Vakgroep Sociologie Departement Sociologie



Dovnload 33.81 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte33.81 Kb.












Vakgroep Sociologie

Departement Sociologie

Onderzoeksgroep TOR

Onderzoeksgroep SeP “School & Politiek”

Vrije Universiteit Brussel

Universiteit Antwerpen

Pleinlaan 2, 1050 Brussel

Sint-Jacobsstraat 2, 2000 Antwerpen

http://www.vub.ac.be/TOR/



International civic and citizenship education study in Vlaanderen


Perstekst














Saskia De Groof, Eva Franck,

Mark Elchardus & Dimokritos Kavadias











1ICCS?


ICCS is een internationale studie naar burgerschapseducatie georganiseerd door de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). ICCS wil onderzoeken of en op welke manier jongeren voorbereid zijn op hun rol als burger. Meer bepaald werden de competenties van jongeren om democratisch politiek burgerschap op te nemen, onder de loep genomen. 38 landen (of regio’s) namen aan de studie deel. Hiertoe vulden in het schooljaar 2008-2009 meer dan 140.000 14-jarige leerlingen verschillende vragenlijsten in. Via een uitgebreide cognitieve test werd gepeild naar de kennis en het redeneer- en analyseervermogen van jongeren op het vlak van burgerschap. Daarnaast werden ook een hele reeks waarden en attituden evenals gedragsintenties en feitelijke gedragingen bevraagd. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van alle deelnemende landen en regio’s.

Tabel 1: De deelnemende landen of regio’s van ICCS 2009



Europese landen

Overige landen

Bulgarije

Malta

Chili

Cyprus

Nederland a c

Chinees Taipei (Taiwan)

Denemarken b

Noorwegen b

Colombia

Engeland b

Oostenrijk b

Dominicaanse Republiek

Estland

Polen

Guatemala

Finland

Slovenië

Hongkong a b

Griekenland c

Slowakije

Indonesië

Ierland

Spanje

Mexico

Italië

Tsjechië

Nieuw-Zeeland b

Letland

Vlaanderen b

Paraguay

Liechtenstein

Zweden

Republiek Korea

Litouwen

Zwitserland b

Russische Federatie

Luxemburg b




Thailand

In Vlaanderen participeerden 2.968 leerlingen uit het tweede leerjaar en 1.965 leerlingen uit het vierde leerjaar secundair onderwijs aan de studie. Ook leerkrachten en schoolhoofden namen aan de studie deel. Het is de eerste keer dat Vlaanderen deelneemt aan een dergelijk internationaal onderzoek rond burgerschap en burgerschapseducatie. Dat betekent dat we nu voor de eerste keer de mogelijkheid hebben om de Vlaamse jeugd op deze aspecten met jongeren uit andere landen te vergelijken. Voor de uitvoering van ICCS in Vlaanderen werkten de Vakgroep Sociologie van de Vrije Universiteit Brussel en het Departement Sociologie van de Universiteit Antwerpen samen. Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming stelde de nodige middelen ter beschikking om de studie tot een goed einde te brengen. De Vlaamse onderzoeksresultaten zijn neergeschreven in een brochure “Vlaanderen in ICCS 2009” en een eindrapport “Burgerschap. Vlaanderen in internationaal perspectief”.

2Belangrijkste bevindingen

2.1Internationale vergelijking


De vergelijking van Vlaanderen met de andere deelnemende landen leert ons dat we het in het beste geval gemiddeld, maar vaker niet goed doen. Vlaamse jongeren scoren op of rond het West-Europese gemiddelde voor wat betreft hun burgerschapskennis, hun vertrouwen in politieke instellingen, en hun houding ten aanzien van gendergelijkheid. Vlaamse leerlingen hechten daarentegen wat minder belang aan fundamentele democratische rechten (zoals het recht op vrije en geheime verkiezingen), willen aan etnische groepen minder kansen en rechten geven, en hechten minder belang aan conventioneel en sociaal georganiseerd burgerschap dan in (West-)Europa. Verder stellen we vast dat Vlaamse leerlingen zich minder goed in staat achten om een aantal burgerschapsgerelateerde activiteiten uit te voeren, zoals bv. zelf kandidaat zijn bij een schoolverkiezing of een televisiedebat volgen over een omstreden kwestie. Ze verwachten in de toekomst ook minder deel te nemen aan legale protestvormen (zoals deelnemen aan een vreedzame optocht of ervoor kiezen bepaalde producten niet te kopen) of aan verkiezingen. Op al deze aspecten scoort Vlaanderen significant lager dan het internationale, Europese en West-Europese gemiddelde. Dat betekent niet dat Vlaanderen hier altijd rode lantaarn is. Op sommige van de opgesomde houdingen scoren andere Europese landen nog slechter. Voor de ene of andere van de overlopen houdingen geldt dat voor Nederland, Tsjechië, Finland, Cyprus, Malta, Zwitserland, Denemarken en/of Letland.

Ronduit slecht doen Vlaamse leerlingen het wel wat betreft hun houding tegenover de rechten van immigranten, hun politieke interesse, hun politiek zelfbeeld, de mate waarin ze over politiek discussiëren met vrienden en familie, hun verwachte politieke participatie als volwassene, hun verwachte participatie als jongere en hun attituden ten opzichte van het eigen land. In vergelijking met de jongeren in andere Europese landen interesseren Vlaamse jongeren zich amper voor politiek, discussiëren ze weinig over politiek in hun vrije tijd met familie en vrienden, schatten ze hun eigen capaciteiten om politiek te begrijpen en er actief aan deel te kunnen nemen erg laag in, en verwachten ze in de toekomst dan ook weinig betrokken te raken bij actieve vormen van politieke participatie (zoals lid worden van een partij of een lezersbrief schrijven over sociale of politieke kwesties). Vlaanderen neemt in de landenvergelijking op deze aspecten vaak de allerlaatste positie in (wel, afhankelijk van de specifieke houding, samen met Tsjechië, Slovenië, Letland, Nederland, Zwitserland, en/of Finland). Ook op de houding tegenover immigranten nemen de Vlaamse leerlingen (samen met Nederland en Engeland) de laagste positie in van alle deelnemende landen.


2.2Verklaringen voor Vlaamse positie


Diepgaande analyses werden verricht om de positie van Vlaanderen te verklaren inzake burgerschapskennis, het belang dat wordt gehecht aan conventioneel burgerschap, het politiek zelfbeeld, de houding ten aanzien van gendergelijkheid en de houding ten aanzien van immigranten.

Vlaamse leerlingen zouden veel beter scoren op de kennisschaal en merkelijk beter dan het Europese gemiddelde indien de lerarenopleiding in Vlaanderen even lang zou zijn als gemiddeld in Europa en indien de overgang van lager naar secundair onderwijs er binnen een eenheidsstructuur automatisch zou verlopen. In Vlaanderen bedraagt de lerarenopleiding voor leerlingen van het lager secundair onderwijs drie jaar, maar dit is in Europees perspectief uitzonderlijk laag. De gemiddelde duur van de lerarenopleiding bedraagt in onze steekproef van Europese landen 4,5 jaar. Het feit dat in Vlaanderen de overgang van het basis- naar het secundair onderwijs niet automatisch gebeurt maar afhankelijk is van het effectief succesvol afronden van het basisonderwijs, zou eveneens kunnen verklaren waarom Vlaanderen gemiddeld scoort en slechter dan de best scorende Europese landen. In landen die met een eenheidssysteem werken tussen het basis- en lager secundair onderwijs worden leerlingen met leerproblemen, die in andere schoolsystemen wellicht schoolachterstand zouden oplopen door het overdoen van een jaar, waarschijnlijk beter gevolgd en begeleid bij die automatische overgang. Dit lijkt te leiden tot hogere prestaties in het algemeen.

Daarnaast lijkt het er ook op dat leerlingen een hogere mate van kennis en gendergelijkheid hebben in meer gemoderniseerde, gedetraditionaliseerde samenlevingen of kennismaatschappijen, maar dat deze samenlevingen er doorgaans minder goed in slagen de jongeren het belang van conventioneel burgerschap bij te brengen en hen een positief politiek zelfbeeld te laten ontwikkelen. Deze maatschappelijke processen zijn al ver gevorderd in België, wat voor een deel verklaart waarom ook onze jongeren worden meegesleurd in deze negatieve maatschappelijke dynamiek. Op deze manier kan ongeveer de helft van het negatieve effect van Vlaanderen op het belang van conventioneel burgerschap en het politiek zelfbeeld worden verklaard. In dergelijke gedetraditionaliseerde, geglobaliseerde kennissamenlevingen dient te worden gewerkt aan andere, nieuwe burgerschapsmodellen dan de bestaande conventionele vormen van politieke (groeps)betrokkenheid.

De minder positieve houding ten aanzien van migranten in Vlaanderen kan deels worden verklaard door het feit dat Vlaanderen een aanzienlijk aantal asielzoekers kent. In landen waar een relatief groot aantal vluchtelingen verblijven, stellen de leerlingen zich negatiever op tegenover migranten. Dit effect zou via de media kunnen lopen en de polemieken die zich rond het al dan niet toelaten van extra asielzoekers spelen, maar dit kunnen we via onze gegevens niet nagaan. Het aantal asielzoekers kan ook indicatief zijn van de migratiedruk in het algemeen. In landen die een fragmentatie of versnippering van het partijlandschap kennen, blijken de leerlingen tevens minder positief te staan ten aanzien van migranten. Dit wijst er wellicht op dat in een dergelijk gefragmenteerd partijlandschap de kans groter is dat partijen die zich richten op de migrantenproblematiek gemakkelijk een electorale niche vinden. De fragmentatie van het partijlandschap, die in Vlaanderen hoog is, kan ook een deel van het negatieve effect van Vlaanderen verklaren.

Verder zien we dat naarmate in landen de schooltoewijzing meer van overheidswege gereguleerd is (en er geen of een minder grote keuzevrijheid is voor ouders), de leerlingen zich positiever opstellen tegenover migranten. Landen die het minst gereguleerde systeem van schooltoewijzing hebben, zijn Nederland en Vlaanderen, gevolgd door Engeland, Ierland en Spanje. Onze geringe regulering blijkt het negatieve effect van Vlaanderen op de houding ten aanzien van migranten voor meer dan de helft te verklaren. Een nevenwerking van die vrije schoolkeuze of marktwerking in het onderwijs is de segregatie die dit met zich meebrengt tussen kansrijke en kansarme scholen. Naarmate de regulering door de overheid in een land afneemt, zien we ook dat de verschillen en dus ongelijkheid tussen scholen in dat land toenemen wat de mate van burgerschapskennis betreft. In dergelijke onderwijsgesegregeerde landen zullen sociaal zwakke nieuwkomers terechtkomen in kansarme scholen, waardoor er ook onderwijssegregatie optreedt op basis van etniciteit. Het probleem is niet de kwaliteit van het onderwijs in deze scholen, maar de ongelijke kansarme instroom die blijkbaar ook een klimaat kan doet ontstaan dat etnische vooroordelen aanwakkert.

De negatieve positie van Vlaanderen op de verschillende indicatoren zou ten dele kunnen worden tegengegaan door nog meer te investeren in participatie op school en een open klasklimaat. In scholen waar de leerlingen gemiddeld veel participeren en een positief klas- en schoolklimaat ervaren, hebben de leerlingen een hogere kennis, hechten ze meer belang aan conventioneel burgerschap, hebben ze een positiever politiek zelfbeeld en staan ze ook positiever tegenover migranten en vrouwen. Vlaanderen scoort vooral lager op de eigen burgerschapsgerelateerde participatie op school (bv. stemmen voor verkiezingen voor de leerlingenraad of deelnemen aan debatten) en de perceptie van een open klasklimaat waarin het vormen en naar voor brengen van een eigen mening worden gestimuleerd.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina