Update of April 2013, for the Emily Dickinson Lexicon



Dovnload 479.06 Kb.
Pagina3/6
Datum22.07.2016
Grootte479.06 Kb.
1   2   3   4   5   6

(a) Sic transit gloria mundi”: Latijn, "Zo vergaat de roem der wereld".

(b) Dum vivamus vivamus”: Latijn, "Als we leven, laat ons leven.", motto van Epicurus.

(c) “Oh veni vidi vici!”: Latijn, "Ik kwam, ik zag, ik overwon!" (Julius Caesar, in 47 voor Chr.).

(d) “caput”: Latijn, hoofd – hier "studiehoofd, streber", half ironisch, half bewonderend bedoeld.

(e) “memento mori”: Latijn, "denk er aan te moeten sterven", tegenover het "carpe diem" (pluk de dag) van de Epicuristen.

(f) Peter Parley: pseudoniem van Samuel Griswold Goodrich, ook hoofdfiguur in een van zijn kinderboeken.

(g) Daniel Boon: een Amerikaanse pionier en volksheld (Ohio Valley, 1735─1820).

(h) pippin: appelras (zeer waarschijnlijk Cox's Orange Pippin), dat in 1825 werd gekweekt en

in 1850 op de markt kwam, slechts twee jaar eerder dan het gedicht werd geschreven.

(i) transcendentaal: bovenzinnelijk; boven de grens der ervaring liggend (Koenen & Drewes, 1980).

(j) supposed: verondersteld. Hier, vanwege het rijm, enigszins humoristisch vertaald met 'verdacht'.

(k) Bunker Hill: een grafheuvel voor George Bunker, in Massachusetts, uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775─1783).

(l) Bonnie Doon: een Keltisch lyrisch gedicht. Het is hier waarschijnlijk een bloem die bij deze Valentine was gevoegd.

(m) Tuscarora: naam van een indianenstam in Pennsylvania.
Dit is een studentikoze valentine, gezonden naar William Hoyland (een jonge leraar aan het Amherst College).

Het werd opgenomen in de Springfield Daily Republican van 20 februari 1852. Het is een van de allereerste gedichten van Emily Dickinson.


Andere duidingen: Kornfeld, Preest

(a) Sic transit gloria mundi”: Latin, "Thus passes the glory of the world".

(b) Dum vivamus vivamus”: Latin, "When we live, let us live", device of Epicurus.

(c) “Oh veni vidi vici!”: Latin, "I came, I saw, I conquered!" (Julius Caesar, in 47 before Chr.).

(d) “caput”: Latin, head; here "an achiever", meant in a half ironic, half admiring sense.

(e) “memento mori”: Latin, (remember the death), as the opposite of the "carpe diem" (seize the day) of the Epicureans.

(f) Peter Parley: pseudonym of Samuel Griswold Goodrich, is also a main character in one of his children's books.

(g) Daniel Boone: an American pioneer and folk hero (Ohio Valley, 1735─1820).

(h) pippin: an apple variety (very probably Cox's Orange Pippin), which was bred in 1825,

and put on the market in 1850, only two years before the poem was written.

(i) transcendental: beyond the limits of experience (Koenen & Drewes, 1980).

(j) supposed: Dutch 'verondersteld'. Here, because of the rhyme, somewhat humorously translated with 'verdacht' ( = English 'suspicious').

(k) Bunker Hill: a burial mound for George Bunker, in Massachusetts, from the American War of Independence (1775─1783).

(l) Bonnie Doon: a Celtic lyrical poem. Here probably a flower that was added to this Valentine.

(m) Tuscarora: name of an Indian tribe in Pennsylvania.
This is a student-like valentine, sent to William Hoyland (a young teacher at Amherst College).

It was published in the Springfield Daily Republican of 20 February 1852. It is one of Emily Dickinson's very first poems.




Other interpretations: Kornfeld, Preest



J5 / F4 (1854)

I have a Bird in spring

Which for myself doth sing ─

The spring decoys.

And as the summer nears ─

And as the Rose appears,

Robin is gone. (a)


Yet do I not repine

Knowing that Bird of mine

Though flown ─

Learneth beyond the sea

Melody new for me

And will return.


Fast in safer hand

Held in a truer Land

Are mine ─

And though they now depart,

Tell I my doubting heart

They're thine.


In a serener Bright,

In a more golden light

I see

Each little doubt and fear,



Each little discord here

Removed.
Then will I not repine,

Knowing that Bird of mine

Though flown

Shall in a distant tree

Bright melody for me

Return.
Emily Dickinson


Mijn Vogel, hij bezingt

Dat lente weer begint ─

Het voorjaar lokt.

En als de zomer komt ─

En als de Roos zich toont,

Geen Roodborst meer.


Dan treur ik toch maar niet

'k Weet schoon je hem niet ziet,

Hij leert ─

Een nieuw lied, Overzee

En keert dan weer om dat

Te zingen hier.


Snel in echter Land

En in veiliger hand

Zijn die van mij ─

En schoon ze weg zijn nu,

Zeg ik mijn weif'lend hart:

Van jou zijn zij.


Met een zeer zuiver Zicht,

In een meer gouden licht

Zie ik

Elke twijfel en pijn,



Elke wanklank, hoe klein,

Zijn weg.


Dan treur ik zeker niet,

'k Weet schoon je hem niet ziet

Hij brengt

Uit verre boom dan mee

Een nieuwe melodie

Voor mij.


Vertaling Geert Nijland met vertaalsuggesties van Ans Bouter

Sources (Bronnen): Bianchi, 1932, p. 181 – 182; Franklin, 1998, p. 60;

Dickinson, in a letter to Susan Gilbert Dickinson.



Andere vertalingen in Germaanse talen: onbekend

(a) robin: niet het kleine Europese roodborstje -- een standvogel, van de vliegenvanger-familie, maar de veel grotere Amerikaanse roodborstlijster -- een trekvogel, van de familie der lijsterachtigen (zie ook het gedicht The Robin's my Criterion for Tune).
Emily was 24 jaar oud toen zij dit gedicht schreef.

Een gedicht bij een brief aan haar vriendin Susan (Sue), die een relatie had gekregen met Emily's broer Austin. De "driehoeksrelatie" was aanleiding tot gevoelens van jaloezie bij Emily. Deze brief erbij is van belang om het gedicht te begrijpen. Emily laat in die brief haar teleurstelling blijken: "Sue ─ je kunt weggaan of blijven ─ Er is maar één alternatief, wij verschillen vaak de laatste tijd, en dit moet het laatste zijn", en aan het eind: "We hebben erg plezierig gewandeld ─ Misschien is dit het punt waarop onze wegen uit elkaar gaan ─ dan ga door met zingen, Sue, en ik reis voort de heuvel op in de verte" (citaten naar Preest, 2010, p.3). Sue is dus 'de vogel in de lente' van het gedicht. Gedurende de afwezigheid van Susan (in de zomer) heeft Emily's eigen imaginaire vogel een nieuwe melodie geleerd: "Hoewel je hem niet ziet, / Brengt hij / Mee uit een verre boom / Een nieuwe melodie / Voor mij.".


Andere duidingen: Kornfeld, Preest
(a) robin: not the small European robin -- resident bird, of the flycatcher family, but the bigger American robin -- migratory bird, of the thrushes family (see also the poem The Robin's my Criterion for Tune).
Emily was 24 years old when she wrote this poem.

A poem accompanying a letter to her friend Susan (Sue), who had got a relationship with Emily's brother Austin. The "triangular affair" was a cause of jealousy in Emily. A letter accompanying the poem is important to understand why. Emily shows her disappointment in the letter: "Sue ─ you can go or stay ─ There is but one alternative, we differ often lately, and this must be the last", and at the end: "We have walked very pleasantly ─ Perhaps this is the point at which our paths diverge ─ then pass on singing, Sue, and up the distant hill I journey on." (citation after Preest, 2010, p. 3). Thus, Sue is 'the bird in spring' of the poem. During the absence of Susan (in summer) Emily's own imaginary bird learned a new melody: "That Bird of mine / Though flown / Shall in a distant tree / Bright melody for me / Return.".


Other interpretations: Kornfeld, Preest

J13 / F35 (1858)



Sleep is supposed to be

By souls of sanity

The shutting of the eye.
Sleep is the station grand

Down wh', on either hand

The hosts of witness stand!
Morn is supposed to be

By people of degree

The breaking of the Day.
Morning has not occurred!
That shall Aurora be ─

East of Eternity ─

One with the banner gay ─

One in the red array ─



That is the break of Day!
Emily Dickinson

Slaap wordt geacht te zijn,

Zeggen gezonde zielen,

Het sluiten van de ogen.
Slaap is het groot station

Waar de bewustzijnshorizon

Vernauwd is tot zijn bron! (a)
's Morgens, zo wordt gedacht

Door mensen met gezag

Is 't krieken van de Dag.

(b)


Ochtend is het nog niet!
Dat zal Aurora zijn ─ (c)

Oost van de Eeuwigheid.

Eén met de bonte vlag ─

Eén in de rode dracht ─



Dat is 't begin der Dag!
Vertaling Geert Nijland

Slaap wordt gehouden door

't verstandig mensdom voor

het sluiten van het oog.
Slaap is dat schone punt

als ons 't verlies van, een moment,

't bewustzijn is gegund.
De ochtend houdt men voor

de tijd waarop, in 't juiste spoor,

het morgenlicht weer gloort.
De Ochtend – zij blijft uit!
Een laatste knik, o Morgenglans

ontwaken in oneindig Thans!

Een Morgen wappert de banier.

Een Lam doet van zich horen ─



Die is het Ochtendgloren!
Vertaling Jan Zwemer

Sources (Bronnen): Todd & Higginson, 1890, p. 150; Franklin, 1998, p. 88; Franklin, 1981, Fascicle 3 (H 4).

Bron van deze twee Nederlandse vertalingen en de Nederlandse annotaties: Nijland & Zwemer, 2012, p. 23 – 27.

Andere vertalingen in Germaanse talen : Borum, 1984

(a) The hosts of witness: de gastheren van het bewustzijn.

(b) De onregelmatige strofe-indeling in beide Nederlandse vertalingen is in overeenstemming met het oorspronkelijke manuscript zoals weergegeven in Franklin (1998, p. 87). Todd & Higginson 'normaliseerden' de strofe-indeling tot vijf strofen van drie regels.

(c) Aurora: Romeinse godin van de dageraad (overeenkomend met de Griekse godin Eos). Aurora komt van het Latijnse woord Aurum = goud.


Sleep is supposed to be is een van de gedichten waar de Amerikaanse componist Aaron Copland muziek bij heeft geschreven (http://www.youtube.com).

Preest (2010, p. 5 – 6) denkt dat dit gedicht een speels protest tegen vroeg opstaan is; het opgenomen in een brief aan Emily's vader (maar zie ook Zwemers interpretatie hierna). De brief wordt voorafgegaan door een mild spottende opdracht: "Aan mijn Vader ─ aan wiens onvermoeibare pogingen ten behoeve van mij, ik mijn ochtenduren te danken heb, te weten van 3 uur 's ochtends tot 12 uur 's middags ─ deze dankbare regels zijn geschreven door zijn liefhebbende Dochter" (vertaald citaat uit Franklin, 1998, p. 87). Volgens Preest is het reveil van drie uur 's ochtends een overdrijving, overeenstemmend met Emily's plagende opmerking dat haar vader niet zou behoren tot de "gezonde zielen" en de mensen "uit goede kringen", als hij niet zou weten dat de nacht is om te slapen, en dat de dag pas begint "als Aurora het oosten, de plaats van de eeuwigheid, rood kleurt". Preest ontkent voorts dat het gedicht serieus bedoeld is: "Veel van Emily's gedichten gaan over ontwaken in het eeuwige leven , maar, ondanks de laatste strofe, is dat bij dit gedicht niet zo. De lezer moet zich niet laten misleiden door de grandioze taal. Het is in feite een plaaggedicht.". Todd & Higginson namen het gedicht echter op in hun hoofdstuk Time and Eternity niet een humoristisch, maar een zeer serieus hoofdstuk.


Toelichting van Jan Zwemer bij zijn vertaling:

Van dit gedicht hoeft het niet te verbazen dat het nog amper vertaald is. Wij vonden alleen een Deense vertaling van Poul Borum (1984, p. 13). De laatste strofe is behoorlijk moeilijk en vergt enige bijbelkennis. Het gedicht vergelijkt het ontwaken uit de normale slaap met het eeuwig ontwaken aan het eind der tijden, zoals beschreven in Openbaringen. "East of Eternity" is een variant op "East of Eden", het land waarheen in Genesis 4 Kaïn verbannen werd, ook wel genaamd "het land Nod". In het Engels bestaat de uitdrukking voor iemand die in slaap is gevallen (en dus knikkebolt): "he 's gone off to the land of Nod". "To nod" is immers "knikken". Zowel "One with the banner gay" als "One in the red array" verwijzen (direct of indirect) naar Christus. "the banner gay" verwijst naar Jesaja 18:3, waar het gaat over het eind der tijden: "allen gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen (...)", en "the red array" verwijst naar Jesaja 63:1 – 2: "Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn groote kracht? Ik ben het , Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?". Ook kunnen "the red array" en "the banner gay" verwijzen naar Hooglied 5:10: "Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend.". Ten slotte kan "the red array" ook nog verwijzen naar de rode kleding van Christus in Openbaringen 19:13: "En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods" (citaten, Statenvertaling, Jongbloed editie, 1977). Deze interpretatie van Jan Zwemer stemt in grote lijnen overeen met die van Judith Farr (1992).


Andere duidingen: Kornfeld, Preest
(a) The hosts of witness: no English comment.

(b) The irregular stanza-composition in both Dutch translations corresponds with the original manuscript as given in Franklin (1998, p. 87). Todd & Higginson 'normalized' the stanza composition to five stanzas of three lines.

(c) Aurora: Roman goddess of dawn (corresponding with the Greek goddess Eos). Aurora comes from the Latin word Aurum = gold.
Sleep is supposed to be is one of the poems for which the American composer Aaron Copland wrote accompanying music (http://www.youtube.com).

Preest (2010, p. 5 – 6) thinks that this poem is a playful protest against early rising; it is included in a letter to Emily's father (see however also Zwemer's interpretation below). The letter is preceded by a mildly mocking dedication: "To my Father ─ to whose untiring efforts in my behalf, I am indebted for my morning ─ hours ─ viz – 3. AM – to 12. PM ─ these grateful lines are inscribed by his affectionate Daughter" (quotation: Franklin, 1998, p. 87). According to Preest the statement of rising as early as three o clock in the morning is an exaggeration. This corresponds with Emily's teasing remark that her father didn't belong to the "souls of sanity" and the "people of degree", if he did not know that the night is for sleeping, and that day starts only "when Aurora reds the east, the place of eternity". Preest further denies that the poem is meant seriously: "Many of Emily’s poems are about waking to eternal life, but, despite the last stanza, this one is not. The reader should not be misled by its grandiose language. It is in fact a poem of teasing, (...)". Todd & Higginson, however, included the poem in their chapter Time and Eternity – not a humorous, but a very serious chapter.


Jan Zwemer's explanation for his translation:

It is not surprising that this poem is hardly ever translated (we only found a Danish translation by Poul Borum (1984, p. 13)). The last stanza is fairly difficult and requires some scriptural knowledge. The poem compares the awakening from normal sleep with the resurrection awakening at the End of Times, as described in Revelation. "East of Eternity" is a variant on "East of Eden", the land to which Cain was banned in Genesis 4, also called "the land of Nod". In English there is an expression for somebody who falls asleep (and so nods off): "he's gone off to the land of Nod". "To nod" means '"knikken" in Dutch. The "One with the banner gay" as well as the "One in the red array" refer to Christ: "The banner gay" refers to Isaiah 18:3, about the end of times: "All you inhabitants of the world, and you dwellers on earth, As soon as a standard is raised on the mountains (...)", and "the red array" refers to Isaiah 63:1 – 2: "Who is this who comes from Edom, With garments of glowing colors from Bozrah, This One who is majestic in His apparel, Marching in the greatness of His strength? It is I who speak in righteousness, mighty to save. Why is Your apparel red, And Your garments like the one who treads in the wine press?". "The red array" and "the banner gay" could also refer to Songs of Solomon 5:10: "My beloved is dazzling and ruddy, Outstanding among ten thousand." (in this English translation the word banner is not mentioned, however, as it is in the Dutch translation). Finally "The red array" may also refer to the red clothing of Christ in Revelation 19:13: "He is clothed with a robe dipped in blood, and His name is called The Word of God." (translation of parts between quotes: New American Standard Bible, 1995).

Jan Zwemer's interpretation is broadly in line with that of Judith Farr (1992).
Other interpretations: Kornfeld, Preest
J215 / F241 (1861)

What is ─ 'Paradise' ─

Who live there ─

Are they 'Farmers' ─

Do they 'hoe'─

Do they know that this is 'Amherst' ─ (a)

And that I ─ am coming ─ too ─


Do they wear 'new shoes' ─ in 'Eden' ─

Is it always pleasant ─ there ─

Wont they scold us ─ when we're homesick ─ (b)

Or tell God ─ how cross we are ─


You are sure there's such a person

As 'a Father' ─ in the sky ─

So if I get lost ─ there ─ ever ─

Or do what the Nurse calls 'die' ─


I shant walk the 'Jasper' ─ barefoot ─ (c)

Ransomed folks ─ wont laugh at me ─

Maybe ─ 'Eden' a'nt so lonesome

As New England used to be!


Emily Dickinson

Wat is ─ 'Paradijs' ─

Wie woont daar ─

Zijn er 'Boeren' ─

Met een 'schoffel' ─

Weten zij dat dit 'Amherst' is ─

En dat ik ─ ook komen ─ zal ─


Draagt men daar steeds ─ 'nieuwe schoenen' ─

Is het in 'Eden' prettig ─ fijn ─

Schelden z' als ─ we heimwee hebben?

Zegt men God ─ hoe dwars wij zijn?


Weet je vast dat in de hemel

Er 'een Vader' ─ op ons let ─

Als ik ooit eens ─ verdwaal daar ─

Doe wat Zuster 'sterven' noemt ?


'k Zal niet blootsvoets ─ op 'Jaspis' lopen ─

Verlosten lachen ─ niet om mij ─

Straks blijkt ─ 'Eden' minder eenzaam

Dan Nieuw Engeland placht te zijn!


Vertaling Geert Nijland

Wat is 'Paradijs'?

Wie zijn daar?

Schoff'len 'boeren'

Daar in 'grond'?

Kennen zij het hier als 'Amherst'?

Weten zij ook van mijn komst?


Draagt men daar 'zijn nieuwe schoenen'?

Heb je het daar altijd fijn?

Geeft men standjes bij verlangen?

Zegt men God hoe dwars we zijn?


Volgens jou is er 'een Vader'

Hoog daar ergens in de lucht

Mocht ik er een keer verdwalen

Hoort men er 'mijn laatste zucht'?


Niet de 'Jaspis' blootsvoets over

Uitverkoren volk dat lacht.

Straks blijkt 'Eden' minder eenzaam

Dan Nieuw Engeland eerder placht!


Vertaling Ans Bouter

Sources (Bronnen): Todd & Bingham, 1945, p. 85; Franklin, 1998, p. 264 – 265;

Franklin, 1981, Fascicle 9 (H 79).






Andere vertalingen in Germaanse talen:

Verstegen, 2011; Kübler, 1999; Hagerup, 1977


(a) Amherst: woonplaats van de dichteres in Nieuw Engeland.

(b) homesick: variant, 'hungry': Ans Bouter: "Bij de tweede strofe is de vraag wat Emily Dickinson bedoelde met 'being hungry'. Zou het niet gewoon het 'naar iets verlangen' kunnen zijn (niet tevreden zijn met je lot werd vroeger ook wel ‘verderfelijk’ geacht, ...), of 'zeggen dat je honger hebt' terwijl van echt honger lijden geen sprake kon zijn. Maar ik twijfel.".

Aan deze laatste mogelijkheid heeft Peter Verstegen kennelijk gedacht. Want hij vertaalde de regel als volgt: "Krijg je een standje ─ als je trek hebt".

Gunhild Kübler houdt het op honger: "Schimpfen sie uns ─ wenn wir hungern / Und verpetzen uns beim Herrn" (Schelden ze ─ als we hongeren / En verklikken ons bij de Heer). En Inger Hagerup denkt aan heimwee: "Sladrer de til Gud, og skjenner / hvis jeg skulle lengte hjem?" (Klikt men bij God, en berispt men mij / mocht ik naar huis willen?).

(c) Jasper: Nederlands, jaspis; een soort edelsteen. De eerste steen van de fundering van het hemelse Nieuwe Jeruzalem, uit het visioen van de apostel Johannes, was van jaspis gemaakt . Emily veronderstelt in haar dichterlijke vrijheid dat de straten van het 'Nieuwe Jeruzalem' van jaspis gemaakt zijn, maar volgens de bijbeltekst zijn de straten van goud gemaakt en een der fundamenten van de muur van jaspis (Openbaring 21:19 – 21, Statenvertaling): "En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcédon, het vierde Smaragd. Het vijfde Sardónix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, en iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas.".

(d) de vele aanhalingstekens: De meeste interpretatoren zijn het er wel over eens dat Emily ironisch is in dit gedicht. Het opzetten van haar kinderstem zou haar manier zijn om zich subversief te uiten door naïeve reproductie van letterlijke interpretaties van de Bijbel door leraren predikanten en andere belangrijke mensen. Ook het vele gebruik hier van aanhalingstekens kan men in dit licht zien. Ans Bouter: "Ik denk dat Emily Dickinson met haar vragen de stelligheid, waarmee anderen in haar omgeving over de hemel en hoe die eruit zou zien spraken, aan de orde wilde stellen. Zo van hoe komen jullie daar eigenlijk bij? En dan zijn er zeker ook gewoon “boeren” en dan zijn die zeker ook nog gewoon “aan het schoffelen”.

Met kinderlijke nieuwsgierigheid stelt de dichteres vragen over de aard van de Hemel. Zij is niet zozeer geïnteresseerd in de materiële eigenschappen van die plaats, als wel in de meer aardse en sociale dingen waar plattelandskinderen zich meestal mee bezig houden: Kom je er boeren met schoffels tegen? Draagt men er nieuwe schoenen? Is het er prettig toeven? Wordt er ook gescholden, en geklikt tegen God, of kan ze worden uitgelachen? Emily heeft dus veel vragen over de Hemel. Die vragen komen ook naar voren in enkele andere van haar gedichten over de Hemel, zoals Zal er werkelijk een 'morgen' zijn? (J101 / F148), waarin het verlangen naar een hemel overweegt, en in Naar de Hemel gaan! (J79 / F128), waarin haar ongeloof in, en weerstand tegen, de Hemel de overhand heeft. Maar het gedicht hier, What is ─ 'Paradise', eindigt weer met Emily's 'voordeel van de twijfel', als ze zegt dat het in Nieuw Jeruzalem wel eens minder eenzaam zou kunnen zijn dan het in Nieuw Engeland altijd was.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina