Vergrijzing en Staatsschuld. Door Prof. Dr. A. H. J. Kolnaar Inleiding



Dovnload 134.91 Kb.
Pagina1/3
Datum22.07.2016
Grootte134.91 Kb.
  1   2   3
Vergrijzing en Staatsschuld.

Door Prof. Dr. A.H.J. Kolnaar


Inleiding.
Vergrijzing staat al geruime tijd in de belangstelling. Er is eensgezindheid over de diagnose en de aanbevelingen voor het beleid. Een verhoging van de participatiegraad wordt gezien als een probaat middel is om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Algemene instemming valt ook de aansporing, toch snel de staatsschuld af te bouwen, ten deel. In de partijprogramma’s wordt dit hoogste gedachtegoed van de moderne economische politiek alom gekoesterd. De Raad van Stockholm verkondigt in maart 2001 dezelfde wijsheden. De SER laat niet na deze maar weer, als vaststaand want zonder nadere analyses, te herhalen1.

In het navolgende wordt nog eens aangetoond dat de bovengenoemde stellingen ondanks al deze eensgezindheid berusten op hardnekkige en betreurenswaardige misverstanden. Er ontbreekt een helder zicht op wat bij een goed economische politiek de implicaties zullen zijn van de vergrijzing. In de slotparagraaf van dit artikel worden die aangegeven. Vervolgens rijst de vraag wat ons te wachten staat als niet adequaat wordt gereageerd op de bedoelde uitdaging. Deze vraag komt eerst aan de orde. Zoals altijd baseer ik mij daarbij op modelmatige analyses.

Om de discussies over wélk model tot een minimum te beperken wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het CPB-model JADE2. Zoveel mogelijk, want mijn vertrekpunt is niet de Nederlandse economie. Vergrijzing is een probleem voor alle landen binnen de EMU. Daarom moet een goede analyse starten op minstens datzelfde niveau. Als eenmaal duidelijk is geworden wat de vergrijzing voor onze belangrijkste handelspartners en ons samen zal betekenen, kunnen desgewenst in tweede instantie de implicaties voor de afzonderlijke landen nog eens worden bezien.

Gestart wordt met een zeer beknopte beschrijving van het model. Paragraaf 2 bevat analyses van het vergrijzingsproces bij slecht beleid. In de derde paragraaf wordt de analyse omwille van de vergelijkbaarheid verlegd naar het niveau van een kleine open economie als de onze binnen een muntunie. De laatste paragrafen bevatten de conclusies. Met name de consequenties voor het begrotingsbeleid krijgen de aandacht. Hoewel het de inzet van de discussie vormt, hebben de voorafgaande uiteenzettingen betrekking op veel meer kernthema’s dan alleen ‘s Rijks Financiën. De begroting is nu eenmaal geen doel op zich.


1. Het model.


In JADE worden binnen de marktsector twee deelsectoren onderscheiden. In de ene wordt slechts voor de binnenlandse, in de andere ook voor de buitenlandse markt geproduceerd. Van dit onderscheid zie ik hier af. Voorts kent JADE korte- en uitgestelde langetermijn aanpassingen van economische actoren aan nieuwe omstandigheden. Ik concentreer mij op de (niet uitgestelde) langetermijn aanpassingen. Bij een langdurig fenomeen als vergrijzing is dat onvermijdelijk.

Volgens JADE gedragen de (Nederlandse) ondernemingen zich als monopolisten. Dat is een vergaande vooronderstelling. In grote delen van de marktsector opereren middelgrote en kleine ondernemingen die wel degelijk fel concurreren met binnen- en buitenlandse aanbieders. Voorts zijn onze grote ondernemingen op de wereldmarkt beslist geen alleenheerser. Zeker voor de totale EMU, waar de analyses betrekking op zullen hebben, is de hypothese van de volledige mededinging op langere termijn mogelijk meer op zijn plaats. De grotere transparantie als gevolg van de gemeenschappelijke munt en markt kan de concurrentie bovendien verhevigen. Hierna worden derhalve beide uitersten, monopolie en volledige mededinging, bezien3.



Aparte aandacht vragen de relaties met het buitenland. JADE kent geen wisselkoers en geen endogene verklaring voor de rentevoet noch voor de internationale kapitaalstromen. JADE’s rentevoet wordt in het buitenland bepaald, wat misschien wel voor Nederland maar zeker niet voor de EMU kan worden volgehouden. Ter verklaring van de rentevoet wordt hierna een beroep gedaan op de liquiditeitsvoorkeurtheorie. Onze relatie voor de internationale kapitaalstromen berust op de portfolioselectietheorie van Tobin4, met afzonderlijke aandacht voor speculatief kapitaalverkeer op basis van wisselkoersschommelingen.
Model, grote open economie, met internationale kapitaalstromen.

1. Aanbod, productie en vraag naar productiefactoren in de marktsector:

1.a. k-1= (1-gb)k-2 + gb i-1 Kapitaalgoederenvoorraad

b. l=y - φl(pl-p*k ) Vraag naar arbeid marktsector

c. k*=y + φk(pl-p*k ) Vraag naar kapitaalgoederen, idem

d. yl+(1-λ)k-1 Productiecapaciteit, marktsector

e. yγcc + γgxg + γi i + sb Productie, marktsector

2. Arbeidsmarkt

2.a. ld=ad l +(1-ad )lg Vraag naar arbeid, totaal

b. ls=χ(ld-ls) + ls Aanbod van arbeid

c. pl=py +(y-l) + βl (ld -ls) + εPP + εttl +pl Nominale loonvoet marktsector, bruto

d. plT= pl + plT Totale gemiddelde loon plus uitkering

e. wpl - px Reële loonvoet

f. YlTlT +plT - tl -Spens/λ Totale netto loon- en steuninkomen

3. Prijsvorming goederenmarkt

3.a. pf= (1-μf )[λpl +(1-λ)p*k -(y-y’)] +μf pw Kostprijs productie marktsector

b. pv (1- μ)pxh +μpb met pxh=pb=pv Verkoopprijs in binnen- en buitenland

c. px (1- μx )pxhx pw met pc=pxg=pi=px Prijzen binnenlandse bestedingen

d. py(1+ μz )pvz pw Prijs toegevoegde waarde

e. P py - px =μ(pb - pw ) Ruilvoetwinst als percentage van

het inkomen in de marktsector

4. Opbrengstvoeten van kapitaal en kapitaalkosten:

4.a. prq=px+θ(y+py - Qs) Nominale rentevoet

b. prb[y +py -λ(l+pl)]/(1-λ) -k-1 Nominaal bedrijfsrendement

c. p*k =Kyprb + (1-Ky)frq (prq + pr ) Calculatierendement

d. rb prb -px Reële kapitaalrendement in bedrijven

5. Bestedingen:

5.a. c=YlT - pc Volume consumptie

b. xg=xg Volume materiële overheidsuitgaven

c. i=(1-Ky )k* + Ky[k-1 + vi(prb -prq )] Investeringen marktsector

d. sby(mw - y) - η(pb - pw ) Volume overschot lopende rekening in

procenten productie marktsector

6. Sectorale spaaroverschotten in procenten trendmatige productie marktsector:

6.a. Slg=λ[(l + pl +tl )-(lT + plT )] Overschot collect. sector ivm arbeid

b. Sgxg(k-1 +prb -xg -pxg ) + Slg Primair overschot collect. sector

c. Spi(k-1 + prb - i - pi ) +γc(lT + plT - c-pc ) Overschot particuliere sector

d. Sbsb +P Overschot lopende rekening, waarde

e. SK=vr (Δprq -Δpx ) +vpw (Δpw -Δpx ) Saldo kapitaalstromen buitenland

f. SuSb+SK Saldo betalingsbalans nietmonetaire

sector

7. Systeemkeuzen (K.. is 0 of 1)

7.a. tl =Kom[(lT + plT )-(l + pl )] - (1-Kom)Spens/λ Wig arbeid, al dan niet omslagstelsel

b. 0=(1-Kpw)[pw -pw] + KpwSu Vaste of volledig vrije wisselkoers

c. 0=(1-Ky )[pv-pf -βy (y-y’)]+Ky[y-y] Monopolie of volledige mededinging
Verklaring resterende symbolen:

lT totaal aantal loon- en steuntrekkers lg werkgelegenheid collectieve sector

plT gemiddeld loon- en steuninkomen per hoofd Spens spaaroverschot pensioenfondsen in

pk kosten per eenheid kapitaal procenten productie marktsector

pv gemiddelde verkoopprijs marktsector pxh verkoopprijs binnenland, idem

pb exportprijs marktsector px prijs binnenlandse bestedingen

pc=pi prijs consumptie resp. investeringen pxg prijs materiële overheidsuitgaven

mw dubbel gewogen wereldhandelsindex pw wisselkoers, continentale definitie

Structuurparameters:

gb=0.1 brutogroeivoet ad=0.8 aandeel marktsector in de

λ=2/3 loonquote werkgelegenheid

λ’=2/3 productie-elasticiteit arbeid μ=0.5 exportquote

μz=0.25 importquote grondstoffen μf=0.2 aandeel grondstofimporten in

μx=0.25 importquote gereed product kostprijs

γc=2/3 consumptiequote γxg=0.4/3 materiële

γi=0.2 investeringsquote overheidsuitgavenquote

Gedragsparameters:

φl=1/9 φk=2/9 frq=0.25 μ’y=2/3 η=5/3

βl=5/6 εP=-1 εtl=1/3 χ=0 vi=1

θ=1 vr=0.1 vpw=0.1 βy=4/7

In onze symboliek duidt de suffix g op de collectieve sector, duiden hoofdletters op nominale bedragen, kleine op volumina met uitzondering van de p, welke juist staat voor nominale prijzen en beloningsvoeten. Onderstreepte variabelen zijn exogeen, gedetermineerd door de economische politiek, het buitenland of buiteneconomische oorzaken. Alle quota en saldi luiden in perunen van de trendmatige productiewaarde van de marktsector. Het model heeft als referentiekader een langetermijn groeipad in de economie. De variabelen geven aan hoeveel hoger of lager de onderliggende grootheden zijn in procenten (bij Saldi: procentpunten) van hun waarde op dat groeipad. Is de variabele w (reëel loon) volgens de analyse -1 dan ligt het feitelijke loon dus 1% lager dan bij ongestoorde groei het geval zou zijn geweest. Daartoe is één keer een groei met minder dan en overigens een ongestoorde groei met het normale stijgingspercentage van dat loon (de jaarlijkse arbeidsbesparing) nodig. In plaats van met één keer zo’n lagere groei kan dat ook gecumuleerd over meerdere jaren worden bereikt.

De in euro’s omgerekende importprijzen muteren met de wisselkoers. Andere oorzaken van veranderingen in invoerprijzen zijn buiten beschouwing gelaten. Omwille van de eenvoud is voorts aangenomen dat er een elasticiteit van 1 is tussen productie en import van grondstoffen.

De basis wordt gevormd door de relaties voor de marktsector als draagvlak voor de collectieve. Volgens vergelijking 1a is de (meer dan trendmatige) kapitaalgoederenvoorraad aan het begin van de periode het gewogen gemiddelde van de nog resterende (meer dan trendmatige) oude van gisteren en de (dito) nieuwe kapitaalgoederen (de investeringen). De (extra) vraag naar arbeid (1b) wordt bepaald door de productie en door de kostenverhoudingen tussen arbeid en kapitaal (substitutie). Een soortgelijke relatie bepaalt de gewenste omvang van het kapitaalgoederenvolume in de lopende periode. De productiecapaciteit (potentieel aanbod van goederen en diensten) is afhankelijk van de ingeschakelde arbeid- en kapitaalvolumina en hun productie-elasticiteiten. De productie, dat is de gewogen som van de bestedingsonderdelen particuliere consumptie, materiële overheidsuitgaven, bedrijfsinvesteringen en exportoverschot, kan daarvan afwijken tenzij er volledige mededinging is.

De totale vraag naar arbeid is afhankelijk van de werkgelegenheid in de marktsector en in de collectieve sector. De laatste is autonoom verondersteld (g ). Bij het arbeidsaanbod speelt naast de autonome component eventueel het ontmoedigingseffect. Ik zal daarmee hierna geen rekening houden. De nominale loonvoet in de marktsector is afhankelijk van de prijsontwikkeling, de arbeidsproductiviteit, de situatie op de arbeidsmarkt en ook van de ruilvoet en de wig. Dit laatste al dan niet in het kader van de “right to manage”-gedachte. De eventuele autonome loonimpuls hangt samen met de loonpolitiek en desgewenst met (autonome) mutaties in de replacementratio en dus de uitkeringshoogte. Het gemiddeld loon- en steuninkomen per hoofd van de ontvangende groep wordt bepaald door de loonvoet in de marktsector en de daaraan gekoppelde uitkeringen en ambtenarensalarissen, waarbij de autonome component staat voor ontkoppelingen. In de normale situatie is gekozen voor bruto koppelingen. Het totale nominale netto loon- en steuninkomen volgt uit het totaal aantal loon- en steuntrekkers (lT ), hun gemiddelde inkomen per hoofd (plT) en de belasting- en premiedruk op inkomsten in verband met arbeid (loon, salaris, uitkering, pensioen). Deze druk (t’l ) is gemakshalve voor ieder gelijk. Dan is er tevens netto koppeling. Het saldo van premiebetalingen en ingegane pensioenen bij kapitaaldekking (Spens) is alleen volledigheidshalve verwerkt. Ik beperk mij vanwege de EMU-praktijk tot het omslagstelsel.



De kostprijs kent als onderdelen de geïmporteerde grondstoffen en de arbeids- en kapitaalkosten. In geval van een monopolie volgen de verkoopprijzen de kostprijs, zodat de winstmarge constant blijft. Dan is er alleen kosteninflatie, hoewel de bezettingsgraad (y-y) ook van invloed is op de kostprijs. In geval van volledige mededinging zorgen de verkoopprijzen juist voor marktruiming. Onafhankelijk van de kosten variëren zij daar totdat op de goederenmarkt vraag (y) en aanbod (y) aan elkaar gelijk zijn geworden. Dan duikt de vraaginflatie op.

De verkoopprijs is een gewogen gemiddelde van de binnen- en buitenlandse afzetprijzen van onze ondernemers. Zij zijn ex hypothesi aan elkaar gelijk. De prijs der binnenlandse bestedingen is het gewogen gemiddelde van prijzen van binnenlandse en buitenlandse aanbieders. De prijzen van de buitenlandse bedrijven op de externe wereldmarkt en binnen de EMU (importprijzen) zijn eveneens gelijk gesteld. Tenslotte is de ruilvoet het verschil tussen de prijs van de toegevoegde waarde en van het binnenlandse bestedingspakket. Dit wordt bepaald door het verschil tussen de ex- en importprijzen, het omgekeerde van de internationale concurrentiepositie.

De nominale rentevoet is afhankelijk van de prijzen en van de spanning tussen transactievraag naar en aanbod van geld. Het nominale kapitaalrendement in bedrijven volgt uit het (gewogen) saldo van toegevoegde waarde en arbeidskosten per eenheid kapitaal. Het calculatierendement, op basis waarvan de ondernemers hun beslissingen over de productietechniek nemen, is in de marktvorm van het monopolie (Ky=0) afhankelijk van de rentevoet5. Bij volledige mededinging evenwel (Ky=1) verliest de notie van de kapitaalkosten zijn betekenis, omdat de productiefactoren dan worden beloond overeenkomstig hun grensproducten. Hier is het calculatierendement gelijk aan het bedrijfsrendement en daarmee onafhankelijk van de rentevoet.

Met betrekking tot de bestedingen is aangenomen, dat de netto loon- en steuninkomens volledig worden geconsumeerd, terwijl de nettowinsten juist volledig worden bespaard. De materiële overheidsuitgaven zijn exogeen. De bedrijfsinvesteringen worden in geval van het monopolie afgestemd op snelle verwezenlijking van de gewenste kapitaalgoederenhoeveelheid ( k*) voor de

optimale bedrijfsomvang. Bij volledige mededinging bestaat er geen optimale bedrijfsgrootte. Hier is de investeringsfunctie aangevuld op basis van de theorieën van Wicksell, Tobin etc.: de verhouding tussen het bedrijfsrendement (opbrengst beleggen in het bedrijf) en de rentevoet (opbrengst beleggingen elders) determineert dan de investeringsactiviteit. Het exportoverschot is afhankelijk van de wereldhandel en de binnenlandse productie (importlek) en vervolgens van de internationale concurrentiepositie.

Per sector zijn spaar- en inkomensoverschotten mogelijk. In de collectieve is een onderscheid gemaakt tussen twee componenten. De eerste is het saldo van loonbelasting plus sociale premies minus ambtenarensalarissen plus sociale uitkeringen: het saldo in verband met arbeid. De tweede component wordt gevormd door het saldo van de winstbelastingen en de materiële overheidsuitgaven6. De gewogen som van deze twee deelsaldi levert het primaire spaaroverschot7 op van de collectieve sector. Het dito spaarsaldo van de particuliere sector is ook opgebouwd uit de gewogen som van twee deelsaldi: netto beschikbaar loon- en steuninkomens min consumptie en netto winsten (besparingen) min bedrijfsinvesteringen. Dit strookt met onze (realistische) hypothese rond consumptie en besparingen.

De waarde van het saldo op de lopende rekening is het saldo in vaste prijzen gecorrigeerd voor de ruilvoetmutatie. Het saldo van de internationale kapitaalstromen werd afhankelijk gesteld van mutaties in internationale rentevoetverschillen en wisselkoers- en prijsontwikkelingen8. De buitenlandse rentevoet (VS ) is ex hypothesi constant en daarom weggelaten.

Tot slot zijn er de systeemkeuzen. Als Kom=1 wordt het volledige, brede omslagstelsel toegepast. Het deelsaldo in de collectieve sector in verband met arbeid (Slg ) is dan 0, via de keuze van de juiste belasting- en premiedruk. Hierna wordt deze positie bezien. De mutatie in de druk wordt dan bepaald door de (mutatie in) de verhouding tussen de in totaal ontvangen loon- en steuninkomens en de verdiende looninkomens in de marktsector als draagvlak9. Het primaire overheidssaldo is dan gelijk aan het deelsaldo van winstbelastingen en materiële uitgaven. Onder vigeur van een kapitaaldekking (Kom=0) kan de overheid eventuele mutaties in het saldi der pensioenfondsen neutraliseren met haar budgetpolitiek.

De tweede keuze betreft het wisselkoersregime. Met behulp van de monetaire politiek (Qs, het geldaanbod in vergelijking 4a) kan de wisselkoers worden gestabiliseerd (Kpw=0). Het rentebeleid van bijvoorbeeld DNB was in het verleden gericht op een vaste DM-koers van de gulden. In de EMU zou het in deze context om de euro versus de dollar kunnen gaan. Maar in de berekeningen hierna is een vrije wisselkoers verwerkt (Kpw=1). Dan is de betalingsbalans steeds in evenwicht (de valutamarkt steeds geruimd) via adequate wisselkoersaanpassingen.

In de derde plaats is er de kwestie van de marktvorm: het monopolie met de bijbehorende Keynesiaanse vraagtheorie (Ky=0) dan wel de volledige mededinging met de dan resulterende neoklassieke aanbodtheorie (Ky=1). Deze keuze trekt -zoals is aangegeven- zijn sporen naar meer relaties. Afzonderlijke aandacht vergt nog de uitwerking van het monopoliegedrag ingeval van onderbezetting. Van de ene kant stijgt dan de kostprijs (3a), zodat de verkoopprijs omhoog zou gaan. Zulke prijsverhogingen impliceren echter verder teruglopende omzetten. De monopolist wenst de prijs bij onderbezetting daarentegen mogelijk juist te verlagen om de achterblijvende omzet alsnog op te krikken. Ik ben er hierna vanuit gegaan dat deze twee tegengestelde tendensen elkaar compenseren, zodat per saldo de verkoopprijs ingeval van monopolie ongevoelig is voor de bezettingsgraad en daarmee voor de vraag-aanbodverhouding op de goederenmarkt. Via de keuze van de waarde in 7c. voor βy is dit metterdaad bereikt. In dit geval zijn vraag- en kosteninflatie althans theoretisch volledig van elkaar te scheiden.

In geval van een monopolie zijn de productie-elasticiteit van arbeid (λ) en de loonquote (λ) niet, bij volledige mededinging wel aan elkaar gelijk. Hetzelfde geldt voor de productie-elasticiteit en het inkomensaandeel van kapitaal (1-λrespectievelijk 1-λ). Ik heb deze verschillen bij de berekeningen verwaarloosd. Het komt de inzichtelijkheid ten goede, terwijl het zeker op de kwalitatieve uitkomsten10 geen invloed heeft. Juist om die inzichten draait het. Soortgelijke opmerkingen zijn van toepassing op de keuze van andere coëfficiënten (koppelingen).

Op de macro-economische goederenmarkt worden dus twee posities onderscheiden. Dat geldt niet, noch in dit model noch in JADE, voor de arbeidsmarkt. Volledige mededinging is daar geen optie: er is geen sprake van voortdurende endogene loonaanpassingen totdat die markt weer is geruimd. Elke impuls levert als gevolg hiervan zijn eigen specifieke werkloosheid op.



De allerlaatste opmerking betreft de financieringsoverschotten en de schuldquoten van de overheid. Primaire spaaroverschotten spelen een grote rol. Er is evenwel geen extra rol voor de rentelasten en de financieringstekorten weggelegd. Dat komt omdat die rentelasten niet van invloed zijn op de reële sfeer. Ze leiden niet tot extra bestedingen. Misschien een heel klein beetje, maar dat is de moeite van het analyseren niet waard. Wel kan een toenemend financieringstekort nopen tot hogere rentes op overheidsobligaties. Dat hangt van de reacties van de beleggers af. Die rentevoet kan vervolgens van invloed zijn op de kapitaalkosten en de prijzen en zo of rechtstreeks (investeringen) op de productie en de reële sfeer. In Tilburg zijn modellen ontwikkeld waarin dergelijke relaties zijn gelegd. In de modellen van het CPB is dat niet het geval. Daar is de rente bovendien gegeven. In het boven beschreven model doemen zulke rente-effecten wel op, dank zij de variabele rentevoet en de verklaring daarvan. De financieringssaldi en schuld- en rentelastenquoten hoeven daarvoor niet in de berekeningen te worden meegenomen. Niet omdat dat niet had gekund, wel omdat zij boven de primaire saldi en de al verwerkte renterelaties geen extra informatie leveren. Overigens zal ik hierna zo nodig nader ingaan op de implicaties van zich aandienende financieringstekorten inclusief de schuldproblematiek.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina