Vanuit een jeep oog in oog met vele wilde dieren en uitrusten op spierwit zand met prachtige schelpen



Dovnload 87.18 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte87.18 Kb.



Vanuit een jeep oog in oog met vele wilde dieren en uitrusten op spierwit zand met prachtige schelpen


Tanzania & Zanzibar

28 januari t/m 13 februari 2002

Inhoudsopgave ‘TANZANIA & ZANZIBAR’




1. Op weg naar Tanzania 1

2. Onderhandelingen in Arusha 2

3. Op safari 3

3.1 Tarangire National Park 4

3.2 Ngorongoro krater 5

Za. 2-2-2002 6

3.3 Arusha National Park 8

4. Met de bus van Arusha naar Dar es Salaam 10

4.1 Eens wordt je beduveld … 10

4.2 De Mkunazini veerboot 11

5. Het tropische eiland Zanzibar 12

5.1 Stone Town & ‘Spice Tour’ 12

5.2 Shehe guesthouse in Jambiani 14

5.3 Paje by night 16

6. Stone Town & de laatste uurtjes in Dar 17




1. Op weg naar Tanzania

Ma. 28-1-2002

Ja hoor, vertraging en omleiding … het reizen met de NS is ondanks het opstappen van de directie dus nog steeds niet optimaal. Pa Woutersen heeft ons na een stormachtige nacht in de Kievit naar Rotterdam Centraal Station gebracht. Zonder jas op een winderig perron is niet zo´n succes, dus duiken we een koffie-, eet- versus krantentokootje binnen. De trein van 7:02 hebben we net gemist. De trein van 7:31 vertrekt 10 minuten te laat. Den Haag en Leiden doen we niet aan, met als gevolg dat vele mensen weer uitstappen. Voor anderen is de vertraging de aanleiding om ‘en masse’ de GSM te pakken. Onvrede kan blijkbaar alleen nog maar via de telefoon worden gedeeld, dat je ook je medereizig(st)er kan aanspreken komt in geen van de hoofden op.


Ook Schiphol doen we niet aan, we moeten overstappen op Amsterdam Duivendrecht. Het stukje vanaf Duivendrecht naar Schiphol moeten we staan en door al dit gedoe redden we het ook niet om twee uur voor vertrek op Schiphol te zijn. Net zoals in Hong Kong (Cathay Pacific) heeft de KLM/NW nu ook diverse balies open voor meerdere vluchten. Voorafgaand aan het inchecken worden er mensen tussenuit geplukt voor een ‘grondige’ kofferinspectie. Het aantal opengestelde balies is lang niet genoeg, behoorlijke rijen zijn het gevolg. De paspoort check en scan van de handbagage lijkt na de aanslag van 11 september niet veel veranderd te zijn. Een uur voor vertrek komen we bij de gate aan, opvallend is het kleine aantal reizigers / toeristen. Het vliegtuig zit lang niet vol en ook het aantal Nederlanders is zeer beperkt. Door de harde wind is er slechts één startbaan beschikbaar, hetgeen resulteert in circa drie kwartier vertraging. We vliegen overdag, maar omdat er zoveel plaatsen vrij zijn kiezen veel mensen toch maar voor een hazenslaapje.
Op de geplande tijd (21:45) komen we aan in een donker Tanzania.

Het is en vreemde gewaarwording om nergens lichtjes te zien. Vliegveld Kilimanjaro ligt echt in het niets, op de luchthaven na is er verder niets te zoeken. We zijn als eersten door de douane en ook de rugzakken komen met één van de eerste ladingen op de lopende band terecht. Zoals in zovele landen worden we ook hier direct benaderd door diverse taxichauffeurs. Met een westerling mogen we voor niets mee naar Moshi rijden, maar helaas ligt dat voor ons niet op de route. Uiteindelijk worden we door twee Tanzianen in een nieuwe Japanse auto naar Arusha gebracht. Uiteraard wordt er gelijk geprobeerd ons een safaritour aan te smeren. We laten het maar even bezinken, morgen zien we wel.


Arusha ligt op zo´n 1600 meter hoogte, de temperaturen zijn daardoor heel aangenaam. Het Mashele guesthouse is nogal rumoerig, dus wordt ons aangeraden om het één straat verderop gelegen Hanang guesthouse te proberen. Het toilet is niet meer dan een gat in de grond en de douches zijn zegmaar ‘lekker koud’. Maar de bedden zijn schoon en liggen lekker, dus wat ons betreft is het prima zo.

Roland heeft last van z’n rechteroor, wat suist en lekt. Ook is hij ietwat doof aan dat oor.


2. Onderhandelingen in Arusha

Di. 29-1-2002

De imam laat in de vroege ochtend zijn luide stem al horen. De moskee staat op een soort heuvel, vlakbij het einde van de straat waar ons guesthouse zich bevindt. In de loop van de nacht heeft Roland zich omgeven door WC-papiertjes, waarmee hij het vocht uit z’n oor heeft geprobeerd te deppen. Het moet niet gekker worden …


De lucht is strakblauw. Uitgeslapen gaan we op pad , maar nog voordat we het binnenpleintje van ons guesthouse hebben verlaten, komt Benjamin (de ‘taxichauffeur’ van gisteren) op ons af. Voor de deur staat zijn landrover, waarin hij ons naar zijn kantoor in hotel Menor wil brengen. Hij heeft een rustige en heel vrijblijvende uitstraling en manier van handelen, zodat het eigenlijk heel vanzelfsprekend is om met hem mee te gaan. Bovendien is het wel heel makkelijk zo. Eerst rijdt Benjamin op ons verzoek naar de bank. De grote banken zien er in Afrika allemaal wel zo’n beetje hetzelfde uit: ze zijn groot, ruim en voorzien van weinig simpel meubilair. Benjamin begeleidt ons direct naar de juiste counter, het duurt slechts enkele minuten voordat we in het bezit zijn van onze eerste Tanzaniaanse Shillings.

In hotel Menor worden we voor ons eerste Tanzaniaanse ontbijt het restaurant in geloodst. We laten ons door de kok verrassen: Vers fruit en toast met ei/jam, prima … maar niet echt wat je van een Tanzaniaanse kok verwacht.

Het kantoortje van Benjamin (Monsoon Safaris) bevindt zich op de eerste verdieping van het hotel en meet zo’n 1,5 x 2 meter, piepklein dus. Het ‘staat’ op de overloop en alle muren bestaan uit glas. Voor de ramen heeft hij zorgvuldig de vlaggen van Uganda gehangen, zo heeft ‘ie toch nog een beetje privacy. Benjamin vraagt naar onze wensen en komt dan in eerste instantie met een tour van zes dagen, wij vinden dit iets te prijzig. Na de nodige onderhandelingen gaan we uiteindelijk voor een tour van 5 dagen en 4 nachten, waarbij we drie parken aan zullen doen: Tarangire National Park, de Ngorongoro krater en Arusha National Park.

Ondanks de onderhandelingen zijn de onkosten toch wel hoog opgelopen en aangezien we de rest van de vakantie niet op een houtje willen bijten, moeten we onze VISA-kaart ‘inzetten’. Er is maar een hotel in Arusha (Arusha hotel), waar we met onze VISA-kaart contact geld kunnen bemachtigen. Erg vriendelijk zijn ze niet, sterker nog: zonder de aanwezigheid van Benjamin hadden we het wel kunnen schudden.


We brengen het thuisfront via e-mail op de hoogte van onze safariplannen. Het stikt hier van de internet-toko’s. In de prachtige tuin van het Equatorial hotel wachten we op Benjamin, die belooft heeft om hier terug te komen zodra hij het contract van de safaritour heeft uitgetikt. Het is een bijzonder fraaie, kleurrijke, rustige tuin; zo in het hartje van Arusha eigenlijk niet passend, maar toch wel even heel prettig. Het is ondoenlijk om op je gemakje over straat te lopen, de opdringerige zogenaamde safaritouroperators geven je het gevoel alsof je strot wordt afgeknepen. Ze beloven de prachtigste tours voor de meest aantrekkelijke prijzen; waarbij je de garantie krijgt dat ze op de dag van vertrek niet op zullen komen dagen en/of tijdens de tour je ineens voor allerlei extra kosten op zullen laten draaien.

Roland geniet met volle teugen van z’n eerste Kilimanjaro-biertje. Het is voor het eerst dat we de eerste dag van onze reis invullen, zoals je dat logischerwijs eigenlijk zou moeten: niets doen, wat lezen, kortom niets anders dan simpelweg acclimatiseren. Mij bevalt dat prima, maar Roland denkt daar toch wat anders over. Hij ‘zit’ zo ongeveer met z’n hoofd in de Lonely Planet en komt al snel tot de conclusie dat je vanaf hier met de trein op heel eenvoudige wijze naar Kaapstad kan reizen. Als ik ‘m z’n gang zou laten gaan, dan zijn we de tweede week waarschijnlijk Afrika aan het doorkruisen, in plaats van dat we een week relaxen op Zanzibar …


Aan het eind van de middag lopen we terug naar ons guesthouse. Onderweg lopen we nog even een internettoko binnen om de website www.dokterdokter.nl te bezoeken. Toch wel handig, dat je op zo’n eenvoudige manier op reis kan zien wat je met je ‘kwaaltje’ aanmoet, in ons geval: Roland z’n nog steeds lekkende oor. Uit de beschrijving blijkt dat er een gaatje of scheurtje in z’n trommelvlies zit, een gevolg van de landing in Tanzania, het kan zo’n 3-10 weken duren voordat zoiets geneest. Op korte termijn is het zaak dat er geen vuil inkomt, want dat kan resulteren in een oorontsteking.

Het guesthouse is niet zo makkelijk terug te vinden. Eigenlijk is dat natuurlijk niet zo gek, als je je bedenkt dat het de eerste keer is dat we in de ‘lome’ warmte onze eigen benenwagen gebruiken en nog niet eerder ‘ons steegje’ bij daglicht hebben gezien. Nu zien we pas in welke achterbuurt we bivakkeren: de straten zijn onverhard en grote kuilen maken het voor een normale personenauto onmogelijk om hier te rijden. In de regentijd moet je hier zeker niet zijn. Om de bergen afval verzamelen zich de ‘hang-jongeren’. We lopen in eerste instantie veel te ver. De grote moskee is ons herkenningspunt; zo zie je maar dat je ook gemak van zo’n gebouw kan hebben.


’s Avonds eten we bij pizzarusha, die zelfs op internet reclame maakt onder www.pizzarusha.com. Nee, Tanzania is zeker niet het Afrika van wat we in Zuidelijk Afrika (en dan met name Botswana, Zimbabwe) hebben gezien. De pizza’s smaken lekker. We zitten aan een keurig gedekt tafeltje direct naast de keuken, welke slechts door een vitrine gescheiden is van het restaurant zelf. De reden dat we onze keus op dit (nogal westerse) restaurant hebben laten vallen wordt met name veroorzaakt door de wil om zonder darmproblemen de reis te willen voltooien, maar één blik in de keuken laat ons weten dat een westers uitziende tent zeker geen garantie biedt voor een bepaalde hygiëne en we misschien nog beter bij één van de karretjes op straat aan hadden kunnen schuiven.
Gezellige aangename Afrikaanse muziekgeluiden houden ons in het Hanang guesthouse nog even uit de slaap.

3. Op safari

Wo. 30-1-2002

We worden wederom gewekt door het geschal van de imam. We draaien ons nog eens lekker om, want om 15:00 komt Benjamin ons tenslotte pas ophalen.

Rond een uur of negen gaan we op zoek naar een plaats waar we kunnen ontbijten. Tot onze verbazing staan Benjamin, de kok en de chauffeur ons dan al op te wachten. Blijkbaar hebben we elkaar gisteren niet goed begrepen, maar ach … hoe eerder de safari begint des te beter, toch?! Dus zitten we ineens geheel onverwacht in de landrover. Eerst tanken we nog even. In de tussentijd maak ik het fototoestel nog even schoon, want zodra we gaan hobbelen is daar natuurlijk geen beginnen meer aan. Op zo’n manier ligt ineens heel de planning in de war. We hebben vanaf het tankstation overigens een goed zicht op de Mt. Meru.

De wegen zijn best van een goede kwaliteit. Ondanks dat we niet in een groepje reizen stoppen we na een paar uurtjes toch bij een souvenir-toko, tevens biedt dit de mogelijkheid om een toilet op te zoeken. Een groepje Tanzaniaanse vrouwen probeert ons kettinkjes en armbandjes, gemaakt van minuscule kraaltjes, te verkopen en we mogen voor zeven gulden een groepsfoto van ze maken. Dus niet.


Het is rond de klok van twaalf als we op de Kongiboni (of zoiets) camping aankomen. De camping ziet er ietwat verwaarloost uit. Op het heetst van de dag zetten we voor het eerst sinds Borneo (eind 1999) ons tentje weer op. Binnen een paar minuten is ons gezicht behoorlijk rood. Daarna is het tijd voor de lunch. Inmiddels snakken we daar wel naar, want vanmorgen hebben we tenslotte geen tijd voor ontbijt gehad. De lunch bestaat uit brood heerlijk belegd met gezonde dingen, een muffin, biscuits, watermeloen, sinasappels en een flesje ‘orange juice’ (dat Roland aan luchtverfrisser doet denken). De lunch smaakt prima en zo onder het palmbladerendak is het ook gezellig, zo vliegen er bijvoorbeeld leuke kleine vogeltjes rond.

3.1 Tarangire National Park

Met volle maag gaan we op pad richting Tarangire N.P. We zien vele dieren, zoals springbokken, waterbokken, hartebeesten, giraffes, apen (‘vervet monkey’, bavianen), leeuwen, zebra’s, roofvogels, andere vogels (zoals ‘Blacksmith Plover’, ganzen, papegaaien, parkieten) en natuurlijk vele olifanten! Het park bestaat uit heuvels, waar de Tarangire rivier doorheen stroomt. We vinden het echt een bijzonder park. Terwijl wij op safari zijn, maakt Hassan (de kok) spaghetti met gehakt (typisch smaakje) en boontjes/worteltjes met lekkere saus klaar. Als voorafje krijgen we een voortreffelijk groentesoepje. We kunnen lang niet alles op, tweederde deel van de spaghetti blijft onaangeroerd. Als toetje krijgen we watermeloen en sinaasappels, uiteraard eten we dat natuurlijk nog wel even op.


We liggen al vroeg in ons tentje, maar van slapen is voorlopig nog geen sprake. Een soort van overland-truck verstoort met knarsende tapegeluiden de rust. Drie keer horen we de Top-CD van Bob Marley langs komen. Ach, het had dus vele malen erger gekund …

De aggregaat maakt ook een gigantisch lawaai. Zodra de rust is weergekeerd wordt de enige andere tent die op het campeerterrein staat, bemand door een stel Ieren. Wat een irritante figuren! Eén gozer is ervan overtuigd dat ‘ie gebeten is door een slang. ‘Fucking animal’ zijn zo’n beetje de enige twee woorden die in z’n vocabulaire voorkomen.


Do. 31-1-2002

Vroeg in de ochtend gaan we na toast met jam/pindakaas en vers fruit te hebben gegeten, vlak na zonsondergang weer richting Tarangire N.P. Helaas zien we nu niet zoveel wild: jakhalzen, olifanten, giraffes en natuurlijk vogels (zoals o.a. de ‘hornbill’). Maar staand vanuit de landrover blijft het desondanks toch machtig mooi om het landschap zo aan je voorbij te zien trekken. Je bent zo één geheel met de natuur.

Na weer een prima lunch (gebakken aardappelen en twee soorten groenten; zo gezond eten we thuis niet eens) maken we zelf een klein wandelingetje, zodat we een Maasai-dorp dichterbij kunnen bekijken. Er komen direct een tweetal kinderen de heuvel opgerend. ‘One dollar, one dollar’, nou dat krijgen ze dus niet. Ze mogen een ballon hebben, ware het niet dat we die in onze rugzak hebben laten zitten.

Daarna gaan we richting de ‘Crater highlands’, de hooglanden. Her en der staan nog grote plassen water op de onverharde wegen, dit is een overblijfsel van de grote regenbuien die hier vorige week zijn gevallen. Bij het dorp Mto Wa Mbu komen we langs een grote Maasai markt.


De camping ‘Panorama view’ (Rift Valley) is net nieuw. Het uitzicht over lake Manyara is vanaf hier zeer fraai. Ammeh (de chauffeur) maakt ons blij met een dode mus. Eerst krijgen we te horen dat we ons tentje niet op hoeven te zetten, omdat we in een standaard veel ruimere tent mogen slapen. Maar na 5 minuten blijkt dat alle tenten volgeboekt zijn. Hè, wat is dat nou jammer … het is ongelofelijk hoe snel je je op iets kan verheugen. Er zit niets anders op dan maar weer ons eigen mini-tentje op te zetten. Vrij snel na ons arriveert de ene na de andere landrover. We maken een praatje met Denen en een Amerikaan; zij vinden de prijzen voor safari (ca. 100 US$ per persoon per dag) de normaalste zaak van de wereld.

Hassan heeft een mooi plekje onder een palmbladeren parasol voor ons gereserveerd. Onder het genot van een biertje genieten we van de zonsondergang boven Lake Manyara, die we met een verrekijker dichterbij halen.


’s Nachts laat de wind zowat de tent van z’n ankers rijzen, ’t is dat wij er nog in liggen!

Vr. 1-2-2002

Rond zes uur gaat de wekker. Binnen een mum van tijd is het een drukte van jewelste op de camping. Vrijwel alle landrovers willen blijkbaar op hetzelfde tijdstip vertrekken. Stuk voor stuk doen de koks hun best om het ontbijt klaar te hebben voordat hun groepje hun hebben en hauwen bij elkaar hebben gezocht. Wij zijn eerder klaar dan Hassan en genieten vanaf ons stekkie onder de parasol van de mooie zonsondergang boven Lake Manyara. Hassan heeft op mijn verzoek een eitje gebakken, maar de dooier is nog zo drillerig dat ik alleen het witte deel maar opeet.



3.2 Ngorongoro krater

In serie gaan we op weg. Onze poepbruine landrover valt wel op tussen al die witte.

Ammeh wil persé vooraan de rij zien te komen en haalt dus alle wagens voor ons als een gek in. Ik twijfel nog of ik er iets van zal zeggen, maar Roland vindt het blijkbaar nogal grappig dus houden we het maar zo …

Even verderop moeten we nog een beetje kerosine halen voor Hassan z’n brandertje, want op de rand van de krater (waar we de komende nacht zullen verblijven) is geen electriciteit. Alle wagens halen ons nu dus weer in.

Een vrouw hangt op haar gemak rood/paars/blauw geblokte Maasai-doeken op een lijntje en aan een boom waarin spijkers zijn geslagen hangt ze handgeknoopte rieten mandjes op. Hoe vaak zal ze echt iets verkopen?

Over hobbelige rode zandwegen rijden we verder richting de Ngorongoro krater. Onderweg stoppen we nog even bij een uitkijkpunt, waar vandaan we een prachtig uitzicht hebben over de oude krater. Ammeh wijst aan bij welk meer in de krater we vandaag gaan lunchen. Het is nauwelijks voor te stellen dat er zo’n 25.000 dieren in deze krater leven. Vanaf deze hoogte zien we er in ieder geval geen een.


Bij de entree van het park koop ik een paar fraaie ansichtkaarten van het Maasai-volk. Van Ammeh (de chauffeur) mag ik namelijk alleen foto’s maken van de Maasai als ik er geld voor geef. Hij geeft hiervoor als reden aan dat de Maasai geld nodig hebben om wanneer het nodig is naar een ziekenhuis te kunnen, want per keer kost dat tenslotte zo’n 25 US$. Een vreemde gang van zaken, want je zou zo denken dat de regering door de hoge entreeprijzen van de nationale parken voldoende geld in het laatje krijgt om dit te kunnen bekostigen.

Door jungleachtig terrein rijden we verder naar de zogenaamde ‘Simba Camp Site’, die zich op de rand van de krater bevindt. Volgens de Lonely Planet is ‘ie erg vies en in slechte conditie en dat klopt wel enigszins. Wel hebben we het seizoen mee, want er ligt een fraaie grasmat. We zijn niet de enigen, vele blauwe tentjes hebben de beste plekjes al veroverd. De toiletten zijn nog redelijk schoon, maar in de douche douchen de insecten vrolijk met je mee. Zeep- en vuilsporen hebben de deuren voorzien van een apart soort ‘beschermingslaag’. We hebben een lekke band gereden. In de tijd dat wij ons groene tentje tussen de vele blauwe tentjes opzetten zet Ammeh het reservewiel er onder.

En dan is het zover: We gaan de krater in!
Na kennismaking met een aantal Maasai-krijgers die in de krater hun vee hoeden, gaan we op zoek naar de BIG-5 …

We zien zo’n beetje alle dieren die je je maar voor de geest kan halen, zoals: buffels, warthogs, zebra’s, gazelles, gnoes, hartebeesten, springbokjes, cheetahs, serval cat, neushoorns, struisvogels, kraanvogels (het national symbool van Uganda), en de grootste vogel die nog kan vliegen (naam vergeten) en flamingo’s. In de paar meertjes, die de krater rijk is, huizen tientallen nijlpaarden. In vergelijking met Tarangire N.P. zijn hier maar weinig olifanten. Ook het landschap ziet er geheel anders uit. De Ngorongoro krater bestaat voornamelijk uit grasland en meren, Tarangire is daarentegen nogal bosachtig.

We blijven ons verbazen over het feit dat er zoveel dieren naast elkaar kunnen leven. Alleen de Gnoes kunnen de krater uit en doen dit dan ook één keer per jaar richting de Serengeti.

Voor de lunch mogen we de landrover uit, in het meer zwemmen nijlpaarden. Onze lunchboxjes eten we toch maar in de landrover op, want zeer brutale enorme vogels vliegen zo laag over dat ze het eten uit je hand rukken. Ammeh eet en slaapt tijdens de lunch onder de landrover, ach ja … alles kan! Na de lunch zien we in de verte een donkere lucht en regen naderen, het onweert er ook nog eens bij. Het gaat er dus een beetje onheilspellend uitzien. Juist op dat moment zien we een drietal cheetahs op hun gemakje in het rond staren. Eerst zit er nauwelijks leven in, maar daarna gaan ze op jacht. Eén voorop en twee erachter. Als de voorste gaat lopen dan doen de andere twee ook een paar passen. Ze hebben het voorzien op een kudde zebra’s/gnoes, maar de aanval is tevergeefs. De zebra’s en gnoes komen met de schrik vrij. Tot enkele druppels na houden we het toch nog droog. Met een voldaan gevoel rijden we de krater weer uit. De helling van de krater is hier een ware jungle. Er is maar één weg om uit de krater te komen en één weg om de krater in te komen. Bij aankomst op de camping zijn alle blauwe tentjes ineens vertrokken, we zijn nu nog de enigen. Een aantal gigantische maraboes hebben zich nu om ons tentje verzameld.


Na zonsondergang wordt het snel bijzonder frisjes. De champignonsoep en macaroni houdt ons nog een beetje warm. Het rulgebakken vlees laat ik maar liggen, Roland is al aan de dunne en dat is voorlopig wel weer even genoeg.

Rond 7 uur duiken we onze tent al in. Binnen is het tenslotte stukken warmer dan buiten. Beiden zien we als een beer tegen aankomende nacht op.


Za. 2-2-2002

Keer op keer worden we wakker van de kou. Kou, wind en lawaai; we hebben nu alles gehad de afgelopen drie nachten. De gehele inhoud van onze rugzakken ligt zo’n beetje over ons heen. We zijn koud tot op onze botten. Het mag wat ons betreft zo snel mogelijk 5:15 zijn, want rond 6 uur zouden we de Ngorongoro krater weer in gaan. Een bezoek aan het toilet is bij deze koude temperaturen een ware nachtmerrie. De fonkelende sterren en bijna volle maan maken het een beetje goed. Als we dan uiteindelijk op ‘mogen’ staan is alles nat en klam. Rillend en trillend pakken we ons natte goedje weer in. Enkele koks zijn een vuurtje aan het maken, zodat ze voor het ontbijt boterhammetjes kunnen roosteren. Onze kok is al druk met pakken, toast zit er voor ons deze ochtend dus niet in. Maar niet dat we daar mee zitten, want hoe eerder we kunnen vertrekken des te beter. Van één vuurtje maken we dankbaar gebruik om onszelf op te warmen, tenminste voor zover dat lukt. We staan er zo dicht op, dat we bij een windvlaag uit een verkeerde hoek zo meteen zelf nog in de fik komen te staan.


Zonder verlichting en met beslagen voorruit vertrekken we zonder verwarming richting de krater. Naast de kok en natuurlijk de chauffeur is er nu nog een Tanzaniaan van de partij. Hij zit als verstekeling tussen de bagage verborgen en zegt nauwelijks iets. Terwijl we in de krater afdalen komt de zon op, flauwtjes en erg traag als je het vergelijkt met de ‘Indonesische tropen’.

Dichterbij dan gisteren zien we twee neushoorns. De chauffeur gaat er rustig bij zitten en de kok slaapt. Roland probeert zich op te warmen en ik, de ongeduldigheid zelve, vind dat we te lang stil blijven staan. ‘Er zit toch geen gang in die slome neushoorns …’

Maar tot ieders verbazing zetten ze zich dan toch in beweging. Eerst rustig, daarna in draf, om er vervolgens als een speer vandoor te gaan. Ze steken voor ons de weg over. Weliswaar nog wel op een aardige afstand, maar toch is het wel heel gaaf om ze zo actief te zien. Enkele nijlpaarden staan in de vroege morgen met hun korte pootjes op het droge, een maf gezicht. Wel leuk. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit de gevaarlijkste dieren zijn voor mensen. Jaarlijks vallen er tientallen slachtoffers door aanvallen van deze dieren. Ook de vogels (ooievaar, secretarisvogel en andere fraai gekleurde soorten) zijn rond dit tijdstip nog behoorlijk actief.

Tussen de bomen stoppen we om te ontbijten. Een tafeltje en stoeltjes worden voor ons uitgeladen. Koffie, thee, ongeroosterd brood, jam en pindakaas worden binnen een mum van tijd uitgestald. Uiteraard hebben we er ook weer lekker fris fruit bij: deze keer de rest van de heerlijke sappige ananas van gisteren. De dauw hangt nog in het gras. Het is vast geen gezicht; twee van die blanken in ‘The middle of nowhere’ met een compleet ontbijtje op het inmiddels wel wat viezer geworden tafelkleedje. Achter ons ritselen apen in de bomen, kleine vogeltjes houden ons met de hoop dat ze wat kruimeltjes mee kunnen pikken vanaf de grond nauwlettend in de gaten.

We rijden nog even terug het grasland in en moeten dan toch ineens vrij plotseling het park verlaten omdat we anders niet om half tien bij de gate zijn. Na half 10 moet er wederom voor een nieuwe dag entree worden betaald en dat is niet ingecalculeerd. Richting gate worden we behoorlijk door elkaar geklutst. Ammeh rijdt toch echt veel te hard over deze hobbelige/slechte wegen, rechts van ons zien we de circa 600 meter lager gelegen bodemkrater steeds kleiner worden.
Eenmaal buiten het park zijn er niet zoveel bomen meer, de straten zijn weer rood en de omliggende huizen en struiken zijn bedekt met een laagje van deze stof. Het landschap is direct gecultiveerd, maar door de vele heuvels oogt het toch wel heel apart. Af en toe soezen we wat weg.

In Karatu stoppen we even; de nodige dingen worden uitgeladen en waarschijnlijk ook ingeladen, we volgen het eigenlijk niet zo. Eindelijk ‘ontdooien’ we nu een beetje. In dit afgelegen plaatsje kan je behoorlijk luxe camperen voor 3 US$, op de kraterrand kan je voor een luxe stekkie hier één tot twee nullen achter zetten.

Hassan heeft bij camping ‘Panorama View’ een fles water laten staan en Ammeh is vergeten daar de overnachting te betalen, dus rijden we op de terugweg naar Arusha er weer even langs.

Eenmaal bij Mto Wa Mbu wordt de weg vlakker en bijna wit van kleur. Ammeh rijdt nu heel wat rustiger dan op de heenweg. Hij vindt dat we blijkbaar anders weer veel te vroeg in Arusha terug zijn. 20 km ten westen van Arusha stoppen we langs de Dodoma-road bij het ‘Meserani Snake Park’. Slangen, krokodillen en varanen boeien ons niet zo, maar het is toch leuk dat ze nog iets voor ons verzinnen. Dat krijg je als je afwijkt van de standaardtoertjes …Hassan levert onze lunchboxes af bij het gezellige zitje waar we inmiddels al gestrand zijn met de flesjes cola, die Ammeh gisteren in een dorpje voor ons gekocht heeft toen hij zijn band heeft laten repareren. Het zitje is wel wat stoffig, dit komt door de stevige wind en aangezien het hier in de omgeving nogal zanderig is heeft het zelfs iets van een zandstorm weg. We kunnen hier ook een tochtje op een kameel maken, maar ook dat laten we vanwege de harde wind maar zitten.

Vanaf hier zijn alle snelwegen weer geasfalteerd. Onderweg zien we groepen Maasai ‘warriors’, dit zijn jongens gekleed in donkerbruin of zwart gewaad die hun gezicht in witte patronen hebben geschminkt. De heuvels zijn nog steeds mooi groen en net als op de heenweg lopen ook nu weer vele Maasai krijgers in rode gewaden door het landschap. Zo zijn ze vanuit de verte al te herkennen, evenals hun typische ronde hutjes trouwens.
Benjamin is niet op kantoor, dus rijdt Ammeh door naar ‘ons’ Hanang guesthouse’. We nemen afscheid van Hassan, de kok. We drogen onze tent en komen vervolgens tot de ontdekking dat onze organizer automatisch is geformatteerd nadat de batterij is leeg geraakt. Helaas, dit betekent dat ook het Tanzania-dagboekbestandje tot zover foetsie is … Elektronische dagboeken zijn voor ons blijkbaar niet weggelegd; eerst wordt ‘ie in Guatemala gestolen en nu dit. Het is wel even behoorlijk balen, de gehele safari en de dag daarvoor moeten we zo goed mogelijk zien te ‘reproduceren’. Psion krijgt een klacht aan z’n broek, hoe kunnen ze nou een organizer maken zonder back-up batterij? Wie verzint dat nou? Voortaan houden we de organizers maar thuis en houden we het bij een ouderwets schriftje. Roland telt nog maar eens na hoeveel centen we nog hebben, kijken wat voor hotel we ons nog kunnen veroorloven in Zanzibar (of wordt het toch een guesthouse?)

We knappen behoorlijk op van een douchebeurt.

Op het binnenpleintje staat een vrij gezette Tanzaniaanse dame op haar gemak te strijken, heel ouderwets op kooltjes. Daar is ze iedere dag een groot deel van de dag mee bezig en toch kijkt ze er nog tevreden bij.

We eten wederom bij Pizzarusha. Maar … we nemen wel een àndere pizza. Wederom moet er wisselgeld van straat worden gehaald. Vele Tanzanianen komen ’s avonds bijeen in de supermarkt, waar dan leuke gezellige muziek wordt gedraaid.


Nederland staat vandaag in het teken van het huwelijk van prins Willem-Alexander en Maxima. Via de wereldomroep hebben we keer op keer gehoord hoe ze elkaar het jawoord hebben gegeven. Wim en Margret vertrekken vandaag naar Lapland, hopelijk is het daar niet al te koud voor ze.

3.3 Arusha National Park

Zo. 3-2-2002

Vanochtend gaan we voor het eerst zelf op zoek naar een ontbijttent in Arusha. Gisteren hebben we een bord gezien naar het ‘African Queen’ restaurant en dat lijkt ons wel wat. Het blijkt direct om de hoek van ons guesthouse te liggen, we weten nu gelijk waar de muziek die we ’s avonds horen vandaan komt. We eten wel heel goedkoop; allebei een dubbele toast met jam en thee met melk/anijs voor nog geen Fl 2,50 per persoon.


We zijn naar ons idee ruim op tijd terug, maar toch staat Benjamin al binnen enkele minuten klaar om te vertrekken naar Arusha N.P. Rond half negen gaan we met Ammeh richting het park, Benjamin zwaait ons uit. Tot aan de afslag ‘Momela’ gaat het vlotjes, daarna houdt het asfalt op en wordt het tegelijkertijd nogal bewolkt. De wegen zijn echt verschrikkelijk slecht. ‘Too much stones’, Ammeh is er ook niet echt blij mee. Hij begrijpt niet dat de regering niets aan deze weg doet. Ze vragen een hoop geld voor de entrees maar hoe de mensen er moeten komen interesseert ze dus niet. Na een uur hobbelen (het is een wonder dat alles nog werkt en de banden het hebben overleefd) komen we bij de gate aan.

Ammeh gaat op zoek naar een parkwachter. De parkwachter is een flink gezette jongen in een groen pakkie, hij draagt scheef uitgelopen laarzen en natuurlijk heeft ‘ie een geweer bij zich. De lucht is inmiddels opgeklaard en het is flink warm geworden zo rond de klok van tien. We zien direct al een groep buffels. ‘Als ze op je af komen op de grond gaan liggen’, de parkwachter weet ’t mooi te vertellen. Feit is wel dat we langs ze heen moeten, maar dat lukt zonder probleem; ze lijken niet erg in ons geïnteresseerd te zijn. De wandelpaden zijn uitgesleten en dus makkelijk herkenbaar/toegankelijk. We volgen de route ‘mountain trail’, Roland heeft er behoorlijk de vaart in, ik geloof dat ‘ie vandaag in ca. 2-3 uur de top van de 4566m hoge Mt. Meru wil bereiken. Ik heb moeite om ‘m bij te houden en de parkwachter heeft weer moeite om mij bij te houden, lekker stelletje …

Omdat het zulk helder weer is hebben we een waanzinnig uitzicht op de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika. Het is typisch om in Afrika sneeuw te zien liggen. De natuur is hier prachtig; de grillige vormen van de Mt. Meru steken fraai af tegen het grasland en de strook bomen langs de voet van de berg. Dieren zijn er echter nauwelijks. Ondanks dat we over het grasland lopen, dus over de lagere niet zo steile hellingen, is er best toch nog wel een beetje inspanning nodig om bij de strook bomen te komen. We rusten een paar minuutjes uit bij een beekje in ‘het bos’. De parkwachter drinkt uit het beekje, wij houden het maar bij ons fleswater. Deze tussenstop doet ons een beetje denken aan Borneo. Het ‘even de rugzak af kunnen doen’ bij een watertje was telkens iets waar met name Roland toen naar uitkeek. Mijn rugzak werd tenslotte toen gedragen, het enige wat ik droeg was zoals nu mijn (3 kg zware …) fototas. Op de terugweg nemen we onverwacht ergens een afslag richting een heuse flinke waterval. Weer eens heel wat anders …

Tussen het hoge gras zien we nog een aantal warthogs en een arend. En dat was het dan qua wild, niet echt te vergelijken met de wandeling langs de Zambezi in Zimbabwe vier jaar geleden.

We lunchen op een bankje op een heuvel bij het ‘Small Momela’ meer. Ons lunch zit nu in een zwart plastic zakje verpakt, er zit heel wat in: een soort van slaslick met aardappel en rundvlees, deeghapjes met gehakt en ui en een mierzoete bolus. Daarna begint de ‘gamedrive’ rondom de Momela meren. ‘Big Momela’ zit vol met flamingo’s, echt een wonderschoon gezicht! Verder zien we nog buffels, waterbokken en een ‘bushbuck’. Zo in de zon hobbelen we heel wat af, hetgeen bij mij nogal slaapverwekkend werkt. Terwijl we het park uitrijden zien we nog een ‘Blue Monkey’.
Eenmaal terug in Arusha nemen we afscheid van Ammeh, e-mailen we even naar het thuisfront en douchen we het stof van ons af. Benjamin is inmiddels ook alweer gearriveerd, hij is bereidt om voor morgen bustickets naar Dar es Salaam voor ons te regelen. Wat een luxe … graag maken we gebruik van z’n aanbod. Zo gezegd zo gedaan. Morgen kunnen we mee met de bus van 06:00, we zijn dan waarschijnlijk op tijd in Dar om direct met de boot door te gaan naar Zanzibar.

We dineren weer bij het ‘African Queen’ restaurant, het ontbijt beviel ons vanmorgen tenslotte ook goed. We eten weer prima en goedkoop: vis en gebakken aardappelen met fruit voor 1000 Tsh per persoon (een kleine drie gulden). Hoe kunnen ze het ervoor maken. Zelfs Azië kan niet tegen deze prijs/kwaliteitsverhouding op.

Wederom laat de wereldomroep het ja-woord horen; herhaling op herhaling …

Terwijl ik voor Benjamin een brief over onze safari-ervaringen schrijf is de imam ook weer lekker aan het brabbelen.



4. Met de bus van Arusha naar Dar es Salaam

Ma. 4-2-2002

Wat is 05:00 toch vroeg zeg. Het is nog frisjes en donker buiten, vijf uur is tevens imamtijd. Iets voor half zes komen Ammeh en Benjamin voor de laatste keer met de landrover aanzetten. Het busstation is vlakbij, maar het is toch zeer attent dat ze speciaal voor ons zo vroeg zijn opgestaan om ons bij het station af te zetten. Het is een luxe bus, lang niet vol vertrekt ‘ie netjes op tijd rond de klok van zes uur.

Rijdend richting Moshi zien we in de opkomende zon de Kilimanjaro prachtig liggen. Daarna rijden we langs de zogenaamde ‘Pare mountains’. Her en der liggen dorpjes, die uit slechts een paar huizen lijken te bestaan. De weg Arusha – Dar es Salaam wordt ook wel de ‘dodenweg’ genoemd en dat is wel te begrijpen waarom: bussen halen elkaar als gekken in en (soms zeer jonge) schoolkinderen lopen liever op het asfalt dan in de berm. Emmertjes fruit staan ook half op straat, de bus houdt ze iedere keer maar net mis. In de bus wordt een spannende film gedraaid. Ondanks het feit dat het geluid te zacht staat kunnen we het toch wel volgen. We zijn blijkbaar de enigen die zitten te kijken, want juist op het spannendste moment wordt ‘ie uitgeschakeld. Er protesteert niemand. We zijn dan in Segara. Hier hebben we een plaspauze van 10 minuutjes. In de loop van de dag loopt de temperatuur van 68 ºF (20 ºC) op naar 102 ºF (39 ºC). Het is dus logisch dat we nogal eens ‘indutten’. We krijgen ook nog snoepjes en een erg zoet drankje in de bus. De film krijgt geen vervolg meer.

4.1 Eens wordt je beduveld …

Eenmaal in Dar es Salaam worden we uiteraard direct omringd door vele taxi-chauffeurs. Voor 2000 Tsh (de helft van de richtprijs van Benjamin) rijden we naar de haven. Benjamin had ons verteld dat we voor 12 US$ per persoon naar Zanzibar konden varen en dus was dit voor dit traject nu onze richtprijs. Een enkele reis ticket blijkt echter 35 US$ te bedragen, hoe kan dat nou? Dat moet goedkoper kunnen …

Twee jongens komen op ons af en delen ons mede dat we voor 20 US$ mee kunnen in een groep en dat spreekt ons wel aan. Wel moeten we dan heen en terug direct betalen en koopt één van de jongens onze tickets. Er is alleen één probleempje: we vertrouwen ze niet erg. Vele dingen kloppen niet: de groep waar we mee kunnen staat op internet (waar slaat dat op?) en we worden naar een man geloodst die de ‘baas’ van dit intermediair zou moeten zijn (hij heeft een papiertje in z’n hand gedrukt gekregen waar onze namen op staan en dat zou dan de naam van zijn ‘bedrijfje’ moeten zijn). Maar bovenal zien ze er alledrie gewoon onvriendelijk uit. Uiteindelijk vraagt Roland de portemonnee van de jongen die de kaartjes gaat kopen als borg. Zonder probleem geeft ‘ie z’n portemonnee af. Ik vraag nog of daar überhaupt iets van waarde inzit, maar we checken het niet. Tegen de regels in loopt Roland op enige meters afstand achter ‘m aan, een geparkeerde vrachtwagen gooit echter roet in het eten. Het mannetje is plotseling van de aardbodem verdwenen …

Waarom zijn we er nou ingetrapt? Alles wees erop dat er iets niet in de haak was … en toch laat je het gebeuren. Ons goede vertrouwen in de mens is na 10 jaar reizen nu dan toch beschaamd. We zijn 80 US$ pleitem. Ik denk de ‘dader’ nog te kunnen betrappen en loop allerlei gebouwtjes rondom de ticket-office in en uit. Echt hartstikke zinloos natuurlijk, maar toch kan ik het niet laten. Roland lijkt er wat minder mee te zitten. We lopen terug naar het 35 US$ kantoortje, waar we een klein meevallertje hebben: morgenochtend vertrekt er een (langzame) boot voor 20 US$ per persoon. We hadden ons dus een hoop ellende kunnen besparen als we zonet na het horen van de prijs van 35 US$ even door hadden gevraagd. Benjamin zou ZanTours op Zanzibar op de hoogte brengen van onze komst, dus bel ik maar even dat we vandaag niet meer komen. We informeren naar een goedkoop hotelletje. En die vinden we: voor een kleine 25 gulden kunnen we in hotel Kibodya terecht, we hebben zelfs een toilet en douche in onze kamer. In Zanzibar waren we vast meer kwijt geweest, dus dat geld hebben we in ieder geval weer in de knip.


Onder de douche vraag ik me nog steeds af hoe we ondanks alle waarschuwingen toch in de val een ‘tout’ hebben kunnen stappen. Laten we het maar zien als een beetje ‘ontwikkelingshulp’ en levenservaring, wie weet lopen we de ventjes onverwachts nog ergens tegen het lijf. Het zoeken van een geschikte eettent gaat ook niet zonder slag of stoot. Een taxi brengt ons naar een heel verkeerde regio, we hebben geen zin in eindeloze discussies dus stappen we uiteindelijk maar ‘ergens’ uit. Diverse eettenten uit de Lonely Planet zijn om onduidelijke redenen ineens gesloten. Een aardige Tanzaniaan ziet ons zoeken en biedt aan om ons naar restaurant ‘Chef’s Pride’ te brengen. Het ziet er niet zo gezellig uit, het is groot en heeft een hoog TL-balk gehalte.

Er zitten twee Osama Bin Laden look-alikes in het restaurant, het zal ons nog benieuwen of we ons op Zanzibar (99% islamitisch) wel echt op ons gemak zullen gaan voelen. Nu vind ik het in ieder geval iets bedreigends hebben.

We eten gebakken banaan, wat zelfs na menging met chili- en tomatensaus, zout en peper nog steeds naar niets smaakt (zelfs niet naar banaan). Het hotel ligt niet zover weg als dat we in eerste instantie dachten dus kunnen we terug de afstand wel lopend overbruggen. We zorgen dat we voor het donker weer in onze kamer zijn. Dar es Salaam is duidelijk geen stad om bij onze favorieten te plaatsen.
Roland luistert natuurlijk weer eventjes naar de wereldomroep, het is niet te geloven maar hij is in staat om die werkelijk overal te ontvangen. Ik probeer me ondertussen de ‘verloren-dagboek-dagen’ te herinneren en op papier te zetten.

4.2 De Mkunazini veerboot

Di. 5-2-2002

We slapen best goed in het goedkope hotel. Het is warm en we moeten het doen met een fan, maar toch hebben we dit tien keer liever als ‘het koud hebben’. We relaxen, lezen een boek en zorgen dat we rond tien uur uitgecheckt zijn. Iets voor half 11 zou een taxi ons naar de haven brengen, maar omdat we inmiddels weten dat het best aan te lopen is en we zo weer vijf gulden kunnen besparen zorgen we ervoor dat we weg zijn voordat de taxi komt (die we gisteren al hadden afgesproken).

De boeven van gisteren zien we helaas niet meer. Bij de ‘Mkunazini ferry’ is het chaotisch druk. Naast passagiers moeten er met name etenswaren (groente, fruit, soort van gras, water, frisdranken, eieren, uien, aardappelen, etc.) en meubilair uit- en ingeladen worden. Het in- en uitladen gebeurt allemaal nog met de hand, de zwarte Tanzanianen werken zich met ontbloot bovenlichaam geheel in het zweet. Dit zijn de uurtjes dat er centen verdiend kunnen worden. Mannen met een lichtere huidskleur (Noord-Afrikanen) hebben de leiding. Het geheel komt op mij over als een soort ‘slavernijtafereel’: indrukwekkend en meelijwekkend.

Rond 12:15 vertrekken we. De laatste stoel moet nog even op de boot worden gegooid als ‘ie al los is van de kade. Ook de helpers moeten zich op het laatste moment een rotje rennen om vanaf de boot nog op de kade te kunnen springen.


Het varen is relaxt, het gaat alleen een beetje heel erg traag. We lezen wat en kijken of er land in zicht komt. In het restaurant een verdieping lager haal ik een patatje. Als je alleen ergens komt heb je gelijk meer aanspraak. Terwijl de patat nog in de frituur zit proberen een paar Tanzaniaanse jongens mij een paar woordjes Swahili bij te brengen.

5. Het tropische eiland Zanzibar

Terwijl we aanmeren in Zanzibar zie ik iemand met een bordje ‘Roland & Marjolein’ staan, het blijkt iemand van ZanTours te zijn. Wat attent! En bovendien is het reuzehandig, want anders was het toch wel even zoeken geweest naar de immigratie. Ondanks dat Zanzibar onder Tanzania valt heeft het wel zijn eigen zelfbestuur en daar zijn ze trots op, dus moeten we zorgen dat we stempels in ons paspoort krijgen anders kunnen we problemen krijgen als we het eiland weer af willen.



5.1 Stone Town & ‘Spice Tour’


Stone Town ziet er vanaf het water in eerste instantie niet zo bijzonder uit: veel stenen gebouwen is eigenlijk het enige dat opvalt. Het kantoortje van ZanTours zit bijna direct om de hoek van de haven, maar toch worden we er met een airconditioned-busje heengebracht. De jongen blijkt al vanaf vanochtend te hebben staan wachten. Mijn telefoontje van gisteren heeft dus toch geleid tot een miscommunicatie: Christine van ZanTours (contactpersoon via Benjamin) dacht dat we 11:00 hier zouden zijn. Gecombineerd met het feit dat we een zeer trage boot hadden (ook dat hadden ze niet verwacht) is het uiteindelijk half vijf geworden.


We krijgen direct een flesje water aangeboden en zittend in het kantoortje van Christine krijgen we alle informatie die we ons maar wensen: adressen van goede betaalbare hotels en guesthouses tot transportmogelijkheden naar de oostkust en indicatie luchthavenbelasting vanaf Dar es Salaam naar Holland. Nu weten we tenminste hoeveel centen we op de laatste dag over moeten houden en kunnen we uitrekenen hoeveel we per dag nog op kunnen maken.

De jongen die ons van de haven naar hier heeft gebracht brengt ons op aanraden van Christine naar de Garden Lodge. Het is een heel leuk koloniaal ingericht en de kamers zijn hoog, schoon en gezellig. Echt het type onderkomen waar wij ons happy in voelen. In verband met het feit dat nu laag seizoen is (er komen nog maar relatief weinig toeristen naar Zanzibar sinds 11 september, zeker geen Amerikanen) krijgen we de kamer voor de helft van de prijs, anders hadden we het ons eigenlijk niet kunnen veroorloven. Omdat de ‘Spice Tour’ van de Garden Lodge 2,5 keer goedkoper is dan de ‘Spice Tour’ van ZanTours bellen we de laatste af. Ondanks het feit dat ze zoveel aandacht aan ons hebben besteed zijn ze er nu niets wijzer van geworden. We voelen ons tijdens het diner (gebakken vis/pizza seafood; wie wat gegeten heeft laat zich makkelijk raden) bij het ‘Parracuda’ restaurant er behoorlijk schuldig over.

Schone douche en warm én koud water … ja, we zijn nu toch weer echt als nepreizigers bezig. Op de wereldomroep horen we dat malaria geen parasiet blijkt te zijn, maar dat het gaat om een soort algje (dus plantaardig en goed te genezen).

Wo. 6-2-2002

Het ontbijt zit bij de prijs inbegrepen, compleet met vers fruit en gebakken eitje nog wel. We betalen de afgelopen/komende nacht en de ‘Spice Tour’ en dan is het wachten tot er een busje voor komt rijden voor dit toertje. Eerst verhuizen we nog even van kamer. Voor 8 US$ minder is de kwaliteit van de kamer ook direct veel minder; de kamer is smoezelig en er is geen extra schoon hoeslaken zoals boven. We zijn niet de enigen die een ‘Spice Tour’ gaan doen, keer op keer wordt er gestopt totdat het primitieve busje met houten zijbanken vol zit met 13 westerlingen. De rondleiding over de plantages is heel interessant. Nu weten we tenminste een beetje waar verschillende specerijen/kruiden vandaan komen, zoals nootmuskaat, kruidnagelen, pepers, cacao, curry, vanille, etc. Qua vruchten zijn we dankzij onze eerdere bezoeken aan Indonesië al redelijk op de hoogte. De natuur, overdadig groen met vele bananen/papayabomen, doen ons in combinatie met de primitieve hutjes trouwens ook een beetje aan Indonesië denken. In verschillende dorpjes eten we respectievelijk verse jackfruit/ananas en als lunch gebakken rijst waarin vele specerijen verwerkt zijn.

Ter afsluiting van de ‘Spice Tour’ is het de bedoeling dat we circa 2-3 uur bij een hotel op een stukje strand verblijven. Daar krijgt de gids natuurlijk provisie voor, maar wij gebruiken de middag liever om Stone Town te bekijken. Dus gaan we samen met een Canadees en Rwandese in een taxi terug naar de stad. De introverte stille Canadees betaalt spontaan ineens voor ons.

De wandeling door het historische Stone Town is meer dan de moeite waard, het is een ontzettend leuk en pittoresk plaatsje. We zien gelijkenissen met de hutongs in China en Roland herkent in de straatjes iets van het oude Delhi. De wirwar aan steegjes zijn smal, hoog en druk of juist uitgestorven, maar onveilig voelen we ons zeker niet. Arabische, Indiase, Europese en Afrikaanse indrukken en gebouwen maken het plaatsje tot iets speciaals. Ook de vaak overhangende balkons geven de straatjes een aparte uitstraling. Ondanks het grote aantal islamieten (90% van de vrouwen is zo ongeveer gesluierd, zelfs in het zwart), voelen we ons toch niet onveilig. Wel zorgen we ervoor dat we voor het donker gedoucht en wel bij het Chinese restaurant ‘Pagode’ zijn gearriveerd. Roland eet vlees en ik weer vis. De soepjes vooraf zijn identiek aan die je bij de Chinees in Nederland krijgt voorgeschoteld. Blijkbaar worden dezelfde soepblikken over de Chinese restaurants in de gehele wereld verspreid.


Do. 7-2-2002
In een smoezelige kamer slaap ik toch minder dan in een schone. ’s Ochtends vroeg hoor ik Roland naar het toilet stommelen, waarbij ik vrees dat ‘ie na ons bezoek aan de Chinees aan de dunne is, want voor mij geldt dat in ieder geval wel.

We bereiden ons mentaal voor op een paar uur ‘houten-bankje-zitten’, maar het valt mee; er komt een redelijk lux uitziend busje voorrijden met lekkere zachte stoelen. Roland en ik mogen voorin naast de chauffeur zitten. Na een paar keer onderweg aan de motor geknutseld te hebben, zijn we binnen anderhalf uur toch al in Paje. Het bungalowcomplexje ‘Paje by night’ ziet er leuk uit, maar ligt naar verhouding wel verder vanaf het strand. We rijden dus maar verder mee naar Jambiani.




5.2 Shehe guesthouse in Jambiani

Jambiani bestaat uit vele witte, smoezelige huisjes. Er zijn vele guesthouses, waarvan de bungalowtjes veelal heel dicht op het strand liggen. Ten gevolge van de aanslagen van 11 september zijn maar enkele bungalowtjes ‘bewoond’. Er is één opvallend groot huisje bij (compleet met huiskamer, bar, aparte slaapkamer, toilet/douche) waarvoor ze exact dezelfde prijs vragen als alle andere budget-bungalowtjes: 10 US$ per persoon per nacht. Hier móet iets mee aan de hand zijn, we durven het niet aan.

Uiteindelijk valt onze keus op het ‘Shehe guesthouse’. We kunnen in het bungalowtje terecht, waarvan de deur aan de zee grenst. Zo dicht aan zee hebben we nog nooit gezeten. Bij vloed kunnen we als we een flink aanloopje nemen bij wijze van spreken zo de zee inspringen. Momenteel is het eb en dan wint Koh Samui (Thailand) het zeker qua afstand tot de zee. Wat we wel heel vreemd vinden is dat het zo verschrikkelijk hard waait, waardoor de gevoelstemperatuur helemaal niet tropisch is. Er zit geen glas in de ramen van het bungalowtje, maar gelukkig wel horizontale tralies; het verschil tussen de dorpelingen en het gebeuren direct aan zee is zo groot dat in het verleden vast wel eens inbraken zijn geweest. De wind waait dus lekker naar binnen. Met een touwtje proberen we de gordijnen vast te spannen aan de tralies. Voor ons gevoel is er bijna sprake van storm in plaats van wind.
We zonnen, lezen, zoeken schelpen en verkennen lopend een stukje strand ten zuiden en noorden van de Shehe bungalowtjes. ’s Avonds eten we bij ‘Coco’, waar ook een engelse reisorganisatie neerstrijkt. Met z’n 17-en nog wel, wat een ramp lijkt het ons om zo te moeten reizen. Een tweetal idioten hebben zich verkleed als moslim (gewaad/hoofddeksel), lekker bijdehand in deze tijd … Ze maken zich wel erg belachelijk. In de donkere nacht (onder de heldere lucht met talrijke sterren) lopen we terug naar ‘ons huisje’.

Vr. 8-2-2002
In de loop van de nacht valt de wind weg en wordt het weer vloed. Het klinkt alsof de golven zo ongeveer tegen ons huisje opslaan. Het is warm geworden en alles voelt een beetje plakkerig aan. Om 7:00 huppelen kinderen langs ons huisje over het strand naar school. Donkere wolken hebben zich boven ons huisje samengepakt. Langzaam wakker wordend op een bamboestoeltje waarvan het zitvlak gemaakt is van huiden, komen er wat spettertjes uit de lucht. Maar we hebben geluk, want de blauwe lucht komt snel tevoorschijn en laat zich verder de gehele dag zien.

Zo vroeg in de ochtend is het eb, zodat je ongeveer 20 minuten moet lopen voordat je de zee bereikt. Na het ontbijt (zit ook hier bij de prijs in, maar is niet ècht bijzonder) lopen we over de rotsen/koraal richting de verre zee. Er wordt zeewier gekweekt. Hoogstwaarschijnlijk is dat voor de Japanse export, want daar zijn ze er dol op.


We luieren, relaxen en lezen wat af. Ik wist niet dat we dat nog konden …gewoon vakantie vieren. Gisterenmiddag hebben we via een ventje van een jaar of 8 een verse ananas gekocht, maar helaas blijkt ‘ie vandaag al zover verrot te zijn dat we er nog maar kleine stukjes van kunnen eten.

We lunchen weer bij ‘Coco’. De veelbelovende sandwiches smaken naar meer en dan is het op. Het water is inmiddels tot aan z’n maximum hoogte gestegen. Tijd voor een foto … één moment in het water is genoeg om op verschillende plaatsen door een miniatuur portugees oorlogsschip-kwal met z’n harpoenen te worden getorpedeerd. Al jeukend krabbel ik zo snel mogelijk het water weer uit. Wat erger is, is dat ik nog een keer terugmoet want het rolletje was vol.

Naast ons wordt een nieuw huisje voorzien van meubilair, hopelijk krijgen ze hier weer snel betere (meer toeristen) tijden.
We drinken een biertje bij het ‘Sau Inn hotel’. Hier overnacht je niet voor 10 US$ per persoon. Toch is het hier wel relatief druk met toeristen, waarschijnlijk omdat het het enige hotel met zwembad is. We kijken nog even naar een kamer, maar voor 70 US$ krijgen we exact dezelfde kamer als wat we nu hebben (qua grootte en indeling). Uiteraard is het wel veel schoner en daar betaal je dus voor. Ik verheug me op een schaal met fruit wat ze hier op het menu hebben, maar helaas zit dat er even niet in, omdat men op dit moment in Stone Town nog fruitinkopen aan het doen is. Ik word aangezien voor een journalist; wat natuurlijk niet zo gek is als je al schrijvend aan het bier net een kamer van binnen hebt bekeken.

Op zowel de heen- als terugweg zoeken we schelpen. Aan het zeewier zitten bolletjes met lucht die we kapot trappen.

Omdat we tussen de middag eten hebben besteld bij het Shehe restaurant, kunnen we er ’s avonds eten. De tomatensoep smaakt prima. Ik doe er nog wat extra peper in, maar achteraf is dat net iets teveel van het goede. Roland eet vis curry en ik vis met kokosnoot; best aardig.

In de loop van de dag blijk ik aardig verbrand te zijn.



Za. 9-2-2002
‘Ga je mee naar de zee?’, zo vroeg in de ochtend begin ik er al een gewoonte van te maken om met het lage water de wandeling naar de zee te maken. Roland heeft gisteren het stuk al gelopen en vindt dat wel even genoeg. De zon glinstert in de ondiepe plassen, waar zeewier, beestjes en visjes welig in tieren. Verderop, dicht bij de zee, kijk ik vol bewondering naar de vrouwen die druk bezig zijn om balen zeewier te verzamelen. Echt lang mag dit niet in beslag nemen, want voordat het echt vloed wordt moeten de balen alweer op het droge liggen. Zo dicht bij de echte zee is het water echt kraakhelder; zonder kleine kwalletjes …

Roland vindt het toch ook wel leuk om nog even richting zee te gaan, dus het duurt niet lang voordat we weer op pad zijn.

De rest van de ochtend brengen we in de schaduw door. De vrouwen trekken met brute kracht de balen zeewier door de zee. Bij het ondiepe gedeelte met rotsen wordt de baal op het hoofd geplaatst en vervolgen ze geconcentreerd hun weg. Ondertussen wordt er voor onze deur druk gevoetbald en geschreeuwd, de kinderen hebben zaterdag tenslotte geen school.

We gaan voor een pizza-lunch naar Sau Inn. Helaas geldt net als gisteren bij ‘Coco’ weer: Lekker, op … het is dus net weer iets te weinig voor het mooie.

Een wandeling richting het noorden levert prachtige schelpen op. Ze zijn bijzonder groot, mooi en kunstig. Het kind zijn komt weer in ons boven; zakken worden gevuld met talloze schelpen. Eenmaal terug bij Sau Inn vragen we maar om een extra tasje.

Omdat ik niet van plan was om op m’n buik in de zon te gaan liggen, heb ik m’n achterbenen niet ingesmeerd. Niet echt slim, als je vervolgens aan het wandelen gaat … Pijnlijke rode enkels en knieholtes zijn het gevolg. Vanmiddag heb ik geluk: het verse fruit is gearriveerd, dus kan ik alsnog genieten van een overdadige schaal vol fruit.


Na thuiskomst is het water in ons bungalowtje wel heel erg spaarzaam, sterker nog: er komt nu helemaal niets meer uit. Om een klein straaltje te kunnen krijgen moeten we naar de receptie. Nu wordt het zo langzamerhand tijd dat we een ander huisje gaan opzoeken. Ook stoot Roland weer eens z’n hoofd, alle deurkozijnen zijn gemaakt voor mensen kleiner dan 1.70m. Nou heeft ‘ie er echt genoeg van … het liefst zou ‘ie heel de kozijn eruit rammen.

We eten ’s avonds weer bij ‘Coco’. Ik zit nog half vol van het fruit en hou het dus maar op een kopje tomatensap met een paar patatjes, Roland probeert maar weer eens een vis curry.

Het eten bij een andere tent als waar je ‘woont’, geeft bij het naar huis lopen toch wel wat problemen. Het is zo verschrikkelijk donker dat je geen hand voor ogen ziet. Natuurlijk kan je wel je zaklamp aandoen, maar dan weten ze wie er loopt en is het niet ondenkbaar dat je wordt overvallen. Ook is het telkens weer de vraag of bij thuiskomst al je spullen er nog wel zullen zijn.

Zo. 10-2-2002
Het water komt hoog en het stormt de gehele nacht. We ontbijten vroeg en gaan ervan uit dat ‘iemand’ ons in de loop van de ochtend wel naar Paje kan brengen. Er is niemand bij de receptie, dus zit er niets anders op dan op ‘iemand van de receptie’ te wachten bij ons bungalowtje. Naast ons zijn ze in het huisje nog druk bezig met de verbouwing, dus informeren we daar maar naar de mogelijkheden hoe we naar Paje kunnen komen. Het wordt ons afgeraden om te voet naar Paje te gaan (ca. 7-8 kilometer). Met bepakking is dat vragen om moeilijkheden. Dat schijnt te worden gezien als ‘Kijk eens wat wij allemaal hebben, overval ons maar …’. We laten dat plan dus maar achterwege. Ook de zon is behoorlijk inspannend, het zand is zo spierwit dat het pijn doet aan je ogen. Roland heeft een neus waar geen zonnebrillen voor worden gemaakt.

Rond 10:15 komt hetzelfde busje dat ons drie dagen geleden hierheen heeft

gebracht weer langs. Met hun kunnen we weer voor een prikkie meerijden naar Paje.

5.3 Paje by night

In ‘Paje by night’ worden we verwelkomd door een Duitse vrouw. De kamer is schoon en ruim, over het bed hangt een romantische klamboe … een verademing in vergelijking met de kamer die we zojuist hebben verlaten, waar drie dagen lang zand en vuil zich hebben opgehoopt.

We genieten van een heerlijke lunch (toast met avocado (Marjolein) en tonijn (Roland)). Daarna lopen we over het strand naar het nog noordelijker gelegen Bwejuu. Ook hier vinden we natuurlijk weer schelpen. Het strand is hier echt magnifiek. In een hangmat voor ons huisje komen we met een koud biertje bij van de behoorlijke wandeling. Dit is pas ècht vakantie.
’s Avonds eten we kreeft. Voor het eerst in m’n leven … heerlijk, maar wel erg voedzaam! Inclusief een voorafje en toetje zijn we nu ineens wel heel lux bezig. Echt de perfecte afsluiting van een reis!

Bij het kampvuur mijmeren we wat na. Een rastajongen slaat op een trommel, zingt en raakt met z’n gehele lichaam in trance …



Ma. 11-2-2002
Vandaag lijkt een beetje op gisteren. Alhoewel, het ontbijtje is bij ‘Paje by night’ wel perfect te noemen! We doen eigenlijk niets, we presteren het om ‘zomaar in de zon te liggen’. Onze 10 jaar oude reuzenhanddoek voor twee personen is alleen niet zo’n succes. De harde wind blaast het poederachtige zand in je oren, neus en ogen en alle naadjes dat het maar tegenkomt. Ik sleep twee strandbedden, waarvan het ligdeel gemaakt is van gevlochten touwen, naar ons toe; maar Roland is vastbesloten … hij moet en zal in het zand blijven liggen (zonder handdoek inmiddels, want die mocht ik hebben voor op het bedje).

We lopen nog twee keer naar de zee, echt nietsdoen gaat ons toch niet bijzonder goed af. Bij laag getijde zijn hier niet zoveel rotsen, zodat het lopen over de zandbanken allemaal wat prettiger is dan in Jambiani. Een deel moeten we vanwege het vele zeewier zwemmen en als ik het na verloop van tijd in m’n hoofd haal om toch maar te gaan lopen stap ik in een hard iets met veel naalden, die in de onderkant van m’n voet schieten wat nogal gevoelig is. Midden in de heldere zee weten we de grootste naald eruit te peuteren.

De laatste middag in Paje kunnen we het toch niet laten om zowel wandelingen naar het zuiden als naar het noorden te maken. Onze twee leesboeken zijn uit.

Di. 12-2-2002
Hè bah, het is alweer de laatste dag van onze vakantie. We genieten voor de laatste keer van het lekkere ontbijt. Volgens mij zijn we voor het eerst tijdens deze reis aangekomen, normaal vallen we wel kilootjes af … maar nu dus niet. We hangen een tijdje aan de bar en wachten op het busje wat zo rond half elf terug zou moeten komen uit Jambiani.

We zeggen gedag, stappen in en kunnen onverwachts dan toch nog even nagenieten van de mooie kustlijn, want we rijden nog even door naar Bwejuu om nog wat andere gasten op te halen.



6. Stone Town & de laatste uurtjes in Dar

De drukte in Stone Town en zeker in Dar overvalt ons, we zijn het niet meer gewend na de rust aan de oostkust. Ongemerkt kijken we in de buurt van de haven van Dar de mensen toch weer heel doordringend aan … we zijn het dus nog niet vergeten en hopen nog steeds de boeven ‘onder handen te kunnen nemen’.

Het is in Dar voor ons gevoel veel heter dan op Zanzibar.

Al het verkeer, de vele mensen, het gezoem van airco’s, we willen het eigenlijk allemaal niet horen.


Internetten, souvenirs kopen, eten, we hebben toch nog wel heel wat te doen op zo’n laatste middag. Zo meteen kunnen we gelukkig nog een douche nemen (dat is het gemak van toch nog even voor een middag/avond een hotel nemen) voordat we met de taxi richting het vliegveld gaan.

Roland heeft net z’n vijf jaar oude trouwe dierbare reis t-shirt met veel moeite in de vuilnisbak gedumpt … de reis zit erop.
Het was weer heel bijzonder …

Ook deze reis nemen ze nooit meer van ons af!





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina