Universiteit Vlaanderen? Een waanidee door Prof. Paul De Grauwe



Dovnload 10.66 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte10.66 Kb.

Universiteit Vlaanderen? Een waanidee door Prof. Paul De Grauwe




De opening van het academiejaar 2006-2007 aan de KU Leuven.

© verhoogen.be

Bekijk de pagina uit de krant

Wie kwalitatief hoogstaand universitair onderwijs wil brengen heeft geen baat bij schaalvergroting, zegt Paul de Grauwe. Want topuniversiteiten zijn per definitie kleine universiteiten.

IN een lijst van de 100 topuniversiteiten in de wereld opgesteld door de Sjanghai Jiao Tong Universiteit komt geen enkele Belgische universiteit voor. Bij de tien topuniversiteiten in de wereld zijn er maar twee Europese (Cambridge en Oxford). Hoe komt het dat de Europese en de Belgische universiteiten niet zo goed scoren? Omdat hun structuur ouderwets is.

In bijna alle Europese landen zijn de universiteiten ofwel staatsinstellingen ofwel instellingen die voor het grootste deel financieel afhankelijk zijn van de overheid. Die instellingen volgen meestal de logica van staatsinstellingen. In België neemt dat extreme vormen aan. De professoren hebben een ambtenarenstatuut, met een vaste wedde die alleen stijgt met de leeftijd. Dus wat de wetenschappelijke productiviteit van de professor ook moge zijn, de wedde wordt daar niet door beïnvloed. Een totale aberratie in een wereld waar werknemers meer en meer geëvalueerd worden op hun kwaliteit.

Een tweede probleem met de Europese en Belgische universiteiten is dat ze niet of nauwelijks selectief mogen zijn wat de studenten betreft. Nochtans wordt de kwaliteit van een universiteit in grote mate bepaald door de kwaliteit van de studenten. De Amerikaanse topuniversiteiten hebben dat goed begrepen. Harvard, bijvoorbeeld, rekruteert alleen één tot twee procent van het totale aantal studenten. Het gevolg is dat die universiteit bevolkt wordt door briljante studenten. Samen met briljante proffen - die heel goed betaald worden omdat ze zo goed zijn - creëert dat een omgeving waarin nieuwe ideeën kunnen ontstaan.

Probleem nummer drie is dat Europese universiteiten te groot zijn. Om de een of andere reden geloven nogal wat academici en politici in Europa dat er schaalvoordelen te vinden zijn in het universitaire landschap. Een Vlaamse minister verklaarde ooit dat er in Vlaanderen maar plaats is voor één universiteit. En dat idee is heel populair: het werd nog onlangs herhaald door de rector van de Universiteit van Gent (DS 3 oktober) . De man droomt van één Vlaamse universiteit in plaats van zes. De te kleine schaal van onze universiteiten zou tot versnippering en inefficiëntie leiden. De conclusie is dat de Vlaamse universiteiten door afstoting van programma's en door samenwerking een grotere schaal moeten bereiken. In deze visie zal één grote Vlaamse universiteit die bijna 100.000 studenten zou tellen tot meer efficiëntie en tot hogere kwaliteit leiden. Een surrealistische visie.

Want wat is de optimale dimensie van universiteiten? Kijk naar de meest gerenommeerde Amerikaanse universiteiten en het zal opvallen hoe klein die zijn. Gemiddeld bedraagt het aantal studenten in de topuniversiteiten amper 17.000. En de privé-universiteiten zijn nog kleiner: gemiddeld 14.000 studenten.

Het feit dat de privé-universiteiten in Amerika typisch kleiner zijn dan de KU Leuven of de UGent is niet zonder belang. Die privé-universiteiten zouden heel gemakkelijk het aantal studenten kunnen opdrijven zonder noemenswaardig kwaliteitsverlies, omdat het aantal kandidaat-studenten wel tienmaal groter is dan het aantal toegelaten studenten. Maar als er schaalvoordelen zouden bestaan, zouden die universiteiten die voordelen zeker willen uitbuiten. Het feit dat ze het niet doen is een indirect bewijs dat dat soort schaalvoordelen niet bestaan.

We kunnen dus besluiten dat de optimale dimensie van een universiteit waarschijnlijk beneden 20.000 studenten gelegen is. Oplossingen moeten dan ook elders gezocht worden dan in een plan om de dimensie van deze universiteiten te vergroten door associaties en consolidatie van programma's.

Het feit dat de Amerikaanse topuniversiteiten opteren voor een kleine schaal terwijl veel Europese en Belgische universiteiten kiezen voor schaalvergroting heeft veel te maken met de verschillende manier van financieren van de universiteiten. De meeste Amerikaanse topuniversiteiten zijn privé-instellingen. Ze halen hun financiering voor een groot deel uit de inschrijvingsgelden van de studenten en de vrijwillige bijdragen van de alumni. Dat geeft hen de mogelijkheid te investeren in kwaliteit en in plaats van het aantal studenten te maximaliseren, studenten te selecteren op basis van kwaliteit.

De Europese financieringswijze wordt gekenmerkt door de eigenschap dat de overheid het inschrijvingsgeld op een heel laag niveau vastlegt. De financiering gebeurt in grote mate op basis van het aantal studenten. Dat creëert een dynamiek waarbij de universiteiten zoveel mogelijk studenten trachten aan te trekken, wat de kwaliteit van de studenten ook moge zijn.

Hoe meer studenten hoe beter is het motto van de Vlaamse universiteiten. Het financieringssysteem creëert dus een dynamiek waarbij universiteiten er op uit zijn hun schaal te vergroten, zelfs als schaalvergroting slecht is voor de kwaliteit.

Er bestaat dus geen geheim over het recept voor topuniversiteiten: ze moeten financieel onafhankelijk zijn. Dat impliceert dat ze zelf kunnen bepalen hoe hoog het inschrijvingsgeld zal zijn. Sommige universiteiten zullen dan investeren in kwaliteit en heel selectief zijn bij de aanwerving van studenten. Ze zullen ook hun professoren betalen in functie van prestaties en niet van anciënniteit zoals typisch het geval is in de overheidssector.

Een van de obsessies van het beleid voor universiteiten is het idee dat de universiteiten moeten samenwerken. Universiteiten die het minder goed doen in een bepaalde studierichting zouden die richting moeten afstoten zodat de meer 'excellente' universiteiten zich op deze studierichtingen kunnen concentreren.

Maar het samenwerkingsmodel introduceert op termijn een gevaar van verstarring, precies omdat ze underdogs uitschakelt en alleen de excellente instellingen behoudt. Die excellente instellingen zijn echter altijd slechts tijdelijk excellent. Ze hebben in zekere zin de underdogs nodig die hun excellentie voortdurend op de proef stellen.

De obsessie met grote schaal in Vlaanderen heeft ertoe geleid dat universiteiten associaties aangaan met hogescholen. De KU Leuven, bijvoorbeeld, heeft een associatie met 12 hogescholen in 23 Vlaamse steden die meer dan 70.000 studenten omvat. Maar de waanidee dat bundeling van krachten (lees: een grote dimensie hebben) tot meer kwaliteit zal leiden botst op de evidentie die we erover hebben. De beste universiteiten zijn kleine universiteiten. Er is geen enkele goede universiteit ter wereld die meer dan 50.000 studenten telt.

Het Europese en het Belgische beleid zit wat de universiteiten betreft gevangen in tegenstrijdige doelstellingen. Aan de ene kant wil het beleid kwalitatief hoogstaand universitair onderwijs tot stand te brengen, maar aan de andere kant wil datzelfde beleid alle universiteiten openstellen voor alle studenten, en moet dat onderwijs gratis (of bijna gratis) worden verleend. Die twee doelstellingen zijn onverenigbaar.

We zullen dus moeten kiezen. Ofwel gaan we voor kwaliteit en dan moeten universiteiten vrij gelaten worden in de prijs van hun onderwijs en de selectie van de studenten. Ofwel kiezen we voor universiteiten die daarin geen onafhankelijkheid hebben. In dat geval zullen we geen topuniversiteiten kennen.

Paul De Grauwe



(De auteur doceert economie aan de KU Leuven.)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina