Van der Grinten-lezing



Dovnload 36.37 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte36.37 Kb.
Dorien Pessers
DE ACTUALITEIT VAN HET EERBEGRIP

Van der Grinten-lezing


Nijmegen, 13 juni 2007

Dames en Heren,


Ik voel me vereerd vandaag de Van der Grinten-lezing te mogen houden. Omdat deze lezing zo snel prestigieus is geworden, meende ik niet te mogen volstaan met een verhaal over een triviaal juridisch onderwerp. Ik heb me daarentegen maar meteen gericht op het grootste thema van het recht: het gehele recht funderende beginsel van de menselijke waardigheid. Ik zal proberen aan te tonen dat dit beginsel een mystificerend beginsel is, omdat het zich hoogstens indirect richt op de sociale omstandigheden waarin dit beginsel zijn werking zou moeten krijgen. Ik zou het concept van de menselijke waardigheid daarom willen aanvullen met het concept van de eer. Het eerbegrip is immers veel nauwer verwant met de sociale omstandigheden en vooral met sociale instituties, en dus met de reële voorwaarden voor een menswaardig bestaan. Mijn inspiratiebron daarbij is het beroemde opstel van de Amerikaanse cultuursocioloog Peter Berger: De verdwijning van het concept “eer” , een hoofdstuk uit zijn boek The Homeless Mind uit 1973.

Menselijke waardigheid


Menselijke waardigheid is het eerste beginsel van het recht. Als zodanig kent het beginsel een lange geschiedenis. In de klassieke oudheid werd op grond van het natuurrecht de dignitas van de humanitas gepostuleerd. De Middeleeuwse christelijke theologie ontleende de waardigheid van de mens aan Gods schepping en bedoelingen. De Renaissance opende de weg naar een humanistische opvatting van menselijke waardigheid die uiteindelijk haar revolutionaire neerslag zou vinden in de achttiende-eeuwse Rechten van de Mens en Burger.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de idee van de menselijke waardigheid een nieuwe impuls in de Verklaring van de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide internationale mensenrechtenverdragen.


Kernidee van de menselijke waardigheid is dat waardigheid een intrinsieke menselijke eigenschap is die aan ieder mens, ongeacht zijn afkomst, zijn ras, zijn sexe, toekomt. Zelfs de meest dierlijke, meest criminele of meest onwaardige mens behoudt zijn intrinsieke waardigheid en behoort daarom dienovereenkomstig door het recht te worden behandeld.

Deze opvatting van menselijke waardigheid wordt over het algemeen als een van de grootste prestaties van de westerse beschaving gezien. Hoewel de ervaring leert dat veel mensen zeer onwaardig kunnen handelen en zelfs van tijd tot tijd tot barbarij kunnen vervallen, toch gaat het recht er vanuit dat de mens geen andere optie heeft dan waardig te leven en zijn menselijke mogelijkheden tot optimale ontplooiing te brengen. Alleen vanuit dat mensbeeld is het recht in staat geloofwaardig de mens te beschermen. Daarom ook wordt de menselijke waardigheid wel eens een heilzame fictie genoemd.

En een fictie is het zeker. Niet alleen omdat de mens net zo goed door onwaardigheid als door waardigheid wordt gekenmerkt, maar ook omdat in de idee van de menselijke waardigheid de mens wordt opgevat zonder sociale context, zonder sociale of etnische afkomst, zonder bepaalde feitelijke kwaliteiten en zonder geslacht. De waardigheid van de mens zou dus volledig intrinsiek zijn, zonder externe invloed van de vele instituties en sociale identificaties die elke samenleving nodig heeft wil er überhaupt van samenleven of van persoonlijke ontwikkeling sprake kunnen zijn.

Negatieve connotatie van eer


Nauw verwant aan het begrip waardigheid is het begrip eer. Maar vreemd genoeg wordt in de huidige literatuur over waardigheid het begrip eer bij voorkeur vermeden. Eer heeft kennelijk een negatieve connotatie gekregen. Eer associëren we met militairendom, met aristocratie, met masculiniteit, met tribale levensstijlen, met wraak en vendetta’s.

Ik kan slechts gissen naar verklaringen voor de geringe wetenschappelijke en maatschappelijke belangstelling voor het eerbegrip. Is onze cultuur zodanig gefeminiseerd dat spreken over eer – met al zijn mannelijke associaties – not done is? Of verzwijgen we het belang van eer in onze eigen cultuur nu we geconfronteerd worden met de eercultuur van allochtone bevolkingsgroepen, wier eerpraktijken wij als primitief, althans als premodern zien? Of menen we echt dat wíj in een schuldcultuur leven en zíj in een eer- en schaamtecultuur? Want dat is de gangbare wetenschappelijke opvatting: de moderne, geïndividualiseerde Westerse samenlevingen zouden worden gekenmerkt door een schuldcultuur, en de premoderne, naar collectiviteiten georganiseerde Oosterse samenlevingen zouden worden gekenmerkt door een eer- en schaamtecultuur.

Misschien spelen deze verklaringen allemaal mee, maar waarschijnlijker is dat het eerbegrip besmet is geraakt door de Duitse Nazi-praktijken. Zoals in zo veel hedendaagse discussies zou ook hier de Tweede Wereldoorlog wel eens het morele ijkpunt kunnen zijn.

Na de Tweede Wereldoorlog werd internationaal immers uitdrukkelijk afscheid genomen van de gehypertrofieerde militaire eercultuur van de Duitse officieren, die werd gevoed door de burgerlijke elite. Deze elite was mede gevormd door de 19e- eeuwse studentencorpora die – dwars tegen de modernisering van de 19e eeuw in – feodale rites als het duel – de “Mensur” - hanteerden, en waarin een sabelhouw over de wang als een erelitteken fungeerde. Het devies van deze militante corpora was “Eer, Vrijheid en Vaderland”. De corpora waren strikt hiërarchisch georganiseerd en door en door antidemocratisch. Men ging alleen een duel aan met gelijken op grond van het - op zich honorabele - beginsel van fair play. Dat impliceerde dat degene met wie men geen duel aanging een ongelijke en dus een inferieur wezen was.

Na hun afstuderen werden veel studenten reserve-officier in het Duitse leger. De functie van reserve-officier verschafte sociale status, vergemakkelijkte de carrière in staatsfuncties, en bond deze officieren ook als burger strikt aan de militaire erecodes. De militarisering van Duitsland in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw radicaliseerde in de eercultuur van het SS-officierencorps. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Mensur in Duitsland verboden. En een beroep op militaire eer werd langdurig taboe verklaard wegens de perverse effecten die deze eercultus teweeg had gebracht.

[Overigens zien we restanten van deze militaire eercultuur in de Nederlandse studentenweerbaarheidskorpsen en de Mensur zien we zelfs terug in de traditionele kroeggevechten tussen de studentencorpora van verschillende steden. ]

.

Hoe polyinterpretabel het eerbegrip kennelijk is, hoe uiteenlopend de functies en praktijken van een eercultuur zijn, en hoe afhankelijk van de sociale context, blijkt uit het feit dat in Frankrijk daarentegen na de Tweede Wereldoorlog militaire eer en nationale eer weer een impuls kregen in de figuur van generaal De Gaulle. Voor De Gaulle bestond eer eruit Frankrijk te dienen, zoals hij tijdens de oorlog gepoogd had de eer van Frankrijk te redden. De net afgetreden Franse president Chirac heeft in een interview ooit de elementen opgesomd waaruit de Gaullistische eer bestond: trouw aan de principes van de Franse republiek, het primaat van het algemeen belang; de weigering om privé belangen te laten prevaleren boven algemene belangen (waaraan Chirac zichzelf overigens – als burgemeester van Parijs - niet gehouden heeft, blijkens de vervolging die hem nu te wachten staat); een samengaan van private en publieke moraal; de onafhankelijkheid en de grandeur van Frankrijk. Kortom, het gezag van De Gaulle zou mede gelegen hebben in zijn eer als burger, als citoyen, en als drager van een publiek ambt. Chirac mag gelijk hebben dat na de Tweede Wereldoorlog eer vooral is gebonden aan burgerlijke en democratische deugden, maar dat neemt niet weg dat bij De Gaulle eer een door en door militaristisch begrip was. Wel is interessant dat de militaire eer in een democratische rechtsstaat getransformeerd, althans gemitigeerd wordt. En daarvan gaf Sarkozy weer een voorbeeld: met het oog op burgerschapvorming wil hij het schooljaar laten aanvangen met het voorlezen van de afscheidsbrief die een jonge verzetsheld van 17 jaar in de Tweede Wereldoorlog schreef.



Gegeven de na-oorlogse inbedding van militaire eer in de rechtsstaat, zijn de berichten over Guantanamo Bay, over de Abu Graib-gevangenis in Bagdad, en over de CIA-kampen in Oost-Europa zo verontrustend: de martelingen van krijgsgevangenen is in strijd met elke militaire eer. Overigens ook buiten een rechtstatelijk kader. We kunnen dat al lezen bij Hugo de Groot in het meesterwerkje dat hij in jeugd schreef: De Fide et Perfidia: over Goede en Kwade Trouw.

Wat ik tot nog toe duidelijk heb willen maken is dat - anders dan de contextloze en abstracte menselijke waardigheid - eer geen intrinsieke eigenschap van de mens is, maar in eerste instantie extern wordt bepaald door de kwaliteit van sociale instituties.


De Franse behoefte aan eer en grandeur komt ons als nuchtere Nederlanders geëxalteerd over. We zijn als Calvinisten terughoudend in het idealiseren, sublimeren en symboliseren van de Held, het Vaderland, de Familie, de Clan etc. In zo’n Calvinistische cultuur vervult eer niet meer de functie van een collectief geweten, maar is de eer verinnerlijkt tot een individuele “eer en geweten”, tot individuele verantwoording tegenover God of tegenover zichzelf, in plaats van tegenover een collectiviteit. In zijn beroemde opstel “Nederlands geestesmerk” somt Huizinga de burgerlijke deugden van de Nederlanders op, maar eergevoel noemt hij niet.

In Nederland zullen we mede daarom niet snel beschouwingen over of pleidooien voor herstel van het eergevoel tegenkomen, niet alleen wegens onze historische achtergrond en afkeer van theatraliteit, niet alleen wegens de ervaringen met de eerpraktijken in Nazi-Duitsland, maar ook wegens de hedendaagse misvatting dat in onze multiculturele samenleving onze individuele schuldcultuur in scherp contrast zou staan tot de islamitische eercultuur.



Het “veld van eer”


Toch betwijfel ik of er wel zo’n rigide onderscheid gemaakt kan worden tussen schuld- en eerculturen. Te veel signalen en fenomenen wijzen erop dat eer als waarde, als moreel oriëntatieprincipe, als mechanisme tot kanalisering van gevoelens nog steeds aanwezig zijn in onze cultuur. De eer kruipt waar zij niet gaan kan. Eer blijkt lang niet altijd een primitieve emotie te zijn die tot negatieve sociale gevolgen leidt. Integendeel, heel vaak blijkt eer een belangrijke beschermingsfunctie te hebben om bepaalde sociale goederen, zoals privacy, of hyperpersoonlijke kwetsbaarheden, zoals lichamelijke integriteit, veilig te stellen.

Bovendien is het eerbegrip ook om een andere reden, die ik al heb genoemd, interessant. Anders namelijk dan de abstracte en universele idee van de menselijke waardigheid, is de praktijk van de eer altijd ten nauwste gebonden aan instituties. Deugen de instituties niet, dan perverteert de eer. Deugen de instituties wel, dan kan de eer zowel op het persoonlijke als sociale vlak productieve effecten hebben. De beroemde eerste zin uit Rawls’ Theory of Justice: “justice is the first virtue of institutions” moet ook in déze betekenis worden opgevat.


Over die instituties kom ik nog te spreken, maar laat ik u eerst een overzicht geven van het maatschappelijke “veld van eer”, voorzover dat nog actueel is in onze cultuur. Anders dan vaak wordt gedacht is dat geen slagveld van een gelukkig verloren gegaan cultuurgoed is. Eer is weliswaar getransformeerd, maar niet uit onze cultuur verdwenen.

In de eerste plaats is daar de taal: we spreken van de laatste eer bewijzen, het woord van eer, de eer hooghouden, de eer krenken, ergens een eer in stellen, eerzucht etc.

In de tweede plaats verwijst eer in ieder geval naar deugden die we hoogachten, zoals moed, trouw, loyaliteit, zelfopoffering, fair play. Deze deugden veronderstellen op hun beurt bepaalde psychologische vaardigheden/capaciteiten zoals zelfrespect, maar ook fantasie, sublimatie, het kunnen idealiseren, het kunnen projecteren van ideaalbeelden die vervolgens tot criterium of richtsnoer van het handelen worden. De meeste mensen kennen bovendien wel degelijk een eergevoel, zeker op momenten dat deze eer wordt geschonden, zoals bijvoorbeeld door valse beschuldigingen.

In de derde plaats valt op dat eer nog steeds een uitgesproken masculien karakter heeft. Vrouwen hebben historisch weinig eer gekend. Zij konden slechts draagster van seksuele eer zijn en droegen in hun kuisheid bij aan de eer van hun echtgenoot en familie. We moeten niet snel de illusie hebben dat deze vrouwelijke seksuele eer tegenwoordig geen rol meer speelt. Het ook door autochtone jongens veel gebruikte woord slettebak geeft aan dat meisjes nog steeds hun eer en reputatie verspelen bij een al te vrijmoedig seksueel leven. Hoewel we eerwraak terecht afkeuren, werden nog niet zo lang geleden ook in Nederland meisjes die ongehuwd zwanger werden doorgezwegen omdat ze de familie-eer hadden geschonden. En enkele maanden geleden konden we nog in de krant lezen dat de vrouw van Berlusconi zich in haar eer gekrenkt voelde omdat haar man openlijk had geflirt met zijn tafeldame.

Het masculiene karakter van eer vinden we ook terug in de eer van sommige, vooral zwaar lichamelijke beroepen: mijnwerkers, havenarbeiders, brandweermannen. Vooral de eer van brandweermannen is na de heldenmoed die zij op 9/11 betoonden in Amerika een bron van collectieve trots geworden.

Maar ook in het criminele milieu wordt eer als een uiterst belangrijke mannelijke deugd gezien. Sterker nog: de elementen van eer zijn niet anders dan in de niet-criminele milieus: trouw, loyaliteit, standvastigheid, niet buigen maar een rechte rug houden, zelfopoffering en niet toegeven aan angstemoties. Juist de identieke inhoud van eer, maar de immense verschillen in praktijken van eer maken duidelijk hoe zeer eer gebonden is aan instituties en vooral aan de morele kwaliteit van instituties.

In de beroepen die door hoofdarbeid worden gekenmerkt, is de eer minder masculien, maar ook hier is vaak sprake van beroepseer. Een eer die ook door vrouwen gedragen kan worden. De affaire Mosckowicz versus Kelder had als inzet de beroepseer van de advocaat.

In alle gevallen waarin de eer door de groep, beroep of sociale klasse wordt bepaald, wordt de eer als zeer verplichtend ervaren door het individu. Men wil erkenning van de groep, men wil niet afgaan voor de groep, men wil reputatie en prestige winnen. De keerzijde is de schaamte. Men schaamt zich wanneer men niet volgens de erecodes van de groep handelt, en voorzover de eer ook werkelijk is geïnternaliseerd, schaamt men zich omdat men niet voldoet aan het geïdealiseerde zelfbeeld.



Eer in de persoonlijke levenssfeer


Het hardnekkig masculiene karakter van eer is een van de interessantste aspecten ervan. Onderzoek daarnaar zou wellicht inzicht kunnen verschaffen in een probleemgebied dat juist voor juristen van belang is, en dat zelfs de omvangrijkste geweldsvorm in onze samenleving betreft: het huiselijk geweld, dat in 80 procent van de gevallen door mannen wordt gepleegd. Blijkens gegevens van het ministerie van Justitie komt huiselijk geweld in alle sociale klassen – van hoog tot laag, van allochtoon tot autochtoon – voor. Meer dan 40 procent van de bevolking heeft ooit met huiselijk geweld te maken gehad. Per jaar doen zich 500.000 gevallen van huiselijk geweld voor. Naar schatting zijn 100.000 kinderen per jaar getuige van huiselijk geweld. Het taboe erop is groot. Dat slechts in 12 procent van de gevallen aangifte wordt gedaan, heeft alles te maken met schaamte: de keerzijde van de eer.

Ik spits vandaag het thema eer toe op de persoonlijke levenssfeer. Niet alleen is dat het terrein van mijn leeropdracht aan de VU, maar bovendien vindt in de persoonlijke levenssfeer de eerste socialisering plaats, ook de socialisering in eergevoel.


In alle culturen is de persoonlijke, intieme levenssfeer zwaar symbolisch beladen: liefde, sex, geboorte en dood: in alle culturen vinden deze ervaringen in afzondering plaats, worden ze aan het oog van buitenstaanders onttrokken. Waarom? Waarschijnlijk omdat hier de grootste kwetsbaarheid van mensen ligt. Niet voor niets zijn privacy en lichamelijke integriteit fundamentele mensenrechten. En niet voor niets zeggen we dat we ons “dood schamen” , dat wil zeggen wel in de grond zouden willen zakken, dat we ons wel onzichtbaar zouden willen maken wanneer we betrapt zouden worden wanneer we naakt zijn, liggen te vrijen, naar de wc gaan en andere intieme lichamelijke handelingen verrichten.

Ook dood gaan willen we niet voor het oog van vreemden. We willen zelfs niet zichtbaar zijn wanneer we gaan dementeren en aan decorumverlies gaan lijden. We willen niet ontluisterd worden voor het oog van onbekenden. Het verlangen naar euthanasie heeft alles te maken met dit door pijn en ontluistering veroorzaakte eerverlies. Maar ook de vernedering van Saddam Hoessein – zowel toen hij een spateltje in zijn mond geduwd kreeg, als toen hem de strop werd opgehangen, vervulden ons met plaatsvervangende schaamte. Vernedering – zelfs al is het van de vijand – behoort niet zichtbaar te worden. Geconfronteerd met dehumanisering, worden we zelf minder humaan en wordt ons zelfbeeld geschonden. Zichtbaarmaking van het intieme en lichamelijke en al te menselijke, kan vaak obsceen zijn.

Gegeven het belang van onzichtbaarheid voor deze lichamelijke ervaringen, kunnen we onze excessieve beeldcultuur waarin juist het meest intieme steeds opnieuw zichtbaar wordt genaakt in porno en reality tv niet anders dan obsceen noemen. Deze zichtbaarmaking heeft niets met bevrijding van taboes te maken, niets met menselijke zelfrealisatie en optimale ontplooiing, maar alles met schaamteloosheid en daardoor gestage dehumanisering. Ik verwijs u graag naar twee opmerkelijke artikelen in de kranten van de afgelopen weken: een verslag van Oscar van den Boogaard in de Volkskrant over zijn eigen ervaringen in de wereld van de openbare en – soms zelfs thanatisch wordende – homosex. En naar het artikel van Tommy Wieringa in NRC over de dehumaniserende effecten van een excessieve seksuele cultuur.
In de private sfeer is niet alleen lichamelijkheid met eer en schaamte beladen, ook de genealogische afstamming en de familienaam. Nog niet zo heel lang geleden was het zijn van een bastaardkind een oneervolle positie, omdat het kind zich niet kon beroepen op een inbedding in het familieverband van zijn vader. “Je moeder is een hoer”, is een veelgebruikte schelduitdrukking die daarom zo krenkend is omdat er mee wordt gesuggereerd dat je moeder geen seksuele binding aan één man betracht. Verlies van de seksuele eer van de moeder is eerverlies voor de hele familie. Broers komen nog altijd op voor de eer van hun zus. In de praktijk verschillen de eergevoelens van allochtone en autochtone mannen ten aanzien van de vrouwelijke leden van hun familie niet zo erg, denk ik, alleen de daaraan gekoppelde gevolgen, zoals eerwraak, verschillen hemelsbreed.
Dat zelfs de voornaam met eer is beladen blijkt uit de reserve die we voelen om iemand meteen met zijn of haar voornaam aan te spreken. Als het al niet als onbeleefd wordt ervaren, dan toch als hinderlijk populair gedrag. Het moment waarop mensen besluiten om elkaar bij de voornaam te noemen, is meestal een ritueel moment waarop de relatie wordt getransformeerd tot een meer vertrouwelijke of vriendschappelijke, met andere woorden: meer de private sfeer wordt ingetrokken. Kennelijk is de voornaam een kwetsbaar en dus kostbaar goed, mede omdat het natuurlijk een van onze eerste identiteiten bepaalt. Daarom is het ook zo vernederend en dehumaniserend om mensen hun naam af te nemen en te vervangen door een nummer, zoals in concentratiekampen gebeurt, of in gevangenissen en legers. Niet voor niets ook wel totalitaire instituties genoemd.

Vooral voor moslims zijn de naam van de familie en de voornaam van de echtgenote nauw verbonden met eer. In die familie en in die vrouw wordt namelijk eer gevonden. De identiteit van de man wordt mede bepaald door de eer van zijn vrouw en mede daarom is deze eer een kostbaar goed dat beschermd moet worden.

Dat in het gezin en de familie een primaire eer en daardoor een primaire mannelijke identiteit wordt gevonden, blijkt ook uit de criminaliteitscijfers. Zowel bij autochtone als bij allochtone mannen neemt de criminaliteit of de neiging daartoe sterk af zodra zij een vrouw hebben gevonden en zeker zodra zij kinderen krijgen. Deze correlatie blijkt zo sterk te zijn dat ik een politieman wel eens heb horen verzuchten: “willen we de criminaliteit onder jonge mannen terugdringen dan moeten we een dating en relatiebemiddelingsbureau beginnen!” Inmiddels weten we ook dat na de huwelijkssluiting het huiselijk geweld begint.

Eer en masculiniteit


Als eer inderdaad zo belangrijk is voor de mannelijke identiteit en als eer inderdaad mede wordt gevonden in de gezinssfeer en de verantwoordelijkheid voor vrouw en kinderen, wat voor gevolgen heeft dan het verlies van eer voor mannen? Want dat mannen hun traditionele eer aan het verliezen zijn, lijkt me evident.

De condities van het gezinsleven zijn sterk veranderd, de institutie zelf is veranderd. Zeker binnen autochtone gezinnen, is de traditionele positie van mannen sterk ondermijnd. Veel vrouwen menen dat zij mannen steeds minder nodig hebben: niet voor het inkomen, niet voor de opvoeding, zelfs voor het krijgen van kinderen wordt de rol van de man gemarginaliseerd. Kinderen krijgen door middel van een one night stand of door spermadonorschap ontmoet veel minder weerstand dan een jaar of twintig geleden. Kinderen krijgen niet meer vanzelfsprekend de naam van de vader. Gehuwde ouders kunnen kiezen. Buiten huwelijk leidt erkenning door de man van het kind er niet meer automatisch toe dat het kind ook de naam van de vader krijgt.

Ook buiten het huwelijk is het veld van eer aanzienlijk kleiner geworden voor mannen. In hun studies en in hun beroepen moeten zij concurreren met vrouwen. Op alle niveaus van het onderwijs doem meisjes het ogenschijnlijk beter dan jongens. 57 procent van de meisjes haalt binnen 4 jaar het bachelors-examen tegenover 33 procent van de jongens. De vaardigheden in een diensteneconomie als de onze, zijn vooral vrouwelijke vaardigheden.

Door de overheid worden mannen als kinderen aangesproken en opgevoed met boodschappen als: niet roken, niet te veel drinken, veilig vrijen, niet te hard rijden, en op tijd thuiskomen om het vlees te snijden.

De socialisering van jongens is vooral in handen van vrouwen gekomen. In crèche, kleuterschool, basisschool, middelbare school ontmoeten jongens vooral vrouwen. Worden zij mede daarom crimineel dan komen ze in contact met een vrouwelijke officier van justitie, een vrouwelijke reclasseringsambtenaar en wellicht ook een vrouwelijke cipier.

In het algemeen biedt onze samenleving weinig aanhechtingspunten om het verlangen naar ideaalbeelden te realiseren, om moed, trouw en dapperheid te betonen, om krachtig uit te komen voor je overtuigingen. Onze samenleving is er vooral een van representatie, niet van overtuigingen, van beelden in plaats van teksten. Het waren – volgens de Engelse filosoof MacIntyre - juist de grote heroïsche verhalen die in kinderen en adolescenten het verlangen naar heldendom, voortreffelijkheid en moed opwekten. De homerische epen over Hector en Achilles, De Middeleeuwse epen over ridder Roelandt, over Tristan en Islode, over koning Arthur, Lancelot, en Geneviere. Onze cultuur levert aan jongeren vooral een stortvloed aan banale en platte beelden, al stemt het misschien optimistisch dat de verfilming van juist ook de Homerische epen populair zijn, zoals de film Troje, Alexander de Grote en Gladiator.


Ik geef u tot slot nog een voorbeeld. Na de jongste verkiezingen, waarin de Groep Wilders een grote overwinning behaalde, interviewde het tv-programma Tegenlicht enkele jonge aanhangers van Wilders. De programma-makers wilden weten wat deze jongeren bewoog om zich bij een uitgesproken rechtse partij als die van Wilders aan te sluiten. Een van de jongens in kwestie zei dat hij graag later het leger in wilde. Waarom dan, werd hem gevraagd. Omdat hij graag zou strijden voor vorst en vaderland, was het antwoord.

Nu kun je daar met afgrijzen naar luisteren, en dat zou ik ook gedaan hebben indien ik me niet in het verschijnsel eer had verdiept. Nu was mijn reactie anders en wel: wat tragisch eigenlijk dat onze samenleving deze jonge knullen niets anders heeft te bieden, geen idealen meer kan aanreiken, niet meer de beste krachten in plaats van de domste krachten in jongeren kan mobiliseren. Deze jongens verlangen naar eer, als onderdeel van hun waardigheid, maar vinden geen context, geen instituties meer waarin die eer sociaal productief kan zijn. Mede daarom zoeken ze hun toevlucht in fantasieën over premoderne eerpraktijken, waarvan de militaire eer een van de belangrijkste en vaak ook een van de destructiefste was.

Zou het niet veel beter zijn indien het kennelijke verlangen bij jongeren naar eer een constructief aanhechtingspunt vond? Indien hun vele potenties binnen zinvolle instituties tot ontwikkelingen zouden kunnen komen? Mensen bouwen immers niet ex nihilo zelfrespect, moed, trouw, loyaliteit en een identiteit op. Alleen in een wederkerige relatie tussen institutie en individu komen beide tot bloei. En is het niet bij uitstek de kwaal van onze tijd dat instituties zoals onderwijs en cultuur ontzield dreigen te raken door een alles dominerende oriëntatie op de markt? Nemen we het juridisch onderwijs. Hoe leiden we onze studenten op tot een baan in de advocatuur? Durven we nog te spreken over een officium nobile? Durven we nog te spreken over de publieke verantwoordelijkheid van de advocatuur voor adequate en goede rechtshulp aan minvermogenden? Wie gelooft er nog werkelijk in de beroepseer van commerciële advocaten?

In Frankrijk verscheen enige weken geleden een pamflet over de malaise in het universitaire onderwijs. De opstellers klaagden over de eenzijdige oriëntatie op de arbeidsmarkt en het teloorgaan van elke aandacht voor de transcendance, dat wil zeggen voor alles wat het enge levensperspectief overstijgt, voor alles wat het individu overstijgt, voor alles wat jonge mensen zou kunnen bezielen, wat hun een morele oriëntatie zou kunnen geven, voor alles wat zou kunnen leiden tot een werkelijk menswaardig bestaan.


Ik heb nog één argument – en daarmee rond ik af - voor het herstel van het eergevoel. Veel wijst erop dat het nieuwe kabinet met een fatsoensoffensief bezig is waarin de burgers als kleine kinderen tot kleinburgers worden heropgevoed. Zou het niet veel beter zijn indien burgers hun eer als burger hernemen en zich gaan verzetten tegen de oneervolle betutteling en bevoogding van mensen die volgens het eerste beginsel van het recht toch met waardigheid zijn begiftigd ?
Ik dank u voor uw aandacht.


Bibliografie


Berger, P., B. Berger, H. Kellner, The homeless Mind. New York, 1973

Gautheron, M., (ed.), L’honneur. Parijs, 1991

Groot, Hugo de, Over goede trouw en onbetrouwbaarheid. (de fide et perfidia), Den Haag, 1945

Huizinga, J., Nederland’s geestesmerk. Leiden, 1935

MacYntyre, A., After Virtue. Londen, 1981

Schneider, C.D., Shame, Exposure and Privacy. Boston, 1977

Waardt, H. de, Inleiding: naar een geschiedenis van de eer. In: Leidschrift, Eer en Belediging. Leiden, 1996

Weil, S., L’enracinement. Prélude à une déclaration des devoirs envers l'être humain. Première partie : Les besoins de l’âme : L’honneur. Parijs, 1948










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina