt en/of reageert.
4.a. Niet-coderende sequentie in eukaryotisch DNA die verwijderd wordt door splicing van mRNA, en dus niet in eiwit terecht komt. Variatie hier heeft geen effect op eiwitten, dus kan gebeuren zonder directe consequentie.
b. Hittebestendig polymerase, nucleotide trifosfaten. De DNA duplex moet opengesmolten worden, waarna primers worden toegevoegd. Daarna niet al te veel afkoelen, anders vormt zich weer compleet duplex DNA. Polymerase werkt vanaf primers bij hoge temperatuur om DNA te repliceren.
c. Gel-elektroforese: DNA beweegt van min naar plus door zijn negatieve lading, waarbij kleine moleculen sneller door de gel lopen dan grote DNA’s. Uitvoering: minpool bovenaan, en opbrengen DNA ook. Migratie naar beneden toe. Wel ALU: 500 bp fragment. Geen ALU: 200 bp fragment. Homozygoot positief/negatief: 2 grote/kleine fragmenten. Heteozygoot: klein + groot fragmetn.
5.a. Enkelstrengs RNA vormt 4 basenparen, waarvan 2 GC, met zichzelf in een opgevouwen structuur:

U

5’-AU GG C


| | | | A
3’- AAUG CC U
b. Schets de klaverbladstructuur. tRNA draagt de aminozuren aan voor de eiwitsynthese (3-uiteinde), en bevat tevens het corresponderende anticodon dat complementair is aan het codon in het mRNA. Mutatie: soms verkeerde aminozuur ingebouwd op plek van een ander.
6.a. Cirkelvormig duplex DNA van enkele duizenden basenparen. Kan bacterie in en uit. Bevat voor de bacterie nuttige extra genen, naast het bacteriele genoom. Is een goede vector, want kan via knippen en plakken extra DNA krijgen (liefst in een resistentie-gen), dat daarna de cel ingaat en tot epxressie wordt gebracht. Bacterie herkenbaar door gevoeligheid voor specifiek antibioticum.
b. DNA is groot, polair en negatief: kan niet door membraan. Kationisch lipide: amfifiel met polaire kop en apolaire staart. Kop bindt aan DNA door positieve lading, maakt dus neutraal complex. DNA wordt ingepakt met apolaire staarten aan buitenkant, en kan dan membraan binnengaan en passeren.
7.a. Eiwitten die apolair buiten en polair binnen zijn, met binnen een tegengestelde polariteit als ion. Ion kan hechten aan polaire binnenkant afhankelijk van grootte. Te groot: past niet. Te klein: hydratatie is te sterk. Voor passief transport, dus binnendringen volgend ion duwt eerste ion verder, en uiteindelijk eruit aan andere kant (met lage concentratie).
b. Apolaire zijketens van eiwit zitten aan de buitenkant. Verstoren in water de vrijheid van water om in alle richtingen waterstofbruggen te vormen, en verlagen daardoor de entropie van water. Daarom zit eiwit liever in apolaire binnenkant membraan, en blijft daar. Uiteindes die in water steken wel polair.
c. Soniceren fosfolipiden + polaire kleine moleculen in waterige oplossing. Daarna grote vesicles (bolvormige bilagen) scheiden van kleine moleculen door gelfiltratie: kolom met korrels met porien waarin kleine moleculen hechten en grote vesicles niet. Vesicles komen als eerste zuiver van de kolom. Of: dialyse door membraan.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina