Van privé naar professioneel De Bibliotheek Kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam



Dovnload 47.58 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte47.58 Kb.

Van privé naar professioneel

De Bibliotheek Kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam

Martien Versteeg


De eerste schreden

De geschiedenis van de Bibliotheek Kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam is nauw verbonden met het ontstaan van de opleiding. Na de oprichting van de Literarische Faculteit in 1877 werd Allard Pierson de eerste universitaire hoogleraar Esthetica, Kunst en Nieuwe Letteren. Na zijn overlijden, in 1896, werd de studie van de Aesthetiek en de Kunstgeschiedenis overgenomen door Jan Six. Tijdens zijn studie onder Pierson had hij geconstateerd dat er nogal wat schortte aan de ondersteuning binnen de opleiding, met name ‘de onmisbare hulpmiddelen voor deze studie ontbraken er zoo goed als geheel’. 1 Bij zijn onderwijs was Six dan ook gedwongen gebruik te maken van zijn eigen goed voorziene archeologische bibliotheek.

In de eeuw die volgde ontwikkelde de Bibliotheek Kunstgeschiedenis zich vanuit deze ongemakkelijke situatie aan huis tot een professionele organisatie ietwat losgezongen van de opleiding. Het archief van de opleiding, dat bijna in zijn geheel bewaard is gebleven, biedt een caleidoscopisch overzicht van deze ontwikkelingen vanaf het eerste kwart van de twintigste eeuw. 2

Een eigen plek


Na het overlijden van Six, in 1926, werd Ferrand Whaley Hudig (1883-1937) aangesteld als hoogleraar. Vóór zijn benoeming was hij al enkele jaren werkzaam geweest als privaatdocent Italiaanse kunstgeschiedenis aan de universiteit. In die jaren was hem duidelijk geworden dat de nagelaten bibliotheek van Six, die was ondergebracht in het Archeologisch Historisch Instituut, voor kunstgeschiedenis te weinig relevant materiaal bevatte. Daarnaast hadden zijn studenten uiteraard behoefte aan een ‘eigen’ kunsthistorische bibliotheek. Vanaf het begin van zijn aanstelling zocht Hudig dan ook naarstig naar een oplossing voor deze problemen. Die vond hij in 1929 toen het instituut kon worden ondergebracht in het Museum Willet-Holthuysen. Het pand aan de Herengracht 605 was in 1895 door de weduwe van Abraham Willet nagelaten aan de gemeente Amsterdam onder voorwaarde dat het een museum zou worden. De Gemeenteraad had dit legaat aanvaard onder meer vanwege het belang van de in het museum aanwezige kunsthistorische bibliotheek. Het instituut kreeg drie ruimten toegewezen.3 De leeszaal werd op 30 januari 1930 geopend.

Hudig zelf was verantwoordelijk voor het beheer van beide bibliotheken. Voor de instituutsbibliotheek ontving hij een budget van de Universiteitsbibliotheek. Daarnaast keerde het fonds van de Allard Pierson Stichting jaarlijks een toelage uit die Hudig kon aanwenden voor de bibliotheek, maar ook voor excursies en dergelijke. Uit het legaat van de weduwe Willet ontving hij jaarlijks nog een bedrag dat was bestemd voor de uitbreiding van de boekcollectie van het museum. Er werd echter regelmatig op deze toelage gekort omdat ‘men op het museum over de begroting heen was’.4 De kosten van de administratie en de inrichting van de lokalen kwamen in zijn geheel ten laste van het instituut. Andere kosten, zoals die voor verlichting en verwarming, werden vastgesteld in overleg met de conservator van het museum. Ondanks de goede zorgen ontsnapte er soms toch iets aan de aandacht van Hudig en de conservator; zo werd in september 1935 duidelijk dat de boeken van het instituut niet en de werken van het museum wel tegen brand waren verzekerd.



Groei


Voor de collecties van de twee bibliotheken selecteerde Hudig materiaal op het terrein van de ‘geschiedenis van de kunst en kunstnijverheid’. 5 Dat bracht veel werk met zich mee. In het archief van de opleiding kunstgeschiedenis bevinden zich tientallen brieven en memo’s waarin hij boekhandelaren, uitgevers en antiquaren om informatie vraagt, bestellingen plaatst, rappelleert of wijst op tekortkomingen van leveringen. De omvang van de budgetten maakt duidelijk dat de jaarlijkse groei door aankoop zeer bescheiden was en bovendien voor beide collecties verschillend in omvang. Zo werden in 1935 in totaal 86 boeken verworven waarvan 11 voor het Museum Willet-Holthuysen, in 1937 waren dat er 245 waarvan 21 voor het museum.

Door omvangrijke schenkingen groeiden de bibliotheken echter gestaag. Al in 1929 werden 125 van Six’s kunsthistorische werken aan het instituut overgedragen. In hetzelfde jaar schonken de erfgenamen van Jan Veth, die Six kende van lessen aan de Akademie van Beeldende Kunsten, meer dan driehonderd werken aan het instituut. 6 Andere schenkingen volgden, waaronder in 1934 een deel van de bibliotheek van Anthony Hoynck van Papendrecht, bij leven directeur van het Museum van Oudheden in Rotterdam.

Ook de bibliotheek van het museum werd op deze wijze verrijkt. In 1935 werd de boekerij van het Museum van de School voor Kunstnijverheid te Haarlem in bruikleen afgestaan aan de gemeente Amsterdam. De boekerij, in 1880 gesticht, omvatte in 1915 al ‘4500 boek- en plaatwerken, twee verzamelingen opgeplakte platen en eene bescheiden verzameling plakkaten’ 7. Een deel werd geplaatst in de bibliotheek van het museum, de rest werd in bruikleen gegeven aan de Openbare Leeszaal en Bibliotheek van Amsterdam.

De regeling van 1929 waarin de inhuizing van het instituut in het museum was vastgelegd, eiste dat het materiaal van het instituut en dat van het museum werden onderscheiden. Voor de boeken die de bibliotheek van het instituut verwierf, ontwierp Georg Rueter diverse ex-librissen. Uit verschillende brieven en notities blijkt dat Hudig gewend was met Rueter mee te denken bij de totstandkoming van de ontwerpen. Rueter ontving regelmatig briefjes met aanmerkingen op zijn schetsen. Voor het materiaal uit de originele bibliotheek van Willet werden vijf verschillende ex-librissen gebruikt.8 Het materiaal dat later voor de museumbibliotheek was verworven, werd gestempeld.

Naar aanleiding van een verzoek van het Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratuur kon in april 1935 worden gemeld dat de gezamenlijke collecties 9.000 titels telden naast zo’n 7.000 catalogi van veilingen, tentoonstellingen en musea. Uiteraard had de groei van de verzamelingen gevolgen voor de inrichting van de aan het instituut toegewezen ruimtes. Bijna jaarlijks volgden er kleine en grotere aanpassingen. Zo werd in 1935 de leeszaal heringericht om de kostbare boeken en prachtbanden te kunnen plaatsen. In het jaarverslag meldde Hudig hierover ‘In het Kunsthistorisch Instituut kwam de nieuwe inrichting der voorkamer gereed. Deze maakte een volledige verschikking der bibliotheek noodzakelijk, die wederom een volkomen herziening van den catalogus tot gevolg had.’ 9

Nieuw medium


Tijdens zijn colleges maakte Six thuis veelvuldig gebruik van illustraties in de boeken uit zijn privé bezit. Deze werkwijze was inmiddels verouderd en bovendien didactisch van weinig waarde omdat de studenten vergaten waar zij op moesten letten als zij het boek eenmaal voor zich hadden. 10 Maar omdat de bestudering van beeldmateriaal een belangrijk element bij het kunsthistorisch onderwijs en onderzoek is, onderzocht Hudig direct na zijn aanstelling de mogelijkheden die dia’s boden voor het onderwijs. In 1929 besteedde hij bijna de gehele toelage van de Allard Pierson Stichting aan opdrachten voor het maken van diapositieven door het Lichtbeelden Instituut in Amsterdam. 11 En in 1933 werd op zolder een zaal ingericht voor het vertonen van dia’s met een ‘kleine lantaarn’ voor groepen studenten.

Ook het aantal reproducties van kunstvoorwerpen groeide snel, niet alleen door gerichte aankoop van series foto’s van uitgeverijen zoals Anderson, Alinari en Bruckmann, maar ook door het accepteren van omvangrijke schenkingen. Een van de grote aanwinsten op dit terrein was afkomstig van de kunsthandelaar Mellaart. Hudig verwierf de 30.000 reproducties in 1933 met hulp van donaties van particulieren en de Gemeente Musea.



Zee van vrijwilligers


J.N. Jacobsen Jensen was in het begin de enige professionele bibliotheekkracht. Hij was twee avonden per week werkzaam in de bibliotheek. In 1934 nam Clara Bille de taken van hem over. Zij verkreeg het ‘oppertoezicht’ over ‘den geregelden gang van zaken inclusief de assistenten en hun werk’ waaronder in 1936 vier ‘werkelooze intelectueelen’. Het dagelijks toezicht, de openstelling, het onderhoud aan de catalogi en het rangschikken van de verzameling afbeeldingen werden verricht door een tiental vrijwilligers. Met vereende krachten wisten zij de bibliotheek ‘dagelijks […] van 9.30 tot 12.30 en van 1.30 tot 5 uur’ open te houden. 12 De aanstelling van Bille was een zegen voor de bibliotheek. Zij was punctueel en werkte hard. Haar kordate karakter blijkt uit een brief die zij afsloot met ‘Nu hoop ik maar, dat alles in orde komt. Ik heb het gevoel wat een drukke huismoeder moet hebben, die haar gezin onbeheerd moet achterlaten. U is dan de minderjarige oudste dochter, die de sleutels en het huishoudgeld heeft!’ De brief met dit vrijmoedige einde was gericht aan niemand minder dan Hudig! 13

Een zeer opmerkelijk project was de opbouw van een kunsthistorisch ‘kaartregister voor alle boeken […] in de bibliotheken van Amsterdam, ’s Gravenhage en Delft, welke in de toekomst met die van andere steden zal worden uitgebreid’. 14 Correspondentie met de TU Delft toont aan hoe dit in zijn werk ging. De TU Delft werd verzocht de titels van nieuwe aankopen door te geven. De medewerkers knipten de relevante titels van het oude bezit uit de gedrukte catalogus of deze werden uit de kaartcatalogus overgeschreven en ‘in ons kaartsysteem ingeplakt’. 15 Uit een ongedateerde, handgeschreven lijst blijkt de omvang. Er worden maar liefst veertig Nederlandse kunsthistorische instellingen genoemd die voor dit project in aanmerking kwamen.

Mej. Hooghwinkel was in 1933 een van de medewerkers. Zij nam de kunsthistorische titels uit de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek over ‘met Oostindische inkt […] daar bijna alle andere inktsoorten spoedig verbleeken. Dit is ook het geval met schrijfmachine-inkt […]’. 16 Rijk zal mej. Hooghwinkel van al dit minutieuze schrijfwerk niet zijn geworden. Uit een bewaard gebleven rekening van een van de andere medewerkers aan het project blijkt dat hij voor het overnemen van 416 fiches uit de catalogus van het Rijksprentenkabinet slechts fl. 5,00 in rekening bracht. 17
Van Regteren Altena

Hudig overleed in 1937. Zijn opvolger, Johan Quirijn van Regteren Altena (1899-1980), werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar Kunstgeschiedenis der Middeleeuwen en van de nieuwere tijd. Hij was bekend met het instituut en het museum omdat hij voordien als conservator bij het Stedelijk Museum had gewerkt. Hoewel Hudig ‘als directeur van het Kunsthistorisch Instituut door uitbreiding van de fraaie particuliere boekerij van den heer Willet een belangrijke handboekerij op het gebied der kunstgeschiedenis heeft weten aan te leggen’ voldeed de bibliotheek bij lange na niet aan de eisen die van Van Regteren Altena er aan stelde. 18 Misschien wel daarom bood hij in 1939 een deel van zijn eigen bezit in bruikleen aan. Een tweede omvangrijke uitbreiding onder zijn bewind was de aankoop van de collectie van de Amsterdamse kunsthandelaar Nicolaas Beets. De circa 1000 boeken, de 5000 veilingcatalogi en de vele reproducties werden in 1940 met particuliere steun verworven. Het bestaande bezit op het terrein van de schilderkunst en de grafische kunst werd hiermee sterk uitgebreid.


Tegenslagen

Door de crisistijd en de onrustige internationale situatie bleven de budgetten voor de aanschaf van literatuur klein. Er werd zelfs regelmatig op gekort. Ook financiële problemen op andere gebieden doemden op. In 1937 was de toelage ter bestrijding van de kosten voor de inhuizing niet langer toereikend omdat het instituut meer kamers in gebruik had dan in 1929. Van Regteren Altena verzocht enkele malen tevergeefs om meer geld. Door herhaalde afwijzingen liet hij zich overigens nooit uit het veld slaan. Zonodig werden er zaken buiten de reguliere budgetten om gekocht, zoals bij de aanschaf van een epidiascoop ter vervanging van de projectlantaarn waarvan hij ‘toevallig’ een exemplaar op de kop kon tikken. Gunstiger waren de ontwikkelingen bij de aanschaf van dia’s. In een van de eerste brieven die Van Regteren Altena in zijn nieuwe functie schreef, pleitte hij voor een apart budget voor dia’s. De gemeente besloot in de kosten bij te dragen waardoor deze niet langer ten laste kwamen van het fonds van de Allard Pierson Stichting. 19

De reproductiecollectie groeide gestaag door geschenken. Daaronder waren regelmatig foto’s van in de Gemeente Musea getoonde kunstwerken, zoals in 1940 een complete serie foto’s van de voorwerpen op de tentoonstelling Rondom Rodin. Later, vooral in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, werden foto’s van kunstvoorwerpen in grote getalen besteld.

Van meet af aan liet Van Regteren Altena blijken dat hij meer en beter geschoold personeel nodig had. Jarenlang drong hij aan op verbetering van de aanstelling van Bille, sinds 1934 naast adjunct-bibliothecaresse ook de administratrice van het instituut. Hij stopte daar pas mee toen het Presidium van de Universiteit van Amsterdam dat zó zat was dat zij in mei 1957 zeer pertinent weigerde Bille hoger in te schalen. Een van zijn andere wensen was het aantrekken van een medewerker voor het wetenschappelijke werk in de bibliotheek. Hiervoor bedacht Van Regteren Altena de functie van conservator. Deze was verantwoordelijk voor de aankopen, de instandhouding en verrijking van de bibliotheek, het klasseren van de reproductieverzameling en het beheer van de kunstvoorwerpen die in het museum getoond werden. Het bleef bij een papieren voorstel, de zwakke financiële positie van de gemeente liet honorering van het plan niet toe. Van Regteren Altena was succesvoller met zijn aanvragen voor ondersteunend personeel. In augustus 1940 werd een tweede adjunct-assistente benoemd en voor het onderhoud van de zeer uitgebreide verzameling catalogi kon een boekbinder worden aangetrokken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het instituut tot het begin van 1942 normaal functioneren. In januari van dat jaar besloot het Gemeentebestuur echter alle gemeentelijke instellingen op ‘s zaterdags te sluiten vanwege de heersende kou, die gepaard ging met een gebrek aan kolen. Het was het begin van erger: in december 1943 moesten alle onderwijsactiviteiten worden gestaakt. De collectie zelf liep geen gevaar. Al in de zomer van 1939 waren uit voorzorg de kostbaarste en minst vervangbare boeken en manuscripten overgebracht naar bunkers in de duinen bij Castricum en Zandvoort. Ook de centrale catalogus van kunsthistorische publicaties werd op deze wijze in veiligheid gebracht.20 De bezorgdheid van Van Regteren Altena voor de mogelijke gevolgen van het geweld voor het Amsterdamse kunstbezit, blijkt uit zijn voorstel om deze voorwerpen zoveel mogelijk in situ te fotograferen. Immers, mochten de voorwerpen schade oplopen of worden vernietigd dan waren ze ten minste in reproductie veiliggesteld. 21
Opkrabbelen

Na de oorlog probeerde men de ontstane achterstanden in te lopen. Lange lijsten met desiderata werden door de bibliothecaris van de Gemeente Universiteit doorgesluisd naar het Netherlands Book Committee en de Help Holland Council. 22 Ondanks deze inspanningen was de groei van de collectie vijf jaar na de oorlog nog niet op het niveau van rond 1930. Dit werd mede veroorzaakt door de schrikbarende prijsstijging van boeken en tijdschriften. Het jaarverslag over 1950 meldt de aankoop van ‘slechts’ 174 boeken. Gelukkig kon dankzij een aanzienlijke gift hetzelfde aantal boeken uit de bibliotheek van wijlen prof. Hudig worden gekocht, waaronder een groot aantal publicaties over Engelse kunst en kunstnijverheid. Ook konden in opdracht van het instituut weer foto’s op locatie worden aangeschaft. Zo kreeg Egbert Haverkamp Begemann in 1950 ‘f. 225, - in Spaanse deviezen’ mee voor de aankoop van foto’s van kunstwerken bij diverse musea en plaatselijke fotografen in Spanje.

In de jaren vijftig ontving het instituut circa 25.000 grootbeelddia’s die het Lichtbeelden Instituut afstootte. De collectie dia’s werd hierdoor zo groot dat een zelfstandige afdeling voor het beheer werd gecreëerd. Bovendien werd een fotograaf aangetrokken die vanaf het midden van de jaren zestig tienduizenden kleinbeelddia’s maakte.

Na de oorlog bekoelde de relatie tussen het instituut en het museum. Het instituut had in het laatste jaar van de oorlog twee kamers moeten afstaan aan de dakloze conciërge van het museum. Zeer tegen de zin van Van Regteren Altena werd na de oorlog één van deze kamers door het museum in gebruik genomen. De kiem tot een breuk was hiermee gelegd omdat hierdoor ruimtenood was ontstaan voor zowel ‘studie en beheer als voor het bergen van boeken’. 23 Maar als de kamer alsnog voor de bibliotheek zou worden bestemd kon het instituut nog voor geruime tijd voort, betoogde Van Regteren Altena in diverse brieven. Juist het tegenovergestelde gebeurde door een arrest van de Hoge Raad. Hierin werd vastgelegd dat de verspreide bezittingen van Willet-Holthuysen terug moesten naar het museum én dat het pand ingericht diende te worden als een 17-18de-eeuws grachtenhuis.24


De villa van Dreesmann

Er moest door het instituut dus worden gezocht naar een nieuwe behuizing. Dit werd het woonhuis van W.J.R Dreesmann aan de Johannes Vermeerstraat, in de nabijheid van het Museumplein. Het pand werd na zijn overlijden gekocht door de Universiteit van Amsterdam en in de winter van 1961/1962 verhuisde het instituut. Uiteraard wilde Van Regteren Altena de voor de opleiding relevante delen van de bibliotheek van het museum meeverhuizen. Hiervoor moest een bruikleencontract worden opgesteld. Prof. Joshua Bruyn, in 1961 als hoogleraar aangesteld, speelde bij de onderhandelingen een belangrijke rol. Enkele punten waar hij zich met succes over boog waren de reproducties van Mellaart, die voor de helft eigendom van het museum waren, en de collectie van het Museum van de School voor Kunstnijverheid. 25 Een van de gevolgen van de overdracht was de verplichting om op het briefpapier en op het naambord van het instituut ‘Bibliotheek van het Museum Willet-Holthuysen’ te vermelden. De verhuizing en de veranderende financiering van de universiteit leidde in 1965 tot het einde van de financiële bijdrage uit het legaat Willet-Holthuysen. 26


Bloei, maar ook problemen

Aan het eind van de jaren vijftig was het aantal publicaties dat de bibliotheek kon kopen nog klein. Door de economische bloei in de jaren zestig kwam daar echter verandering in. Bij de aanstelling van Bruyn was er 3.000 gulden beschikbaar voor collectievorming, in 1965 bedroeg dit 50.000 en in de jaren zeventig schommelde het budget rond de 100.000 gulden. Bruyn, verantwoordelijk voor de collectie, streefde naar volledigheid in de aanschaf op de onderzoeksterreinen van de groeiende wetenschappelijke staf. Daarnaast konden ook publicaties worden aangeschaft op nieuwe aandachtsgebieden, zoals analytische en theoretische publicaties binnen de moderne kunst en museum- en vakdidactiek.

Hoe mooi, stemmig en ruim ook, de villa van Dreesmann was nauwelijks op haar nieuwe functie als bibliotheek berekend. Bovendien kende de opleiding tot halverwege de jaren tachtig een sterke groei van het aantal studenten en medewerkers. Daarom moesten in de loop der jaren steeds grotere delen van de collectie in de kamers van de wetenschappelijke staf worden geplaatst. Maar ondanks de jaarlijkse groei, de toenemende behoefte aan studieplaatsen en werkplekken, en het steeds intensievere gebruik, kon de bibliotheek binnen de muren van het gebouw blijven. Dat gold echter niet voor de reproductieverzameling. Deze werd in 1977 ondergebracht in het Lambert ten Katehuis aan de Herengracht. Ook de diatheek verhuisde. De afdeling betrok een deel van de begane grond in het tweede instituutspand aan de Johannes Vermeerstraat 2. Een regelmatig terugkerend beeld uit die jaren was de diathecarresse, een lid van de wetenschappelijke staf of een bibliotheekmedewerker die omzichtig de straat overstak sjouwend met boeken waaruit opnamen moesten worden gemaakt.

De villa had ook nog andere fysieke tekortkomingen, zoals een vochtige kelder. Uitbraken van schimmel in 1980 en 1981 troffen onder meer het onverwerkte materiaal van de Willet-collectie. Deze boeken werden met de andere aangetaste delen van de collectie met gas behandeld, waarna ze alsnog konden worden verwerkt. Vanwege het besmettingsgevaar én het ruimtegebrek integreerde de staf de werken niet in de bibliotheek maar werden ze ondergebracht in een boekendepot van de Universiteitsbibliotheek. Ze waren hierdoor nagenoeg ontoegankelijk. Slechts eenmaal per maand toog de staf met de opgespaarde aanvragen naar het depot.

In 1984 verhuisde de reproductieverzameling weer, nu naar het voormalig Historisch Seminarium aan de Herengracht 286. Het pand fungeerde na het vertrek van de opleiding Geschiedenis als wisselpand waardoor er betrekkelijk veel ruimte beschikbaar was. De grote formaten, de rariora-boeken en de andere zeldzame en kostbare werken werden van het boekendepot overgebracht naar de Herengracht. Voor wat achter bleef, bleek het depot een ongelukkige oplossing. In november 1987 brandde een deel van het pand af. Gelukkig werd het nog opgeslagen boekenbezit van het instituut niet door schade getroffen maar het moest wel worden verhuisd naar een ander depot van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam-Zuidoost. Aan de spreiding van het bibliotheekbezit en de dislocatie van de bibliotheek en de reproductieverzameling kwam in 1990 een einde, toen na de renovatie van Herengracht 286 ook de bibliotheek, de diatheek en de opleiding in het pand werden ondergebracht.
Professionalisering

Na het vertrek van Bille, in 1965, werd op het personele vlak een proces van professionalisering ingezet. Voor de diverse bibliotheekwerkzaamheden konden vakkrachten worden aangetrokken, onder wie Marijke van der Zwaag, die jarenlang de bibliotheektechnische taken coördineerde. Een van haar eerste en meest omvangrijke projecten was het etiketteren van de boeken zodat de rubrieksindeling aan de buitenkant van het boek zichtbaar was. Bij het terugzetten van het materiaal leverde dit per dag enkele uren tijdwinst op. Een tweede arbeidsintensieve klus was het onderhoud van de alfabetische catalogus. Deze was tot 1965 aangevuld met zelf geschreven fiches, waarna deze werden getypt om vanaf het begin van de jaren zeventig geprint te worden aangeleverd. Al die jaren voegde de staf ze in de catalogus in! Pas aan het begin van de jaren negentig besloot men de catalogus niet meer bij te werken, omdat de geautomatiseerde catalogus met behulp van terminals in de bibliotheek kon worden geraadpleegd.

Tot 1984 werden de binnengekomen werken door kandidaat-assistenten gerubriceerd en systematisch ontsloten. Daarbij trad een van de leden van de wetenschappelijke staf op als supervisor. Voor hem of haar gold dat dit werk vaak in de verdrukking kwam door het onderzoek en onderwijs. Van der Zwaag pleitte dan ook regelmatig voor de aanstelling van een in de kunstgeschiedenis afgestudeerde bibliotheekmedewerker die deze taken zelfstandig kon uitvoeren. December 1984 was het zo ver. Geert-Jan Koot werd aangesteld als wetenschappelijk bibliothecaris. Zijn eerste initiatief was de verdere rationalisering van de aanschaf door het opstellen van een collectievormingprofiel. En hij zag ook de voordelen van de opkomende automatisering. Zo kon in 1986 een systeem gebaseerd op trefwoorden van de Universiteitsbibliotheek de systematische ontsluiting vervangen.
Schaalvergroting, fusies, rationalisatie…..

Het beheer en de coördinatie van de bibliotheektechnische en wetenschappelijke taken werden in 1989 in de functie van het ‘hoofd van de bibliotheek’ verenigd. Toen in 1996 de instituutsbibliotheek opging in de Letterenbibliotheek, werden deze taken door verdergaande specialisatie van de functies weer gescheiden. Een tweede stap in het proces van schaalvergroting was de fusie van de Letterenbibliotheek, inmiddels uitgegroeid tot Bibliotheek Geesteswetenschappen, met de Universiteitsbibliotheek. Meer dan voorheen moest de bibliotheek kunstgeschiedenis rekening gaan houden met wat elders aan de Universiteitsbibliotheek gebeurde. Niet langer konden bijvoorbeeld geschenken onbekommerd worden geaccepteerd. Men moest zich nu afvragen hoe deze schenkingen zich verhielden tot bestaand bezit van andere universitaire bibliotheekvestigingen.

Met het oog op het huisvesten van deze gezamenlijke organisatie in één centrale bibliotheekvestiging, moest de omvang van de collectie kunstgeschiedenis worden teruggebracht van 1500 naar 1050 meter. Dit ‘deselectie’project werd aangegrepen om het bruikleencontract van de Willet-collectie op te zeggen en dit materiaal aan het Amsterdams Historisch Museum te retourneren. Voor het museum kwam het goed uit. Het poogde al vanaf 1996 de oorspronkelijke bibliotheek van Abraham Willet te reconstrueren voor zover dit materiaal was ondergebracht bij kunstgeschiedenis.

De eisen die in de 21e eeuw aan de bibliotheek worden gesteld zijn anders dan in de vorige eeuw. Er moet voortdurend geanticipeerd worden op vernieuwingen binnen de elektronische dienstverlening. Dat geldt ook voor de ontwikkelingen ten aanzien van beeldmateriaal. Daarom is in 2005 besloten de reproductieverzameling niet verder uit te breiden. De collectie bestaat nu uit circa 850.000 reproducties op het terrein van de Westerse kunst, met de nadruk op Nederlandse en Italiaanse schilderkunst, en kunst uit de 20ste eeuw. De collectie heeft door de opkomst van de digitale mogelijkheden het karakter van een archief gekregen. In de de collectie bevindt zich immers ook uniek materiaal zoals ansichtkaarten en originele 18de en 19de eeuwse reproductiegrafiek, krantenknipsels en overdrukken van tijdschriftartikelen.

Onderhoud van een relatienetwerk, inzetbaarheid bij het onderwijs en vele andere vormen van gebruikersondersteuning, elektronische dienstverlening, deelname aan projecten, bestuurlijke werkzaamheden en bovenal professionele scholing zijn belangrijke voorwaarden voor het goed functioneren van bibliotheekpersoneel. Een belangrijk onderdeel daarbij zijn de contacten met de wetenschappelijke staf. Toen de bibliotheek onderdeel vormde van de opleiding werd ze als vanzelf gevoed met de voor haar belangrijke informatie uit het onderwijs- en onderzoeksveld. Nu moet er naar worden gevraagd!

Het zal slechts een kwestie van tijd zijn dat de bibliotheekvestiging wordt ondergebracht in een groter pand en zo ook fysiek los raakt van de opleiding. De privé-bibliotheek van Six, de handbibliotheek van Hudig, de instituutsbibliotheek van Van Regteren Altena en de wetenschappelijke bibliotheek in open opstelling van zijn opvolgers, ze zijn dan nog slechts geschiedenis.





1 U.Ph. Bossevain, Levensbericht van Jhr. Dr. Jan Six, Amsterdam 1929, p. 7.

2 Het archief is onderdeel van het universitair archief. Het is momenteel ondergebracht in het depot van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam Zuid-Oost.

3 Regeling betreffende de beschikbaarstelling van lokalen in het Museum Willet-Holthuysen ten behoeve van het Kunsthistorisch Instituut, gedateerd 31 october 1929.

4 Memo van C. Bille aan J.Q. van Regteren Altena, 31 juli 1937.

5 Brief van F. Hudig aan het Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratuur, 6 juni 1935.

6 Jaarverslag Allard Pierson Stichting over 1929.

7 Voorwoord in Catalogus der Boekerij verbonden aan het Museum van Kunstnijverheid te Haarlem, Haarlem 1915.

8 Geert-Jan Koot en Fransje Kuyvenhoven, ‘The “Willet-Holthuysen” collection of books’, Art Libraries Journal 12 (1987) nr. 1, pp. 37-38, noot 12.

9 Jaarverslag 1935 van de Allard Pierson Stichting.

10 Bossevain 1929 (zie noot 1), p. 46.

11 Jaarverslag Allard Pierson Stichting over 1929.

12 Brief van F. Hudig aan het Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratuur, 6 juni 1935.

13 Brief van C. Bille aan F. Hudig, 27 juni 1935.

14 Brief van F. Hudig aan het Nederlandsch Instituut voor Documentatie en Registratuur, 6 juni 1935.

15 Brief van F. Hudig aan A. Korevaar, 2 februari 1934.

16 Brief van F. Hudig aan A.J.L. Hooghwinkel, 27 augustus 1933.

17 Rekening van A.F.D. Zettels aan het Instituut, 29 juni 1940.

18 Verslag van het Kunsthistorisch Instituut over 1937.

19 Jaarverslag 1938 Allard Pierson Stichting.

20 Jaarverslag 1940 Allard Pierson Stichting.

21 Brief van J.Q. van Regteren Altena aan de Burgemeester van Amsterdam, 25 juli 1943.

22 Brief aan F.A. Vening Meinesz, gedateerd 25 oktober 1945, met daarbij een getypte en handgeschreven (concept)lijst.

23 Jaarverslag over 1952 Allard Pierson Stichting.

24 Gusta Reichwein en Hubert Vreeken, ‘Wonen aan de gracht. Honderd jaar Museum Willet-Holthuysen’, Jaarboek Amstelodamum 93 (2001), p. 181.

25 In een brief van W. Sandberg aan J. Bruyn, gedateerd 5 oktober 1961, schreef eerstgenoemde dat de collectie weliswaar eigendom van het museum was maar toch ook in bruikleen kon worden gegeven.

26 Brief van S.H. Levie aan de directeur van het Kunsthistorisch Instituut, 6 januari 1965.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina