Van loocke : zen and the brain (austin) dzogchen interpratation of the self (hayward)



Dovnload 37.2 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte37.2 Kb.
Van loocke : ZEN AND THE BRAIN (AUSTIN)

DZOGCHEN INTERPRATATION OF THE SELF (HAYWARD)

1. WAT IS ZEN ?

GESCHIEDENIS VAN ZEN


SCHOLEN :

In China ontstonden de twee belangrijkste scholen binnen de zentraditie, soto en rinzai.


RINZAI SOTO

>LIN CHI >TS’AO CHAN




de E) de E)

-koan en interviews -alleen maar zitten

-zazen naar ruimte toe -zazen naar muur

-plotse verlichting -geleidelijke verlichting

-amerika -europa

De rinzai school werd genoemd naar de stichter ervan LIN-CHI, wat in het japans als RINZAI uitgesproken wordt, SOTO is de verjapanste uitspraak van TS’AO-TUNG, dat op zijn beurt een samenstelling is van de namen van de twee stichters: TS’AO SHAN (SOZAN) en TUNG-SHAN (TOZAN). De belangrijkste vertegenwoordigers van respectievelijk de rinzai en soto school zijn enerzijds HAKUIN en EISAI en anderzijds DOGEN. HAKUIN is vooral bekend omwille van zijn nadruk op het gebruik van de koan, die alleen binnen de rinzai traditie gebruikt wordt als concentratiemiddel. Daarbij worden regelmatig interviews (SANZEN) gehouden door de leermeester, om te kijken of iemand al vorderingen maakt met het werk aan zijn koan.

Beide scholen leggen de nadruk op zazen (het zittend mediteren) voor de beoefening, bij rinzai wordt met het gezicht naar de ruimte gezeten, terwijl bij soto het gezicht naar de muur gekeerd is; met de klemtoon op ‘alleen maar zitten’ (SHIKANTAZA) in plaats van zich te concentreren op een koan. Tenslotte ziet de soto traditie verlichting als een geleidelijk iets terwijl rinzai een plotse verlichting aanhangt. Het is ook deze school die als meer streng en veeleisend beschouwd wordt, terwijl de soto school eerder een zachtere aanpak hanteert. Vele monniken binnen deze traditie lijden geen kloosterleven maar onderhouden hun dagelijkse activiteiten zoals werk of gezin…In Japan kent deze school op dit moment de meeste aanhangers en ook in europa is deze veruit het meest vertegenwoordigd. (in Amerika meer rinzai zen). Het was TAISEN DESHIMARU (1914-1982) die zen naar Europa bracht en toegankelijk maakte voor de westerse geest. In 1967 kwam hij naar Parijs en stichtte daar een grote zenvereniging AZI. Na zijn door werd hij opgevolgd door ROLAND YUNO RECH, de huidige voorzitter van de vereniging.

De KOAN (KUNG-AN) waar ik daarnet over sprak, wordt gebruikt voor contemplatie en meditatie.

Misschien eerst een voorbeeld, de koan die Austin zelf aangereikt kreeg van zijn ROSHI of meester in japan.

Hij vroeg hem:” als alle fenomenen gereduceerd worden tot één, dan waartoe wordt dat éne gereduceerd?” de vraag is niet tot wat, of hoe, maar waar, vermeldde hij nog. Deze koan is gegroeid uit oude dialoog tussen een monnik en zijn meester (chao-chou) JOSHU in de 9de eeuw. De monnik vroeg hem: “ alle dingen zijn reduceerbaar tot het ene, maar waarnaar keert het ene terug?” JOSHU antwoordde: “ toen ik in het district CHING was, liet ik een kleed maken dat 9 pond woog.”

Een ander bekend voorbeeld is de “MU” koan. Hij is ontstaan weer door een vraag van een monnik aan JOSHU: “heeft een hond de boeddha natuur is zich?” JOSHU’s antwoord luidde: “MU”.

Deze MU kan op verschillende niveaus geinterpreteerd worden, soms wordt ze vertaald als “WAF!”, maar een basisimplicatie is ‘leegte’.

Zijn uitroep als antwoord is dus eigenlijk een negatie van de vraag. Hij wil aantonen dat alleen door zulke vragen niet te stellen, dat ze een antwoord kunnen krijgen, aangezien ze leeg is aan betekenis, net zoals alle dingen leeg zijn aan onderscheidingen.

‘MU’ is de verjapanste uitspraak van ‘WU’, het chinese woord voor ‘NEE’, joshu gaf dus eigenlijk een beetje een ketters antwoord, maar later zou hij op dezelfde vraag ‘JA’ geantwoord hebben.

De KOAN is een niet specifiek concentratiemiddel, dat de mediteerder gefocust, onafgeleid en verenigd rond één centraal thema houdt voor een relatief lange periode. Er wordt vaak maanden en zelfs jaren rond gewerkt voor inzicht daagt. De koan heeft geen letterlijke betekenis en legt de nadruk op het directe ervaren in plaats van op het denken. Het is een metafoor voor de grote onbeantwoorde vragen uit het leven. Door zijn vaak contradictorisch karakter, kan hij ons de beperkingen van de logische concepten waar wij mee werken doen inzien. Antwoorden dienen te getuigen van een grote spontaneiteit en simpliciteit. Geen rationeel antwoord wordt aanvaard.

Het gebruik sluit aan bij een belangrijk concept binnen het zenboeddhisme: de GROTE TWIJFEL. Het is geen twijfel van intellectuele aard, maar een grote twijfel van een geheel andere aard, die dient als motivatie voor het zoeken naar de ware zin van het bestaan, in plaats van vast te blijven houden aan ons onophoudelijk spel met concepten. De koan kan helpen, in die zin dat hij je naar de verste uithoeken van de dualistische geest brengt en kan resulteren in een doorbraak van het ontwaakte of verlichte bewustzijn, door juist aan te tonen dat ons werken met concepten slechts en alleen maar een spel is.


MEDITATIE

Zenmeditatie is iets dat eigenlijk ervaren moet worden in plaats van verklaard en ontleed door louter woorden, maar hier toch enkele kenmerken. Het gaat om een passieve activiteit, waarmee bedoeld wordt dat er op een actieve manier, alleen maar gezeten wordt. De ogen worden gewoonlijk opengehouden, zodat zen op deze manier makkelijker overgedragen wordt naar het alledaagse leven. Het is dus geen passief zich terugtrekken uit de wereld, maar juist een actieve, bewustere deelname aan wat er zich rondom afspeelt. Het bewustzijn wordt geïntensifieerd.

Het gaat verder over een relaxte aandacht, die zoveel mogelijk vrij wordt gehouden van allerlei opkomende gedachten. Door de fysieke rust van het zitten en de mentale rust door het laten gaan van opkomende gedachten, kunnen we terug in contact komen met de connecties tussen het lichaam en het brein. Zoals gezegd is het dus ook meer dan dat, het is een manier van niet-denken en helder bewustzijn dat overgedragen wordt naar het leven van alledag, waar we al te vaak met teveel dingen tegelijk in ons hoofd bezig zijn.

Er is een zegswijze ( van SEUNG SAHN) die als volgt gaat: “als je eet, eet dan. Als je leest, lees dan. Doe wat je doet.”

Een meditatieve houding kunnen we dus karakteriseren door leven in het huidige moment, in het nu slechts bezig zijn waarmee je bezig bent. Wat geweest is, is voorbij en wat komt is er nog niet, het enige dat er is, is het nu.( en zelfs dat niet eigenlijk)
De formele zenmeditatie wordt zazen genoemd, van het chinese TS’O CHAN, en duurt gewoonlijk tussen de 30 en 45 minuten, waarna vaak een korte periode van KINHIN of wandelende meditatie volgt en daarna weer een bepaalde tijd zitten. Hier gaat het dan om het een worden met het wandelen zelf, en vergemakkelijkt het ook de overdracht naar het gewone leven. Tijdens de tweede zitperiode wordt voorgelezen uit het werk van een zenmeester of relevante literatuur, het is een soort onderricht ter verdieping van de meditatie, dit wordt KUSEN genoemd.

DOGEN heeft ons enkele richtlijnen meegegeven over de correcte houding tijdens zazen. Hij raadt een dik kussen aan waarop in met gekruiste benen, in volledige of halve lotus gezeten wordt. De linker hand rust in de rechterhandpalm met de duimen tegen elkaar. De rug recht en armen en schouders ontspannen. De ogen blijven open en onze ademhaling wordt gereguleerd. Als er een gedachte opkomt, dienen we daar notie van te nemen, maar ze direct weer te laten gaan.
Een andere manier om meditatie in het algemeen te karakteriseren is dus als een aantal technieken, waarvan zazen er één is, om op een bewuste manier de aandacht te focussen, op een niet-analytische manier. Men gaat over van een stadium waar de geest nog een object heeft om over te mediteren naar één waar men zich volledig heeft kunnen losmaken van het object.

Tijdens de meditatie wordt dus het bewustzijn en de aandacht geoefend, zodat ons bewustzijn zelf toestanden kan bereiken die men mystiek kan noemen, simpel door juiste concentratie en ademhaling. Het kan dus gebeuren dat men een helderheid en bewustzijn ervaart die buiten de grenzen van normale ervaring liggen. Dit wordt ABSORPTIE genoemd, een toestand waarbij we onszelf niet eens meer opmerken en waarbij verschillende functies onbewust worden, bij voorbeeld de ademhaling. Wanneer men zich bijvoorbeeld aanvankelijk op de ademhaling concentreert, gedurende formele meditatie, en op de TANDEN een punt even beneden de navel, (waar onze KI of vitale energie zijn centrum heeft.) waar onze ademhaling vertrekt, kan men na een tijd vaststellen dat de ademhaling niet langer bewust verloopt, maar dat men eerder “geademd” wordt.


BRAINWAVES DURING MEDITATION….
2. TEKST VAN HAYWARD
HAyward spreekt over SHAMATHA VIPASHYANA meditatie.

SHAMATHA wordt gewoonlijk vertaald als “kalmte” maar ook als MINDFULLNESS (aandacht?)”. VIPASHYANA als “inzicht” of “gewaarzijn”. Deze vorm van meditatie kunnen we dus “aandacht-gewaarzijn meditatie” of “inzicht-meditatie” noemen.

De methode verenigt twee manieren van aandacht richten. De eerste component wijst op een bepaalde focus, de directe en nauwkeurige aandacht voor opkomende gedachten en sensaties van het lichaam. De rust en kalmte wordt veroorzaakt door de identificatie met deze gedachten en sensaties: we worden echt wat we denken of voelen. De tweede component wijst op een breder, panoramisch gevoel van gewaarwordingen, een niet specifiek gewaarzijn.

Wanneer we op voorgaande manier helemaal aanwezig zijn, kunnen we onze geest helemaal openstellen en realiseren dat onze emoties en percepties geen solide dingen zijn, maar slechts bepaalde energiepatronen. Dit proces kan ontrafeld worden.
Bij deze vorm van boeddhistische meditatie is dus het verenigen van de twee componenten van centraal belang omdat we door dit proces leren inzien dat onze perceptie onophoudelijk door concepten en categorieën gevormd wordt, en dat onze ervaring in een relatief kader van verwijzingen geplaatst wordt, die alleen als vanzelfsprekend aangenomen worden.

Deze transformatie van perceptie is heiligheid binnen het boeddhisme: ze zou schoonheid, harmonie en klaarheid in de perceptie brengen, die voorbij het ego bestaat. De heiligheid waarvan sprake is voor alle duidelijkheid geen zaak van sinten of goden, maar een fundamenteel profane zaak.

Onze ERVARING wordt dus op een heel andere manier ontleed:

- men vertrekt vooreerst vanuit een zelf dat discontinu is, waarbij het momentane zelf een dynamisch energieproces is, eerder dan een soliede ding. Dit zelf heeft zowel partikelachtige als veldachtige aspecten: enerzijds lijkt onze zelf ontologisch onderscheiden, relatief permanent en gelokaliseerd, maar anderzijds is er evenzeer een veldachtig, niet-lokaal aspect. Er blijven dus aspecten van onze ervaring die niet gelokaliseerd zijn en zelfs niet gevat kunnen worden onder de conventionele categorieën van tijd en ruimte.

Onze ervaring kan dus niet louter objectief genoemd worden, want er bestaat geen observerende zelf, geen objectief standpunt van buitenaf. Maar ze is ook niet louter subjectief, want er is zeker sprake van gemeenschappelijke elementen bij verschillende personen.

Wat echter wel bestaat zijn DHARMAs als elementaire componenten van ervaring. Het zijn de momentane bouwstenen van onze ervaring die in en uit het bestaan flitsen en die onze cognitieve geest kan kennen.

Alle feiten, dingen en personen zijn opgebouwd uit deze elementaire DHARMAs die in verschillende “hopen” of “bundels” voorkomen. Deze bundels of aggregaten van dharmas zijn SKANDHAs. Er zijn er 5, en ze zijn in constante flux, als de verschillende DHARMAs verschijnen en verdwijnen.

Op deze manier wordt sinds de vroege scholen van het boeddhisme in de ABHIDHARMA of de analyse van ervaring in dharmas, niet geloofd in dualiteiten. Dat zijn immers historische of culturele feiten en geen fundamentele realiteiten, het zijn artefacten van een proces van ervaring. Er is dus geen sprake van een dichotomie tussen binnen en buiten, zelf en ander, of geest en materie.

Onze dualistische ERVARING ontstaat door een ophopingsproces van SKANDHAS, uit een dus fundamenteel niet- duale achtergrond. Elk moment van ervaring wordt ontleed in de samenstellende DHARMAs en nagegaan hoe deze tot de schijnbare eenheid van ervaring worden gebracht. Zo’n moment van ervaring is op zich een sequentieel proces van 5 stappen,(die de 5 SKANDHAs vertegenwoordigen waaruit alles opgebouwd is) dat culmineert in onze bewuste ervaring.
DEZE VIJF SKANDHAS ZIJN:

1. VORM/MATERIE >fysieke externe wereld, rest mentaal

2. GEVOEL/GEWAARWORDING

3. VOORSTELLINGEN/WAARNEMING

4. VORMENDE KRACHTEN

FORMATIE/MENTALE ELEMENTEN > 5. BEWUSTZIJN >wat we normaal bewustzijn noemen
1. VORM (RUPA)

de eerste SKANDHA bestaat uit 11 DHARMAs: de 5 zintuiglijke vermogens en hun objecten. De elfde dharma is er een zonder zintuiglijke manifestatie. (vb hallucinatie)

Deze skandha is de eerste aktivatie van onze 5 zintuigen, het gaat hier om apperceptie, de voorbewuste cognitie van patroonvorming. Deze is zonder interpretatie, er wordt allen een distinctie tussen binnen & buiten, tussen dit & dat gemaakt. De patroonvorming, maar ook het lichaam worden op deze manier als “ander” of “buiten” herkend.
2. GEVOEL (VEDANA)

na de patronen apperceptief opgenomen te hebben, komt er een automatische reactie van voelen tegenover deze patronen. Lichaam en geest worden verenigd door ofwel een positief, negatief of neutraal gevoel tegenover de patronen van de zintuigen.




3. WAARNEMING (SAMJNA)

hier begint de conceptvorming; het zelf als aparte zelf wordt gevormd. Het eerste onderscheid van een specifiek object vindt plaats.


4. FORMATIE (SAMSKARA)

die specifieke objecten worden nu door het intellect herkend en voorzien van een naam. Het is dus nu pas dat we een stoel als stoel kunnen herkennen, met alle connotaties van het “stoel zijn”. bepaalde emoties komen hier ook bij kijken, maar deze stap gebeurt nog steeds onbewust.


5. BEWUSTZIJN (VIJNANA)

in de vroege scholen werd dit CITTA genoemd, te vertalen als GEEST-HART, als datgene wat al de andere dharmas kent en organiseert. Soms wordt dit opgedeeld in zes verschillende bewustzijnen, al naargelang welke andere dharmas deze SKAnda vergezeld. (dat kunnen de 5 van de zintuigen zijn of de 6de mentale)

hier zijn we ons eindelijk bewust van een gedachte of perceptie. Het bewustzijn fungeert hier als een narratief dat de verschillende formaties een context geeft. Het maakt onze ervaring coherent door bepaalde onduidelijkheden of leegtes aan te vullen met wat voordien al beleefd was.
Wat wij normaal begrijpen onder “wakend bewustzijn” of “zelfbewustzijn” is dus eigenlijk een combinatie van de 4de en 5de SKANDHA, formatie en bewustzijn.

Alle vijf komen ze voor in een moment van bewuste ervaring. Onze aandacht is normaal gezien zo dat we ze alle 5 opeengehoopt, samengepakt ervaren als één continue stroom van bewustzijn, die eigenlijk pas aan het einde staat van een lange reeks inferentiële percepties, dwz perceptie door concepten, beelden of woorden.

In de “AANDACHT - GEWAARZIJN MEDITATIE” wordt dit proces van ophoping in die 5 stappen achterhaald en ervaren.
Normaal gesproken ervaren we dus continuïteit, terwijl de fijnere onderscheidingen van perceptuele verwerking, zoals gezien in meditatie, de discontinuïteit van ervaring tonen.

De schijnbare continuïteit van permanente, veranderlijke dingen in de wereld is een produkt van het bewustzijn ... zoals een (teken)film bekeken wordt als continu veranderende scènes, ook al is het in feite een serie van stille shots.


Er zijn dus in feite slechts opeenvolgende losse momenten van ervaring. Daartussen zitten er openingen , waar dus geen besef is van een zelf, of gescheidenheid van wat ervaren wordt. De vroege boeddhistische scholen zagen hierin het verschijnen van een ongeconditioneerde dharma, dit wil zeggen, niet geconditioneerd door voorgaande patronen. Deze maakt géén deel uit van het SKANDHA systeem en wordt ook wel NIRVANA genoemd, wat letterlijk ‘uitdoving” of “uitgeblust” betekent. Niet uitdoving van alle ervaring, maar alleen het uitdoven van een verkeerde visie in het algemeen. NIRVANA is niet het uitdoven van het zelf, want er is geen zelf dat uitgedoofd zou kunnen worden. Het impliceert slechts het uitdoven van een verkeerde visie op het zelf. Dit besef van nirvana, is niet iets dat ‘bereikt’ kan worden, het is niet het resultaat van iets, aangezien een ‘resultaat’ door iets anders werd voortgebracht. Dat zou dan ook impliceren dat NIRVANA geconditioneerd is, en dus gekenmerkt door lijden, volgens de vier nobele waarheden. In een toestand van NIRVANA is er geen verlangen meer als oorzaak van het lijden, en ken slechts ervaren worden wanneer het zelf en elk concept ervan losgelaten werd.

De vraag kan dan gesteld worden wie of wat dan nog overblijft om die schijnbare continuïteit te ervaren, als zoiets als een ‘zelf’ ontkend wordt. De boeddha zweeg hierover, japanse zen ook, verschillende scholen probeerden hierover wel een antwoord te formuleren maar allen schoten tekort. Misschien verduidelijkt de analogie met een tornado wel iets: hij lijkt als eenheid te bewegen over het landschap, maar is in feite niets meer dan een constante flux van luchtmoleculen. De schijnbare eenheid komt van een patroon van beweging. De continuïteit van het zelf ontstaat dus uit een onophoudelijke stroom van dharma’s, die samengehouden wordt door de kracht van patronen die we gewoon zijn.


Bij deze tibetaans boeddhistische (NYINGMA) interpretatie van het zelf, ontstaat het momentane zelf binnen een ongebonden, niet gelokaliseerde OPENHEID. Deze open, ongebonden en onverdeelde AANWEZIGHEID is ontoegankelijk voor dualistische interpretatie of wetenschap. Ze is echter wel direct toegankelijk binnen de kloof tussen 2 momenten van dualistische ervaring. Het is in die openheid dat er een primordiaal, niet-dualistisch intelligent inzicht mogelijk is. Dit wordt RIGPA genoemd in het tibetaans.

De uitgestrekte openheid waarvan sprake wordt (sunyata) “LEEGTE” of “NIETS” genoemd, maar mag zeker niet gelijkgesteld worden aan een nihilistisch soort van niets. De leegte waarvan sprake is potentialiteit, en dat zonder enige grenzen, vormen of dichotomiëen. Het is niets en tegelijk toch ook iets.

Het is deze RIGPA of “zuiver gewaarzijn, als meest innerlijke natuur van de geest ” dat de niet-duale achtergrond vormt van het ophopingsproces van SKANDHAS, maar gewoonlijk verduisterd wordt door onze gewone geest (SEM) met vervormde en vervormende gedachten gebaseerd op het dualisme van subject en object.

Nu door meditatie kan men zijn of haar eigen gewaarzijn samenbrengen met RIGPA, het zuivere gewaarzijn of zelfloosheid, en zichzelf op een juiste manier zien.

Op deze manier de ware aard van de dingen begrijpen, kan men aanduiden met de term verlichting, dat evenveel betekent als “verwezenlijking” of “ontwaakt zijn”.

In deze diepe, objectieve inzicht-wijsheid zijn er geen zelfreferente fysieke en psychische banden meer. Het is een intuïtief zien van zijn eigen ware aard, of je oorspronkelijke aangezicht of het begrijpen van je ware natuur als boeddhanatuur. Dit BEGRIJPEN van de onverdeelbare eenheid wordt met de term PRAJNA aangeduid.

De “PRAJNAPARAMITA” (de perfectie van wijsheid), beter bekend als de HART SUTRA, omdat hij de essentie bevat van het MAHAYANA boeddhisme, handelt over het verband tussen de leegte (SUNYATA) en inzicht in de eenheid (PRAJNA). De trancendentale wijsheid beoefenen, zo wordt er gezegd, is inzien dat de 5 ophopingen of SKANDHAs, waaruit onze persoonlijkheid is opgebouwd, in wezen leeg zijn. Immers, vorm= leegte, en leegte= vorm. Bovendien is Vorm niets anders dan leegte en leegte= niets anders dan vorm. Op dezelfde wijze zijn gevoel, waarneming, formatie en bewustzijn leeg. Het NIRVANA is hier in SAMSARA.(letterlijk ‘eeuwig dolend’)

Met dit laatste wordt bedoeld dat nirvana, als het uitdoven van de oorsprong van het lijden, het verkeerde inzicht, niets iets is dat aan de overzijde te vinden is, maar alleen hier, binnen de eeuwige kringloop van wedergeboorten. Beiden, zowel nirvana als samsara vinden hun oorsprong in onze geest.
Om terug tot specifiek zenboeddhisme te komen, de termen daar voor verlichting of inzicht luiden: KENSHO of SATORI. KENSHO (chien-hsing) betekent letterlijk “zijn eigen wezen doorzien” (in het chinees “de essentie zien”).

Eén van de belangrijke doelstellingen klinkt al bij DOGEN:de weg van de boeddha bestuderen is het eigen zelf bestuderen. Het eigen zelf bestuderen, is je zelf te vergeten. Jezelf vergeten is de objectieve wereld laten zegevieren in je.”

Zentraining komt neer het onderzoeken van het zelf, als een voorbereiding op het afwerpen ervan, tenminste een bepaalde vorm ervan.

Deze verlichting of inzicht is niet vanzelfsprekend: het is zoals wanneer COPERNICUS ons zonnestelsel herschikte rond de zon, op een manier zoals het eigenlijk altijd al geweest was maar nooit geloofd. We konden eindelijk voorbij het egocentrische- geocentrische dogma, dat onszelf in het absolute centrum van alles plaatste. Op deze manier komt ook het juiste inzicht in ‘onszelf’, waardoor IK getransformeerd wordt.


Met de woorden “IK - MIJ – MIJN” verwijst AUSTIN naar onze onzichtbare zelf, dat al van bij de geboorte werd opgebouwd.

Er werd ons geleerd een barrière op te werpen tussen enerzijds dat wat tot het “zelf” behoort, en dat wat tot “anderen” behoort. Het zijn deze drie begrippen die zen aanpakt. Ze worden getransformeerd tot een positiever gebruik ervan. Zen leert ons minder egocentries te zijn in deze drie hoedanigheden of naamvallen van het EGO.




- De IK uit bovenstaande triade IS en HANDELT. Het staat voor een persoon die op een gegeven moment zich voorstelt dat hij of zij een ZELF is.

Van dit IK dient dus afstand genomen te worden bij zen. Het is niet zo dat wanneer men zijn IK naar een minder centrale plaats verschuift, dat men hiermee de verantwoordelijkheid ontloopt. Integendeel, het is door te beseffen dat onze ZELF niet onze essentie uitmaakt, maar dat wij slechts een deel vormen van een uitgestrekte werkelijkheid zonder bevoorrechte positie en gekenmerkt door lijden, dat we niet om onze verantwoordelijkheid heen kunnen.


- De MIJ reageert, er gebeuren dingen mee. Het staat voor ons ZELF als een object, en kan lijden. Bvb als IK niet krijg wat IK verlang of wanneer anderen MIJ bekritiseren.

Door zenbeoefening zal men meer en meer dit leed achterwege kunnen laten, doordat men er zich minder op betrokken weet, we zijn in staat dit lijden minder persoonlijk op te vatten.


- de MIJN bezit. Al wat IK bezit is het MIJNE. Dit staat voor onze bezitterige, hebberige zelf. Het ontstaat bij de valse gewaarwording dat er een zelf/ ander onderscheid is bij de (vorming van) perceptie. Het MIJN hecht zich niet alleen aan alles wat zich binnen onze huid bevindt, het strekt zich ook uit naar dingen in de wereld buiten ons en eigent er zich bepaalde van toe. We raken teveel gehecht aan de dingen en zen probeert hier wat aan te helpen, door ons te leren los te laten en het huidige moment te appreciëren. Op deze manier kunnen we een minder materialistische, en dus bevrijdende kijk ontwikkelen.

3. BESLUIT


om te besluiten nog twee citaten.
de hele tijd over zen praten, is als in een uitgedroogde rivierbedding naar sporen van vissen zoeken” (van D.T. SUZUKI)
en
woorden zijn nodig voor wetenschap en filosofie, maar voor zen zijn ze een hindernis.” (van SENG-TS’AN)

***DZOGCHEN uit de titel van hayward verwijst naar de oude (nyingma) traditie van het tibetaanse boeddhisme, gesticht in de 8ste eeuw door padmassambha.



Het betekent zoveel als ‘de grote perfectie’. Deze leer stelt onder andere dat op elk ogenblik elke levenssituatie volmaakt is, en wordt de ‘kroon van alle voertuigen genoemd’. Dit verwijst naar het feit dat deze traditie als het hoogtepunt van 9 yana’s of meditatieve praktijken beschouwd wordt. Terwijl de overige tradities zijn van het gewone bewustzijn, is bij deze 9de het pad gebaseerd op RIGPA of het zuivere gewaarzijn.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina