Vclb kansenbevordering geactualiseerde visietekst



Dovnload 157.35 Kb.
Pagina1/3
Datum07.10.2016
Grootte157.35 Kb.
  1   2   3

VCLB- Kansenbevordering

Visietekst

Geactualiseerd 01/12/2010


VCLB - KANSENBEVORDERING

GEACTUALISEERDE VISIETEKST1
DE WERKING VCLB - KANSENBEVORDERING: KRACHTLIJNEN 2


  1. VISIE





  1. Uitgangspunten

We gaan uit van de vaststelling dat de dualiteit in onze samenleving toeneemt. De kloof tussen rijk en arm groeit niet alleen in de wereld maar ook in eigen land. Dit is niet alleen schromelijk onrechtvaardig maar het is ook een grote verspilling van menselijk kapitaal. Bovendien leidt zo’n evolutie onvermijdelijk tot polarisatie en geweld.


De werking Kansenbevordering VCLB is de voortzetting en uitbreiding van de migrantenwerking binnen de vrije PMS- centra (vanaf 1983), later de OVB3- werking in de centra. Momenteel situeert de werking zich binnen het Gelijke Onderwijskansenbeleid (GOK)4. Bovendien konden we voortbouwen op de ervaring en know-how van talrijke medewerkers die zich op verschillende plaatsen sinds geruime tijd actief hadden ingezet voor autochtone en allochtone kansarmen en in het kader van de zorgverbreding in scholen. In feite kunnen we zelfs teruggrijpen naar één van de voornaamste ‘roots’ van onze organisatie. De Vrije PMS- centra zijn inderdaad opgericht in de schoot van de christelijke arbeidersbeweging, meer bepaald de KAJ, met de bedoeling de arbeiderskinderen meer ontwikkelingskansen te geven. De vrije centra hebben ook een lange traditie m.b.t. de zorg voor de hulpbehoevenden in onze samenleving (o.a. in het Buitengewoon Onderwijs). Deze basisbekommernis werd verwoord bij de explicitering van de ‘Opdrachtsverklaring CLB’ waarin gesteld wordt dat de christelijke inspiratie van de Vrije CLB inhoudt dat ‘de zwaksten, de meest hulpbehoevenden het meest recht hebben op dienstverlening’.5
Ook in het Decreet betreffende de CLB6 komt deze bekommernis naar voor. In art. 6/8° en art. 22 wordt expliciet gesteld dat ‘elk centrum bijzondere aandacht heeft voor bepaalde groepen en leerlingen die door hun sociale achtergrond bedreigd worden in hun ontwikkeling en in hun leerproces’. Deze opdracht wordt nog beklemtoond door de weging van de leerlingenaantallen in functie van hun aanwezigheid in bepaalde onderwijsvormen, met vooral een sterke nadruk op Buitengewoon, Deeltijds en Beroepsonderwijs en op anderstalige nieuwkomers. In het uitvoeringsbesluit tot vaststelling van het Verzekerd Aanbod7 van de CLB wordt bovendien aan de centra opgelegd aan de scholen diensten aan te bieden die (onder meer) betrekking hebben op kansarmoede. Aan dit aspect zal dan ook de nodige aandacht moeten besteed worden binnen de interne en externe kwaliteitszorg van de centra. Anderzijds wordt aan de CLB een extra- omkaderingsgewicht toegekend ‘wegens taakbelasting, zoals die wordt beïnvloed door de aanwezigheid van kansarme kinderen’ (CLB- decreet, art. 67/2°)8.
In het Decreet betreffende Gelijke Onderwijskansen (GOK) wordt aan CLB een aantal opdrachten toegekend die kaderen in ditzelfde geheel:

  • Scholen ondersteunen bij het ontwikkelen en realiseren van hun GOK- doelstellingen

  • Meewerken in het Lokaal Overlegplatform (LOP)

  • Op vraag van het LOP zoeken naar een andere school, na gegronde weigering

  • Overleggen met de school en de ouders m.b.t. een eventuele weigering omwille van vermeende onvoldoende draagkracht (leerlingen met een inschrijvingsverslag Bu.O.)

Recent zijn er ook nog andere stimuli gegeven vanuit de overheid m.b.t. de kansenbevorderende werking, we denken o.a. aan het Decreet Inburgering (anderstalige Nieuwkomers), het Decreet Integrale Jeugdhulp, het Participatiedecreet, het Armoededecreet…


We moeten deze gelegenheden aangrijpen om als VCLB een factor voor sociale correctie te worden door een vorm van ‘positieve discriminatie’ t.a.v. kansarmen in onze werking daadwerkelijk uit te bouwen. De verbreding van de focus van ‘migranten’ naar ‘kansarmen’ heeft het voordeel dat ook de autochtone kansarmen meer expliciet onder de aandacht vallen en dat de kern van de problemen die we wensen te verhelpen duidelijker wordt aangeduid. Dit mag ons echter ook in de toekomst niet beletten eveneens aandacht te blijven hebben voor aspecten die specifiek te maken hebben met etniciteit enerzijds en vooroordelen en discriminatie anderzijds.


  1. De doelgroep

De hierboven kort aangegeven tendens van dualisering in onze samenleving ontstaat door het samenspel van twee belangrijke maatschappelijke mechanismen, nl. achterstandsverwerving en achterstelling. De groepen die aan deze mechanismen onderhevig zijn vormen de doelgroep van de kansarmoedewerking.




  • Achterstandsverwerving ontstaat als gevolg van een tekort aan het financiële en/of sociale en/of culturele kapitaal dat nodig is om in onze samenleving volwaardig te kunnen participeren. Belangrijk hierbij is de scholingsgraad en de arbeids- en woonsituatie. Men spreekt in dit verband van ‘ongelijke kansen9’. Deze term verwijst naar het feit dat ook de ‘achterstandsverwerving’ in feite ook een gevolg is van ‘maatschappelijke achterstelling’. Het gebrek aan ‘kapitaal’, in één of meer van zijn vormen, kan immers ook beschouwd worden als een gevolg van een ongelijke verdeling van middelen en goederen in de samenleving. Belangrijk hierbij is nog het inzicht dat tekorten in sociaal en cultureel kapitaal nauw verweven zijn met tekorten in de economische situatie van het gezin10.




  • Achterstelling is het proces van maatschappelijke uitstoting vanuit de maatschappelijke instellingen, o.m. ook in het onderwijs. Het is een grotendeels onbewust mechanisme dat als gevolg heeft dat kansarme kinderen de weinige kansen die ze al hebben nog ontnomen worden. Men spreekt in dit verband van ‘ongelijke behandeling’. Achterstelling in het onderwijs ontstaat als gevolg van het feit dat de school doorgaans haar onderwijs afstemt op de kinderen uit de zgn. ‘middenklasse’ en niet op kansarme kinderen.

We kunnen dit als volgt schematisch voorstellen11:




Achterstelling leidt tot achterstandsverwerving en omgekeerd. Zo ontstaat de zgn. ‘kansarmoedecirkel’ die uiteindelijk leidt tot echte marginalisering.
De doelgroep die we met de werking kansenbevordering op het oog hebben beperkt zich dus niet enkel tot de zgn. ‘vierde wereld’ of de multiproblem- gezinnen,die vaak met de term ‘kansarmen’ bedoeld worden. Van deze gezinnen kan gezegd worden dat ze door het samenspel van beide sociologische mechanismen gemarginaliseerd zijn geraakt. De doelgroep van de werking kansenbevordering is ruimer omdat het belangrijk is te voorkomen dat leden van andere ‘risicogroepen’ eveneens in de marginaliteit verzeild geraken. We denken aan allochtonen, arbeiderskinderen, kinderen van andere gezinnen met een precaire financiële toestand (werklozen, kleine middenstanders en boeren…), anderstalige nieuwkomers…
Het is belangrijk bij de definiëring van de ‘doelgroep’ voldoende nuanceringen aan te brengen, hetgeen in een algemene nota moeilijk is. Zo kunnen uiteraard niet alle arbeiderskinderen of alle allochtonen kansarm genoemd worden12 en zijn er ook belangrijke kwalitatieve verschillen tussen de verschillende subgroepen van de doelgroep13.
Anderzijds mag de doelgroep ook niet zo ruim gedefinieerd worden dat alle ‘kinderen met problemen’ er onder vallen. Uiteraard zijn er ook veel problemen of risicosituaties bij kinderen uit kansrijkere milieus. Deze kinderen hebben vanzelfsprekend ook recht op hulp. Dit valt echter onder de reguliere CLB- werking, vermits hier geen sprake is van achterstellingsmechanismen : de ouders beschikken over het nodige financiële, sociale en culturele kapitaal om hulp te zoeken en de instellingen zijn er doorgaans beter op afgestemd.
In dit verband is het misschien niet overbodig nog eens te wijzen op de belangrijke rol die de sociaal- economische status (S.E.S.) speelt bij het ontstaan van leerachterstand en allerlei andere problemen. Reeds decennia lang blijkt uit empirisch onderzoek het verband tussen de sociale herkomst van het gezin en schoolsucces14.

Ook het verband tussen sociale herkomst en problemen van socio- emotionele aard en gezondheidsproblemen werd herhaaldelijk aangetoond.15 Het verband tussen kansarmoede en leerachterstand op school werd ook recent nog duidelijk aangetoond in het ‘Cijferboek Sociale Ongelijkheid in het Vlaamse Onderwijs’16


Het is merkwaardig dat de sociaal- economische factor, ondanks de overweldigende hoeveelheid onderzoeksgegevens die het belang ervan bevestigen, blijvend onderschat wordt. Wellicht is ook dit een aspect van het mechanisme van ‘achterstelling’. Zo is het kenmerkend voor onze ‘post- moderne samenleving’ dat de nochtans vrij zichtbare dualisering verdoezeld en versluierd geraakt : de sociaal zwakken zelf trachten zich a.h.w. te verstoppen en te vermommen en wensen het etiket ‘kansarm’ niet opgeplakt te krijgen ; de kansrijken van hun kant willen graag geloven in de illusie dat statusverschillen tot een ver verleden behoren of eigenlijk geen belangrijke rol meer spelen. Nochtans is een klaar en helder inzicht in de verschijnselen en de oorzaken een noodzakelijke voorwaarde om tot oplossingen te komen !


  1. Doelstelling

Willen we een verdere dualisering in de samenleving voorkomen, dan is het nodig een sociale correctie na te streven door groepen en individuen die dreigen uit de boot te vallen actief te ondersteunen en zodoende te helpen bij het doorbreken van de kansarmoede- cirkel. Het is immers belangrijk er voor te zorgen dat maatschappelijke uitstoting en marginalisering zo veel mogelijk wordt tegengegaan.


Positiever gesteld is het van belang mee te werken aan de emancipatie van achtergestelde groepen door er toe bij te dragen dat meer leden van deze groepen volwaardig kunnen participeren in onze hoog- technologisch ontwikkelde wereld. Concreet houdt dit in dat meer arbeiderskinderen en allochtonen kunnen doorstromen naar hoger onderwijs of op een andere manier de vaardigheden, kennis en attitudes kunnen ontwikkelen die nodig zijn om volwaardig te kunnen participeren. Een betere doorstroming van met name allochtonen naar het Hoger Onderwijs is ook belangrijk omwille van de modelfunctie naar andere allochtone jongeren en omwille van de signaalfunctie naar de publieke opinie toe.
We moeten hierbij wel opletten dat we niet bevoogdend en betuttelend gaan optreden. Men spreekt in dit verband van het gevaar van de ‘deficit- benadering’ : het ‘anders zijn’ wordt dan nog enkel bekeken als het ‘niet hebben van wat wij wel hebben’ zonder aandacht en waardering voor de eigen waardevolle kenmerken. Dit geldt zowel voor allochtonen als voor autochtone groepen die niet behoren tot de zgn. ‘middenklasse’. Ook wij kunnen veel van ‘hen’ leren ! Bovendien moet heterogeniteit juist als een te behouden rijkdom beschouwd worden. Leren omgaan met heterogeniteit wordt o.i. één van de grote uitdagingen van de 21e eeuw. Het kan ook niet de bedoeling zijn er voor te zorgen dat op termijn iedereen hoger onderwijs doet : ook meer praktisch en technisch geschoolde mensen zijn onmisbaar in de samenleving !
Toch kan dit ook een valkuil zijn. Niet iedereen wenst in het hoekje te blijven zitten waar hij/zij verblijft ! Maar vooral is het belangrijk dat iedereen, van welke sociale of etnische herkomst ook, volwaardig de kans krijgt zijn of haar mogelijkheden en talenten tot ontwikkeling te brengen. Concreet zou dit kunnen betekenen dat meer arbeiders- of allochtone kinderen kunnen doorstromen naar de universiteit en dat meer kinderen uit ‘betere’ milieus doorstromen naar technisch of beroepsonderwijs. Ook voor het welbevinden en de betrokkenheid van veel van deze laatst bedoelde kinderen en voor de opwaardering van deze opleidingen en beroepen zou dit een goede zaak zijn !
Vanuit de werking kansenbevordering VCLB willen we aandacht geven aan het verhogen van de ontwikkelings- en participatiekansen van groepen en individuen die dreigen slachtoffer te worden van maatschappelijke achterstelling. Het onderwijs is in principe perfect geplaatst om de vermelde kansarmoede- cirkel te doorbreken en ontwikkelingskansen te vergroten. Het CLB van zijn kant is in principe perfect geplaatst om de school hierbij te helpen in samenwerking met nog andere partners zoals buurtwerk, jeugdwerk, integratiecentra, schoolopbouwwerk…Spijtig genoeg echter gebeurt soms net het tegengestelde : als typische middenklasse- instelling ‘reproduceert’ de school de bestaande maatschappelijke tegenstellingen. En het CLB werkt hier vaak onbewust aan mee…


I.WAT KAN CLB DOEN ?

We willen hierbij een onderscheid maken tussen enerzijds een aantal algemene aandachtspunten die er moeten toe leiden dat de centra zelf geen factor van achterstelling vormen en anderzijds een aantal specifieke werkvormen die binnen de werking kansenbevordering dienen opgenomen te worden.




  1. CLB geen factor van achterstelling !

Het is belangrijk erover te waken als CLB zelf geen schakel te zijn in de kansarmoedecirkel, niet bij te dragen tot een grotere selectiviteit van de school in plaats van tot de zorgverbreding ervan.


De maatschappelijke instellingen, waaronder de school en ook CLB, vertonen inderdaad een ‘neiging’ om bij te dragen tot de vermelde achterstellingsmechanismen. We gaan eerst na hoe dat te verklaren is om vervolgens aan te stippen wat er kan tegen gedaan worden binnen de CLB- context.
a) Oorzaken van achterstelling – ook binnen CLB
Hoe is het mechanisme van achterstelling te verklaren ? Voor alle duidelijkheid : het heeft niets te maken met ‘slechte wil’ of verkeerde intenties ! Meestal verlopen die mechanismen immers onbewust. Het kan wel te maken hebben met een tekort aan inzicht en vaardigheden en aan socio- emotionele factoren bij een aantal medewerkers.


  • Het gebrek aan inzicht is te verklaren door het feit dat de medewerkers van de ‘instellingen’ zelf behoren tot de ‘beter gesitueerde groepen’. Het is dan ook begrijpelijk dat we vertrekken vanuit onze eigen ‘vanzelfsprekendheden’ en de wereld (en dus ook de sociaal zwakke groepen) bekijken door onze middenklasse- bril. We zijn ons er zelfs niet van bewust dat we zo’n bril op hebben ! Vanuit onze eigen levenscontext gaan we uit van de veronderstelling dat een aantal vaardigheden, inzichten en attitudes die we zelf verworven hebben, bij iedereen aanwezig zijn17. Zeker wanneer we zelf niet afkomstig zijn uit sociaal zwakke milieus is het niet gemakkelijk ons ervan bewust te worden dat deze veronderstelling vaak niet klopt. Deze bewustwording kan enkel tot stand komen via regelmatige persoonlijke contacten met de ‘doelgroep’.




  • Om dezelfde reden missen we vaak ook de vaardigheid om op een vlotte manier om te gaan met deze mensen of om informatie duidelijk over te brengen, metingen correct te laten verlopen…




  • Door dit alles komt soms ook de motivatie om ons in te zetten voor het vergroten van de kansen van sociaal zwakkeren op een laag pitje te staan. We begrijpen niet waarom ze niet komen opdagen, geraken ontmoedigd of we geloven er niet (meer) in. Het is ook zo veel dankbaarder, althans toch op het eerste gezicht, om voor kansrijkere groepen te werken : het loopt veel vlotter, we kunnen het beter aan, we zitten op dezelfde golflengte…En last but not least : het geeft ons zelf ook meer status ! Met werken voor en met kansarmen valt maatschappelijk niet zo goed te ‘scoren’. Kijk maar naar de imago- problemen van concentratie- of kansarme schooltjes en de bijhorende ‘witte vlucht’ ! Werken met kansarmen is soms ook veel moeilijker en kost veel meer inspanning. En men krijgt er op het eerste gezicht niet zo veel voor terug. Waarom zou men er dan nog aan beginnen ?

Gelijkaardige processen doen zich natuurlijk ook voor bij de kansarmere groepen zelf : onbegrip, ontbrekende vaardigheden, wantrouwige of zelfs vijandige houding… Dit werkt het proces van de vervreemding tussen kansarmen en maatschappelijke instellingen en dus ook de achterstelling nog verder in de hand.


b) Wat kunnen we doen om achterstelling binnen de sector te vermijden ?
Het is duidelijk dat de uitbouw van een werking kansenbevordering binnen de vrije CLB niet ‘vanzelf’ zal tot stand komen. Analoog met de hierboven gevolgde indeling vermelden we een aantal doelstellingen waaraan op elk centrum moet gewerkt worden.18 Het is evident dat de realisatie van deze doelstellingen maar kan gerealiseerd worden onder een aantal voorwaarden van organisatorische aard (begeleiding, nascholing…). We komen daar in het vierde deel op terug.
Niet elke CLB- medewerker hoeft in dezelfde mate bovenstaande inzichten, vaardigheden en attititudes te bezitten of te verwerven. Wel moet van elke medewerker van de Vrije CLB kunnen verwacht worden dat hij of zij aan een aantal minimale voorwaarden voldoet op dit gebied19. Van medewerkers die actief zijn in regio’s en scholen met kansarmen en allochtonen mag dan weer wel verwacht worden dat ze zich meer en meer vervolmaken in het werken aan kansenbevordering.


  • Elke CLB- medewerker zou een basisinzicht moeten hebben in de mechanismen die leiden tot kansarmoede. Dit inzicht zal met zich meebrengen dat niet de verkeerde 'remedies' worden gekozen. Een belangrijk inzicht is nl. dat ontwikkelings- en leerproblemen bij kansarmen ook een andere oorzaak kunnen hebben dan gelijkaardige problemen bij meer kansrijke kinderen. In ieder geval zijn er bij de eerste groep factoren in het spel die bij de tweede ontbreken, nl. het feit dat bij kansarmen de opvoedingscontext thuis leidt tot achterstandsverwerving en het feit dat de school haar opvang en onderwijs onvoldoende afstemt op deze kinderen.

Meestal is het dus weinig zinvol - en in ieder geval onvoldoende - om bij kansarme kinderen op zoek te gaan naar specifieke 'leerstoornissen' of andere al dan niet aangeboren tekorten. Het is bij deze groep dan ook niet aangewezen in eerste instantie over te gaan tot maatregelen als remediëring buiten de klas of verwijzing naar speciale vormen van onderwijs. Veeleer is het belangrijk b.v. werk te maken van de reguliere aanpak in de gewone klas.


In het algemeen moeten we als CLB vooral proberen, zoals gezegd, niet alle problemen door onze 'middenklasse- bril' te bekijken en bewust te worden van de manier waarop wij de werkelijkheid percipiëren. Dit is ook gewoon een zaak van effectiviteit: enkel het werken aan de echte oorzaken zal tot resultaat leiden.


  • Een aantal vaardigheden dienen aangescherpt te worden. Een bijzonder aspect, dat hiermee samenhangt en erg belangrijk is in het CLB- werk is het vermijden van onderschatting bij kansarmen. Aan de centra wordt immers vaak gevraagd te peilen naar de capaciteiten van kinderen. Een grotere deskundigheid en vaardigheid in een correcte en faire diagnostiek bij kansarme kinderen is vereist! In dit verband dient ook de nodige waakzaamheid aan de dag gelegd te worden binnen de werkingen onderwijsloopbaanbegeleiding en diagnostiek. 20 Een ander voorbeeld hiervan is het leren omgaan met kansarmen of mensen uit andere culturen.



  • Tenslotte is ook de basishouding van elke CLB- medewerker en van het centrum (en de sector) als geheel van groot belang. We moeten proberen de kloof tussen CLB en de kansarmen te overbruggen, het vertrouwen te (her)winnen, de drempel te verlagen, de communicatie te verbeteren…

Dit impliceert doorgedreven inspanningen op allerlei vlakken: extra- inspanningen om kansarmen te bereiken, werken aan het imago van het centrum (en de koepel) bij kansarme groepen, ruimtelijke inplantingspunten en/of contactplaatsen die dicht bij of in kansarme buurten gelegen zijn, deelname aan drempelverlagende activiteiten op school of in de buurt, in dialoog gaan met organisaties die allochtonen of kansarmen vertegenwoordigen, rekening houden met religieuze feestdagen, schoolpoortcontacten…

Naast deze activiteiten en maatregelen die gericht zijn op het sensibiliseren en professionaliseren van de CLB- teams zelf, ondernemen we als CLB ook acties. In de werking ‘kansenbevordering’ willen we vooral aandacht geven aan pro- actieve of preventieve activiteiten. Dit belet niet dat ook curatieve activiteiten zullen nodig blijven. We denken aan crisisopvang, begeleiding van jongeren met problemen enz. Veel van deze CLB- activiteiten worden opgenomen binnen de werking van de domeinen b.v. psycho- sociaal functioneren en de andere doelgroepwerkingen (b.v. BSO).
Maar we willen niet blijven dweilen met de kraan open. Daarom willen we ook ‘structureel’ werken aan de opvoedingscontext thuis en op school.
Willen we iets doen aan de vermelde achterstelling op school en de achterstandsverwerving thuis, dan zullen we als CLB zowel de school met kansarmen als de kansarme gezinnen extra moeten ondersteunen. Bovendien kunnen we ook de kansarme leerlingen zelf extra ondersteunen en netwerkvorming realiseren met het oog op kansenbevordering. We bespreken achtereenvolgend elk van deze actieterreinen.
2. Schoolondersteuning
Zoals gezegd slagen scholen er vaak niet in kinderen uit 'lagere' sociale milieus goed op te vangen. Aansluiten bij de beginsituatie van deze kinderen gebeurt lang niet altijd. Vaak worden allerlei kennisinhouden, vaardigheden en attitudes als vanzelfsprekend gekend verondersteld. Bovendien slagen veel scholen er niet in bij deze kinderen de noodzakelijke dosis 'welbevinden en betrokkenheid' op te wekken die nodig is om tot leren te komen.: de verwachtingen van de leerkrachten zijn te laag, hun vaardigheid om met kansarme leerlingen om te gaan en om hen te boeien is te beperkt. We geven enkele voorbeelden van werkvormen en actieterreinen die ons toelaten als CLB de schoolse opvang van kansarme kinderen te verbeteren:


  • Ondersteuning van het taalvaardigheidsonderwijs

Het kunnen begrijpen en gebruiken van de 'voertaal' waarin het onderwijs wordt gegeven is een conditio sine qua non om iets van dat onderwijs te kunnen opsteken. Niet alleen allochtone maar ook autochtone kansarme kinderen hebben deze taal niet van thuis uit verworven. Willen we deze kinderen de kans geven om door te stromen in het onderwijs, dan moeten we er voor zorgen dat de school zelf taalvaardigheidsonderwijs aanbiedt. Dit mag niet begrepen worden als 'aparte taallessen voor kansarmen of allochtonen'. Eerder moet er sprake zijn van een algemeen taalbeleid in heel de school, waar alle kinderen baat bij zullen hebben. Bovendien is het belangrijk als CLB leerkrachten te coachen bij de manier waarop ze kansarme kinderen in de gewone klas ondersteunen bij het uitvoeren van zinvolle en boeiende talige taken.


Werkvormen hierbij kunnen zijn:


  • introduceren en bespreken van taalvaardigheidstoetsen

  • observatie in de klas en feedbackgesprekken met de leerkracht

  • sensibiliseren, informeren en ondersteunen van de school bij haar 'taalbeleid'

Het kan nuttig of nodig zijn bij deze vorm van schoolondersteuning ook de onderwijsbegeleiding te betrekken.





  • Werken aan het school- en klasklimaat t.a.v. kansarmen

De 'cel leerlingenbegeleiding' of het 'kernteam' biedt ons als CLB- medewerker een geschikt platform om samen met leerkrachten, directie en andere betrokkenen te zoeken naar maatregelen die het 'klimaat' waarin de kansarme leerling op school terecht komt, te verbeteren. Het kan hier gaan over de manier waarop wordt rekening gehouden met eigen kenmerken, waarden, gevoeligheden… bij bepaalde groepen leerlingen. Enkele voorbeelden:




  • Het stimuleren van activiteiten die leerkrachten de kans geven om op een positieve manier om te gaan met de heterogeniteit van leerlingen (Intercultureel Onderwijs/ ICO).

  • Het zoeken naar manieren om te komen tot een zinvol huiswerkbeleid t.a.v. kansarme leerlingen.

  • Het helpen van de school bij het opvangen van anderstalige nieuwkomers21

  • Het coachen van leerkrachten, waarbij leerkrachten en/of interne leerlingbegeleiders begeleid worden vanuit CLB

  • Het opzetten van een leerlingbegeleidingsstructuur op school

Indien er op de school nog geen overlegstructuur bestaat, waarin op een structurele manier de opvang van (kansarme) leerlingen kan besproken worden met de verschillende partners (school, CLB, buurtorganisaties, onderwijsbegeleiding…), dan kan het erg zinvol zijn als CLB in de oprichting ervan te investeren.

Ook het optimaliseren van individuele leerkrachtvaardigheden en -attitudes m.b.t. het omgaan met allochtone of autochtone kansarme kinderen hoort hier bij. Vanuit CLB kan hieraan gewerkt worden via vormen van consultatieve leerlingenbegeleiding maar ook via leerlingbesprekingen op MDO’s, klassenraden of deliberaties of nog via informele contacten met leerkrachten. Ook een meer groepsmatige en expliciete aanpak als het spelen van het 'leerkrachtenspel' (een stellingenspel rond vooroordelen) met het schoolteam kan effectief zijn.


  • Het verbeteren van de communicatie tussen kansarme ouders en school

Samen met de school kan gezocht worden naar strategieën en werkvormen die de kloof tussen kansarme ouders en school helpen overbruggen. Om hierin te slagen dient de school af te stappen van het klassieke 'oudercontact' en naar nieuwe wegen te zoeken. Volgende gradaties in schoolbetrokkenheid kunnen onderscheiden worden:




  • informele contacten (bv. aan de schoolpoort; schoolfeest…)

  • collectieve informatie van de school naar de ouders (bv. moedergroep; verstaanbare info over de structuur van het onderwijs

  • individuele contacten van leerkrachten met ouders

  • ouders helpen de school (bv. koken, schilderen…)

  • ouders helpen bij het onderwijs (bv. vertelmoeders)

  • ouders denken en beslissen mee over het onderwijs (bv. oudercomitee met kansarme ouders; vormen van ouderparticipatie)

CLB kan de school helpen om via één of meer van deze stappen de kloof met de kansarme ouders te overbruggen. Bij allochtonen zal de inzet van een interculturele medewerker vaak onontbeerlijk zijn. Voor autochtone kansarmen kan gedacht worden aan de samenwerking met een 'ervaringsdeskundige'. Meestal zal het ook nuttig zijn samen te werken met een buitenschoolse organisatie.


3. Ouderondersteuning
We kunnen vanuit CLB ook rechtstreeks de kansarme gezinnen ondersteunen. Binnen een preventieve aanpak gebeurt dit best via een groepsmatige aanpak. Enkele voorbeelden:


  • Oudergroepen

We denken aan moedergroepen, vader- of oudergroepen, waarbij ouders versterkt worden in hun ouderrol ('empowerment'). Door onze goede contacten met de school zijn we als CLB goed geplaatst om er op rechtstreekse of onrechtstreekse manier voor zorgen dat oudergroepen kunnen georganiseerd worden met medewerking van andere organisaties zoals 'schoolopbouwwerk', integratiecentra, opbouwwerk enz.




  • CLB in het buurthuis

Om ouders en kinderen uit achtergestelde milieus te bereiken en hun vertrouwen te winnen kan de aanwezigheid van de CLB- medewerker in het buurthuis (of in het integratiecentrum of…) noodzakelijk zijn. Dit kan gebeuren in het kader van de organisatie van oudergroepen, voor een informatie- avond rond de structuur van het onderwijs of rond opvoedkundige thema’s, als een soort permanentie- zitting om individuele problemen te bespreken…Nog beter zou het zijn indien CLB daar gevestigd was (b.v. in het ‘geïntegreerd wijkcentrum’).




  • Verstaanbare informatie en vorming voor kansarme ouders

We denken hier in de eerste plaats aan informatie over de structuur van het Secundair Onderwijs, over het belang van Kleuteronderwijs, over onderwijsondersteunend gedrag van ouders, over opvoeding…Over deze en andere onderwerpen zijn geschikte materialen ontwikkeld die de informatie- overdracht naar kansarme ouders kan vergemakkelijken. Om de kansarme ouders werkelijk te bereiken kan best samengewerkt worden met andere organisaties die dichter bij de doelgroep staan, zoals buurthuizen, integratiecentra enz.


4. Ondersteuning van kansarme leerlingen
De activiteiten vanuit CLB in dit verband zullen zich vooral situeren in de derde graad van het Lager en in het Secundair Onderwijs. We denken hier aan individuele gesprekken met kansarme leerlingen m.b.t. de schoolloopbaan (b.v. ‘trajectbegeleiding’), motiverende gesprekken i.v.m. doorstroming enz. We denken ook aan een groepsmatige benadering van kansarme leerlingen, b.v. in verband met het versterken van de sociale vaardigheden of inzichten in verband met gezondheidszorg.
Net zoals bij de activiteiten i.v.m. gezinsondersteuning kan het nuttig zijn ook leerkrachten te betrekken bij de leerlingondersteuning. Niet alleen om redenen van efficiëntie en continuïteit maar ook omdat dan in één slag ook kan gewerkt worden aan het optimaliseren van leerkrachtattitudes en – vaardigheden (cfr. school- ondersteuning).

Als CLB zijn we zeker ook goed geplaatst om actief mee te werken met projecten m.b.t. 'trajectbegeleiding' (van school naar werk), het begeleiden van risicojongeren door 'jongerencoaches' binnen de school of in de buurt, het begeleiden van anderstalige nieuwkomers enz.


5. Netwerkvorming
Vanuit CLB kunnen we meewerken aan overlegstructuren die tot doel hebben de levensomstandigheden van de kansarmen in de buurt te verbeteren. We kunnen ook zelf samenwerkingsverbanden uitbouwen tussen CLB en verschillende organisaties in de buurt, teneinde de ondersteunende krachten te kunnen bundelen. We denken aan de werking binnen de Lokale Overlegplatforms (LOP), buurtwerk, integratiecentra, schoolopbouwwerkprojecten (SOW), OCMW, jeugdwerk, zelforganisaties van allochtonen, organisaties die opkomen voor kansarmen. Dialoog met deze organisaties is ook nodig en nuttig om de kloof tussen CLB en de kansarme groepen te verkleinen en het vertrouwen te winnen.
Bovendien is het CLB perfect geplaatst om een brugfunctie te vervullen tussen de onderwijswereld en de wereld van ‘welzijn’ waartoe de meeste van de vermelde organisaties behoren. Hierbij is het, net zoals bij elke andere vorm van samenwerking, van belang dat de verschillende partners voor alles betrokken zijn bij de doelstelling, n.l. de emancipatie van de doelgroep. De ervaring leert dat, waar andere bekommernissen zoals de uitbouw van de eigen organisatie, de afbakening van het eigen territorium enz. primeren, de samenwerking niet leidt tot synergie maar zelfs tot een verlies aan slagkracht.




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina