Verdienen en Uitgeven



Dovnload 54.94 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte54.94 Kb.
Verdienen en Uitgeven


De economie groeit niet gestaag maar kent tijden van hoogconjunctuur (goede tijden) en slechte tijden (laagconjunctuur).
Hoogconjunctuur kenmerkt zich door een sterke groei van het bruto binnenlands product, groei van de werkgelegenheid en dus een laag werkloosheidspercentage, een hoge bezettingsgraad, een hoge vacaturegraad, een hoog consumenten- en producentenvertrouwen en een afname van het aantal faillissementen.
Laagconjunctuur daarentegen kenmerkt zich door een zwakke groei of zelfs krimp van het bruto binnenlands product, een afname van de werkgelegenheid en toename van het werkloosheidspercentage, een lage bezettingsgraad, een lage vacaturegraad, een laag consumenten- en producentenvertrouwen en een toename van het aantal faillissementen.

Productiefactoren'>Productiefactoren
Voor productie zijn productiefactoren of productiemiddelen nodig. In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Onder kapitaal verstaan we zowel geldkapitaal als kapitaalgoederen zoals gebouwen en machines.

Productiefactoren

en de beloning ervoor.

arbeid

loon (salaris)

kapitaal

rente, huur

natuur

pacht

ondernemerschap

winst

Toegevoegde waarde = som van de inkomens


kosten

Resultatenrekening naaiatelier

opbrengsten

inkoop stoffen en garens



165.000

omzet galajurken



270.000

inkoop energie



32.000

omzet cocktailjurken



210.000

lonen



174.000










rente



44.000










huur



26.000










winst



39.000










totaal



480.000

totaal



480.000




































De toegevoegde waarde of productiewaarde van het naaiatelier is gelijk aan de waarde van de inkomens van de mensen die deze productie gerealiseerd hebben. Daaruit komt de gelijkheid voort dat productie = inkomen.
Primair inkomen en inkomensoverdrachten
Loon, pacht, huur, rente en winst vormen samen het primaire inkomen. Het primaire inkomen is het inkomen dat ontstaat door het beschikbaar stellen van schaarse productiefactoren.
Het primaire inkomen
– inkomstenbelasting en sociale premies
+ sociale uitkeringen en subsidies/toeslagen
= secundaire inkomen (= besteedbaar inkomen)
Overdrachtsinkomens zijn sociale uitkeringen die je ontvangt zonder een bijdrage te leveren aan de productie.
Van toegevoegde waarde naar bruto binnenlands product (bbp)
De toegevoegde waarde of productiewaarde is gelijk aan de omzet min de inkoopwaarde van grondstoffen, hulpstoffen en diensten. De toegevoegde waarde is gelijk aan de som van loon, huur, pacht, rente en winst.
Een bedrijfskolom laat de weg zien (schakels) die een product doorloopt van grondstoffenproducent tot en met de detailhandel. De schakels in een bedrijfskolom bestaan uit bedrijven die dezelfde productie verrichten. Zij vormen een bedrijfstak zoals de bedrijfstak naaiateliers en de bedrijfstak kledingzaken.
Door de toegevoegde waarde van alle bedrijven bij elkaar op te tellen krijg je de productie van een heel land. Dit noemen we het bruto binnenlands product (bbp). De toegevoegde waarde van niet-commerciële bedrijven zoals overheid en ziekenhuizen is gelijk aan het salaris dat uitgekeerd wordt.
Van nominaal naar reëel inkomen
Inkomen gemeten in geld noemen we het nominaal inkomen. Het inkomen gemeten in goederen is het reëel inkomen. Als de inflatie gelijk is aan de stijging van het nominaal inkomen blijft de koopkracht behouden.
NIC (indexcijfer nominaal inkomen)
RIC (indexcijfer reëel inkomen) = -------------------------------------------- × 100
PIC (prijsindexcijfer)

Bruto binnenlands product en welvaart.
Bij het meten van de welvaart van een land wordt welvaart gelijk gesteld aan het bbp van dat land. Een betere maatstaf om welvaart te meten is het reëel bruto binnenlands product per inwoner van dat land. Toch kleven er ook aan die maatstaf van welvaart nadelen zoals:
- een gemiddeld reëel inkomen zegt niets over de verdeling van dat inkomen tussen arm en rijk.
- vrijwilligers werk en zwart werk (samen informele economie) en huishoudelijk werk verhogen wel de welvaart maar worden hier niet meegerekend.
- negatieve externe effecten worden niet in mindering gebracht op deze welvaartsmaatstaf.
- er wordt geen rekening gehouden met uitputting van natuurlijke hulpbronnen. In dit kader gebruikt men het begrip duurzame ontwikkeling. Dit is een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten.
Categoriale inkomensverdeling
De verdeling van het inkomen over de inkomenscategorieën loon, winst, rente, huur en pacht, noemen de categoriale inkomensverdeling. Het bbp is gelijk aan de toegevoegde waarde van alle bedrijven opgeteld en is gelijk aan de som van loon, winst, rente, huur en pacht.
loon
Loonquote = ---------------------------------- × 100%
bruto binnenlands product

huur, pacht, rente en winst


Overige inkomensquote = ----------------------------------- × 100% =
bruto binnenlands product
100% – loonquote

De loonquote geeft informatie over de verdeling van de productiewaarde over arbeid (loon) en kapitaal (huur, rente, pacht en winst) en is daarom een belangrijk kengetal in de economie.


Als de loonquote stijgt daalt de overige inkomensquote. Dit wordt in het algemeen gezien als zijnde slecht voor het ondernemersklimaat. Een stijgende loonquote gaat veelal gepaard met een dalende winstquote (winst/bbp). De winst komt onder druk te staan waardoor bedrijven minder investeren en er we een afname van de werkgelegenheid zien.

De som van alle primaire inkomens van een land is gelijk aan de totale productiewaarde van dat land. De productiewaarde van een land staat beter bekend als het bruto binnenlands product.


Bruto en netto investeringen
Bij de investeringen van bedrijven maken we onderscheid tussen:
- vervangingsinvesteringen: hiervoor reserveren bedrijven geld in de vorm van afschrijvingen.
- uitbreidingsinvesteringen: hierdoor neemt de productiecapaciteit van bedrijven toe.
- voorraadinvesteringen: als de bestedingen lager zijn dan de productie blijven bedrijven met onverkochte producten zitten. De voorraad neemt dan toe.
Vervangingsinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen zijn investeringen in vaste kapitaalgoederen. Voorraadinvesteringen zijn investeringen in vlottende kapitaalgoederen.
Uitbreidingsinvesteringen en voorraadinvesteringen vormen samen de netto investeringen. De netto investeringen worden gefinancierd met geld dat de gezinnen sparen.
Netto investeringen plus vervangingsinvesteringen noemen we bruto investeringen.
Naar aanleiding van de begrippen bruto en netto investeringen wordt onderscheid gemaakt in bruto binnenlands product en netto binnenlands product

Netto binnenlands product = bruto binnenlands product – afschrijvingen.





De nationale rekeningen
De nationale rekeningen zijn een boekhoudkundige beschrijving van de middelen en bestedingen van de gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland. Een ander naam voor nationale rekeningen is de ‘staat van middelen en bestedingen’. 
De economische kringloop met overheid en buitenland
In onderstaande figuur is de geldkringloop getekend. Door het beschikbaar stellen van productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap) ontvangen de gezinnen inkomen. Dit inkomen wordt door de gezinnen aangewend om consumptiegoederen te kopen en belastingen te betalen. Wat gezinnen niet besteden/uitgeven, sparen ze. De overheidsbestedingen worden betaald met belastingen die zij van gezinnen ontvangt. Het tekort van de overheid leent zij bij de banken. De bedrijven produceren goederen voor de consumptie van de gezinnen, voor de overheid, voor het buitenland en voor bedrijven (investeringen). Een deel van de productie importeren de bedrijven uit het buitenland. Omdat wij meer exporteren dan importeren heeft het buitenland een tekort dat gefinancierd wordt via de banken (besparingen van de gezinnen).

E – M: saldo export en import.


O – B: overheidssaldo.
W = Y: binnenlands product = binnenlands inkomen.
Y = C + B + S: het inkomen van de gezinnen is gelijk aan de som van consumptie, belastingen en besparingen.
Y = C + I + O + E – M: bestedingen van gezinnen, overheid en buitenland.
(S – I) = (O – B) + (E – M): de besparingen van de gezinnen worden gebruikt om de netto investeringen van de bedrijven, de tekorten van de overheid en het tekort van het buitenland te financieren.

Productie en productiecapaciteit
De hoogte van het bruto binnenlands product wordt bepaald door de productiecapaciteit en de bestedingen. De productiecapaciteit geeft aan wat er maximaal geproduceerd kan worden.
productie
bezettingsgraad ------------------------ × 100%
productiecapaciteit
Bij productiecapaciteit gaat het om de aanbodkant of structurele kant van de economie. Op lange termijn bepaalt de productiecapaciteit de hoogte van het bruto binnenlands product en daarmee ook de hoogte van het nationaal inkomen.
De gemiddelde groei van de productie op lange termijn heet de trendmatige groei of kortweg de trend. De trendmatige groei van de productie is afhankelijk van de ontwikkeling van de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.
Arbeid
Bij de productiefactor arbeid gaat het om kwaliteit en kwantiteit. Een hogere kwaliteit van de beroepsbevolking betekent een hogere arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit wordt bepaald door:
- de mate van scholing van de beroepsbevolking. Investeren in menselijk kapitaal verhoogt de arbeidsproductiviteit.
- de efficiëntie (doelmatigheid) van de organisatie. Arbeidsdeling en specialisatie maken het mogelijk productieprocessen te mechaniseren en te automatiseren. Hierdoor stijgt de arbeidsproductiviteit.
- de arbeidsmentaliteit. Als werknemers met veel inzet hun werk verrichten, verhoogt dat de arbeidsproductiviteit.
Het aanbod van arbeid op de arbeidsmarkt verhoogt de productiecapaciteit. Het aanbod op de arbeidsmarkt wordt bepaald door:
- de omvang van de bevolking (geboortes, immigratie en emigratie);
- de samenstelling van de beroepsbevolking (vergrijzing);
- de participatiegraad;
- de wetgeving (leerplichtleeftijd, pensioenleeftijd).
De overheid bemoeit zich uitgebreid met de kwaliteit en omvang van de beroepsbevolking. Allereerst door voor goed onderwijs te zorgen. Daarnaast probeert zij de arbeidsparticipatie te vergroten door het stimuleren van deeltijdarbeid en kinderopvang.
Kapitaal
Meer en betere kapitaalgoederen vergroten de productiecapaciteit. Door toepassing van nieuwe technologieën stijgt de arbeidsproductiviteit. Nieuwe, betere productieprocessen heten innovaties. Via subsidies stimuleert de overheid bepaalde investeringen in kapitaalgoederen (vernieuwende, milieuvriendelijke). Met heffingen kan zij ongewenste investeringen (vervuilende) ontmoedigen.
Natuur
Natuurlijke omstandigheden als aanwezigheid van grondstoffen, het klimaat, rivieren, etc. bepalen mede de samenstelling van de productie van een land. De natuur is een belangrijke, maar moeilijk te beïnvloeden productiefactor.
Ondernemerschap
Bij ondernemerschap gaat het om kennis, inzichten en activiteiten van mensen. Goed ondernemerschap kan zorgen voor een efficiënte organisatie van het productieproces.
Convergentie en divergentie
Als het inkomen per hoofd van de bevolking tussen arme en rijke landen naar elkaar toegroeit is er sprake van convergentie. Groeit het inkomen per hoofd van bevolking tussen rijke en arme landen uit elkaar, dan spreken we van divergentie.
Algemeen werd gedacht dat het inkomen in arme landen sterker zou groeien dan in rijke landen. Dit omdat bedrijven uitwijken naar arme (lage lonen) landen. Ook het kapitaal zou uitwijken naar arme landen omdat het kapitaal daar schaars is en dus hoge opbrengsten kan genereren. Dit beeld kan met cijfers niet bevestigd worden. Wel laten landen als China en India al een aantal jaren een zeer sterke groei zien.

Hoogconjunctuur en laagconjunctuur
Zoals in hoofdstuk 4 wordt opgemerkt bepalen de productiecapaciteit en de bestedingen de hoogte van het bruto binnenlands product. De productiecapaciteit is bepalend voor de groei op lange termijn. Op korte termijn bepalen de bestedingen de hoogte van het bbp en dus ook van het inkomen. De bestedingen kennen geen stabiel verloop, soms zijn de bestedingen hoger dan de gemiddelde groei (trend) en soms zijn ze lager. We noemen dit de conjunctuurbeweging of kortweg de conjunctuur. Bij een groei boven de trend is er sprake van hoogconjunctuur, bij een groei lager dan de trend is er sprake van laagconjunctuur. Afnemende groei van het nationaal inkomen beneden de trendmatige groei heet een recessie. Bij een depressie is de groei negatief. We spreken dan van krimp.


Gevolgen van hoog- en laagconjunctuur
Aanhoudende laagconjunctuur leidt tot onderbesteding:de productiecapaciteit is onderbezet en daardoor ontstaat conjuncturele werkloosheid. Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding, een situatie waarin de bestedingen zo hoog zijn dat de grenzen van de productiecapaciteit bereikt worden. Dit kan leiden tot meer inflatie en een krappe arbeidsmarkt.
Als de bestedingen stijgen, neemt het nationaal inkomen toe, wordt er meer geconsumeerd en meer geïnvesteerd, neemt de import toe, stijgen de belastinginkomsten en kunnen de overheidsuitgaven dalen.
Als de bestedingen dalen, neemt het nationaal inkomen af, daalt de consumptie en de investeringen, daalt de import, dalen de belastinginkomsten en stijgen de overheidsuitgaven.
Conjunctuurindicatoren
Aanwijzingen voor de ontwikkeling van het bbp noemen we conjunctuurindicatoren. Conjunctuurindicatoren zijn van invloed op het bbp en worden ook weer beïnvloed door het bbp. Het CBS hanteert drie soorten conjunctuurindicatoren:
- vertrouwensindicatoren: consumentenvertrouwen, productenvertrouwen, orderportefeuille.
- economische indicatoren: bbp, investeringen, productie, consumptie, uitvoer, rente.
- arbeidsmarktindicatoren: arbeidsvolume, uitzenduren, werkloosheid, vacatures.
Productie en prijspeil
Veranderingen van bestedingen kan invloed hebben op de hoeveelheid productie (het reële bbp) en op het (gemiddelde) prijspeil. De invloed is afhankelijk van de horizon waarop we dit bekijken. Op korte termijn is de reactie van veranderende bestedingen anders dan op lange termijn.
Korte termijn
Op korte termijn kent de geaggregeerde aanbodcurve, dat is het aanbod van alle producten bij elkaar, een horizontaal verloop. Dat wil zeggen dat bij een verandering van de bestedingen of de vraag de prijzen niet dalen of stijgen. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat op korte termijn de lonen zich niet aanpassen aan de veranderende economische situatie. De hoogte van het loon is vastgelegd in een CAO (of wettelijk via het minimum loon) en kan tussentijds niet aangepast worden. Lonen zijn niet flexibel maar star. Dit leidt ertoe dat bij een daling van de bestedingen de prijzen niet dalen: we spreken in dit verband van starre prijzen (prijsrigiditeit). Het gevolg van dalende bestedingen is een daling van het bbp en een toenemende werkloosheid.



Lange termijn
Op lange termijn passen de lonen zich aan aan de situatie op de arbeidsmarkt. Het geaggregeerde aanbod wordt hierdoor niet meer afhankelijk van de prijs, maar van de hoeveelheid beschikbare productiefactoren. De geaggregeerde aanbodfunctie loopt dan verticaal. In zo’n situatie leidt een daling van de bestedingen alleen maar tot een prijsdaling, de geproduceerde hoeveelheid blijft gelijk. Op lange termijn passen lonen en prijzen

zich aan en blijft de geproduceerde hoeveelheid hetzelfde.




Conjunctuurbeleid
Sterke conjunctuurschommelingen hebben nadelen. Met name laagconjunctuur met werkloosheid wordt als ongewenst gezien. Daarom beïnvloedt de overheid de conjunctuur. Bij laagconjunctuur stimuleert de overheid de economie door haar eigen bestedingen te verhogen of belastingen te verlagen. De overheid voert dus een anticyclisch conjunctuurbeleid: een beleid tegen de conjunctuur in. Overheidsbeleid dat de cyclus versterkt noemen we procyclisch conjunctuurbeleid. Zo werken bezuinigingen tijdens een recessie procyclisch.
(automatische) conjunctuurstabilisatoren
De overheid kan door het verhogen/verlagen van haar uitgaven/ontvangsten de conjunctuur afzwakken. Datzelfde doen ook sociale uitkeringen en progressieve belastingen: zij worden automatische conjunctuurstabilisatoren genoemd.
Als mensen werkloos worden krijgen ze een uitkering waardoor de bestedingen toch enigszins op peil blijven. Op die manier beperken sociale uitkeringen de onderbesteding, waardoor de conjunctuurgolf afgevlakt wordt.
Een progressief belastingsysteem leidt ertoe dat in een situatie van hoogconjunctuur nettolonen minder sterk stijgen dan de brutolonen omdat je bij stijging van het loon in procenten meer belasting moet betalen. Bij onderbesteding betalen mensen bij een dalend inkomen juist een lager percentage aan belasting waardoor zij er netto minder op achteruitgaan. Ook dat vlakt de conjunctuur af.
Fisher
De verkeersvergelijking van Fisher is als volgt: M × V = P × Y. Hierin is M de maatschappelijke geldhoeveelheid, V de omloopsnelheid van het geld, P het prijspeil en Y het reëel nationaal product (bbp),
M × V = geldstroom is gelijk aan P × Y de goederenstroom (€ 100 × 6 = € 3 × 200).
Uit onderzoek blijkt dat de omloopsnelheid (V) van het geld redelijk constant is. Als de centrale bank meer geld in omloop brengt, zal de geldstroom (M × V) stijgen. Uit de verkeersvergelijking van Fisher volgt dan dat de goederenstroom (P × Y) ook zal stijgen.
Maar wat stijgt er nu, P of Y? Ook hierin speelt de termijn waarop we dat bekijken een belangrijke rol.
Korte termijn
Omdat op korte termijn sprake is van starre prijzen zal een verhoging van de geldhoeveelheid moeten leiden tot een verhoging van het reëel nationaal product (Y). Echter dat kan alleen als de productiecapaciteit nog niet volledig is benut. Bij laagconjunctuur kan het vergroten van de geldhoeveelheid de economie stimuleren. Deze situatie verandert echter als op korte termijn de omloopsnelheid van het geld verandert, bijvoorbeeld doordat consumenten in een periode van laagconjunctuur hun geld minder snel uitgeven (in een sok sparen).
Is er sprake van hoogconjunctuur met een hoge bezettingsgraad, dan zal een toename van de geldhoeveelheid leiden tot een stijging van het gemiddelde prijspeil (P). De reële productie kan dan niet verder uitgebreid worden.


Lange termijn
De groei van het reëel nationaal inkomen wordt bepaald door aanbodfactoren als arbeid en is onafhankelijk van de geldhoeveelheid. Een stijging van de geldhoeveelheid leidt dan niet tot een stijging van Y. Omdat de omloopsnelheid (V) constant is, leidt een stijging van de geldhoeveelheid (M) tot een stijging van het prijspeil (P).
Dit noemen we de neutraliteit van geld. Groei van de maatschappelijke geldhoeveelheid leidt niet tot meer productie, maar tot meer inflatie. Door de groei van de maatschappelijke geldhoeveelheid te beheersen, probeert de ECB de inflatie laag te houden.

Europa:


Internationale handel
Landen drijven handel met elkaar omdat landen bepaalde producten niet zelf hebben. Deze moeten ze importeren. Landen drijven ook handel met elkaar omdat producten in het ene land goedkoper gemaakt kunnen worden dan in eigen land. Landen die goedkoper produceren hebben een sterkere concurrentiepositie. De concurrentiepositie van een land wordt bepaald door de prijs van het product en de kwaliteit van het product.
Als landen zich specialiseren in producten waar ze goed(koop) in zijn, is er sprake van internationale arbeidsverdeling. Toenemende specialisatie leidt tot meer internationale handel.
Belangrijkste oorzaken waarom landen zich specialiseren zijn:
- natuurlijke omstandigheden zoals het klimaat (warm of niet) en de aanwezigheid van grondstoffen.
- loonkosten per product. Hoe hoger de arbeidsproductiviteit hoe lager de productiekosten. Een hoge scholingsgraad van de beroepsbevolking en technische ontwikkelingen zoals automatisering en computerisering zorgen voor een hoge arbeidsproductiviteit.
- kwaliteit van de producten. Landen hebben een concurrentievoordeel als ze in staat zijn kwalitatief goede (hoogwaardige) producten te produceren. Innovatie is hierbij van essentieel belang.
- infrastructuur. In sommige landen is de infrastructuur beter dan in andere landen: betere havens, wegen, luchthavens en telecommunicatie kunnen leiden tot lagere productiekosten.
- stabiliteit van een land. Landen met veel stakingen of grote maatschappelijke tegenstellingen zijn onaantrekkelijk als vestigingsplaats voor internationale bedrijven.

Samenwerking tussen landen bevordert de internationale handel en is noodzakelijk om milieuproblemen aan te kunnen pakken.


Gevangendilemma
In onderstaande resultatenmatrix staan de effecten van het wel of niet voeren van milieubeleid voor België en Nederland.







Nederland







Wel milieubeleid

Geen milieubeleid

België

Wel milieubeleid

4,4

-2,6

Geen milieubeleid

6,-2

0,0

Als Nederland wel milieubeleid voert en België niet (6,-2) dan profiteert België van het milieubeleid dat Nederland voert. België is in dat geval een meelifter. Het profiteert van de positieve externe effecten maar doet daar zelf niets voor.


Als beide landen rationeel handelen, kiezen zij voor geen milieubeleid: dat is de dominante strategie. De meest gewenste uitkomst is dat beide landen wel milieubeleid voeren. Dit kan alleen tot stand komen door collectieve dwang.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina