Van oost naar west door de Verenigde Staten N. M. Inleiding Me and my buddy got us a wild hair



Dovnload 0.55 Mb.
Pagina1/12
Datum14.08.2016
Grootte0.55 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

Van oost naar west door de Verenigde Staten


N.M.


Inleiding
Me and my buddy got us a wild hair

And figured we wanted to go somewhere

So we loaded up my rag-top Chevrolet

Uneasy Rider ’88 – Charlie Daniels

Het toppunt van geluk is in een auto zitten en naar het voorbijtrekkende landschap kijken; een meer uitgesproken gevoel van tevredenheid met mezelf en de wereld kan ik me niet voorstellen. Welke richting ik uit ga doet er niet toe, ik zie wel waar ik terecht kom. Nou ja, een richting binnen de Verenigde Staten geniet wel mijn voorkeur, maar binnen die landsgrenzen gaat het meer om het rijden dan om de bestemming.


Juist om dit gevoel van vrijblijvendheid intact te laten, hebben mijn reisgenoot Matt en ik slechts een grove route in ons hoofd. Geen strakke planning met deadlines die gehaald moeten worden omdat anders niet alle bestemmingen bereikt kunnen worden, daar zouden we alleen maar chagrijnig van worden.

We zullen beginnen in Atlantic City, New Jersey, aan de oostkust van de Verenigde Staten, en rijden van daaruit richting het zuidwesten. Over zes weken hopen we San Francisco, aan de westkust, te hebben bereikt, want daar moet ik een vliegtuig naar Nederland halen.

Om ons van oost naar west te vervoeren is een meerderehands van aangeschaft, een Chevy. Een busje met twee achterbanken, waarvan er een verwijderd is, zodat we daarin kunnen slapen als we onderweg geen geschikte slaapplaats vinden. De bagage past op de overgebleven bank er er blijft nog genoeg ruimte over voor de derde reisgenoot, Megan, die zich over een paar weken bij ons zal voegen. Het busje voldoet precies aan onze bescheiden eisen. ‘Behalve een kapotte ventilator voor de motor, waarvan de kosten voor reparatie niet opwegen tegen het geringe ongemak, mankeert de auto niets’, aldus de Chevy-dealer. Inderdaad, van buiten ziet het vehikel er uit alsof het nog wel vijf keer van oost naar west kan rijden. Liefkozend hebben we de van Rataplan gedoopt, synoniem voor ‘een rommelige bedoening’. En dat is die bus nou eenmaal, we kunnen er niets anders van maken. En Rataplan is natuurlijk ook de naam van de hond van Lucky Luke. Niet dat het busje op een hond lijkt, maar hopelijk kweken we wat goodwill bij het door slijtage geteisterde busje door het te vernoemen naar een andere trouwe viervoeter en een van de meest gewaardeerde honden uit de geschiedenis. We hebben ten slotte heel wat mijlen te gaan met elkaar.
Na een paar dagen van voorbereidingen, met bezoeken aan de Walmart voor het aanleggen van voedselvoorraden en aan de garage om de niet geheel en al volwaardige auto genoeg op te laten kalefateren voor wat hem te wachten staat, zijn we klaar voor de start. De roadtrip, coast-to-coast, dwars door de Verenigde Staten, kan beginnen.

Rata’s beproeving

1
Almost heaven, West Virginia

Blue Ridge Mountains, Shenandoah River

Take me home country roads – John Denver

We beginnen met het aanzetten van de autoradio en over de weg die we vanuit Atlantic City al zo vaak gevolgd hebben naar Philadelphia beginnen we aan ons avontuur. Als we Philadelphia, Philly voor wie de stad lief heeft, achter ons hebben gelaten, komen we in de staat Pennsylvania terecht, die we in een keer doorkruisen, waarna we over de Interstate 81 via de staten Maryland en West Virginia in de staat Virginia belanden. Klinkt alsof we in heel korte tijd enorm veel mijlen hebben afgelegd, maar dat valt tegen, want we steken Maryland en West Virginia op hun smalste gedeeltes over, bij elkaar opgeteld misschien vijftig mijl breed.

Over de veelbaanswegen razen sedans, pick ups en trucks voorbij, de een nog glimmender en glanzender dan de ander. De Amerikanen behandelen hun auto’s alsof het hun eigen vlees en bloed is. Ons stoffige, gedeukte, vaalblauwe busje steekt er wat karig tegen af.

Een eentonig landschap trekt aan ons voorbij. Mooi is de route over de Insterstates niet, verre van dat zelfs, maar dat maakt niet uit. Voor een eerste dag is het mooi genoeg, vandaag willen we alleen maar zo snel mogelijk zo ver mogelijk weg komen van ons beginpunt.

We rijden door tot Harrisonburg, Virginia, en zoeken daar een motel dat mijn goedkeuring kan wegdragen. In welk motel we onze betrekking nemen hangt voornamelijk van mij af, ik hou niet zo van achenebbisj motelletjes waar je een hele nacht tussen de ongewassen lakens in een nevel van geuren van een ander ligt. En geloof mij, zulke motelletjes bestaan. Een groezelig weghotel waarin we drie jaar eerder verzeild waren geraakt, tijdens een andere rondreis door het zuiden van de Verenigde Staten, lag wat dat betreft nog vers in mijn geheugen. De vloerbedekking was er doordrenkt van een chemisch schoonmaakmiddel dat je de adem in de keel deed stokken. Als je voet aan de grond zette waren binnen een mum van tijd je sokken doorweekt met het spul. Gelukkig was de badkamer via een zweefsprong in spagaat net te bereiken, als je met je benen in een gestrekte hoek van het bed naar de drempel sprong. Terug was lastiger. De enige mogelijkheid om weer droog het bed te bereiken was door je af te zetten op de wc-pot, dan een aanloop te nemen en net bij de drempel los van de grond komen, zodat je in duikvlucht een buiklanding op het bed kon maken.

Het was het enige motel in de verre omgeving en (het kan geen toeval zijn...) de enige kamer die nog niet verhuurd was. Dat juist wij de mazzel hadden in de enige nog overgebleven kamer in de verre omtrek terecht te komen, kwam waarschijnlijk omdat we geen Amerikanen zijn. Een Amerikaan zou na een blik op de kamer op hoge poten zijn teruggelopen naar de receptie en niet alleen zijn geld terug geeist hebben, maar daar bovenop nog smartegeld. Buitenlanders zijn niet zo bekend met dit opportunistische gebruik om te allen tijde en op iedere plek uit te kijken naar een mogelijkheid ergens geld uit te slaan, dus kregen wij de kamer.

Dan hebben we het deze keer beter getroffen met de Red Carpet Inn, die warempel echt rood tapijt op de vloer heeft liggen. Droog rood tapijt.

Om ons bij te staan tijdens deze zwerftocht hebben we een Rand McNally Road Atlas meegenomen, waarin alle wegen in alle vijftig staten van Amerika terug te vinden zijn, en als toegift ook nog die van Canada. In de Rand lijkt Harrisonburg een vrij groot stadje te zijn, maar nadat we een rondje hebben gereden blijkt het qua entertainment weinig te bieden te hebben. Vreettenten te over natuurlijk, dit is ten slotte Amerika, maar veel meer dan een bowlingbaan en een bioscoop (de enige film die er draait hebben we al gezien), heeft het stadje niet te bieden.

We proppen ons vol bij een van de fastfood restaurants en rijden terug naar het motel, waar we de rest van de avond voor de televisie hangen. Met zoveel verschillende kanalen is er altijd wel iets te vinden dat de moeite van het bekijken waard is. We maken kennis met de Weather Channel, een kanaal dat vierentwintig uur per dag het weerbericht uitzendt. Bedenk zelf maar voor wie dat nuttig zou kunnen zijn, want ik weet het niet.

Matt vertelt een verhaal dat hij op de televisie gezien heeft, over een man die in California woont en ongelukkigerwijs El Niño van zijn achternaam heet, overeenkomstig de wind die warme luchtstromen meevoert en daardoor het klimaat dusdanig in de war kan sturen dat hele economieën eraan onderdoor gaan. Gedupeerde Amerikanen bellen op naar die man om hun gram te halen, om hem de huid vol te schelden, om hem uit te maken voor alles wat mooi en lelijk is en om hem te bedreigen. Niet voor de grap, nee, reken maar dat ze serieus zijn! Je mond valt toch open in verbijstering als je dit hoort?


In een veelvuldig door commercials onderbroken film die we op de televisie volgen, kom ik voor een ontstellend feit te staan: bijna iedere Amerikaanse man is besneden! Met geloof heeft het niets te maken. Als je weet hoezeer de Amerikaan angst wordt aangejaagd door het feit dat er overal bacteriën in de wereld om ons heen rondwaren, ligt besnijdenis eigenlijk zelfs in de lijn der verwachting. Hoe ze dat bij de vrouw aanpakken..., geen idee.
*
De volgende ochtend stappen we vroeg in de auto. Als ik om me heen kijk, heb ik niet het gevoel dat ik al ver van huis ben, de omgeving ziet er niet wezenlijk anders uit dan daar waar we vandaan komen. Daarom: hoe sneller we het oude, vertrouwde achter ons hebben gelaten, hoe beter. Gas op de plank!

We nemen een weg haaks op de snelweg die we tot dusver gevolgd hebben, steken de Shenandoah River over en komen op de Blue Ridge Parkway terecht, die parallel aan Interstate 81 loopt. Je mag er maar veertig mijl per uur rijden, dus het schiet niet op, maar je rijdt dwars door de bergen en komt soms voor uitzichten te staan die je gewoonweg de adem benemen. Niet voor niets geeft Rand aan dat dit een zogenaamde scenic route is. Dit hebben ze niet in New Jersey; we zijn onderweg!


Vanuit Virginia zakken we verder af, de staat North Carolina in. Af en toe stoppen we, om te tanken, om wat te eten, om op een overlook het uitzicht te bewonderen. De Blue Ridge Parkway loopt van de ene staat door in de andere, er komt geen einde aan. In Nederland heb je om te beginnen geen wegen die worden aangemerkt met de term scenic route, daar leent de natuur zich niet voor, en overlooks heb je al helemaal niet in een land dat op zijn hoogst driehonderd meter boven de zeespiegel uitsteekt. Voor ons is een weg als de Blue Ridge Parkway nogal een belevenis; alsof je met een busje door Jurassic Park rijdt.

Tegen de avond stoppen we in een dorpje in de buurt van de Great Smokey Mountains voor enige foerage, zodat we de nacht door kunnen brengen in de bergen.


Niet lang daarna zetten we Rataplan met een gevulde coolbox op een parkeerplaats in de buurt van een waterval, die na een kleine wandeling door het bos te bereiken is. Het is hier prachtig. De omgeving is dicht begroeid met bomen en het water valt zo’n honderd meter naar beneden. Ik snuif de geur van het vochtige bos en de bergen op en prijs mezelf gelukkig hier te staan en dit te zien.

We lopen door de schemering terug naar het busje, voordat de duisternis helemaal is ingevallen, want er is geen verlichting bij de parkeerplaats om ons een hint te geven waar heen te lopen in het donker. Er is sowieso geen enkele voorziening bij de parkeerplaats, geen toiletten, geen picknickbanken, niets. Voor een parkeerplaats in Amerika is dat uitzonderlijk.

Achter in de bus hebben we dunne slaapmatjes neergelegd met een dekbed er overheen. Als we onze voeten onder de bank schuiven, hebben we net genoeg ruimte om languit te kunnen slapen. Comfortabel is het niet echt, maar dit uitzicht op de Smokey Mountains kan geen enkel motel ons bieden. Van kindsbeen af heb ik een gruwelijke hekel aan kamperen gehad en ik ben mijn ouders altijd dankbaar geweest dat ze niets moesten weten van het behelpen met een tent waarin alle activiteiten op de hurken verricht dienen te worden, maar nu realiseer ik me dat het in een tentje misschien nog wel leuker zou zijn om hier te slapen dan in een auto. Om een omgeving als dit nog intenser te kunnen beleven is zien niet genoeg, reuk en gehoor zijn onmisbaar.

Nadat ik me nog een tijdje heb zitten vergapen aan de vuurvliegjes die om de auto en tussen de bomen oplichten, val ik in slaap.




2
It was on some foggy mountain top...

Foggy mountain top – Flatt & Scruggs

Als ik de volgende ochtend ontwaak en uit het raampje van de auto kijk, stroomt mijn hart over van een soort van dankbaarheid. ’s Ochtends is toch al het mooiste moment van de dag wat mij betreft, maar op de een of andere manier wordt dit nog eens vertienvoudigd als je in de bergen zit.

Ik gooi de deur open en snuif de frisse, ik mag wel zeggen érg frisse berglucht op. Op deze hoogte is het behoorlijk koel op dit vroege tijdstip van de dag. Ik loop naar de rand van de parkeerplaats, naar een overlook over de bergtoppen van de Smokey Mountains in de verte, en kijk mijn ogen uit. Je mag dan af en toe vreemde verhalen horen over hillbillies en inteelt in deze contreien van Amerika, maar ik zou er zelf geen bezwaar tegen hebben hier een permanent verblijf op te trekken. De bergtoppen zijn gehuld in een deken van mist. Bergkam volgt op bergkam, steeds vager naarmate ze verder weg liggen, tot ze worden opgeslokt door het laaghangende wolkendek. The Great Smokey Mountains: ze doen hun naam eer aan.

We rommelen rond in de coolbox om wat te eten en te drinken in te nemen, alvorens we de auto starten om een openbaar toilet te zoeken. Ik heb mijn eigen bekrompenheid overwonnen door in de auto te overnachten zonder sanitaire voorzieningen bij de hand te hebben, maar mijn behoefte doen in de buitenlucht is weer een stapje verder. Een stapje té ver wat mij betreft. Gelukkig duiken toiletten in de natuurgebieden van Amerika altijd op de meest onverwachte plaatsen op, dat was me tijdens de vorige reis hier ook al opgevallen, dus ik verkeer niet al te lang in nood. Meest in het oog springende aangaande de sanitaire voorzieningen langs de weg is dat ze altijd brandschoon zijn. En nog gratis ook! Als je uit een land komt waar ze zonder een spier te vertrekken een euro vragen om gebruik te mogen maken van een w.c. die naar pis stinkt en waarin de strontsporen aan de bodem van de pot zijn vastgekoekt, zijn de langsdewegse toiletten in de Verenigde Staten niet minder dan een geschenk. Wie die potten schoon maakt is een groot raadsel, ik zie er nooit iemand, maar de persoon in kwestie verricht goed werk.

We rijden verder en bij gebrek aan beter stoppen we bij een Mac voor het ontbijt, waartoe voorbijgangers middels een schreeuwende advertentie op de gevel worden verleid: gebakken aardappelen en een halve liter cola. Het is ook niet verwonderlijk dat de meeste mensen in dit land nogal omvangrijk zijn. Maar een ontbijt als dit valt nog mee. In een diner in New Jersey heb ik iemand weleens acht hamburgers voor het ontbijt zien verorberen. Het waren echter niet die acht hamburgers die mijn eetlust verpestten. In diezelfde diner stond een man met een tracheostoma naast mijn tafel te hoesten, waartoe hij een zakdoek tegen het gat in zijn hals drukte, om vervolgens zijn zakdoek open te vouwen en te kijken wat zijn longen door datzelfde gat naar buiten hadden gewerkt. Ik kon wel kotsen. Ik weet wel, in wezen maakt het weinig uit of iemand zijn sputum nou door zijn mond ophoest of door zo’n gat, rochels zijn rochels, maar... Nee.

De weg begint nu steeds meer tegen de bergen op te stijgen en we passeren de ene na de andere tunnel. Ik herken ze van drie jaar geleden, toen hebben we hier ook gereden. We waren op weg naar Mammoth Cave National Park, enorme ondergrondse druipsteengrotten. Het was de eerste keer dat ik in Amerika kwam en ik was nog niet zo bekend met de zeden en gebruiken van dit supervriendelijke, maar soms merkwaardige volk. Voordat we de grotten in gingen werd gewaarschuwd dat mensen die claustrofobisch waren beter niet mee konden gaan en dat de organisatie niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor eventuele ongevallen die in de grotten zouden kunnen plaatsvinden. Na deze mededelingen had ik het een beetje benauwd gekregen, men had me er in twee zinnen van weten te overtuigen dat ik mijn leven in de waagschaal stelde door mee te doen aan iets waarvan ik had gedacht dat het een eenvoudige rondleiding was, een simpele excursie, die zelfs voor een asportief iemand als ik te behapstukken zou zijn. Het leek me beter toch maar af te zien van deelname. Matt had me er toen op attent gemaakt dat dit nou Amerika was, in dit land diende iedere onvoorziene gebeurtenis op alle mogelijke manieren ingedekt te worden, want om het minste of geringste ongemak werden enorme geldbedragen geclaimd. Helemaal wist hij me niet te overtuigen, maar ik was nooit eerder in druipsteengrotten geweest en uiteindelijk was ik uit nieuwsgierigheid bereid de schijnbaar enorme risico’s te nemen die de consequenties waren van een rondleiding door de grotten.

In een groep daalden we achter een gids aan af naar naar de krochten diep beneden ons, alsof we naar het binnenste der aarde waren vertrokken. Via allerlei verlichte, onderaardse gangen kwamen we bij een heel nauwe doorgang die naar de naam ‘Fat Man’s Misery’ luisterde. ‘De overlevering vertelt dat er op deze plaats een of ander onfortuinlijke persoon als gevolg van zijn buitenproportionele omvang vast is komen te zitten tussen de rotsen’, vertelde de gids om de nerveuze sfeer onder zijn volgelingen nog wat te verhogen. Er kon maar een persoon tegelijk passeren, waardoor iedereen voor de doorgang samengroepte, en mensen maakten van de gelegenheid gebruik om elkaar van top tot teen op te nemen om in te kunnen schatten of een van de groepsgenoten voor obstipatie zou kunnen zorgen.

Maar iedereen bereikte zonder problemen de volgende open ruimte. Er werd ons gevraagd plaats te nemen op een aantal bankjes en toen iedereen zat werden de lichten gedoofd. Het was pikkedonker in de ruimte, je kon geen hand voor ogen zien. De boodschap was duidelijk: zonder licht geen zicht. Hoewel, ook hier was natuurlijk iemand die beweerde wel iets te kunnen zien. Er zijn nou eenmaal mensen op deze wereld die denken dat zij al zoveel verder zijn geëvolueerd dan de rest van de mensheid dat zij van heel andere factoren dan licht afhankelijk zijn om iets te kunnen zien. Hallucinaties, noemen ze dat in de psychiatrie.

Het was overigens best een vreemde gewaarwording om werkelijk niets te kunnen zien, dichter bij blind zijn hoopte ik nooit te komen.

Ondanks dat er nergens licht doordrong in deze grotten was er toch leven. In het ondergrondse water zwommen ziekelijk witte beestjes die op garnalen of kreeftjes leken. Ze hadden wel iets rudimentairs wat leek op ogen, maar waren helemaal blind. De fotosensoren in de ogen zijn vanaf de geboorte afhankelijk van prikkeling door licht, anders kunnen de sensoren zich niet ontwikkelen en kan het bijbehorende gebied in de hersenen niet leren de prikkels te interpreteren. Iemand die bijvoorbeeld blind geboren is, maar op latere leeftijd door middel van een operatie opeens kan zien, begrijpt niets van de dingen die hij voor zich ziet, omdat hij gewend is voorwerpen te herkennen door te voelen. Maar de kreeftjes zouden deze grot toch nooit uitkomen, dus zij hadden niets aan ogen.

Als je voor het eerst in druipsteengrotten van een dergelijke omvang als die in Mammoth Cave komt, is dat een enorme openbaring. Ik kan vandaag de dag nog altijd geen druipsteengrotten passeren zonder ze te bekijken, ook al lijken ze (onder ons gezegd) allemaal een beetje op elkaar.


3
There’s just some easy goin’ that I love

About you and Tennessee

This ain’t Tennessee – Garth Brooks

We volgen de Blue Ridge Parkway tot aan Ashville en nemen dan Interstate 40 om via Knoxville in een keer door te rijden naar Nashville, net als we drie jaar eerder ook hebben gedaan. We zijn er zo, op de Interstates mag je immers veel harder rijden dan door de bergen. Het uitzicht op het landschap is alleen wel een stuk minder. Uitlaatgassen, stank en voortsnellend verkeer, dat is de I40. Ik zie zelfs een file, een fenomeen dat ik nooit eerder op de overwegend vierbaanssnelwegen van Amerika heb gezien. Er is een goede reden voor blijkt later, als we al een uur met minimale snelheid voortsukkelen: ze zijn bezig met een wals en teer en grind om wat achterstallig onderhoud aan het asfalt bij te werken. Vier banen verkeer worden ingevoegd tot één.

Als we eindelijk aankomen in Nashville moeten we lang zoeken naar een betaalbaar motel en uiteindelijk vinden we er een ver buiten het centrum. De prijzen zijn fors opgeschroefd in verband met aanstaande festiviteiten op de fairgrounds.

Na een douche en een snelle hap haasten we ons naar het feestterrein. Volgens de affiches die overal hangen aangeplakt zullen alle countrysterren van betekenis van de partij zijn en daar willen we natuurlijk geen seconde van missen, dat spreekt voor zich.

Als we het terrein naderen, zien we al dat het één grote happening moet zijn, overal hangen vlaggetjes en slingers. Er ontbreekt echter een ding: mensen. Vooral de countrysterren zijn nergens te bekennen. Navraag leert ons dat het feest pas over vier dagen zal losbarsten. Mmm, dan hopen wij allang in Texas te zitten.

Ontgoocheld druipen we af naar downtown Nashville om daar een beetje rond te kijken. Bij de eerste de beste bar die we passeren besef ik dat ik mijn paspoort niet bij me heb ter identificatie; zonder ID kom je nergens binnen in dit land. En aangezien geen enkele portier op grond van mijn voorkomen schijnt te geloven dat ik de dertig nader (wat op zich wel weer een opsteker is), wordt me zonder ID overal consequent de deur geweigerd.

We rijden het hele eind weer terug naar het motel om mijn paspoort te halen. De hele lol van het avondje uit is er al af als we twee uur later pas weer downtown aankomen, nadat we vier keer de verkeerde afslag hebben genomen.

De hoofdstraat van Nashville bestaat uit allemaal cafeetjes waar country-artiesten optreden (let op: dat is iets anders dan countrystérren, en staat dus niet garant voor een spetterende avond uit). De wereldberoemde winkel van Ernest Tubb, waar zo’n beetje iedere klassieke countryplaat ooit gemaakt verkocht wordt, bevindt zich ook in deze straat. Ik mag graag bivakkeren in deze winkel, die klein, gezellig en overzichtelijk is, in tegenstelling tot wat je zou verwachten in dit land, waar altijd alles groter is dan waar dan ook ter wereld. Ik kijk mij de ogen uit; naar de platen natuurlijk, maar ook alle oude aanplakbiljetten met aankondigen van optredens van idolen die allang wijlen zijn, artiesten van golfkarton op ware grootte, een videoband waarop je geleerd wordt hoe banjo te spelen. Allemaal niet te betalen, wat dat betreft is de winkel weer niet zo leuk, maar desalniettemin mooi om te zien. Met name de affiches van countryheiligen Hank Williams en Patsy Cline lijken me echte verzamelstukken. Het einde van Hank en Patsy was net zo tragisch als hun muziek: de eerste heeft zich dood gezopen, de ander is verongelukt met een vliegtuigje. Overigens zijn opvallend veel country-artiesten verongelukt met een vliegtuigje; John Denver, Jim Reeves, Patsy Cline… Als ik country-artiest was, zou ik inmiddels enige achterdocht ontwikkeld hebben ten opzichte van dit vervoersmiddel en voor iets anders kiezen om van A naar B te komen.

Om niet chagrijnig te worden van alle attributen waar we wel naar kunnen kijken, maar die we nooit zullen kunnen kopen, steken we de weg over en gaan een Blue Grass Café binnen. Op een laag podium staat een band te spelen, maar net als we ons met een biertje op een stoel laten zakken houden de muzikanten ermee op. We drinken onze glazen leeg en stappen maar weer eens op, zonder muziek is er weinig te beleven in het café en van bier brouwen hebben ze in Amerika geen kaas gegeten.

Op naar de Wild Horse Saloon, waar we drie jaar eerder een leuke avond hadden gehad. ‘The most fun you can have with your boots on’ staat er op de entreekaartjes, en voor die fun moet je even diep in de buidel tasten, maar dan heb je ook wat. Beelden van de dansvloer en het podium van deze commerciële countrybar zijn regelmatig op CMT (country music television; het countrymuziekkanaal) te zien. Met vier kunststof paarden die ondersteboven aan het plafond hangen en nog een aantal op krukken aan de bar kan het feest niet meer stuk . De tent is erg in trek bij mensen die graag cowboy willen spelen, maar het harde leven van de echte cowboys nooit lang vol zouden houden. De meesten volgen al vijf jaar of langer de gratis linedance-lessen die iedere middag gegeven worden in de Saloon, zonder noemenswaardige vooruitgang te boeken, en komen ’s avonds op de dansvloer hun kunsten vertonen in hun beste glimmende cowboypak. Alsof echte cowboys daar tijd voor hebben. Op een rodeo zag ik ooit een T-shirt hangen waarop met koeienletters stond: ‘Cowboys don’t linedance’ en zo is het maar net.

De Saloon beschikt over een grote dansvloer met een podium ervoor en via trappen kan je naar boven lopen, waar je op een balustrade terecht komt met tafeltjes en barkrukken, zodat je van bovenaf neer kan kijken op de dansvloer.

Op het podium staat vanavond een band te spelen, best een goeie trouwens, en de meeste mensen dansen op de muziek. Wij wagen ook een poging maar raken steeds uit de maat; beiden hebben we geen les gehad in linedancing en de two step gaat ons helemaal boven de pet. Misschien zou een middagje lessen niet eens zo’n slecht idee zijn.

Helaas komt deze vermakelijke avond al snel tot een einde, want alle horecagelegenheden sluiten om één uur. Op de terugweg naar het hotel staan we weer in de file; werkzaamheden aan de weg gaan hier blijkbaar dag en nacht door, en chagrijnig bereiken we uren later ons motel.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina